Maart 2003

Sofie Gielis

Het woord is steen geworden

De golem van dichtbij bekeken


De legende van de golem is oud en gaat op zijn minst terug tot de tijden waarin de joodse getto’s in steden zoals Praag bedreigd werden. Om hun gemeenschappen te beschermen zouden rabbi’s uit zuivere klei en water een kunstmens gemaakt hebben die ze tot leven brachten met de hulp van God: een golem. De magische formule die de rabbi’s gebruikten, bestond uit de combinatie van alle letters van het Hebreeuwse alfabet, die in de juiste volgorde de naam van God vormen. Op het voorhoofd van de golem of op een stukje perkament dat in zijn mond geschoven werd, stond emeth (‘waarheid’), een van de namen van God. Als de eerste letter werd uitgewist, stond er meth (‘dood’) en verging de golem weer tot stof. Deze sterke, maar lompe reus weerhield vijanden van verdere aanvallen op het getto.

Begin en ontwikkeling van de golem1

De bronnen van de golemsage zijn legenden uit de Talmoed over enkele bekende rabbi’s uit de derde en vierde eeuw. Een eerste verhaal is dat over Rava. Uit Jesaja 59:2 – ‘maar uw misdaden brengen een scheiding teweeg tussen u en uw God’ – leidt Rava af dat wie zonder zonden is, kan scheppen zoals God. Om dit te demonstreren maakt hij een kunstmens en stuurt hij hem naar rabbi Zera. Omdat de kunstmens niet antwoordt als de rabbi tegen hem spreekt, ruikt Zera onraad. Hij vernietigt de golem met de woorden: ‘Keer terug tot je stof’. De creatieve macht van de mens blijft dus beperkt. De kunstmens die hij tot leven wekt, mist altijd een essentiële functie. Meestal is hij, zoals hier, stom. In de Talmoed wordt deze passage gevolgd door de legende van het sabbatkalf. Rabbi Chanina en rabbi Oschaja zouden elke avond voor de sabbat het Boek van de Schepping (Sefer Jetsirah) hebben bestudeerd. Met behulp van dit boek maakten zij een kalf en aten het op. Ook dit dier had een gebrek: het was drie keer zo klein als een normaal kalf.

Uit dergelijke verhalen spreken drie kenmerken van de latere golemschepping: de golem bestaat uit ‘stof’ en vergaat tot stof; het Boek van de Schepping moet door twee personen bestudeerd worden; en de kunstmatige creatie heeft altijd een gebrek. We komen niet te weten hoe deze golemschepping precies in zijn werk ging, maar er is sprake van Sefer Jetsirah. Dit boek gaat over de magische, creatieve kracht van Hebreeuwse woorden en letters in het algemeen en de namen van God in het bijzonder. Over de context waarin dit manuscript werd opgetekend, is niet veel bekend. Het is geschreven tussen de derde en de zesde eeuw. De schrijver is anoniem gebleven. Het is niet duidelijk of het boek bedoeld is als theorie over de structuur van de wereld of als handboek voor magie. In de context van de golemcreatie wordt het beschouwd als handboek. De beschreven formule zou de golem tot leven kunnen wekken.

Om een golem tot leven te wekken wordt er een combinatie gemaakt van alle letters uit het Hebreeuwse alfabet. Deze worden twee aan twee in een cirkel geplaatst en zo ontstaan er 231 paren. Als ze in de juiste volgorde opgezegd worden, vormen ze de volledige naam van God. De namen van God worden ook wel godszegels genoemd. Een dergelijk woord is performatief: omdat een godszegel scheppende kracht heeft, kan de golem erdoor tot leven worden gewekt. Concreet bestaat het ritueel uit het opzeggen van de lettercombinaties terwijl je in een cirkelbeweging om de aarden figuur heen loopt. Om de golem tot leven te wekken doe je dit voorwaarts, om hem te vernietigen achterwaarts.

