November 2003

Bart Van Loo

Een ‘ontspannen Flaubert’

Integrale vertaling van de verhalen van Guy de Maupassant


‘Ik ben wat ze een fuifnummer noemen, een jongen van gegoede familie, die intelligent was, maar die dat verpest heeft met schrijverij, die gezond was en die dat heeft verpest door almaar feest te vieren, die wellicht wat waard was, maar die dat verknoeid heeft door nietsdoen. Al met al heb ik nog fortuin, een zekere levenservaring, een vrijwel volledige afwezigheid van vooroordelen, een brede minachting voor de mens, waaronder ook de vrouw, de diep gevoelde overtuiging van de nutteloosheid van wat ik doe en een ruime verdraagzaamheid voor de algehele ontaarding. Toch heb ik af en toe nog oprechtigheid […] en ben ik zelfs in staat tot aanhankelijkheid.’ (uit Yvette)

Laat ik een open deur intrappen: Guy de Maupassant (1850-1893) is in zijn beste dagen niet te kloppen op de korte afstand. In het negentiende-eeuwse Frankrijk vormt hij het hoogtepunt van de reeks talentvolle verhalenschrijvers die hem voorgingen: Charles Nodier, Gérard de Nerval, Théophile Gautier, Prosper Mérimée,… Vandaag behoort hij tot de meest gelezen Franse auteurs1, en sinds kort kan ons taalgebied zich verheugen in een nieuwe vertaling van de ongeveer driehonderd verhalen en novelles die hij in ruim tien jaar bij elkaar schreef. Deze indrukwekkende reeks van acht delen (ongeveer 2750 blz.) biedt Maupassant aan in een vlotte en eerlijke vertaling, zodat iedereen nu kan genieten van weer een stukje grote literatuur.

Maupassant lezen is aangenaam omdat hij erin slaagt het dagelijkse leven zonder veel omhaal en literair gepronk te verbeelden. Hoewel zijn verhalen soms pure meesterwerkjes zijn, heb je nooit de indruk afmattende literatuur te lezen. Sober, kort en krachtig. In het onderwijs wordt Maupassant dan ook intensief gelezen en helaas wel eens misbruikt als pedagogisch ‘martelinstrument’.

‘De Franse taal’, zo schrijft Maupassant in zijn bekende voorwoord bij de korte roman Pierre et Jean (1888), ‘is een helder water dat gekunstelde schrijvers nooit troebel hebben kunnen maken en nooit troebel zullen maken. […] Het ligt in de aard van deze taal om helder, logisch en gespierd te zijn. Zij laat zich niet ontkrachten, verduisteren of bederven’. Niet iedereen neemt hem dit in dank af. Auteurs als Émile Zola, Albert Camus en Georges Simenon verdedigen hem, maar een verfijnde taalkunstenaar als Edmond de Concourt en andere ‘precieuzen’ zoals Julien Gracq en Paul Claudel zullen hem nooit als een echte schrijver erkennen. ‘Ik geloof dat je niet te veel moet nadenken en gewoon produceren’, aldus Maupassant, die beweerde met zijn ingewanden en niet met zijn hersenen te schrijven. Genoeg om eerbiedwaardige schrijvers tegen zich in het harnas te jagen.

