Juli-Augustus 2003

Pieter Anton van Gennip

God en Europa

Ooit had Europa iets met een god. Zij werd door de toenmalige hoofdgod opgemerkt en hij ontvlamde in begeerte naar haar. Hij nam de gestalte aan van een stier – hij had al vaker een transformatietruc uitgehaald bij vrouwen die hem bevielen – en hij ontvoerde haar naar onze streken. De legende vertelt bij mijn weten niet hoe Europa zich onder deze meeslepende gang van zaken voelde. Noch of het tussen die twee – zij het toonbeeld van vrouwelijke kwetsbaarheid, hij van mannelijke kracht en viriliteit – nog echt iets geworden is. De god die haar schaakte stond er om bekend, dat hij licht ontvlambaar was maar even snel de belangstelling in zijn veroveringen verloor. Het zal er dus wel op neergekomen zijn dat hij, vrij snel nadat hij haar op onze kusten had afgezet en daar een korte strandvakantie met haar had doorgebracht, weer naar zijn hemelpaleis vertrokken is. Laat er ons voor het gemak van uitgaan dat Europa zo de moeder is geworden van de Europeanen. Of zij zich na dit avontuur heeft gevoegd naar de dominante, zij het moeizaam volgehouden Europese traditie van monogamie is, lijkt mij maar ik weet niet precies waarom, twijfelachtig. De vraag wie de vader is van de Europeanen, ja, of het er een is of dat zij zijn verwekt door een legertje van potente vrijers, is op zich helemaal zo gek niet. Voor de hypothese van meer vaders pleit in elk geval de variëteit van fysieke kenmerken in een groep die zoveel raciale kenmerken gemeen heeft. De Amerikanen spreken ter zake van het Kaukasische ras. Maar dat heb je van donkerogig tot helblauw, van gitzwart tot hoogblond, van lang en slank tot klein en proppig. Ook over de status van die vaders tasten we in het duister. Voor de these dat zij zoiets als goddelijk waren spreekt het feit dat hun nakomelingen lang gekenmerkt werden door kinderlijke aanhankelijkheid aan de goden. Maar in hun puberteit en adolescentie sloeg dat om in eenzelfde dwarse verhouding als veel mensen – cultuurwetenschappers grijpen nu verbeterend in: als veel westerse kinderen – onvermijdelijk met hun vaders krijgen. Sinds die puberteit is het maar ten dele weer goed gekomen tussen Europa en God; Europa hier in de betekenis van het totaal der Europeanen en God in de betekenis van de erfopvolger van Zeus. (Die had overigens zo weinig op met stieren dat hij korte metten heeft gemaakt met het idee dat het hem behagen zou ze geofferd te krijgen). Echt lekker zit het niet tussen die twee. De idylle van vaderlijke koestering die spontaan leidt tot de ontwapenende kinderlijke aanhankelijkheid gaat niet op. In hun omgang is veel stroefheid en misverstand, onbegrip en wrok geslopen.