Het woord ‘golem’ wordt pas in de twaalfde eeuw voor het eerst in zijn huidige betekenis gebruikt. Eleazar van Worms (ca. 1176-1238) gebruikt het in zijn commentaar op Sefer Jetsirah. Door latere studies van het boek Jetsirah krijgt de geestelijke component van de scheppingsmythe de overhand. Zo ontstaat er een betekenisverschuiving. Was de golem eerst een legendarische sagefiguur, nu evolueert hij tot de symbolische figuur die een mystiek initiatieritueel uitdrukt. Hier worden twee aspecten naar voren gebracht die het kernmotief zullen worden van de latere golemverhalen: de golem wordt gemaakt van zuivere, fijne aarde en tot leven gebracht door de scheppende kracht van woorden. De golemcreatie dient enkel als bevestiging van de magische kracht van de formule. Na zijn schepping wordt hij onmiddellijk vernietigd.

In een midrasj (een interpretatie van een commentaar op een deel van de thora) uit de twaalfde eeuw vinden we nog een belangrijk element in verband met Sefer Jetsirah. Vóór God de wereld schiep, maakte hij het Boek van de Schepping dat hij gebruikte als maatstaf voor de creatie van de wereld. Toen hij daarmee klaar was, stak hij Sefer Jetsirah in de thora en liet het aan Abraham zien, die er niets van begreep. Samen met Shem bestudeerde Abraham het boek drie jaar vooraleer hij het begreep. De mens is met andere woorden nooit godgelijk, zelfs niet als hij het boek Jetsirah begrijpt.

Dezelfde midrasj vermeldt dat de profeet Jeremia en zijn zoon Ben Sira na drie jaar studeren een golem maakten. Op zijn voorhoofd stond het woord emeth (‘waarheid’). Dit is een van de godszegels en stond ook op Adams voorhoofd. De golem wiste zelf de letter aleph uit, waardoor meth (‘dood’) overbleef en hij tot stof verging. Een andere versie van deze legende stelt dat de golem kon spreken en dat hij zelf zijn makers vroeg hem te vernietigen uit schrik voor afgoderij. In een derde versie, van het begin van de dertiende eeuw, staat er niet gewoon emeth op het voorhoofd van de golem, maar YHWH elohim emeth (‘God is waarheid’). Ook hier wist de golem zelf de aleph uit, maar voor hij tot stof vergaat, vertelt hij een parabel: een begaafd architect vertelt twee leerlingen het geheim van zijn kunst, ze krijgen ruzie en zijn leerlingen doen hetzelfde werk voor minder geld. De twee leerlingen worden vereerd en de begaafde kunstenaar vergeten. Dit is een expliciete waarschuwing: de mensen vergeten God (de echte kunstenaar) en vereren afgoden. Door het uitwissen van de letter staat er ‘God is dood’, maar ook de golem vergaat hierdoor tot stof. Het mirakel van het leven blijft een goddelijk gegeven, de golem is geen menselijke creatie.

Met deze legende bereikt de taalsymboliek haar hoogtepunt. Maar, met het belang van de taalsymboliek wordt het verval van het ritueel duidelijk. De golemcreatie is niet langer een bevestiging van goddelijke krachten, maar een blasfemie, omdat het gebod ‘Gij zult geen afbeeldingen maken’ overtreden wordt. Ook op andere gebieden brengt de golem gevaar mee. Zo blijft hij bijvoorbeeld groeien en in kracht toenemen. Volgens de legende had rabbi Elias zijn golem zo groot laten worden dat hij niet meer bij zijn voorhoofd kon om de letter uit te wissen. Hij liet de golem, die gehoorzaam de bevelen van zijn meester opvolgt, zijn laarzen uittrekken. Toen de golem zich bukte, wiste Elias de aleph uit, maar het lemen lichaam van de golem viel boven op hem en verpletterde hem.

Een laatste belangrijk motief is de knechtenrol van de golem. Volgens Gershom Scholem (1965) is die in geen van de oude legenden terug te vinden, en komt het motief pas voor in verhalen uit de late Middeleeuwen. Waarschijnlijk heeft de golemidee zich in lekenkringen vermengd met verhalen over andere kunstmatige schepsels. Zo zou Paracelsus (zestiende eeuw) een homunculus gemaakt hebben. Paracelsus dacht dat de vrouw in het voortplantingsproces niet meer was dan een broedoven. In de juiste omstandigheden zou het zaad zich ook buiten het vrouwenlichaam tot een mens kunnen ontwikkelen. Daarom experimenteerde hij met sperma door het te mengen met bloed en mest, en het op een constante temperatuur te verwarmen.