Zijn oeuvre kreeg al snel een overdreven erotisch aura toegedicht, een gegeven dat commercieel ongegeneerd werd uitgemolken. Zo verschenen in ons taalgebied verhalenbundels met de even komische als beschamende titels: Parfum en Pernod, Rokken en broeken, Kapsels en kuiven, Laarzen en laarsjes, Lusten en lasten, Verlangens en verleidsters. Op de cover van laatstgenoemde bundel vind je een wulpse, naakte blondine. Het tart zo de verbeelding dat je erom moet lachen. Verontwaardiging is echter veel meer op zijn plaats. De inspanningen van Uitgeverij Veen en vertaler Hans van Cuijlenborg waren dan ook broodnodig. De Normandische levensgenieter is immers veel meer dan een succesvol schrijver van boulevardverhalen, al laat hij zich tijdens zijn leven dit imago rustig aanmeten omdat het hem moeiteloos veel geld opbrengt. In hem schuilt echter ook een vinnige vrijdenker, een misantroop, een genadeloos ontleder van maatschappelijke gewoonten en gebruiken, een man met een erg zwartgallige kijk op het leven en een rusteloze ziel op zoek naar de grote liefde. Die elementen worden scherper naarmate de jaren vorderen, en vormen de al dan niet expliciete voedingsbodem voor zijn hele oeuvre.

De ontmoeting tussen vertaler Hans van Cuijlenborg en Guy de Maupassant is een mooi verhaal. Aan het eind van de jaren zeventig, begin van de jaren tachtig woont Van Cuijlenborg met zijn familie in Clermont-L’Hérault, in de Franse Cevennes. Hij probeert samen met vrouw en kinderen te overleven als ‘conteur’, en zwerft van dorp tot dorp met allerlei verhalen. Hij werkt ook mee aan de plaatselijke radio waar hij o.a. hoorspelen verzorgt. Uren werk besteedt hij om programma’s te maken voor de luttele bewoners van de al weinig bevolkte streek die hun radio afstemmen op de lokale zender. In zijn zoektocht naar auteurs die zowel goed in het gehoor als in de mond liggen, stuit hij op Maupassant. Het is liefde op het eerste gezicht. Meer dan tien jaar later krijgt hij van Uitgeverij Veen de kans die liefde in het Nederlands te vertalen.

Voor deze bij uitstek orale auteur is Van Cuijlenborgs onorthodoxe manier van vertalen misschien wel het meest aangewezen. Na lectuur zoekt hij de woorden op waarvoor hij niet meteen een goed Nederlands equivalent uit de mouw kan schudden. Vervolgens neemt hij een dictafoontje en begint hardop een ruwe vertaling in te spreken. Zijn vrouw tikt deze Maupassant-dictees uit en daarop doet Van Cuijlenborg dan de definitieve redactie. Net als de schrijver opteert hij dus niet zozeer voor een rationele en trage aanpak, maar paart hij zijn gedegen kennis ter zake aan een vlotte vertaling vanuit de buik. Dat blijkt ruimschoots uit zijn antwoord op mijn vraag wat er zo bijzonder is aan het vertalen van Maupassant:

‘Specifiek aan het vertalen van Maupassant is, dat het lijkt op het spelen van Mozart: schijnbaar simpel, maar daardoor juist verraderlijk. Maupassant is een orale verteller die zijn verhalen ook heel goed op kan schrijven. M.i. is met dit aspect van zijn werk te weinig rekening gehouden: men maakt er iets té literair van (in de zin van: schrijfkundig). Voor mij is het verbale aspect van zijn verteltrant heel belangrijk en bovendien een grote bron van inspiratie. Het toepassen van een al dan niet reële "gueuloir" is van het grootste belang bij deze leerling van Flaubert2. Dit gezegd zijnde, is voor mij het vertalen van Maupassant niet zozeer moeilijk, als wel emotioneel aangrijpend (ik moet soms letterlijk wenen bij het vertalen). Voor een meer cerebraal vertaler is Maupassant ongetwijfeld moeilijk, en dit is dan ook wat ik om mij heen hoor. Persoonlijk vind ik Zola moeilijker.’ (brief van 13 juni 2002)

Dat Maupassant vertalen emoties kan losmaken, verbaast me niet. Sommige verhalen werken op de lachspieren (Toine, Idylle, Huize Tellier, Het beest van baas Belhomme) terwijl andere je door de feilloze tragiek helemaal meeslepen (De kleine van Roque, Yvette), je tot tranen toe bewegen (De olijfgaard), of al die elementen op een subtiele manier combineren (Vlieg, Reuzelpotje). Iedere liefhebber van Maupassant zal zo wel zijn eigen verhalen hebben.

