Januari 2004

Stijn Geudens

Zonder oorlog geen voetbal

Voetbalspel en beschavingsproces

‘Als er meer gevoetbald werd, dan
zou er nooit meer oorlog komen.’

(W.F. Hermans)


Toen de legendarische Nederlandse voetbaltrainer ‘generaal’ Rinus Michels op het wereldkampioenschap van 1974 in het toenmalige West-Duitsland de woorden ‘voetbal is oorlog’ uitsprak, bedoelde hij daarmee dat, als je wil winnen, een harde, agressieve speelstijl, gele en eventueel ook rode kaarten inbegrepen, noodzakelijk én aanvaardbaar is. De woorden van Rinus Michels werden sindsdien ontelbare keren geciteerd. Tegenwoordig doelt men echter niet meer zozeer op de brutaliteit binnen de lijnen, het accent is verschoven naar het wangedrag buiten het veld. Want inderdaad, de dreiging van het supportersgeweld, sinds elf september nog aangevuld met de angst voor het terrorisme, maakt dat voetbalstadions er bij belangrijke wedstrijden veeleer uitzien als een belegerde vesting dan als een sportparadijs. Niettemin, of men het nu heeft over de agressie op dan wel rond het veld, niemand zal de uitspraak van Rinus Michels volledig letterlijk nemen. En toch, in zijn klassieker The Soccer Tribe (letterlijk: ‘de voetbalstam’) [1] vermeldt de Engelse zoöloog Desmond Morris drie keer, telkens in een andere context en dus zonder ze met elkaar in verband te brengen, een gebeurtenis uit de voetbalgeschiedenis waarbij er sprake is van een rechtstreekse relatie tussen voetbal en oorlog. Omdat deze drie gebeurtenissen minder bekend zijn en omdat ze telkens een andere relatie tussen voetbal en oorlog te zien geven, wil ik ze hier eens opnieuw onder de aandacht brengen.

Is voetbal oorlog?

Voor de eerste gebeurtenis [2] gaan we naar het Zuid-Afrika van ongeveer een eeuw geleden, en meer bepaald naar de Tweede Boerenoorlog (1899-1902), toen Britse troepen op een brutale manier de twee onafhankelijke Boerenrepubliekjes (Transvaal en Oranje-Vrijstaat) vernietigden. De oorlog begint slecht voor de Britten: na aanvallen van Boerenmilities worden eind 1899 de Britse legereenheden in de steden Mafeking, Kimberley en Ladysmith omsingeld. Om hun strijdmakkers in Ladysmith te ontzetten, moeten de Britse troepen een strategische heuvel met de sinistere naam ‘Spionkop’ (‘kop’ in het Afrikaans betekent ‘heuvel’) veroveren op de Boeren. Het wordt de bloedigste en wellicht ook de meest nutteloze slag van de hele oorlog. Op 23 januari 1900 nemen zo’n tweeduizend Britse soldaten vrij gemakkelijk de heuveltop in. Maar dat blijkt al snel een misrekening, want de Boeren brengen ondertussen op de omliggende heuvels kanonnen en scherpschutters in stelling. De volgende dag worden de Britten, die op de heuvel nauwelijks dekking kunnen vinden, van ’s morgens tot ’s avonds hevig onder vuur genomen. Op 25 januari hebben de Boeren Spionkop opnieuw onder controle. Bij de gevechten, waarbij op een bepaald moment ook de jonge Winston Churchill betrokken is, worden meer dan duizend Britten gedood of gewond, met inbegrip van de commandant en heel wat officieren.

