December 2002

Herman Simissen

De waarde van intellectuele bescheidenheid

Bij de honderdste geboortedag van K.R. Popper


Voor Jef, ter nagedachtenis


'I may be wrong and you may be right,
and by an effort, we may get nearer to the truth.'

K.R. Popper, The Open Society and its Enemies

In 1979 kreeg de tot dat moment nauwelijks bekende Franse filosoof Jean-François Lyotard (1924-1998) plotseling internationale vermaardheid met zijn boek La condition postmoderne. In deze spraakmakende studie – een diagnose van 'het weten' in de postindustriële samenleving – bracht Lyotard de idee naar voren dat het kenmerkend is voor dit tijdsgewricht, dat niet langer geloof wordt gehecht aan wat hij noemt de 'Grote Verhalen'. Grote Verhalen – ideologieën als het marxisme of het nationalisme, godsdiensten, maar ook wetenschap – kunnen bijgevolg niet langer dienen om aanspraken op waarheid te rechtvaardigen. Met het geloof in Grote Verhalen is, aldus Lyotard, ook de absolute waarheid verloren gegaan. Deze analyse van Lyotard riep een storm van reacties op: in tal van discussies werden zijn constateringen aangevochten of juist ondersteund, verworpen of juist bevestigd.

De enorme weerklank op La condition postmoderne heeft mij altijd verbaasd. Veel van wat Lyotard stelde – het verwerpen van ideologieën als het marxisme, het ontkennen van de absolute waarheid – was immers al eerder naar voren gebracht door de Britse, van oorsprong Oostenrijkse filosoof Karl Popper (1902-1994)2. Maar in de talrijke discussies over het postmodernisme werd de naam van Popper merkwaardig weinig genoemd, terwijl – meer in het algemeen – sinds zijn overlijden de belangstelling voor zijn ideeën wat lijkt af te nemen. Bijna symbolisch daarvoor is, dat zijn vroegere werkkamer in de London School of Economics – de instelling waar hij jaren doceerde – is omgebouwd tot toilet. Juist nu de belangstelling voor Popper wat terug lijkt te lopen, is er alle reden om – bij gelegenheid van zijn honderdste geboortedag – nog eens stil te staan bij de inhoud en betekenis van zijn filosofie.

Achtergrond

Karl Raimund Popper werd op 28 juli 1902 geboren in Wenen, als zoon van Simon Popper en Jenny Schiff. Hij had twee oudere zusters, Dora en Annie. Zijn vader was een welgestelde advocaat. De ouders van Popper waren geassimileerde joden, die hun kinderen opvoedden in de protestantse traditie. In later jaren beschouwde Popper zichzelf dan ook nadrukkelijk niet als jood, al had hij desondanks gevoelens van verbondenheid met vooral die joden die, waar ook ter wereld, het slachtoffer waren van discriminatie of vervolging. Zo ook voelde hij zich enigszins beschaamd over de politiek van de staat Israël tegenover de Palestijnen. Popper groeide op in een veilige, beschermde omgeving, waarin hij niets tekortkwam. De Eerste Wereldoorlog – Oostenrijk verklaarde precies op de twaalfde verjaardag van Popper de oorlog aan Servië – maakte een einde aan deze zorgeloze jeugd. Op zijn zestiende verliet Popper zijn ouderlijk huis en de middelbare school, nog voor het eindexamen. Al stond hij nadien formeel ingeschreven als student, hij studeerde niet, maar had uiteenlopende baantjes. Zo was hij onder meer in de leer bij een meubelmaker – in zijn autobiografie vertelt hij smakelijk over deze tijd – en hij werkte met verwaarloosde kinderen. In het verlengde van dit werk met kinderen lag zijn besluit, in 1925, zich in te schrijven aan het juist gestichte Pedagogisch Instituut in Wenen – dat werd opgericht als onderdeel van ingrijpende hervormingen van het onderwijs in Oostenrijk –, waar hij een opleiding tot onderwijzer volgde. Deze inschrijving bood hem bovendien de kans universitair onderwijs te volgen; omdat hij de middelbare school voortijdig had verlaten, had hij eerder geen toegang tot de universiteit gehad. Aan de universiteit volgde hij colleges in de wiskunde, theoretische natuurkunde, psychologie en filosofie. In deze tijd leerde hij Josefine Henninger, meestal 'Hennie' genoemd, kennen, met wie hij in 1930 in het huwelijk trad. Tot haar overlijden in 1985 hadden zij een zeer hechte relatie. Popper ging werken als leraar, en deed daarnaast filosofisch onderzoek. De neerslag daarvan was Die beiden Grundproblemen der Erkenntnistheorie, dat als typoscript circuleerde onder filosofen en natuurwetenschappers in Wenen, maar pas in 1979 zou worden gepubliceerd. Een verkorte versie van deze studie werd in 1934 gepubliceerd als Logik der Forschung. In deze tijd begon Popper te beseffen dat, in een klimaat van groeiend antisemitisme in Oostenrijk, een universitaire loopbaan in zijn vaderland niet voor hem zou zijn weggelegd. Ook al beschouwde hij zichzelf niet als jood, door anderen werd hij immers wel als jood gezien. Daarnaast baarden de politieke ontwikkelingen in Oostenrijk – er was een verrechtsing gaande die gepaard ging met veel geweld tegen andersdenkende politici – hem zorgen. Mede omdat zijn Logik der Forschung meteen na publicatie in de Engelstalige wereld de nodige aandacht had gekregen, besloot Popper met zijn vrouw naar Engeland te emigreren. Maar geen van de kansen die zich voordeden op een baan in Engeland leidde daadwerkelijk tot een benoeming. Toen er een vacature was aan Canterbury University College in Christchurch, Nieuw-Zeeland, solliciteerde Popper daar, en hij werd aangenomen.