Kort én lang

Maupassant bereikt in Eenzaamheid, de vierde bundel uit de reeks met verhalen uit 1883-1884, de perfecte beheersing van het zuivere kortverhaal. Klassiekers als De hand, Het garnituur en Het touwtje verzekeren Maupassant de eeuwige roem. Het is verwonderlijk hoe hij telkens in de aanloop van het verhaal een sfeer van herkenbaarheid weet op te hangen en zo de lezer meeneemt naar de kleine tragedies die zich dagelijks afspelen en ongemerkt levens veranderen. Alle verhalen in deze bundel zijn ongeveer even lang, telkens geschreven in een sobere maar trefzekere stijl, en bijna allemaal van hoog niveau. Ze vormen het bewijs dat goede literatuur noch moeilijk van inhoud, noch gezocht van vorm moet zijn, en dat ze menselijkheid en echtheid kan uitstralen waardoor ze als het ware een stukje levende werkelijkheid wordt.

Niet al zijn verhalen zijn kort, zoals Brandstapel, de vijfde bundel uit de reeks, illustreert. Maupassant draait in 1884 literair op volle toeren: hij schrijft zo’n zestig verhalen en staat op het punt zijn tweede, balzaciaans getinte roman Bel-ami te publiceren. Ook zijn eerste (Het leven van een vrouw, 1883) en zijn voorlaatste roman (Sterk als de dood, 1889) zijn succesvolle en knappe creaties die bewijzen dat hij eveneens op de langere afstand zijn mannetje kan staan. Net nu hij zich als romanschrijver aan het ontwikkelen is, worden ook zijn verhalen langer. Het beste uit die vijfde bundel – het bekende Yvette – kan je zelfs een korte roman noemen. Zoals in het geslaagde en eveneens langer uitgevallen De gezusters Rondoli beschrijft Maupassant de mannelijke passie voor de vrouw met veel oog voor de welhaast klassieke grilligheid van de vrouwelijke natuur. Hier geen korte sfeerschetsen, geen economische schrijfstijl, integendeel, Maupassant neemt de tijd om dieper in te gaan op de psychologie van zijn personages, in het bijzonder de melancholie, passie en wanhoop die hen overvalt, gelukkig verzoend met een intrige waar vaart in zit.

‘Ontspannen Flaubert’

De broer van Maupassants moeder, Alfred Le Poittevin, was een goede jeugdvriend van Flaubert. De jonge Guy zou graag zijn sporen verdienen in de letteren, en zijn moeder stuurt hem met enkele gedichten naar Flaubert. Aan hem om te beslissen of hij talent heeft. De epileptische syfilislijder maar wereldberoemde schrijver van Madame Bovary is gecharmeerd van de jonge verschijning en leest kritisch zijn gedichten. Al snel beseft hij dat Maupassant geen groot dichter is, maar wel een toekomst heeft als prozaschrijver. Hij verbetert zijn stukken streng en leert hem dat schrijven een kwestie is van goed observeren: als je maar lang genoeg kijkt, dan vind je zelfs iets nieuws in een boom.

Deze gesprekken vinden plaats in Croisset, op een boogscheut van Rouen. Maupassant maakt er kennis met het naturalisme van Zola, met wie hij in 1880 de verhalenbundel De avonden te Médan zal publiceren. Het bevat het verhaal Reuzelpotje – ‘een meesterwerk van compositie, humor en observatie’ volgens Flaubert –, dat vandaag nog steeds beschouwd wordt als een van de pareltjes van de negentiende-eeuwse vertelkunst, en tevens de doorbraak voor Maupassant betekent. De nieuwe literaire ster heeft heel wat te danken aan de kluizenaar van Croisset, maar zal heel wat meer worden dan een trouwe epigoon.