Dat komt ook weer aan het licht nu er nagedacht wordt over de vraag of Europa – nu in de betekenis van de unie van staten die zich op het gelijknamig continent aan het vormen is – een grondwet moet krijgen. En over de daaraan gekoppelde vraag, of er in de aanhef van die grondwet een verwijzing naar God moet komen. Zulke duidelijke vragen lijken om eenduidige antwoorden te vragen. Het komt mij voor dat die op de eerste vraag gemakkelijker te geven zijn dan op de tweede. Een grondwet is zo’n beetje de Magna Carta van de democratie, de Europese integratie lijdt aan een democratisch tekort dus, alleen al met het oog op de opheffing van dat tekort, lijkt een Europese grondwet wenselijk. Ze zou als startpunt kunnen en moeten fungeren van de vorming van Europees burgerschap. Natuurlijk zijn er veel mensen die zich min of meer Europeaan voelen. Maar dat heeft toch slechts de status van liefhebberij. In steeds meer landen zijn nummerplaten ingevoerd waarop ook de E en het embleem van Europa prijken. Maar zij blijven herkenbaar als nationale nummerplaten; in Nederland meestal geel met zwarte letter-cijfercombinaties en in België wit met rode. Dat er door ons dagelijks leven al heel wat Europa gemengd is impliceert nog niet, dat er al sprake is van echt Europees burgerschap. Dezer dagen heb ik een nieuw paspoort aangeschaft. Het lijdt geen twijfel dat ik burger ben van het Koninkrijk der Nederlanden; Europa komt in het hele paspoort niet voor. Ik heb het niet meer nodig om de Europese Unie door te reizen – een hele vooruitgang. Maar ik moet het overal in de unie bij mij hebben om mij te kunnen legitimeren, wat ik niet gewend ben en dus niet gewoon vind. Maar ook mijn nationale overheid is forse bressen aan het schieten in de vrijheid die ik lang op dit punt als Nederlander in Nederland genoot. Voorts hebben we dan nog de verkiezingen voor de delegaties naar het Europese parlement, zowel verkaveld naar partijen als naar nationale staten. En daarmee hebben we het wat de componenten van Europees burgerschap betreft wel zo’n beetje gehad. Van een grondwet moet je terzake dus geen wonderen verwachten. Maar in elk geval zou er een basisstatuut zijn waarop dat burgerschap gefundeerd kan worden en van waaruit het nader kan worden uitgewerkt en geconcretiseerd. Tenzij zij zich niet ten principale gaat uitspreken over de verhouding tussen Europa en de Europeanen maar zich focust op die tussen de Europese instituties en de nationale staten van de unie. Misschien is dat laatste voor de voortgang van de Europese integratie en op den duur voor de verbetering van haar democratisch gehalte nog niet eens zo slechte aanpak. Maar het impliceert wel dat het institutionele Europa voor de burgers een ver-van-mijn-bed-show blijft. Op dat punt moeten we wel realistisch zijn: de meeste nationale staten zijn dat, juist als staatkundige grootheid, ook. Ook nationaal burgerschap is precies als staatkundige categorie nogal bleek. De politiek is slechts bij uitzondering in staat om de kloof tussen burger en overheid te overbruggen en de bevolking te enthousiasmeren voor en te betrekken bij de ingewikkelde processen ter behartiging van het collectieve belang. Maar gelukkig is er daar dan nog de component van de nationale identiteit, waardoor de Fransen zich Fransen, de Britten zich Britten en de Belgen zich Vlamingen of Walen voelen. Al staan zij nog zo sceptisch tegenover hun republiek of monarchie. Sommige waarnemers constateren op dit punt verschuivingen: juist in het kader van Europa lijkt er sprake van een groeiende identificatie met de regio of streek, ten koste van die met de natie. Ook in dit opzicht lijkt België de rol van Nederland als gidsland overgenomen te hebben. Zelf ben ik, hoewel hartstochtelijk Brabander of Zuid-Nederlander maar zeker geen Hollander, over die identificatie met de regio wat aarzelend. Het blijft mij te veel steken in nostalgie. Het leidt, in elk geval bij ons, maar met mondjesmaat tot spannende culturele en politieke avonturen. Hoe het zij: aan een Europese grondwet zitten veel haken en ogen. Maar zij lijkt al bij al wel een stap vooruit. Want ze biedt mogelijkheden om Europa meer van de Europeanen te maken en hen in staat te stellen zich hartelijker met Europa te identificeren.