Popper kwam in maart 1937 aan in Christchurch. Hij was er de enige filosoof van zijn afdeling, en moest daarom alle onderwijs in de filosofie verzorgen: inleidende cursussen, geschiedenis van de filosofie, logica, ethiek, enzovoorts. Tijdens zijn verblijf in Nieuw-Zeeland schreef hij, terwijl in Europa en Azië de Tweede Wereldoorlog woedde, de twee werken die hem beroemd zouden maken: The Poverty of Historicism, dat in 1944 en 1945 in drie afleveringen verscheen in het tijdschrift Economica en pas in 1957 in boekvorm werd gepubliceerd, en The Open Society and its Enemies (1945). Beide werken vormen een krachtige aanval op totalitaire regimes, en een principiële verdediging van de democratie; Popper zelf betitelde ze als 'zijn oorlogsinspanning'. Vanuit Nieuw-Zeeland zette hij zich in voor met name Oostenrijkse vluchtelingen, die een goed heenkomen zochten in deze tijd van oorlog en jodenvervolging. Ondertussen had Popper gesolliciteerd naar een baan als lector in de logica en wetenschappelijke methode aan de London School of Economics. Zijn benoeming verliep niet zonder slag of stoot, maar in 1946 arriveerde Popper in Engeland, om aan zijn nieuwe baan te beginnen. Hij maakte snel naam, en in 1949 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de beroemde instelling. Het hoogleraarschap werd hem daar niet in de laatste plaats aangeboden, omdat hem soortgelijke aanbiedingen door universiteiten in en buiten Engeland werden gedaan: de London School of Economics wilde hem graag behouden. In de volgende jaren werd Popper meer en meer een internationale bekendheid. Hij trok studenten uit binnen- en buitenland, en werd in tal van landen uitgenodigd voor lezingen en gastcolleges. Hij werkte aan een Engelstalige editie van Logik der Forschung, die in 1959 zou verschijnen als The Logic of Scientific Discovery. Tot 1972 bleef Popper doceren in Londen, en hij publiceerde over tal van aspecten van de wetenschappelijke methode en over andere filosofische problemen.