Was het observeren en beschouwen voor zijn leermeester in de eerste plaats een haast wetenschappelijke bezigheid, de jonge Normandiër lijkt er vooral plezier in te scheppen: ‘Een blad, een steentje, een zonnestraal, een bosje gras houden me ondefinieerbaar lang bezig. Ik aanschouw ze gulzig, ontroerder dan een goudzoeker die een baar goud vindt. Ik ervaar een mysterieus en weldadig geluk bij het ontleden van hun nauwelijks waarneembare kleurschakeringen en ongrijpbare nuances’. Terwijl Flaubert ’s nachts niet slapen kan omdat een zin niet loopt of omdat hij meent dat een vervelende herhaling zijn tekst ontsiert, zal Maupassant een herhaling altijd boven een obscuur synoniem verkiezen en zijn nachtrust opofferen aan andere geneugten van het leven. In tegenstelling tot zijn grote voorbeeld wil hij de werkelijkheid beschrijven ‘met de woorden die wij gewoonlijk gebruiken’. Er wordt dan ook wel eens gezegd dat geen enkele grote Franse schrijver zo goed geschreven heeft met zo weinig woorden.

Biograaf Armand Lanoux beschrijft Maupassant als een ‘ontspannen Flaubert’3, en dat klopt eigenlijk wel. Flaubert zoekt voortdurend naar achtergrondinformatie, schrapt als een bezetene en herschrijft elke zin talloze keren, terwijl Maupassant moeiteloos aan de lopende band teksten schrijft, haast zonder doorhalingen. Zijn eerste roman, Het leven van een vrouw (1883), kostte hem nog jaren werk, maar Bel-Ami (1885) vloeit slechts in een paar maanden uit zijn pen. Gaandeweg vindt hij een heel eigen stijl. Onopgesmukt en toch stijlvol. Kortom, een ontspannen Flaubert.

In een brief van 6 oktober 1902 beschrijft zijn vriend Maurice Muterse hoe vlotjes Maupassant zijn verhalen bij elkaar schrijft: ‘Hij wandelde heen en weer in zijn kamer, bedacht zijn zin, ging zitten en gooide ze met één pennenstreek op papier, hervatte zijn wandeling, schreef op dezelfde manier de volgende zin en ging zo door tot het einde. Zijn in één ruk geschreven manuscript was kraakhelder en zonder doorhalingen en werd zo naar zijn uitgever opgestuurd’. De schrijver mag ze dan zo uit zijn mouw hebben geschud, de aandachtige lezer ontdekt gaandeweg toch enkele structuren in zijn verhalen en kan er niet omheen dat ze zowel inhoudelijk als vormelijk evolueren.

Evolutie

Nogal vaak ontmoet de lezer een groep converserende mensen, waarvan iemand een anekdote – het eigenlijke verhaal – vertelt. Inspiratie hiervoor vindt Maupassant vooral in het wedervaren van boeren, soldaten, kleinburgers, pastoors en prostituees op het Normandische platteland. Met een vaak pessimistische ondertoon maar niet zonder humor hekelt hij het hypocriete en al te nette burgerwezen, maar het thema dat hem vooral inspireert is natuurlijk de liefde. Al te vaak heeft men deze discipel van Flaubert echter enkel gelezen als een realistisch schrijver van pittige liefdesverhalen, maar er is wel degelijk meer, en dat wordt ook duidelijk in de verschillende bundels.