De psychologische schok is enorm. Uit angst voor de publieke opinie wordt de werkelijke gang van zaken door de Britse overheid een tijdlang verzwegen. Maar de overlevenden brengen natuurlijk wel allerlei bloedstollende verhalen mee naar het thuisfront. Een aantal van hen is afkomstig uit Liverpool. Aan het voetbalveld van FC Liverpool (Anfield Road) bevond zich destijds, achter een van de doelen, een grote helling waarop bij wedstrijden de harde kern van de thuissupporters zich verzamelde. Deze helling wordt omgedoopt tot ‘Spionkop’. Op die manier herdenken de Liverpoolfans bij elke wedstrijd hun kameraden die sneuvelden op die verschrikkelijke vierentwintigste januari in Zuid-Afrika. In het seizoen 1928-1929 wordt op de helling een overdekte tribune gebouwd en die is er, weliswaar na renovatie, gebleven tot vandaag [3]. Ook andere Engelse clubs kregen hun ‘spionkop’ en later werd het verschijnsel eveneens nagevolgd op het Europese vasteland. Tegenwoordig heeft elke voetbalclub die zichzelf een beetje respecteert een ‘spionkop’, maar slechts weinig voetbalsupporters die lid zijn van zo’n harde kern weten dat zij bij elke wedstrijd, weliswaar op symbolische wijze, een bloedige veldslag uit de Tweede Boerenoorlog overdoen. De aanhangers van de ‘Liverpool Spion Kop’, en met hen supporters van nog vele andere clubs, zetten dus een waar gebeurd oorlogsfeit verder op het voetbalveld, of nog: voetbal als oorlog met andere middelen. Beter zo dan omgekeerd, hoor ik u zeggen. Helaas is het omgekeerde ook gebeurd.

Of is oorlog voetbal?

Daarvoor moeten we naar Midden-Amerika anno 1969 [4]. In juni van dat jaar leveren de buurlanden Honduras en El Salvador strijd voor een plaats in de eindstrijd om de wereldbeker voetbal die het jaar daarop in Mexico gespeeld wordt. Op 8 juni verslaat Honduras thuis, in de hoofdstad Tegucigalpa, El Salvador met 1-0, een doelpunt in de laatste minuut. In El Salvador schiet een jonge vrouw die de wedstrijd op televisie aan het volgen is, zich van pure emotie een kogel door het hart. Zij krijgt op slag de status van nationale heldin en wordt met militaire eer begraven, in aanwezigheid van de president, de regering en het nationale elftal. Een week later, op 15 juni, heeft in San Salvador de terugwedstrijd plaats. El Salvador wint met 3-0. Vóór, tijdens en vooral na de wedstrijd worden de spelers en de supporters van Honduras zwaar belaagd: er vallen twee doden, tientallen gewonden en honderdvijftig auto’s worden in brand gestoken. Daarop worden in Honduras zelf Salvadoraanse migranten op hun beurt aangevallen. Resultaat: één dode, verscheidene gewonden en enkele gebouwen in de as. Duizenden Salvadoranen vluchten weg uit het land, bevreesd voor nog meer geweld. De spanning tussen beide landen loopt verder op en op 27 juni worden de diplomatieke betrekkingen verbroken. Vanaf 3 juli doet er zich aan de grens een reeks gewapende incidenten voor, culminerend in een heuse oorlog wanneer op 14 juli El Salvador een grootschalig grond- en luchtoffensief inzet. Onder internationale druk sluiten de strijdende partijen op 19 juli een wapenstilstand, maar op enkele dagen tijd zijn er wel duizend tot tweeduizend doden gevallen, vooral aan Hondurese kant. Uiteraard waren er reeds langer zware spanningen tussen beide landen, maar het feit dat een voetbalwedstrijd een complete oorlog kan ontketenen is veelbetekenend. Deze oorlog staat in de geschiedenisboeken dan ook met recht bekend als de ‘voetbaloorlog’. Het is de eerste en voorlopig ook laatste keer dat een voetbalwedstrijd de onmiddellijke aanleiding vormt voor een oorlog, of nog, dat een oorlog de voortzetting is van een voetbalwedstrijd met andere middelen [5].

In de twee zojuist beschreven gebeurtenissen liggen oorlog en voetbal weliswaar in elkaars verlengde, het blijven niettemin nog twee duidelijk onderscheiden zaken. Er valt echter ook nog te verwijzen naar een derde feit [6], waarbij de grenzen tussen oorlog en voetbal werkelijk volledig wegvielen. Deze zonder meer bizar te noemen gebeurtenis vond plaats tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het westelijk front in Noord-Frankrijk. Toen het East Surrey-regiment een aanval deed op de Duitse stellingen, gaf de commandant van een van de compagnieën zijn mannen opdracht met een voetbal over het niemandsland te dribbelen. Een oorlogscorrespondent beschreef het als volgt:

‘De kapitein zorgde voor vier voetballen, één voor elk peloton en liet hen een dribbelwedstrijd houden over de hele één en een kwart mijl die ze moesten oversteken. Toen de compagnie uit de loopgraaf te voorschijn was gekomen, gaven de pelotonscommandanten de aftrap en de wedstrijd met de dood begon. Al in het begin van de aanval sneuvelde de dappere commandant, en snel begonnen mannen te vallen onder de hagel van machinegeweerkogels. Maar toch werden de voetballen nog steeds naar voren getrapt met rauwe aanmoedigingskreten tot zij in de dichte rookwolken waarachter de Duitsers aan het schieten waren, verdwenen. Nadat de bommen en bajonetten hun werk hadden gedaan en de vijand het veld had geruimd, zochten de mannen van East Surrey hun voetballen op en vonden er twee terug in de veroverde loopgraven. Deze zullen als waardevolle trofeeën naar het regimentsdepot in Kingston gezonden worden.’

Aan deze vreemde aanval werd zelfs een patriottisch gedicht gewijd:

‘Where blood is poured like water, they drive the trickling ball… True to the land that bore them, the Surrey’s play the game!’

[Waar het bloed vloeit als water, drijven zij de sijpelende bal voort… Het land dat hen voortbracht waardig, spelen de Surreys het spel!]

Jachtritueel of gestileerde veldslag?

Zoals gezegd, Desmond Morris vermeldt deze drie feiten in drie verschillende hoofdstukken, los van elkaar en telkens in een andere context. Het is dus niet onmiddellijk zijn bedoeling hiermee een mogelijk verband tussen voetbal en oorlog te ondersteunen. Wel integendeel, de centrale stelling van The Soccer Tribe luidt juist dat voetbal uiteindelijk een voortzetting is van de prehistorische jacht. Kort samengevat komt de redenering hierop neer. Vele duizenden jaren lang was de mens afhankelijk van de jacht om te overleven. Het jagen was een bijzonder gevaarlijke en spannende aangelegenheid. Het vereiste moed, kracht, vaardigheid (zoals precies kunnen mikken), strategisch inzicht en ‘teamwork’. Toen de mens vanaf het tiende millennium vóór Christus sedentair begon te worden en via landbouw en veeteelt in zijn levensbehoeften kon voorzien, werd de jachtactiviteit, die zo lang zijn bestaan had bepaald, plots overbodig. De overgang verliep te snel. Om zijn oeroude jagersinstincten te blijven bevredigen, ging de mens voort met jagen, nu niet meer om te overleven, maar wel als sport, als ontspanning. Vervolgens ontstonden de stedelijke samenlevingen. De jacht als ‘sportactiviteit’ werd overgeplaatst van het platteland naar de stad in de vorm van bloedige arenaspelen. Denken we maar aan de gladiatorengevechten met dieren in het oude Rome, die ook vandaag nog voortleven in zoiets als het stierengevecht of het leeuwentemmen in het circus. Ten slotte werden de bloedige arenaspelen vervangen door een symbolisch arenaspel: het voetbal. De jager werd op die manier voetbalspeler, zijn wapen de bal, zijn prooi het doel.

Desmond Morris geeft toe dat het jachtritueel in het voetbal voor de buitenstaander minder gemakkelijk herkenbaar is. Maar het blijft voor hem wel de belangrijkste verklaringsgrond. Veel meer voor de hand liggend daarentegen is het om het voetbal te zien als een veldslag, als een oorlog. Volgens Morris is dit echter misleidend. Het is immers niet de bedoeling dat de twee ploegen elkaar vernietigen, wel dat ze doelpunten maken. Er is een reglement en er is een scheidsrechter om daarover te waken en te beletten dat een voetbalwedstrijd ontaardt in een man-tegen-mangevecht. Het voetbal is dus in de eerste plaats een voortzetting van het oeroude jachtgebeuren, al geeft Morris toe dat ook het oorlogsaspect een belangrijke rol speelt. Zijn redenering lijkt me toch niet geheel overtuigend. Het is niet omdat de oorlogsdimensie van het voetbal het meest voor de hand ligt, dat ze ook niet de belangrijkste kan zijn. Vier kanttekeningen. Vooreerst: in een voetbalwedstrijd staan twee partijen tegenover elkaar. Volgens Desmond Morris gebeurde dit om het jachtspel moeilijker te maken: men moet niet alleen proberen het doel te treffen, men wordt daarbij ook nog eens gehinderd door een tegenstander, een soort wederkerige jacht dus. Is deze verklaring niet wat vergezocht? Ten tweede: in voetbal draait alles om winst en verlies, en niet zozeer om het aantal treffers. Beter winnen met 1-0 dan verliezen met 3-4. Ten derde: het verschil tussen voetbal en oorlog is dat er regels zijn en een scheidsrechter? Het voetbal is eeuwenlang gespeeld zonder scheidsrechter en met een minimum aan regels. Bovendien, ook voor oorlogen hebben er altijd regels bestaan, want ook in een oorlog is het niet de eerste doelstelling dat vijandelijke legers elkaar vernietigen. Ten vierde: het voetbalvocabularium bevat inderdaad woorden die herinneren aan de jacht (zoals mikken op doel), maar deze termen, naast zovele andere, kunnen toch even goed verwijzen naar de oorlog [7]?