Ook na zijn pensionering bleef Popper volop actief – onder meer als gastdocent op instellingen vrijwel overal ter wereld. Zelfs in Oostenrijk was hij enkele maanden gasthoogleraar, hoewel hij zich na zijn emigratie had voorgenomen nooit meer naar zijn vaderland terug te keren, en lang had volhard in die beslissing. In 1965 was hij in Engeland in de adelstand verheven – sindsdien ging hij als Sir Karl door het leven –, en daarnaast ontving hij tal van prestigieuze prijzen en onderscheidingen. Met name in zijn laatste jaren werd hij bezocht door staatslieden en andere hoogwaardigheidsbekleders – de Dalai Lama, de keizer van Japan, de toenmalige president van Duitsland Richard von Weiszäcker, de Portugese president Mario Soares, de Duitse bondskanselier Helmut Schmidt en diens opvolger Helmut Kohl, en de Tsjechische dissidentenleider en latere president Václav Havel. Popper overleed op 17 september 1994.

Kritisch rationalisme

Popper noemt zijn filosofie het kritisch rationalisme. Het algemene uitgangspunt van dit kritisch rationalisme is dat de mens feilbaar is: of het nu gaat om wetenschap of om politiek, een mens kan zich vergissen, en daarom past hem intellectuele bescheidenheid. Juist omdat een mens zich kan vergissen, moet het menselijk denken en handelen steeds opnieuw aan een kritische analyse worden onderworpen, aldus Popper. Door kritisch na te denken over zijn handelen en denken kan de mens fouten op het spoor komen, en van gemaakte fouten kan een mens leren. Voor Popper was het kritisch rationalisme daarmee niet zozeer een inhoudelijke theorie als wel een grondhouding in de omgang met wetenschappelijke kennis, maar ook met politieke doelstellingen, met waarden en met normen. Als het kritisch rationalisme er een concrete agenda op na hield, dan was dit dat de voorwaarden moesten worden geschapen om een kritische discussie – zij het in de politiek, zij het in de wetenschap – mogelijk te maken. Met betrekking tot de politiek betekende dit, dat de staatsinrichting in een land van dien aard moest zijn dat een open discussie over politieke onderwerpen door die staatsinrichting mogelijk werd gemaakt en gegarandeerd.

Deze principiële verdediging van de kritische discussie werd door Popper overigens bepaald niet altijd in praktijk gebracht. In openbare debatten gold hij als iemand die slecht luisterde naar de argumenten van zijn opponenten. Met name in zijn latere jaren had hij de neiging anderen in de rede te vallen, om hun argumenten te weerleggen nog voor zij de kans hadden gehad ze uiteen te zetten. Auteurs die aspecten van zijn werk bekritiseerden, verweet hij dat zij hem niet goed hadden begrepen: hij nam hun kritiek nauwelijks serieus, en hield met grote koppigheid vast aan eenmaal ingenomen standpunten. Om deze reden werd zijn hoofdwerk onder Engelse filosofen vaak spottend aangeduid als The Open Society by an Enemy. Deze houding van Popper had in een aantal gevallen tot gevolg dat zijn verhouding met voormalige studenten met wie hij vriendschappelijk omging, ernstig verstoord raakte als hij meende dat zij in hun publicaties geen recht deden aan zijn ideeën. Het meest bekende voorbeeld daarvan is zijn breuk met de Engelse, van oorsprong Hongaarse filosoof Imre Lakatos (1922-1974): Popper reageerde met grote bitterheid op de kritische beoordeling van aspecten van zijn wetenschapsfilosofische opvattingen door deze voormalige student en medewerker. Hij weigerde erop in te gaan, en noemde de naam van Lakatos nooit meer. Soms was de neiging van Popper om uit te gaan van zijn eigen gelijk ronduit hilarisch. Een voorbeeld daarvan is zijn ontmoeting, in de tweede helft van de jaren tachtig, met een Engelse filosoof die in 1948 zijn collega was geweest, en die sindsdien – in de bijna veertig jaar die ondertussen waren verstreken – uiterlijk nogal was veranderd. Toen deze tegen Popper zei: 'I'm John Wisdom', antwoordde hij met grote stelligheid: 'No you're not'.