Zijn losbandige omgang met vrouwen – de Russische schrijver Toergenjev hoopte dat zijn vriend niet in sperma zou opgaan – reikt hem een obsessie aan die veelvuldig zijn verhalen zal kleuren, dat van het onechte kind. Hij wijdt er zijn volgens velen beste roman Pierre et Jean aan, maar ook verhalen als Geschiedenis van een boerenmeid (1881), Het testament (1882), het bijzonder knappe Mijnheer Parent (1885) en andere evoceren het lot van bastaarden, de jaloezie van de valse vader, het drama van de schuldige echtgenote… Ook hijzelf kan moeilijk geloven dat hij de zoon is van zijn vaak dronken, nogal boertige vader Gustave en voelt zich zowel Pierre als Jean uit de roman, tegelijk wettig kind en bastaard. Er doen bovendien verhalen de ronde over onwettige kinderen van Maupassant zelf, en de kans is ook zeer reëel dat er nu nog nakomelingen rondlopen van de officieel kinderloze schrijver. Sommigen stopte hij naar verluidt zelfs geld toe, maar tot een huwelijk met een vrouw is het nooit gekomen: ‘Het huwelijk is een wet. De liefde een instinct, dat ons nu eens naar deze en dan naar gene drijft.’

Liefde wordt in bepaalde verhalen een vorm van passie die eindigt in totale gekte. In Gek? (1882) schiet een tot wanhoop gedreven jaloerse echtgenoot zijn vrouw in de buik en vraagt hij aan de lezer of hij nu gek is of niet. Die retorische vraag keert geregeld terug in het oeuvre van Maupassant en moeten we eigenlijk lezen als een impliciete vraag tot begrip voor verstandsverbijstering. De schrijver definieert in dit verhaal het fenomeen angst als iets dat je overvalt ‘onder bepaalde […] mysterieuze invloeden’. Halverwege de jaren tachtig is er een verschuiving merkbaar: naast realistische, of zo u wilt naturalistische onderwerpen, zoekt hij nu ook inspiratie in het bovennatuurlijke. Net als in de aanloop van zijn bekendste griezelverhaal De Horla (1887), definieert hij in Een gek? (1884) wat hem zo intrigeert: ‘We zijn omgeven door dingen waar we geen flauw vermoeden van hebben, omdat de organen ons ontbreken die ons die dingen zouden onthullen.’ Al in een brief aan zijn vriend Paul Alexis uit 1877 neemt hij trouwens openlijk afstand van het naturalisme van Zola waarmee hij vaak geassocieerd wordt, en distantieert hij zich in één trek van elke literaire beweging:

‘Ik moet een literaire geloofsbekentenis doen. Ik geloof niet meer in het naturalisme dan in het realisme en niet meer in het realisme dan in de romantiek. Deze woorden betekenen absoluut niets en dienen enkel tot ruzies tussen tegengestelde temperamenten. […] Waarom zich beperken? Het naturalisme is even beperkt als de fantastische literatuur.’ (brief van 17 januari 1877)

Ook de structuur verandert: krijgen we in het begin van zijn carrière de verhalen te horen via een verteller – wat iets geruststellends heeft, het schept afstand –, dan worden naar het einde toe de verhalen steeds meer vanuit het hoofd van de protagonist verteld. Zoals Jeanne Holierhoek treffend stelt, verandert de aanvankelijk afstandelijke verteller in de latere verhalen in ‘een gekweld slachtoffer’4. Tekenend hiervoor zijn de wanhopige woorden van het hoofdpersonage uit De nacht (1887): ‘Hoe kan ik uitleggen wat er met me aan de hand is? Hoe kan ik zelfs duidelijk maken dat ik in staat ben het te vertellen? Ik weet het niet, ik weet het niet meer, ik weet alleen dat het is. Ja’. De schrijver laat zijn verwarde zwerver op het einde van het verhaal achter in een leeg en donker Parijs. Maupassant is duidelijk niet meer de onbezorgde schrijver van enkele jaren tevoren.