Volgens mij maakt Desmond Morris het zich nodeloos moeilijk. Eigenlijk slaat hij gewoon een stap over. Toen de mens zich vanaf het tiende millennium vóór Christus als landbouwer ging vestigen in vaste nederzettingen, was hij niet meer afhankelijk van het jachtgeweld om op korte termijn te overleven. Er ontstond echter een ander probleem: de voedselvoorraden, de akkergrond en de veestapel moesten beschermd worden tegen veroveraars. Om op lange termijn te overleven was er dus nog steeds geweld nodig: niet meer het oude jachtgeweld van mens tegen dier, maar wel het nieuwe oorlogsgeweld van mens tegen mens. Bovendien begon, na de introductie van de landbouw, het bevolkingsaantal stilaan te stijgen, waardoor de kans op conflicten nog toenam. Zo werd, na de jacht, het oorlogvoeren de tweede oudste ‘sport’ van de mens. Er zijn inderdaad allerlei archeologische bronnen die erop wijzen dat de oorsprong van de oorlog ligt in de overgangsperiode tussen 12.000 en 8.000 vóór Christus: een ‘revolutie’ in de ontwikkeling van de wapentechnologie (boog, slinger, dolk en knots), schilderingen met oorlogstaferelen, graven van ‘oorlogsslachtoffers’ en het ontstaan van versterkte nederzettingen [8]. Wellicht werden bij die eerste oorlogen wapens en tactieken gebruikt die ontwikkeld waren tijdens de jachtactiviteit. Om nu terug te komen op de theorie van Desmond Morris: in plaats van het voetbal rechtstreeks op de jacht terug te voeren, lijkt het me logischer te werken in drie stappen, namelijk van de jacht via de oorlog naar het voetbal. Op die manier wordt het voetbal in de eerste plaats een voortzetting van de oorlog, maar bevat het onrechtstreeks ook nog heel wat elementen van de jacht.

De ruige Middeleeuwen

Tot zover de theorie. Laten we nu eens kijken naar de concrete voetbalgeschiedenis [9]. Wanneer precies is het voetbal ontstaan? En is er mogelijk een verband aan te wijzen met oorlog? Er zijn wereldwijd heel wat ‘voorlopers’ van het voetbal. In China werd reeds in de zevenentwintigste eeuw vóór Christus een soort voetbal gespeeld, later overgenomen door de Japanners. Ook in Mexico zijn er vermeldingen van een spel dat gelijkenissen vertoont met het voetbal en dat gespeeld werd tot aan de Spaanse veroveringen rond 1520. Het Chinese en Mexicaanse ‘voetbal’ was wellicht een soort religieus ritueel. Dichter bij huis zijn er de Grieken en de Romeinen. Vooral het Romeinse voetbal ‘harpastum’ is van belang, omdat het bekend stond als erg ruw en omdat het door de legioenen o.m. in Gallië werd verspreid. Kenden Kelten en Germanen een vorm van voetbal nog los van het Romeinse ‘harpastum’? Het grote probleem is dat er geen continuïteit aangetoond kan worden tussen al deze ‘balspelen’ en het moderne voetbal. Dat laatste is zonder enige twijfel afkomstig uit Engeland. De oudste vermeldingen gaan terug tot de elfde en twaalfde eeuw. Deze middeleeuwse ‘oervorm’ van het moderne voetbal stond in Engeland bekend als ‘hurling’ (to hurl: ‘werpen’). In Frankrijk en de Nederlanden wordt een gelijkaardig spel beschreven onder de naam ‘soule’ of ‘choule’ (een soort bal). Of deze spelen nieuw waren, dan wel teruggingen tot het Romeinse ‘harpastum’ blijft een open vraag [10].