Wat vervolgens de tweede vraag, die naar God, weer in het vizier brengt: vergroot een verwijzing naar God in die grondwet die mogelijkheden tot identificatie of perkt ze die in? Overigen meen ik niet dat de zin van een verwijzing naar God volledig en ten diepste bepaald wordt door eventuele effecten op dit punt. Maar het heeft er wel mee te maken en directer dan m.n. de secularisten menen. Hoe het zij: ook dit is een duidelijke vraag die om een eenduidig antwoord lijkt te vragen. Sommigen zijn ook in staat om dat te geven. Zo heeft, naar verluidt, het Vaticaan een offensief ontketend om God een plaats te geven in een Europese constitutie. Ik heb daar nog geen stukken over gezien. Maar ik ben wel vaker geconfronteerd met Vaticaanse initiatieven die niet werden ondersteund door expliciete stukken en aankondigingen. Het bestuurscentrum van de Katholieke Kerk beschikt, zoals dat heet, over andere kanalen. Wie zou ik zijn om het het recht te ontzeggen op iets wat zo duidelijk in de lijn der verwachtingen ligt. Het Vaticaan is dus, naar verluid, voor; het beantwoordt de vraag met een helder ‘ja’. Lijnrecht daartegenover zijn zich de politieke krachten aan het verzamelen die van het seculiere karakter van de staat hun kroonjuweel hebben gemaakt. Het is voor hen zo’n essentieel punt, dat zij de realiteit uit het oog dreigen te verliezen. Dat gebeurt bij ideologische paradepaardjes wel vaker. Maar de geschiedenis leert ook hoe catastrofaal dat kan uitpakken, als die posities te nauw aan politieke verantwoordelijkheid en macht worden gekoppeld. Ja, als het een symbiotische geheel wordt, waarin de ideologie in plaats van de blik van de politiek te scherpen en haar visie te verruimen, haar blind of minstens bijziende en kortzichtig maakt. Catastrofaler dan baatzuchtige politiek is kleinzielige politiek, politiek die in gecodificeerde verblinding de navelstreng met de werkelijkheid doorknipt. Ooit hebben verlichting en seculariteit de politiek bevrijd uit star klerikalisme, sacralisme en confessionalisme; in het spoor daarvan zijn ook de kerken weer tot de werkelijkheid teruggebracht. Maar in onze dagen dreigen verlichting en seculariteit weg te glijden in hun eigen fundamentalisme. Daardoor dreigen ze de dramatische kampioenen te worden van kleinzieligheid en drammerige bekrompenheid. Niets redelijk alternatief. Het idee zelf dat er voor het eigen gelijk alternatieven zouden zijn is achter de horizon verdwenen. Het is wachten op een nieuwe dageraad die hen bijlicht bij het voor zichzelf vruchtbaar maken van het eigen bevrijdingpotentieel. Of is dat op?

Ik heb het in deze kolommen al eerder opgemerkt: je kunt gelukkig zijn met het beginsel van scheiding van kerk en staat en tegelijk ook verontrust over de panische manier waarop dan in sommige kringen te pas en te onpas wordt gehanteerd. Enkel met beroep daarop wordt gereageerd op elke publieke presentie van godsdienst of levensbeschouwing. Alsof daarmee een factor de publieke arena betreedt, die in haar hok had moeten blijven. In dat hok, de privé-sfeer, is haar alle vrijheid gegund. Vanuit dat hok mag ze ook nog brullen, zelfs zo hard dat het op de straat te horen is; vrijheid van meningsuiting. Maar ze mag niet proberen een effectieve rol te spelen in de gang van zaken buiten de deur. Als ze haar neus buiten de deur steekt, laat staan als ze – op zich in een democratie toch ook weer niet zo gek – een volwaardige stem eist in het kapittel waarin over gemeenschappelijke belangen in de maatschappij wordt gedelibereerd, breekt de pleuris uit. Er is toch scheiding van kerk en staat! Inderdaad. Maar een absolute scheiding tussen inhoudelijke overtuiging en praktisch handelen, of tussen motivatie en beleid, of tussen waarden en normen zou tot een schizofrenie leiden van een intensiteit, die een maatschappij, hoe ook georganiseerd maar zeker een democratie, tot in haar gebinte zou aantasten. Dat lijkt mij hier aan de orde: God in de grondwet tast op zichzelf niet het beginsel aan van scheiding van kerk en staat. Maar het biedt wel een, overigens bescheiden kader om overtuiging en praktijk, motivatie en beleid, waarden en normen op elkaar betrokken te houden. Zo niet voor instituties en overheden, dan in elk geval voor levende mensen. Zij alleen zijn in staat om, met hun concrete bagage van idealen en belangen, visies en prioriteiten, gewoontes en experimenten de democratie – en Europa – een ziel te geven en zo leefbaar en menswaardig te maken.