De golem, de homunculus en andere kunstmatige schepsels worden meestal onder dezelfde noemer gerangschikt, maar toch verschillen ze erg van elkaar. Zo bestaat de golem uit anorganisch materiaal dat tot leven wordt gebracht door woorden, terwijl de homunculus ontstaat uit een biologisch-chemisch rottingsproces van een mengelmoes van organische substanties. Ook is de homunculus, in tegenstelling tot de golem, geestelijk superieur.

Een voorbeeld van een ‘knechtengolem’ is te vinden in de bekende legende van rabbi Löw. In 1580 zou deze rabbi een golem gecreëerd hebben om de joden in het Praagse getto te beschermen tegen invallen. Deze legende beschrijft uitgebreid het ritueel dat gevolgd werd. Daaruit blijkt dat een rituele voorbereiding en vastenperiode noodzakelijk waren. De golem wordt gezien als een combinatie van de vier elementen (vuur, water, aarde en lucht), en ook de vier windstreken zijn van belang in het ritueel. Rabbi Löw zou aan het begin van elke sabbat de golem tijdelijk vernietigd hebben, zodat hij de sabbatsrust niet zou verstoren. Op een vrijdag vergat hij dit. Terwijl hij de psalm voorlas in de synagoge, liep de golem ongecontroleerd door de straten en begon alles te vernielen. Rabbi Löw kon nog net verhinderen dat hij in de synagoge binnenging, door de godszegel uit te wissen. Sindsdien zouden de resten van deze golem bewaard worden op de zolder van de Altneusynagoge2.

Vanaf de late Middeleeuwen zijn het dienaren- en automatenmotief met de golemlegende verbonden gebleven. Sinds de twintigste eeuw wordt de golem er steeds sterker mee geïdentificeerd. Door toevoeging van allerlei elementen en vergelijkingen met andere kunstmensen ontstond een hele reeks golemachtige wezens, waaronder Mary Shelley’s Frankenstein en Pinocchio.

Adam als golem

De term ‘golem’ komt één keer voor in de Bijbel, namelijk in psalm 139:16. In deze context wordt waarschijnlijk verwezen naar een embryo. De talmoedische betekenis van het woord ‘golem’ is namelijk ‘het vormeloze’ of ‘het onbezielde’. Bovendien zou er een verband bestaan tussen de scheppingsmythe en de golemlegende. In diezelfde psalm, vers 15 staat bijvoorbeeld al een verwijzing naar de tellurische oorsprong van de mens: ‘Mijn oorsprong was U niet verholen / toen ik in het verborgene gevormd werd, / als in diepten der aarde ontworpen (Ps. 139:15). Ook in Job vinden we zulke uitspraken: ‘Naakt kom ik uit de schoot van moeder aarde, naakt keer ik daar terug’ (Job 1:21). En: ‘Tenslotte ben ik ook maar een aarden pot van God, afgeknepen van het leem’ (Job 33:6).

Ook het boek Genesis vormt een belangrijke bron. Daarin staan zoals bekend twee verhalen over de schepping van de mens. Een eerste keer in hoofdstuk 1, waar niet meer vermeld wordt dan: ‘En God schiep de mens, als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen’ (Gen. 1:27). Deze mens was de kroon op zijn werk en werd als laatste geschapen. Hoe dit in zijn werk is gegaan, komen we hier niet te weten. In Genesis 2 wordt een tipje van de sluier opgelicht: ‘Toen boetseerde Jahwe God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen’ (Gen. 2:7). De levensadem die de mens hier krijgt ingeblazen, is zijn redelijke ziel. Hierdoor krijgt hij onder meer zijn spraakvermogen. De dieren, die ook van klei gemaakt zijn, krijgen deze levensadem niet ingeblazen, zodat de mens zich onderscheidt door zijn verstandelijke en taalkundige vermogens.