Vroeg werk: wetenschapsfilosofie

In zijn vroege werk, waarvan Logik der Forschung de neerslag is, stelde Popper twee problemen aan de orde: het zogeheten 'demarcatieprobleem' en het probleem van de wetenschappelijke methode. Met het demarcatieprobleem doelde Popper op de vraag, hoe de grens tussen wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke kennis kan worden bepaald. Op grond waarvan noemen we de ene uitspraak wetenschappelijk en de andere niet? Popper zocht het antwoord op deze vraag in de wetenschappelijke methode: een uitspraak is wetenschappelijk als die uitspraak verantwoord is volgens de wetenschappelijke methode. Maar van de wetenschappelijke methode bestond volgens Popper een verkeerd beeld. Het gangbare beeld van de wetenschappelijke methode was, aldus Popper, dat wetenschappers reeksen waarnemingen doen, en dan op grond van die waarnemingen een algemene uitspraak doen. Het even klassieke als eenvoudige voorbeeld is dat van de zwanen: men neemt honderd keer een witte zwaan waar, en komt op grond van die waarnemingen tot de algemene uitspraak dat alle zwanen wit zijn. Maar de stap van een eindig aantal waarnemingen naar een algemene uitspraak is logisch niet gerechtvaardigd: het feit dat alle zwanen die we tot nu toe hebben gezien wit zijn, garandeert geenszins dat ook de volgende zwaan die we zien wit zal zijn. Daarom heeft het volgens Popper geen enkele zin te zoeken naar alsmaar meer waarnemingen die de algemene uitspraak bevestigen. Hoeveel witte zwanen we ook zien – de volgende zwaan kan een andere kleur hebben. Daarom moet, aldus Popper, juist worden gezocht naar waarnemingen die de algemene uitspraak weerleggen: als we één zwaan vinden die niet wit is, weten we zeker dat de algemene uitspraak dat alle zwanen wit zijn, niet juist is. In de wetenschap gaat het er daarom volgens Popper om, niet te zoeken naar bevestigingen van algemene uitspraken, maar juist naar weerleggingen. Wetenschap bedrijven is daarmee volgens Popper het formuleren van algemene uitspraken, en het proberen dergelijke algemene uitspraken te weerleggen. Zolang een algemene uitspraak niet is weerlegd, wordt deze voor waar aangenomen. Een wetenschapper die de algemene uitspraak doet dat alle zwanen wit zijn, dient dus te zoeken naar zwanen die niet wit zijn; zolang hij die niet heeft gevonden, neemt hij de uitspraak dat alle zwanen wit zijn voor waar aan. Dit betekent dat de waarheid van een algemene uitspraak voor Popper altijd een voorlopig karakter heeft: een algemene uitspraak wordt voor waar aangenomen totdat ze wordt weerlegd, en om principiële redenen moet er altijd rekening mee worden gehouden dat ze wordt weerlegd. Daarmee ontkent Popper het bestaan van een absolute waarheid: de waarheid van wetenschappelijke uitspraken is per definitie voorlopig, een wetenschappelijke uitspraak kan altijd weer ter discussie worden gesteld, en dan is het mogelijk dat ze wordt weerlegd.

De beschrijving van de wetenschappelijke methode die Popper zo heeft ontwikkeld, noemt hij het falsificatieprincipe: het uitgangspunt, dat men in de wetenschap niet moet streven naar de bevestiging, maar juist naar de weerlegging ofwel falsificatie van algemene uitspraken. Aan de wetenschapper stelt dit de eis dat hij algemene uitspraken zo formuleert dat ze principieel weerlegbaar zijn. Als de weerman in zijn weerpraatje met betrekking tot de temperatuur meedeelt dat het de volgende dag kan vriezen of kan dooien, dan is die uitspraak niet te weerleggen: ze klopt altijd. Als hij daarentegen stelt dat het de volgende dag zal vriezen, dan is die uitspraak principieel weerlegbaar: we kunnen een dag later door het meten van de temperatuur vaststellen of de uitspraak juist was of niet. Op soortgelijke wijze dienen wetenschappers volgens Popper hun uitspraken zo te formuleren dat ze principieel weerlegbaar zijn. Op deze manier kunnen we wetenschappelijke uitspraken onderscheiden van niet-wetenschappelijke uitspraken: wetenschappelijke uitspraken zijn zo geformuleerd dat ze weerlegbaar zijn. En hoe vaker een algemene uitspraak pogingen om die uitspraak te weerleggen doorstaat, des te beter gefundeerd is die algemene uitspraak.