Dat leidt tot de vraag voor hoevelen zo’n verwijzing of aanroep dat kader biedt. Tussen een maximum van iedereen en een minimum van slechts een handjevol verstokte traditionalisten ligt een moeilijk te bepalen kwantum. Een realistische inschatting is des te moeilijker, omdat er die ideologische parti-pris zijn die elke poging tot fijnzinnige bepaling in de richting van een maximum dan wel minimum dwingen. Hier hebben we weinig aan de mensen die precies weten hoe de mens en de geschiedenis in elkaar zitten. Ondertussen is wel duidelijk geworden dat de secularisatiethese, zeker in haar meest onverbiddelijke vorm, onhoudbaar is. Ongetwijfeld hebben de religieuze tradities van Europa de invloed ondergaan van het moderniseringsproces dat haar cultuur zo markant heeft getekend. Maar de definitieve dood van God, of het verdwijnen van georganiseerde godsdienst, laat staan het verkwijnen van zich vermeien in geheim en mysterie, in spiritualiteit en poëzie, die daarvan lang als ijzeren consequenties werden verwacht, hebben zich niet voorgedaan. Volgen de Nijmeegse onderzoeker Jacques Janssen zijn jonge mensen in het begin van het derde millennium verregaand analfabeet op het punt van religieuze tradities in het algemeen en de eigen (de christelijke) in het bijzonder. Maar velen van hen bidden wel, ’s nachts in hun bed, bijna stiekem. Veel Europeanen die zichzelf, daarnaar gevraagd niet als gelovig of zelfs als niet-gelovig karakteriseren, menen wel dat er 'iets is’. Een verwijzing naar (een) god stoot bij hen niet op volkomen onbegrip. Als die zich al niet spontaan opdringt in de wederwaardigheden van hun leven: pregnant in de intimiteit van de ervaring en veelal ook steels en tastend geëxpliciteerd in de duiding ervan. Aan de horizon van de Europese zelf- en levenservaring blijft Gods zon aan het ondergaan, Maar het wil maar niet echt duister worden. Laat staan dat meedogenloos de definitieve Gotterdammerung intreedt. Over de kalme of stormachtige zee van blijft 'iets’ wenken als referentiepunt van hoop en verlangen, troost en perspectief. Behalve tot enkele kostbare onbewaakte ogenblikken leidt het. lijkt het, bij steeds minder mensen tot een bewuste keuze ervan als steunpunt van een eigen godsdienstige weg. Hoewel, wie kan juist op dit punt peilen wat er in mensen omgaat? Te minder als men zich realiseert hoe massief het idioom is dat hen is ingeprent. De middeleeuwers konden niet vanzelfsprekend christelijker zijn, dan de modernen seculier. Maar zoals, blijkens de bronnen, die middeleeuwers wel degelijk hun momenten van twijfel, inconsequentie en verzet hebben gekend, zo is dat voor ons en onze tijdgenoten niet anders.