Volgens sommige talmoedische overleveringen zou het hele proces van Adams schepping tot zijn verwijdering uit Eden niet langer dan twaalf uur geduurd hebben, en zou Adam in een bepaalde fase van zijn wordingsproces een golem geweest zijn: ‘Adam was said to be "golem" before the breath of God had touched him3. Die golemtoestand duurde van het tweede tot het vierde uur. In het vierde uur blies God hem zijn redelijke ziel in. Deze golem-Adam zou zich van het ene eind van de wereld tot het andere eind hebben uitgestrekt en in deze positie zou hij in een visioen alle komende generaties gezien hebben. Volgens Sigrid Mayer is zo’n voorstelling enkel te verklaren als de aarde waaruit Adam geschapen werd, zelf al een kracht bezat. Zij noemt dit de ‘aardziel’ (‘Erdseele’). Deze aardziel is te vergelijken met de wereldziel bij Plato en Parmenides, daar kom ik zo meteen op terug.

Een belangrijk verschil tussen Genesis 1 en 2 is dat in Genesis 1 man en vrouw samen geschapen worden. Uit dezelfde stof en op hetzelfde tijdstip. In Genesis 2 wordt eerst Adam gemaakt, later schept God Eva uit een van diens ribben. Adam zelf wordt, zoals gezegd, uit aarde of klei gemaakt. Hij wordt zelfs Adam genoemd naar het Hebreeuwse woord adamah, wat ‘aarde’ betekent. Adamah evolueerde echter tot de Hebreeuwse term voor het hele menselijk ras, zodat Adam aangeduid wordt als Adam ha-rishon, de eerste Adam. Omdat God Adam schiep uit aarde afkomstig van de vier windstreken is Adam universeel, een symbool voor de hele mensheid.

Doordat Eva uit Adams rib geschapen wordt, moet ze wel onderdanig en gehoorzaam aan hem zijn. Volgens Genesis 2 zou Eva zelfs later dan de dieren geschapen zijn. Zij staat dus een trap lager dan Adam in de hiërarchie van de schepping. Ze verbetert haar positie natuurlijk niet door van de boom der kennis te eten en zo de zondeval te veroorzaken. Door het hapje uit die appel kent de mens het verschil tussen goed en kwaad. Voor hij dit onderscheid kon maken, deed hij automatisch het goede omdat hij het kwade niet eens kende. Nu hij de keuze heeft, en daardoor ook een wil, vormt hij een bedreiging voor God.

Het maken van een golem is een van de manieren waarop de mens met God probeert te wedijveren. Door zich het geheim van de schepping eigen te maken, kan de mens God overbodig maken. De golemsage roept nog een andere bijbelse associatie op. Een van de tien geboden stelt namelijk: ‘Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde’ (Ex. 20:4). Dezelfde God die de mens uit een hoopje aarde naar zijn evenbeeld schiep, verbiedt de mens afbeeldingen te maken. Dit zorgt voor spanning en heeft niet het beoogde effect. Het lijkt wel of God iets te verbergen heeft en of de mens in staat is dode materie tot leven te wekken. Op die manier wordt de nieuwsgierigheid van de gevallen mens geprikkeld.

Golem en filosofie

Ik had het daarnet even over de ‘aardziel’. Adam zou in een visioen alle komende generaties gezien hebben. Sigrid Mayer en Gershom Scholem zien hierin een verwijzing naar een kracht die Scholem ‘tellurian power’ noemt5. Volgens bepaalde tradities uit de tweede eeuw zou de ziel als potentie aanwezig zijn in de aarde6. Deze aardziel is zoals vermeld vergelijkbaar met de wereldziel bij Plato. De wereld is volgens Plato een levend organisme, analoog aan de mens. Ze is verstandig en bezit een ziel. Deze wereldziel bevat de oerbeelden volgens welke de dingen gemaakt zijn, ook Ideeën genoemd. Doordat er een Idee ‘paard’ bestaat, bestaat er een object ‘paard’. De dingen vallen niet samen met de Idee, omdat de Idee volmaakt en algemeen is, maar elk concreet ding probeert wel zijn oertype (Idee) te benaderen. Toch aanvaardt Plato geen wezenlijk verschil tussen de organische en anorganische wereld. Alles is ingeschakeld in een hiërarchie waarvan de Ideeën de hoogste trap uitmaken.

Ook de menselijke ziel heeft deze Ideeën ooit gekend. Door onze ziel staan wij in contact met de Ideeën, maar we zijn er ons niet meer van bewust. De ziel streeft de scheiding met het lichaam na om terug te keren naar deze Ideeënwereld. De zuivere ziel bevat deze kennis nog steeds, maar vergeet ze zodra ze in contact komt met een onzuiver lichaam. Dezelfde motieven vinden we terug in de joodse mythologie. Zo is er het verhaal van een engel die de ziel naar de wereld begeleidt. In de moederschoot doet de engel alle geheimen van het universum uit de doeken, maar vlak voor de geboorte tikt de engel het kind op de mond waardoor het alle kennis weer vergeet7.