Oorlogsinspanning

Dat het zo is geformuleerd dat het in principe onweerlegbaar is, is een van de punten van kritiek op het marxisme die Popper in The Open Society and its Enemies naar voren bracht. Dit boek en The Poverty of Historicism duidde hij aan als zijn 'oorlogsinspanning': zijn persoonlijke bijdrage aan de Tweede Wereldoorlog, aan de strijd tegen totalitaire regimes. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de opdracht die hij aan The Poverty of Historicism heeft meegegeven:

'In memory of the countless men, women and children of all creeds or nations or races who fell victims to the fascist and communist belief in Inexorable Laws of Historial Destiny.'3

Zoals gezegd, zijn beide werken een frontale aanval op totalitaire regimes en een principiële verdediging van de democratie.

In The Open Society keert Popper zich tegen de ideeën van drie filosofen – Plato, Hegel en Marx –, omdat hun denkbeelden naar zijn overtuiging de ideologische achtergrond van het totalitaire denken vormen. Het eerste deel van Poppers studie is gewijd aan Plato, het tweede aan Hegel en Marx. Popper bespreekt de ideeën van deze filosofen uiterst kritisch, maar vaak ook weinig genuanceerd. In passages over Plato en vooral over Hegel gaat hij daarbij wel erg ver: nu en dan ontaardt zijn betoog in regelrechte scheldpartijen. In vergelijking daarmee is hij tamelijk mild over Marx: hij waardeert zijn goede bedoelingen, maar beschouwt hem als een mislukte waarzegger, met zijn toekomstverwachtingen die niet zijn uitgekomen. Zijn afwijzing van marxisten die de denkbeelden van Marx die niet werden bevestigd door de loop van de geschiedenis, door middel van ad-hoc-hypotheses overeind probeerden te houden, was weer feller van toon. Een voorbeeld daarvan was de wijze waarop werd getracht de these van Marx dat de arbeidersklasse alsmaar armer zou worden, staande te houden. Toen deze these niet bleek uit te komen – ook de arbeidersklasse in Europa profiteerde van de groeiende welvaart – stelden marxistische theoretici dat Marx toch gelijk had, omdat de armen in de Derde Wereld armer werden. Dergelijke ad-hoc-hypotheses werden door Popper weggehoond.

Centraal in The Open Society staat de tegenstelling tussen wat Popper een 'open' en een 'gesloten' maatschappij noemt. Kenmerkend voor gesloten maatschappijen is het zogeheten 'stamverband': men leeft er als een collectiviteit die is onderworpen aan het gezag van één of enkele leiders. Binnen een dergelijk stamverband heerst een strikt stelsel van normen en waarden. In een open maatschappij daarentegen acht men zich niet langer gebonden aan overgeleverde ideeën, normen en waarden. De toekomst van een open maatschappij wordt bepaald door die maatschappij zelf, in een vrije discussie tussen de leden ervan. Een dergelijke discussie vraagt van hen een kritische betrokkenheid bij het geheel. Uiteindelijk gaat het Popper bij dit alles om een ethische kwestie, meer in het bijzonder om de vraag naar de grondslagen van de ethiek. Ontleent de mens zijn ethiek aan iets buiten zichzelf, zoals de traditie of de natuur? Of bepaalt de mens zelf zijn ethiek? In een gesloten maatschappij wordt de ethiek niet door de mens zelf bepaald, in een open maatschappij wel – en Popper betoont zich een uitgesproken voorstander daarvan, dat de mens zelf zijn ethiek bepaalt, en, in samenhang daarmee, ook zelf de verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