Angst en waanzin worden steeds meer de rode draad van zijn verhalen. In De Horla (1887) lezen we haarfijn de aftakeling van een man die geleidelijk krankzinnig aan het worden is terwijl meubelstukjes op dansende pootjes door het bizarre verhaal Wie weet? (1890) trekken. Het is die interesse voor geestesziekten die Maupassant naast Freud in de collegebanken doet belanden, waar ze samen de lessen van de bekende hoogleraar psychiatrie Jean Martin Charcot volgen. Die invloed is merkbaar, en zal met de jaren alleen maar sterker worden wanneer Maupassant zelf krankzinnig dreigt te worden ten gevolge van syfilis.

Eind jaren zeventig loopt hij de ziekte op tijdens zijn ochtendlijke boottochtjes op de Seine, in gezelschap van steeds andere vrouwen. Het is het begin van een lange, trage lijdensweg. Migraine, hallucinaties, zenuwpijnen en maagkrampen maken van zijn leven een permanente marteling, die uiteindelijk zal leiden tot hersenverweking. In De grafbruiden (1891), niet toevallig het allerlaatste verhaal dat Maupassant schrijft, gaat een geïnspireerde prostituee op een kerkhof gedeprimeerde mannen strikken. Dit ultieme samengaan van eros en thanatos klinkt als een noodkreet van de dan erg zieke Maupassant wiens uitzinnig verlangen naar (lichamelijke) liefde hem weldra zelf op een begraafplaats zal doen belanden.

Zijn ziekte stemt hem erg zwartgallig. In Sur l’eau (1888), een unieke kroniek van een boottocht op de Middellandse Zee, beschrijft hij scherp de leegte en oppervlakkigheid van het leven: ‘De middelmatigheid van het universum verbaast me en doet me in opstand komen, de onbeduidendheid van alle dingen vervult me met walging, de kleingeestigheid van de menselijke wezens ontstelt me’. Dat de schrijver in het aangrijpende De sluimeraar (1889) een pleidooi houdt voor het recht op zelfmoord, is dan ook niet verbazingwekkend: ‘Hoe goed heb ik ze begrepen, degenen die zwak als ze waren, geplaagd door ongeluk […] een eind willen maken aan dit onophoudelijke drama of deze schandelijke komedie’. Hijzelf slaat begin 1892 de hand aan zichzelf, maar de poging mislukt. Opgenomen in de beroemde kliniek van dokter Blanche in Parijs geeft hij helemaal krankjorum de geest in 1893. Zijn flamboyante liefdesleven leverde de schrijver uiteindelijk drie cruciale thema’s op: dat van de liefde zelf natuurlijk, de bastaard en ironisch genoeg ook het thema van de geestelijke labiliteit.

‘Le mauvais passant’

Geboren en getogen in Normandië, baden de verhalen van Maupassant lang in de mistige sfeer van het land van cider en camembert. Zijn succes stelt hem echter in staat afwisselend in Étretat, Parijs en aan de Franse Rivièra te verblijven, waardoor hij in zijn verhalen Normandië meer en meer links zal laten liggen. Niet getreurd, want ook de Franse hoofdstad en de Côte d’Azur nemen snel een bijzondere plek in zijn leven en oeuvre in. Op het einde van zijn leven zwerft hij rusteloos tussen al zijn woonplaatsen, maar zal hij vooral in het warme Zuiden vertoeven5. ‘Je suis le mauvais passant’, grapt Maupassant wel eens. Inderdaad, het is niet eenvoudig zijn sporen te volgen. Hij is nog maar nauwelijk geïnstalleerd in Cannes, bij het Parc Monceau in Parijs, in Triel langs de Seine, of hij zit al ergens anders. Alleen al zijn verhuismanie in kaart brengen heeft zijn biografen heel wat hoofdbrekens bezorgd.