Als we aannemen dat Adam inderdaad deze wereldziel in zich had doordat hij uit aarde gemaakt was, dan verklaart dit waarom hij de dingen kon benoemen. Hij kende namelijk de oerbeelden via zijn aardziel en kreeg daarbij van God een redelijke ziel ingeblazen, waardoor hij kon spreken. Het woord had in de Bijbel scheppingskracht. Denk maar aan: ‘Toen sprak God: "Er moet licht zijn!" En er was licht’ (Gen. 1:3). Juist daarom blijft de golem stom. Als hij een redelijke ziel bezat, zou zijn creatie een volledige herhaling van het scheppingsverhaal inhouden, en zou de mens gelijk zijn aan God. De Adam-golem zou de dingen opnieuw kunnen benoemen en, aangezien hij zijn bestaan aan de mens dankt en niet aan God, zou hij de mens vereren als een god.

Toch is niet enkel voor de schepping van Adam, maar ook voor de schepping van een golem goddelijke geesteskracht nodig. De mens wordt tot leven gewekt door de goddelijke adem, de golem door het goddelijke woord. De golem is een zuivere creatie, omdat hij net als de wereld door het woord geschapen wordt en omdat zijn ziel niet in aanraking komt met een ‘gevallen’ lichaam. Daardoor kent hij de oerbeelden die de aardziel bevat. Zoals gezegd vormt de mens een bedreiging voor God omdat hij de kennis en het spraakvermogen combineert die nodig zijn om iets tot leven te wekken. Daarom vergeet de mens na de val die kennis. Ook de golem vormt een potentiële bedreiging, maar zijn willoze aard en zijn stomheid maken hem schadeloos.

De vergelijking tussen de Talmoed en Plato kan vergezocht lijken, vooral omdat wij gewoonlijk filosofie en religie als twee afgegrensde entiteiten beschouwen. Toch is het waarschijnlijk dat er enige beïnvloeding is geweest. Toen ik de de evolutie van de golemlegende besprak, zei ik dat het verhaal langzaam opgebouwd en uitgebouwd werd. Tijdens dit proces werd het beïnvloed door soortgelijke verhalen zoals dat van de homunculus. Zo is het ook best mogelijk dat Talmoedische verhalen platoonse invloeden hebben ondergaan. David Goldstein beweert bijvoorbeeld dat de joodse rabbi’s waarschijnlijk beïnvloed waren door Plato’s idee van abstracte types in een hogere wereld8.

Golem en taal

Taal en taalsymboliek spelen een belangrijke rol in de golemlegende: de golem wordt tot leven gewekt door het uitspreken van Gods naam, leven of dood zijn afhankelijk van de letters die in zijn voorhoofd gekrast staan, spraakvermogen betekent scheppingskracht, enzovoort. Een bekende bijbelpassage over de kracht van taal vinden we bij Johannes. ‘In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is.’ (Johannes 1: 1-3) Het woord is de sleutel tot het leven, en dat woord is God. Wie het woord gebruikt, gebruikt dus God. Dit onderstreept nog eens dat de golem geen zuiver menselijke creatie is. Aangezien hij gemaakt wordt door bemiddeling van woorden, is hij een schepping door bemiddeling van God, en geen bewijs van de goddelijkheid van de mens.

Volgens Scholem heeft het ‘alephbeth’, het Hebreeuwse alfabet (othioth), magische kracht9. Met het niet-joodse alfabet kunnen we hooguit woorden en abstracte begrippen scheppen. Alleen het Hebreeuws bezit die magische kracht. Zoals de joden Gods uitverkoren volk zijn, zo is het Hebreeuws Gods uitverkoren taal, die namelijk niet alleen dient om te communiceren, maar eerst en vooral om te scheppen10.