Popper plaatst de tegenstelling tussen de gesloten en de open maatschappij in historisch perspectief: de overgang van een gesloten naar een open maatschappij heeft zich, zo stelt hij, voor het eerst voorgedaan in de Griekse Oudheid, meer in het bijzonder in het denken van de presocratische filosofen. Maar de overgang naar de open maatschappij heeft nooit zijn beslag gekregen: in de loop van de geschiedenis is de open maatschappij steeds opnieuw aangevochten – bij voortduring dreigde de terugval naar een gesloten maatschappij. Popper interpreteerde de Tweede Wereldoorlog als een aanval op de open maatschappij, en de ideologische achtergrond van deze aanval op de open maatschappij werd naar zijn stellige overtuiging gevormd door de ideeën van Plato, Hegel en Marx. Vandaar dat hij juist hun ideeën zo fel bestreed in The Open Society.

In The Poverty of Historicism ging Popper nader in op één aspect van de ideologie die ten grondslag aan de aanval op de open maatschappij lag: de idee dat men op basis van inzicht in de geschiedenis voorspellingen met betrekking tot de toekomst kon doen. Deze idee noemt Popper het historicisme; het is een karakteristieke eigenschap van fascisme en communisme – men denke bijvoorbeeld aan de marxistische idee dat de klassenstrijd onafwendbaar zou uitmonden in de vestiging van de socialistische staat –, maar kan ook in de sociale wetenschappen worden onderkend. In The Poverty of Historicism gaat Popper met name in op de sociale wetenschappen. Hij analyseert de verschillende soorten argumenten die worden aangevoerd voor de idee dat het opstellen van toekomstvoorspellingen het voornaamste doel van de sociale wetenschappen is, en probeert deze argumenten te weerleggen. Net als in The Open Society gaat het hem daarbij niet in de eerste plaats om een theoretische analyse, maar om de bestrijding van ideeën die naar zijn opvatting in de praktijk funest waren. Een van die ideeën is bijvoorbeeld dat van de 'maakbare samenleving': de idee dat men een blauwdruk van een ideale samenleving kan opstellen, en deze vervolgens in de praktijk kan verwezenlijken. Aan die idee zijn talloze mensen ten offer gevallen – bijvoorbeeld tijdens de gedwongen collectivisatie van de landbouw in de toenmalige Sovjet-Unie onder Stalin. Als alternatief suggereert Popper wat hij noemt de 'stuksgewijze benadering', waarbij een maatschappij niet als geheel wordt hervormd, maar waarbij wordt geprobeerd de problemen in een maatschappij één voor één op te lossen.

Met zijn oorlogsinspanning heeft Popper een krachtige bijdrage geleverd aan de bestrijding van totalitaire regimes – niet alleen van de totalitaire regimes van zijn eigen tijd, waartegen zijn geschriften natuurlijk in de eerste plaats waren gericht, maar, doordat Popper zijn strijd tegen het totalitarisme op een principieel niveau voerde, tegen totalitarisme als zodanig. Dat maakt de beide boeken die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef – ondanks alle aanmerkingen die er zeker op kunnen worden gemaakt – tot een indrukwekkende verdediging van de vrije, kritische discussie die de grondslag vormt van de democratie.

Naoorlogse jaren

In de naoorlogse jaren – toen hij aanvankelijk lector, later hoogleraar was aan de London School of Economics – ging de aandacht van Popper weer voornamelijk uit naar kentheoretische problemen met betrekking tot de natuurwetenschappen, net zoals in de jaren dertig. Zo dacht hij na over de vraag of, en zo ja, welke betekenis de quantummechanica had voor de kentheorie. Desondanks publiceerde hij ook wel over kentheorie in relatie tot de sociale wetenschappen en de geschiedenis. Maar eerst en vooral werkte hij aan een Engelstalige editie van zijn Logik der Forschung: The Logic of Scientific Discovery. Deze uitgave bevatte tal van toevoegingen en uitweidingen waarin Popper de inzichten verwerkte die hij sinds 1934, toen Logik der Forschung verscheen, had ontwikkeld.