Hij stapt twee keer sneller dan een normale man, zwemt, roeit en reist. Ook zijn verhalen en romans zitten vol beweging: de diligence van Reuzelpotje (1880) hobbelt over de Normandische wegen zoals de koets in het eerste hoofdstuk van Het leven van een vrouw (1883). De jol van Vlieg (1890) kruist de boot van Yvette (1884) ergens tussen Bougival en Chatou, en de trein uit De gezusters Rondoli (1884) spoort de hele Côte d’Azur langs. De huurrijtuigen van Bel-Ami6 (1885) doorkruisen het negende arrondissement van Parijs, terwijl de landauers in Sterk als de dood (1889) af en aan rijden tussen het Parc Monceau en het Bois de Boulogne. Met een aanzienlijke dosis Maupassant achter de kiezen, en nog wat extra’s voor onderweg, is het dan ook een bijzondere uitdaging in zijn voetsporen Frankrijk door te reizen. Na afloop bekijk je Normandië, de oevers van de Seine en de Côte d’Azur met andere ogen, en ga je spontaan verder grasduinen in het oeuvre van de meester. Wat de verhalen betreft, kan dat nu dus ook in een mooie Nederlandse vertaling.


[1] In de reeks ‘Livre de Poche’ alleen al zijn er meer dan elf miljoen exemplaren verkocht.

[2] Flaubert onderwierp al zijn teksten aan een stemproef (gueuloir). Vaak deed hij dit in open lucht, in zijn ‘allée des gueulades’, zijn ‘brul-laan’ zeg maar.

[3] Armand Lanoux, Maupassant le Bel-Ami, Grasset, Parijs, 1979, blz. 428.

[4] In het nawoord van de door haar vertaalde bundel De Horla, Zephyr-Coppens en Frenks, Amsterdam, 1999, blz. 185.

[5] Zie mijn bijdrage over Maupassant en de Franse Rivièra in Nice – muze van Azuur (samengesteld door Dirk Leyman), dat begin 2004 zal verschijnen in de stedenreeks ‘Het Oog in ’t Zeil’ van de Nederlandse uitgeverij Bas Lubberhuizen.

[6] Van dit boek verschijnt bij Athenaeum-Polak & Van Gennep begin 2004 een nieuwe vertaling van de hand van Hans van Cuijlenborg.


Bibliografie

Guy de Maupassant, Op een lenteavond. Alle verhalen 1875-1881, Veen, Amsterdam/ Antwerpen, 1997.

Guy de Maupassant, Het varken Morin. Alle verhalen 1881-1882, Veen, Amsterdam/ Antwerpen, 1998.

Guy de Maupassant, De jongedochter Martin. Alle verhalen 1882-1883, Veen, Amsterdam/ Antwerpen, 1999.

Guy de Maupassant, Eenzaamheid. Alle verhalen 1883-1884, Veen, Amsterdam/Antwerpen, 2000.

Guy de Maupassant, De brandstapel. Alle verhalen 1884, Veen, Amsterdam/Antwerpen, 2000.

Guy de Maupassant, De kleine van Roque. Alle verhalen 1884-1885, Veen, Amsterdam/ Antwerpen, 2001.

Guy de Maupassant, Het konijn. Alle verhalen 1885-1887, Veen, Amsterdam/Antwerpen, 2002.

Guy de Maupassant, De grafbruiden, Alle verhalen 1887-1891, Veen, Amsterdam/Antwerpen, 2003.

[alle acht vertaald door Hans van Cuijlenborg]

Guy de Maupassant, De Horla, Zephyr-Coppens en Frenks, Amsterdam, 1999 [met een interessant nawoord van vertaalster Jeanne Holierhoek].

Guy de Maupassant, Sur l’eau, Presses Pocket, Parijs, 1999.

Guy de Maupassant, Pierre et Jean, Classiques Français, Parijs, 1993.

Olivier Frébourg, Maupassant, le clandestin, Folio nr. 3666, Parijs, 2000.

Armand Lanoux, Maupassant le Bel-Ami, Grasset, Parijs, 1979.

Henri Troyat, Maupassant, Flammarion, Parijs, 1989.

http://www.free.maupassant.fr.

 


© S T R E V E N