Dat de golem altijd een afwijking vertoont, herinnert aan de duivel, die steeds een gebrek heeft als hij zich in menselijke gedaante vertoont. De duivel in het middeleeuwse mirakelspel Mariken van Nieumeghen, bijvoorbeeld, heeft maar een oog11. Dat brengt ons bij een andere mogelijke oorzaak van de gebrekkigheid van de golem: de onzuiverheid van de menselijke ziel. De dominerende opvatting onder kabbalisten is, dat het spraakvermogen de hoogste van alle menselijke gaven is. Aangezien de golem geschapen wordt door onvolmaakte mensen en dus zelf onvolmaakt is, moet hij het zonder deze gave stellen. De golem is door de overtreding van de tien geboden een duivelse creatie en kan dus geen toegang hebben tot de goddelijke taal. De enkele keren dat de golem kan spreken, waarschuwt hij voor afgoderij, en zo bevestigt hij het gebod. De hele taalsymboliek zit samengebald in het woord dat beslist over leven of dood: EMETH. Dit woord, en meer bepaald de eerste letter ervan vormen de essentie van het bestaan van de golem. In het Hebreeuws hebben alle letters een cijferwaarde. De aleph – waarmee het woord emeth begint – is de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet en heeft de kleinste cijferwaarde, namelijk één. Toch is het net die onbeduidende letter die alle kracht in zich draagt door van ‘dood’ (meth) ‘waarheid’ (emeth) te maken, en omgekeerd. Wie de ‘waarheid’ beheerst, begrijpt leven en dood. Dat ultieme weten is niet voor mensen weggelegd. Wie van de boom der wijsheid eet, wordt gestraft. Of nog: wie de ‘waarheid’ kent, sterft. De taal is het begin van alle leven: God sprak, en er was leven. Maar blijkbaar geldt ook: God sprak, en er was dood.

Volgens Sefer Jetsirah heeft ook God cijferwaarde één. ‘Één’ staat dus niet alleen voor het minste (aleph), maar ook voor het meeste (God). Één/aleph/God verenigt het hoge en het lage. Zo toont aleph dat de extreme begrippen waarheid (leven) en dood niet ver van elkaar af liggen, en dat het de taal is die zorgt voor de verbinding.

De golem als thema

Dat de golem een universeel en tijdloos thema is, blijkt uit de vele genres waarin de figuur, ook vandaag nog, opduikt. Vrij bekend zijn de golemfilms, zoals Der Golem van Paul Wegener en Carl Boese of Le Golem van Julien Duvivier, maar ook in theater, poëzie en tekenfilms wordt dankbaar gebruikgemaakt van de legende. Zelfs kinderboeken lijken inspiratie te vinden in de golem- en aanverwante legendes. Zo heb je Markus en de golem van Bodo Schulenberg, en sprookjes zoals Pinocchio, Het ijzeren soldaatje en Het peperkoekenmannetje over houten, peperkoeken of ijzeren mannetjes die tot leven komen. Ook in de speelgoedsector is de golem bekend: Pokémon nummer 76 werd ‘golem’ gedoopt.

Voorts wordt het thema gebruikt in fantasieverhalen (bijvoorbeeld De hobbit van Tolkien), maar ook in minder voor de hand liggende genres zoals strips (bijvoorbeeld Le petit monde du golem of het album De Golem in de reeks De Rode Ridder). In verhalend proza wordt de mythe geregeld vernoemd of gesuggereerd, onder andere bij Harry Mulisch (De procedure) en Bruce Chatwin. Chatwin heeft het in zijn roman Utz over een porseleinverzamelaar (Kaspar Joachim Utz) die zijn collectie beschouwt als kunstmensjes.

Een belangrijk werk is Der Golem van Gustav Meyrink (1915). Meyrinks golem is een soort dwalende jood die om de drieëndertig jaar verschijnt in het Praagse getto. Meyrink gebruikt weinig van de joodse traditie. Hij geeft de golem een symboolfunctie. De golem is hier, zoals in de meeste verhalen, een redder in nood. Hij redt de joden echter niet van pogroms of aanslagen van christenen, maar van de psychologische ondergang: de golem verschijnt als een magische psychiater van het getto.

Frankenstein, uit het gelijknamige boek van Mary Wollstonecraft Shelley, is een van de bekendste golemachtige wezens. Hij is een kunstmatig tot leven gewekte man, samengesteld uit lichaamsdelen van lijken. De Frankensteinlegende is een eigen leven gaan leiden en duikt vaak op in sciencefictionverhalen, -strips en -films.