Het numerieke criterium is hier niet doorslaggevend. Te minder omdat het gebied tussen maximum en minimum zo moerassig is. Maar het is niet geheel irrelevant; meerderheden spelen in een democratie immers een centrale rol. Maar zelfs als met kwantitatieve criteria aangetoond kan worden, dat het opportuun want functioneel zijn kan om God een plaatsje te gunnen in de constitutie, dan blijft toch de vraag zeuren, of daarvoor niet ook substantiëlere argumenten te geven zijn. Toen ik de kwestie met mijn studenten besprak kwamen zij vrij snel op het spoor daarvan vanuit de volgende redenering: wat je met zo’n verwijzing in elk geval doet is een politiek construct 'ergens’ losmaken van zijn autonomie als gesloten systeem. Door het systeem te relateren aan een factor die die autonomie overstijgt, of doorbreekt, of relativeert, of aanstuurt, of zelfs tot verantwoording dwingt wordt het open gebroken. Ook als die openheid niet reliëf kan krijgen vanuit herkenning van een eigen inhoudelijkheid ervan, ze markeert in elk geval de openheid van de menselijke conditie. Naar hun mening zou dat wel eens heel heilzaam kunnen zijn. Zonder zo’n expliciete doorbreking blijf je maar in het kringetje ronddraaien, waarin alles met alles samenhangt. Maar uiteindelijk weet je niet of het ergens op trekt. Het referentiepunt buiten het systeem kan ingevuld worden met een 'inhoud’ die je kent of denkt te kennen. Maar ook als het vrijwel oningevuld blijft, dwingt het je (en de politiek) om je er scherp van bewust te blijven, dat het systeem zelf niet het laatste woord is. Bestens een voorlopig hulpmiddel bij de verwerkelijking van iets, naar de aard en inhoud waarvan je nog op zoek bent. En altijd op zoek zult blijven. Ook als je het punt met iets gekends hebt ingevuld; hoe gekend ook, het blijft ongrijpbaar. Zo’n signaal dat je moet blijven zoeken, appelleert aan wie de mens uiteindelijk is. Als persoon. Dus ook aan wat in het georganiseerde maatschappelijke verband, de staat of statenbond, gediend moet worden of minstens niet gefrustreerd mag worden. Een in zijn autonomie opgesloten staat of statenbond klapt dicht in een gevaarlijke vanzelfsprekendheid.

Deze redenering gaf mij gelegenheid op de Duitse grondwet te wijzen. Na de Tweede Wereldoorlog heeft de Bondsrepubliek een nieuwe constitutie aangenomen die opent met een beroep op God. Duitse auteurs beschouwen dat beroep als een maan-woord. De barbarij van het Nazi-tijdperk heeft aangetoond waar eenzijdig denken en handelen vanuit de autonomie van de staat toe kan leiden. Niemand verwacht dat door hem in de grondwet op te nemen je God als het ware carte blanche geeft om, bij inbreuk op een ordentelijke gang van zaken in de maatschappij, van zijn troon te komen en orde op zaken te stellen. Terzijde: het lijkt mij niet wel voorstelbaar dat uitgerekend secularisten gekweld zouden worden door dit soort magische angsten en om die reden God niet in de grondwet willen. God vult, met een gelukkige uitdrukking van collega Sophie van Bijsterveld (staatsrecht aan de Universiteit van Tilburg) ‘The Empty Throne’; maar doet dat op goddelijke wijze dus uiteindelijk ongrijpbaar. Godsdienst is, in code, (ook) dienst aan de ontwikkeling en zuiverstelling van het menselijk (zelf)bewustzijn. Als God de schepper is van hemel en aarde ben ik, toevallige mens, dat niet. Dus ben ik noch de eigenaar noch de machthebber van hemel en aarde. Laat staan dat de ene mens dat meer zou zijn dan de ander. In hun kern, macht en bezit, zijn noch de zeggenschaps-, noch de bezitsverhoudingen terug te voeren op de autonomie van de mens. Ook al weten we niet op wie of wat precies dan wel, de geschiedenis bewijst hoe gezond het zijn kan, om onszelf en elkaar te blijven inprenten dat wij het in elk geval niet zijn. God in een grondwet maant ons en onze staat tot bescheidenheid.