Hoe zag zo’n middeleeuwse voetbalwedstrijd eruit? Het woord ‘voet-bal’ is hier enigszins misleidend. Ten eerste omdat de ‘bal’ niet uitsluitend met de voet gespeeld werd, maar wel met het gehele lichaam [11]. En ten tweede omdat er nog geen echte bal werd gebruikt maar wel een opgevulde varkens- of koeienblaas [12]. Meestal stonden twee rivaliserende dorpen tegenover elkaar. Regels waren er nauwelijks en iedereen mocht meedoen. De bedoeling was, de ‘bal’ in het dorp van de tegenstander te deponeren, op het kerkplein, in de toegangspoort of op een ander afgesproken herkenningspunt. De twee doelen lagen dus vaak kilometers uit elkaar en een wedstrijd kon dan ook een hele dag duren. Een middeleeuwse voetbalwedstrijd kan men zich misschien nog het beste voorstellen als een soort reusachtige rugbywedstrijd, maar dan zonder regels. Een massale worstelpartij met honderden deelnemers over een immens terrein, dwars door straten, huizen, akkers en mogelijk zelfs rivieren. Het behoeft geen betoog dat dit ‘volksvoetbal’ doorgaans zeer gewelddadig verliep, met talloze gewonden, af en toe ook doden en heel wat materiële schade tot gevolg. Meerdere malen werd het spel dan ook verboden door de overheid. Of men zich van die verbodsbepalingen ook iets aantrok, is minder duidelijk. Het ‘middeleeuwse’ voetbal wordt in enkele Engelse plaatsjes, zoals Ashbourne niet ver van de stad Derby, ook vandaag nog gespeeld, naar we mogen hopen dan toch wel in een iets minder brutale variant.

Oorlogvoeren in het riddertijdperk

Zoals gezegd, de oudste vermeldingen van het middeleeuwse voetbal vinden we terug in Engeland en Frankrijk in de elfde en twaalfde eeuw. Het is erg interessant eens een blik te werpen op de oorlogsvoering in die landen tijdens die periode [13]. Bij de woorden ‘Middeleeuwen’ en ‘oorlog’ stelt men zich misschien de meest gruwelijke dingen voor, maar dat heeft veel te maken met negatieve beeldvorming. Het tijdvak tussen 500 en 1500 was ongetwijfeld gewelddadig, maar zeker niet gewelddadiger dan de twintigste eeuw, die inzake oorlog en staatsgeweld zowat alle records breekt. De middeleeuwse oorlog was niet totaal en leidde niet tot genocide. Gewapende conflicten werden meestal door relatief kleine legers uitgevochten, duurden vrij kort en richtten slechts beperkte schade aan. Tijdens de periode van het einde van de elfde tot het begin van de dertiende eeuw verliep de oorlogsvoering in Frankrijk en Engeland zelfs merkwaardig ‘onbloedig’. Enkele voorbeelden. In de slag bij Brémule (1119), waarbij de Engelse koning Hendrik I en de Franse koning Lodewijk de Dikke tegenover elkaar stonden en waaraan ongeveer negenhonderd ridders deelnamen, vielen er slechts drie doden. Dertien jaar eerder, bij Tinchebray, verloor Hendrik I niet meer dan twee strijders. In 1118 overleefden zelfs alle Angevijnse ridders de slag bij Alençon. Een eeuw later dan weer, in de slag bij Lincoln (1217), lieten drie ridders het leven. Als we dus naar het aantal slachtoffers kijken, lijkt de scheidingslijn tussen oorlog en voetbal plots heel dun geworden. De meest gewelddadige voetbalwedstrijden zullen zelfs meer slachtoffers geëist hebben dan de minst bloedige veldslagen. Historici geven doorgaans vier verklaringen voor het ongewoon lage aantal oorlogsslachtoffers: de christelijke ridderethiek, het losgeld dat men kon krijgen voor gevangen ridders, betere wapenrustingen en ten slotte, de belangrijkste factor, de heersende sociale code. Het doden van een tegenstander kon namelijk leiden tot bloedwraak en jarenlange vetes.