In de jaren zestig publiceerde Popper bovendien ideeën die hij had ontwikkeld ten aanzien van menselijke kennis in het algemeen, en van wetenschappelijke kennis in het bijzonder. Een interessant voorbeeld daarvan is de opvatting over kennis, die hij met name in zijn boek Objective Knowledge (1972) heeft uitgewerkt. De titel van zijn essay 'Epistemology without a knowing subject' geeft in een notendop aan wat deze opvatting inhoudt. Uitgangspunt is het onderscheid dat Popper maakt tussen drie 'werelden': de wereld van fysische objecten; de mentale wereld van bewustzijnstoestanden; en de wereld van ideeën in objectieve zin. Deze 'derde wereld' is door de mens geschapen, maar tegelijkertijd vrijwel onafhankelijk van de mens. Tot deze derde wereld behoort bijvoorbeeld de taal, maar daarnaast ook wetenschappelijke theorieën. De relativiteitstheorie van Einstein is een voorbeeld van zo'n theorie: het is mogelijk min of meer objectief te omschrijven wat deze theorie inhoudt, en de inhoud van deze theorie staat los van de bewustzijnstoestanden van de persoon Einstein. Popper spreekt in dit verband van de 'objectieve geest', als tegengesteld aan de 'subjectieve geest': de 'subjectieve geest' is die van de bewustzijnstoestanden van het individu, de 'objectieve geest' omvat kennis die onafhankelijk van het individu bestaat.

Een ander idee dat Popper ontwikkelde, is de gedachte dat kennis – wetenschappelijke kennis en kennis in het algemeen – teruggaat op een patroon van 'gissingen en weerleggingen'4. Dit patroon – volgens Popper ligt het zelfs ook ten grondslag aan het handelen van dieren – is door Popper weergegeven in het volgende schema, dat onder andere in zijn autobiografie is opgenomen:

P1 ->TT -> EE -> P2

Uitgangspunt in dit patroon is een probleem (P1). Voor de oplossing van dit probleem wordt een voorlopige theorie bedacht (TT, 'tentative theory'). Vervolgens wordt deze voorlopige theorie kritisch onderzocht: er wordt geprobeerd de fouten uit deze theorie te halen (EE, 'error elimination'). Maar daarmee is de cyclus niet ten einde: het betekent dat het oorspronkelijke probleem in een nieuw perspectief wordt gezien; daarmee ontstaat een nieuw probleem (P2), en de cyclus wordt herhaald.

Met deze en andere ideeën bleef Popper tot op hoge leeftijd de aandacht trekken. Zodoende kreeg hij met recht de reputatie een van de meest vooraanstaande en invloedrijke filosofen van de twintigste eeuw te zijn geweest. Deze invloed bleef niet beperkt tot de filosofie, maar deed zich gelden in de meest uiteenlopende vakgebieden. Zo zijn er natuurwetenschappers, geneeskundigen en sociale wetenschappers die verklaren schatplichtig te zijn aan het kritisch rationalisme van Popper. Maar ook de vermaarde kunsthistoricus Ernst Gombrich (1909-2001), met wie Popper een lange en hechte vriendschap onderhield – net als Popper was Gombrich oorspronkelijk afkomstig uit Wenen – zei sterk door hem te zijn beïnvloed.

Afsluiting

Popper slaagde er als weinig anderen in, eenvoudig en helder over zeer complexe filosofische problemen te schrijven. Juist daardoor kon hij zijn ideeën krachtig naar voren brengen – of het nu ging om zijn wetenschapsfilosofische gedachten, of om zijn inzichten in de politiek-sociale filosofie. Zijn stijl van schrijven imponeert des te meer, als men beseft dat het Engels niet zijn moedertaal was, maar een taal die hij zich op latere leeftijd eigen had gemaakt. Daarbij heeft Popper een aantal begrippen geïntroduceerd die grote bekendheid hebben gekregen en zelfs algemeen in gebruik zijn geraakt. 'Open samenleving' is een voorbeeld, maar daarnaast kan worden gedacht aan begrippen als 'conspiratietheorie' en 'vulgair marxisme'.