Al zijn er natuurlijk ook de nodige voorbeelden van het feit dat de Eeuwige in die context de arrogantie van de macht tot in het afzichtelijke versterkt. Er zijn Verenigde Staten die hier zo’n slecht voorbeeld geven, dat het ver beneden hun stand zou zijn als de staten van Europa zich zouden verenigen, om ook op dit punt de concurrentie met hen aan te gaan. Veel, zo niet alles hangt hier af van de formulering: wordt die gekozen vanuit de trots van de mens (de ‘founding fathers’, de politici, de elites, de spraakmakers) of vanuit een gezond besef van menselijke betrekkelijkheid? Dus van de constante dreiging van corrumpering van de geschiedenis door de mens, van grondige ontwrichting van de maatschappij door de mens, van verzieking van de onderlinge verhoudingen door de mensen. Maar als geconstateerd: meer als een maanwoord kan het voor de Europese bevolking als zodanig niet zijn. Als het misgaat zal God niet ingrijpen. Bovendien: welke God zou moeten ingrijpen? Allah als er iets misgaat door of met de moslims, zodat zijn ingrijpen zowel bestaan moet in het afstraffen als in het beschermen van zijn kinderen? Of de vader van Jezus Christus als er iets misgaat door of met de christenen, die dan door hem hardhandig weer op het rechte pad worden gebracht of beschermd tegen nood en benauwenis. Voor mij is zonneklaar dat er maar een God is, wat het hem overigens niet gemakkelijker zal maken een wereldregime te voeren dat aan de criteria van zowel distributieve rechtvaardigheid als grondeloze barmhartigheid beantwoordt. Maar dat is niet mijn zorg; dat is Gods zorg en daar is hij God voor.

God als maanwoord zal alle partijdigheid van zich af moeten werpen en zijn universaliteit in volle glorie laten stralen. Maar al doet hij dat met verzengende klaarheid, zijn grondpersoneel – uiteindelijk dus wij allen – blijken in staat om hardnekkig mist en wolken te produceren die transcendente universaliteit verduisteren. Een bescheiden voorbeeldje daarvan deed zich enige jaren geleden voor in het Nederlandse parlement, toen een moslim werd ingezworen als lid daarvan. Hij wilde de eed afleggen maar sommige christenen ontzegden hem dat recht: de God die hij zou aanroepen zou een andere zijn dan die van de eed. Alsof er meerderen zijn; men late zich door de rijke overvloed aan godsnamen op dit punt niet op een dwaalspoor brengen. In het verlengde van een formeel, zeg: leeg maanwoord zullen dus wel enige voorzieningen moeten worden getroffen om te voorkomen dat ‘men’ of ’iemand’ met God aan de haal gaat in de orde van concretisering en realisering. Maar als je op Europees niveau die voorzieningen gaat treffen, mijdt dan de Nederlandse paranoia op het punt van de verhouding van kerk en staat. Daarmee kunnen er geen redelijke zaken met het grondpersoneel worden gedaan. Het wordt dan immers bijna in de positie gedwongen van ondergrondse verzetsbeweging – overigens in onze vaderlandse traditie een Geuzenpositie – in plaats van een vrije en verantwoordelijke onderhandelingspartner. Lichtelijk gechargeerd: kerken en levensbeschouwelijke genootschappen staan in Nederland op het punt van de marge in de illegaliteit te verdwijnen.

Bij Hobbes vond ik een kernachtige omschrijving van ons probleem. Die kan mij helpen om deze bijdrage af te sluiten met het omzomen van enkele losse eindjes:’?de sterfelijke god aan wie wij onder de onsterfelijke god onze vrede en veiligheid danken’(Leviathan, hoofdstuk 17-slot). De sterfelijke god is Leviathan, de moderne gecentraliseerde rechtsstaat, die weliswaar de natuurlijke vrijheid met dwang inperkt, maar zo een ordentelijke maatschappij mogelijk maakt en ons verzekert van vrede en veiligheid. Zij staat onder de onsterfelijke God. Want sterfelijk staat onder onsterfelijk; zoals alles wat ene adjectief impliceert en naar zich toetrekt staat onder alles wat zich, aan vermoeden en perspectief, verzamelt onder het andere. De vraag is aan de orde of dat expliciet door moet klinken in een eventuele Europese constitutie.

Puntsgewijze daarover tot slot nog vier opmerkingen.