Uit dit alles besluit ik dat er niet zoiets bestaat als een originele golemlegende. Om te beginnen bestond het thema al voor het begrip golem in zijn huidige betekenis in omloop kwam. Bovendien is de legende zo vaak aangepast en bijgeschaafd dat ze nauwelijks terug te brengen is tot één verhaal. De golemlegende is zelfs niet volledig te onderscheiden van andere fantastische verhalen over kunstmensen, zoals de homunculus. In de loop der tijden zijn motieven van het ene verhaal op het andere overgegaan. Als de golem niet eens duidelijk te scheiden valt van andere androïden of robotachtige wezens, is het natuurlijk helemaal niet mogelijk om de ingewikkelde knoop van motiefstructuren te reduceren tot een simpele basis. Daarom kan er niet één versie naar voren geschoven worden als meest authentieke. En gelukkig maar, want zolang een legende gebruikt en herschreven wordt, leeft ze.



[1] Dit overzicht is gebaseerd op Golem: Die literarische Rezeption eines Stoffes van Sigrid Mayer, en het hoofdstuk ‘The Idea of the Golem’ in On the Kabbalah and Its Symbolism van Gershom Scholem.

[2] Zie bijvoorbeeld http://pnews.org/bio/golem.shtml.

[3] Scholem, 1965, blz. 161.

[4] De verwijzigen naar de filosofie in dit hoofdstuk zijn grotendeels gebaseerd op Leopold Flam (1965) en Hubert Dethier (1995).

[5] Scholem, 1965, blz. 162.

[6] ‘Genesis 1:24: "Let the earth bring forth living soul" refers to the spirit (ruah) of the first Adam, which accordingly is not a pneuma blown into him, but an earth-spirit, a vital potency dwelling in the earth’ (Scholem, 1965, blz. 164).

[7] ‘An angel accompanies the soul on its journey to the lower world, and while it is still in the womb it teaches it all the mysteries of the universe. But as the new baby is about to be born the angel taps it lightly on the mouth, and the child forgets all that it has learnt. It therefore bursts into tears. Its whole life thence forward is a continual journey of discovery to try to recapture the wisdom which it has lost’ (Goldstein, 1987, blz. 34).

[8] ‘The rabbis themselves may well have been influenced by the Platonic theory of the existence of ideal abstract types in "heaven", which have their concrete parallel images on earth’ (Goldstein, 1987, blz. 24).

[9] ‘The letters of the alphabet – and how much more so those of the divine name or the entire Torah, which was God’s instrument of Creation – have secret, magical power’ (Scholem, 1965, blz. 66).

[10] ‘The basic idea of all this speculation is that speech (that is, language composed of words, which are in turn composed of letters/sounds) is not only a means of communication but also an operational agent destined to produce being – it has an ontological value. This value, however, does not extend to every form of language; it belongs to the Hebrew language alone’ (Blumenthal, 1978, blz. 8).

[11] Mariken van Nieumeghen, vers 159-166:

‘Ick hebbe mi selven toeghemaect rechtveerdich

Al waer ick een mensche, ende al bi Gods ghedooghe;

Tes al te passe, sonder mijn een oghe,

Die is of si mi uut waer ghesworen.

Wi gheesten en hebben dye macht niet, dats veloren,

Ons te volmakenne doer gheen bespreck;

Altoos es aen ons eenich ghebreck,

Tsi aen thoot, aen handen oft aen voeten.’

Literatuur

David R. Blumenthal, Understanding Jewish Mysticism:The Merkabah Tradition and the Zoharic Tradition, KTAV, New York, 1978.

Hubert Dethier, Het Gezicht en het Raadsel, VUBPress, Brussel, 1995.

Leopold Flam, De gefundeerde orde van Thales tot Kant, Ontwikkeling, Antwerpen, 1965.

David Goldstein, Jewish Mythology, Hamlyn, Twickenham/Middlesex, 1987, blz. 19-39.

Sigrid Mayer, Golem: Die literarische Rezeption eines Stoffes, Herbert Lang, Bern/ Frankfurt, 1975.

Gershom Scholem, On the Kabbalah and Its Symbolism, Schocken Books, New York, 1965.

 


© S T R E V E N