Wat is nu de betekenis van Popper, honderd jaar na zijn geboorte? Met betrekking tot zijn opvattingen over wetenschapsfilosofie kan met recht worden gesteld, dat Popper in deze tak van filosofie de meest invloedrijke auteur van de twintigste eeuw is geweest. Ook wanneer er tegenwoordig kritiek wordt geleverd op zijn ideeën, Popper heeft als geen ander de agenda van de wetenschapsfilosofie in de twintigste eeuw bepaald. Het is dan ook geen toeval dat tal van toonaangevende vertegenwoordigers van deze tak van filosofie bij Popper hebben gestudeerd of zijn medewerker zijn geweest: de eerder genoemde Imre Lakatos, maar bijvoorbeeld ook T.S. Kuhn (1922-1996), Paul Feyerabend (1924-1994), en Joseph Agassi (1927). Zij ontwikkelden hun denkbeelden veelal in aansluiting op, later ook als afwijzing van ideeën van Popper, – maar veel van hun opvattingen kunnen alleen in relatie tot Popper ten volle worden begrepen.

De ideeën van Popper met betrekking tot de politieke en sociale filosofie zijn zo mogelijk nog invloedrijker geweest. Als zijn naam tegenwoordig in het publieke debat niet meer zo vaak wordt genoemd, dan is dat niet zozeer omdat zijn ideeën over de open maatschappij en over de waarde van vrije discussie achterhaald zijn, als wel omdat ze algemeen ingang hebben gevonden. De afwijzing van totalitaire systemen en de verdediging van de democratie die Popper in The Open Society en The Poverty of Historicism biedt, hebben een veel principiëler karakter dan bijvoorbeeld de opportunistische en warrige apologie voor het democratische systeem van de Amerikaanse publicist Francis Fukuyama in The End of History and the Last Man (1992). Met name in landen waar de democratie niet de welhaast vanzelfsprekende verworvenheid is die ze inmiddels in de westerse wereld is geworden, bestaat dan ook nog altijd veel belangstelling en waardering voor Popper.

Vanwege deze verdiensten is het – honderd jaar na de geboorte van Karl Popper en acht jaar na zijn overlijden – nuttig om van tijd tot tijd zijn publicaties nog eens op te slaan, en stil te staan bij de ideeën van een denker die met recht en reden tot de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw wordt gerekend.

[1] Prof. Dr. W.J. van der Dussen was zo vriendelijk, een eerste versie van dit artikel van commentaar te voorzien; van zijn opmerkingen en suggesties heb ik dankbaar gebruikgemaakt.

[2] Zie onder meer Wijsgerig Perspectief, jg. 42 (2002), nr. 2 (red. Michiel Leezenberg), dat geheel aan Popper is gewijd.

[3] 'Ter nagedachtenis aan de talloze mannen, vrouwen en kinderen van alle geloofsovertuigingen of naties of rassen die ten offer zijn gevallen aan het fascistische en communistische geloof in de Onverbiddelijke Wetten van het Historische Noodlot.'

[4] Conjectures and Refutations is de titel van een bundel met grotendeels eerder in tijdschriften gepubliceerde opstellen van Popper: K.R. Popper, Conjectures and Refutations: the Growth of Scientific Knowledge, Londen, 1963.


Literatuur

K.R. Popper, The Open Society and its Enemies, 2 delen, Londen, 1980 (oorspronkelijke uitgave 1945).

K.R. Popper, The Poverty of Historicism, Londen, 1986 (oorspronkelijke uitgave in boekvorm 1957).

K.R. Popper, Autobiografie, Utrecht en Antwerpen, 1978 (oorspronkelijk Unended Quest, 1974).

W.J. van der Dussen, 'Angelsaksische geschiedfilosofie 1: de filosofie van K.R. Popper', in W.J. van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis. Een inleiding, Muiderberg, 1986, blz. 116-143.

David Edmonds en John Eidinow, De vloek van Wittgenstein. Het onbesliste gevecht met Karl Popper, Amsterdam, 2001.

John Watkins, 'Karl Raimund Popper 1902-1994', in Proceedings of the British Academy 94, 1997, blz. 645-684.

C. Widdershoven-Heerding, e.a., Wetenschapsleer, Heerlen, 1995.

Wijsgerig Perspectief, jg. 42 (2002), nr. 2.

 

© S T R E V E N