De eerste: ik vind dus dat er sterke argumenten zijn om de vraag volmondig met ja te beantwoorden. Maar ik heb dan ook het nodige met de onsterfelijke God en ik heb er geen moeite mee om dat toe te geven. Maar dat ligt voor nogal wat Europeanen gecompliceerder, al weet niemand precies hoe complex. Er zijn al congressen georganiseerd – ook verbanden van progressieve christenen zijn er voor uitgenodigd – om de Vaticaanse lobby voor God-in-de-grondwet te stoppen. Maken we ons niet een beetje belachelijk met de onsterfelijke God inzet te maken van dit soort stammenstrijd. Anderzijds: als zeker is dat de uitkomst daarvan wel bijdraagt aan onze collectieve bestwil, geldt de onsterfelijke God bij uitstek als degene die zich niet te goed acht om daarvoor zijn waardigheid in te zetten. We hoeven God niet te ontzien, onze eigen toekomst staat op het spel.

De tweede: het lijkt mij in elk geval wel onder het niveau van Europa als in de grondwet geen gewag zou worden gemaakt van de culturele rijkdom en diepte die te danken is aan de eeuwenlange omgang van Europeanen met de onsterfelijke God. Uit die omgang zijn kathedralen en kloostercomplexen, moskeeën en synagogen, ethische systemen en metafysische perspectieven voortgekomen en nog zo het een en ander. Alles met elkaar vormt het een veelkleurig erfgoed dat aanspraak mag maken op zorgvuldig en creatief beheer. Dat die ereschuld op de zich nu ontwikkelende unie rust dient zij ruiterlijk en ongeclausuleerd te bevestigen.

De derde: de besluitvorming over een en ander zal mede worden voorbereid door de nationale sterfelijke goden. België is onlangs naar de stembus geweest en verwacht op grond van de uitslag een paars kabinet. Of dat de beste garantie is voor een adequate aanpak van deze zaak, ik heb er mijn twijfels over. Nederland is al weer veel langer geleden naar de stembus geweest. Enigszins los van, maar wel mogelijk gemaakt door de uitslag is er eindelijk een nieuw kabinet. Het gaat van start in een klimaat van kommer en kwel en er zijn nu al vragen bij zijn houdbaarheid. Er worden al messen geslepen en er zijn al veel negatieve geluiden. Vooral: als je de kleuren van de deelnemende partijen mengt krijg je niet een herkenbare kleur. Laat staan een, die het mogelijk maakt op dit punt voorspellingen te doen die hout snijden. Dit te minder omdat de huidige Nederlandse grondwet, waar velen erg trots op zijn, zelf niet verwijst naar de onsterfelijke God. Zelfverzekerd, zo niet zelfgenoegzaam tamboereert ze op de non-discriminatie beginselen en praktijken van de sterfelijke god, het fameuze artikel 1. Dat is zelfs uitgebeeldhouwd in de stoep voor het parlement. Maar de sterfelijkheid van het artikel – overigens: inhoudelijk betreft het een kwestie waar geen beschaafd mens het mee oneens zal zijn – is al gebleken toen er voor gepleit werd om het af te schaffen. Dat een pleidooi leidde tot felle afwijzing van maar ook tot onverholen instemming met het bepleite.

Tot slot: het avontuur van Europa met God begon met een stierlijk ongeciviliseerde, maar wel meeslepende eerste fase. Vergeleken met het moeizame gemillimeter waarin dat avontuur is beland krijgt die fase met terugwerkende kracht het aanzien van een innemende idylle. Maar het moeizame gedoe is wel gevolg van het feit, dat het lang voor Europa onduidelijk was, dat er een hemelsbreed verschil was tussen de sterfelijke god en de onsterfelijk God. Tot haar schade en schande heeft zij ze bij voortduring door elkaar gehaald. In het slechtste geval, dat van de kortzichtige stammentwisten, zet het gedoe van nu die verwarring voort; het zoveelste hoofdstuk in de koestering van een funeste vergissing. In het beste geval probeert het daar een einde aan te maken. Een verwijzing naar de onsterfelijke God in een eventuele Europese grondwet kan zowel het een als het ander betekenen. Maar of er wel of niet naar de Eeuwige wordt verwezen, de sterfelijke god blijft als mythisch verzinsel, als het monster Leviathan, hoe dan ook onder deze. Of het dat nu met evenveel woorden toegeeft of niet.


© S T R E V E N