Maar er lijkt me nog een dieperliggende reden te zijn. De periode rond 1100 vormt een breuklijn in de westerse beschavingsgeschiedenis. Na de bloei van het Karolingische rijk kent West-Europa vanaf ca. 850 een algemene terugval: verbrokkeling van het centrale gezag ten voordele van plaatselijke potentaten die regelmatig privé-oorlogjes uitvechten, dit alles nog verergerd door de invallen van Saracenen, Hongaren en Noormannen. De periode van 850 tot 950 wordt niet voor niets de ‘IJzeren Eeuw’ genoemd. Tegen die toestand van algemene wanorde, crisis en onveiligheid zet de kerk, daarin later bijgestaan door de wereldlijke overheid, vanaf het einde van de tiende eeuw een heus beschavingsoffensief in. Door de ‘godsvrede’ worden bepaalde bevolkingscategorieën (geestelijken, kooplieden, vrouwen, kinderen…) onschendbaar verklaard. Met het ‘godsbestand’ wordt vervolgens het oorlogvoeren verboden op welbepaalde dagen. Ten slotte probeert de kerk ook via het ridderideaal de groep van ongeregelde krijgers te disciplineren. De kruistochten (vanaf het einde van de elfde eeuw) bieden bovendien een mooie gelegenheid om de ergste vechtersbazen uit West-Europa weg te krijgen.

Tegen die achtergrond zal de ‘onbloedige’ oorlogsvoering in de twaalfde en dertiende eeuw al meer begrijpelijk overkomen. Maar ook in tijden van stabiliteit en (relatieve) vrede blijft een uitlaatklep voor agressie noodzakelijk. Voor de ridders wordt die al gauw gevonden in de vorm van ‘toernooien’ [14]. De eerste vermeldingen daarvan dateren van de elfde eeuw, gelijktijdig met het voetbal dus. Naast de klassieke toernooigevechten tussen twee individuele ridders, bestonden er ook ‘massale’ toernooien, die soms erg dicht bij echte veldslagen kwamen. Bovendien vielen er ook bij toernooien niet zelden dodelijke slachtoffers. Als we het toernooi kunnen beschouwen als het surrogaat voor oorlog van de ridderstand, is het dan niet aannemelijk het ‘volksvoetbal’, dat gelijktijdig tot ontwikkeling kwam, te zien als het surrogaat voor oorlog van de gewone man? Als we ervan uitgaan dat agressie inherent is aan het menselijk bestaan en onuitroeibaar [15], dan komt het erop aan deze agressie, in tijden dat er geen oorlog is, zo goed mogelijk te kanaliseren en eventueel te sublimeren. Dat kan via allerlei sporten en spelen, vooreerst als deelnemer maar vervolgens ook als toeschouwer. Deze ‘veiligheidsklep-’ of ‘katharsistheorie’, oorspronkelijk afkomstig van Aristoteles, werd in diverse varianten uitgewerkt door o.m. de psychoanalyticus Freud, de etholoog Lorenz, de socioloog Elias en de politicoloog Vinnai [16]. Op die manier is het voetbal gewoon een voortzetting van de oorlog met andere middelen [17]. Wereldschokkend is deze stelling allerminst, maar het is wel opvallend hoe nauw de twaalfde-eeuwse oorlogsvoering nog aanleunt bij haar vervangers, het riddertoernooi en het volksvoetbal.

Het voetbal getemd

Het gewelddadige ‘middeleeuwse’ volksvoetbal wordt ook nog na 1500 gedurende enkele eeuwen gespeeld. Fundamentele veranderingen komen er pas in de negentiende eeuw. In de Engelse ‘public schools’ waren allerlei varianten van het ‘volksvoetbal’ erg in trek. Ook al verliepen de wedstrijden misschien niet meer zo brutaal als in de voorbije eeuwen, het bleef nog steeds een erg ruw spel. Om dit ruige karakter toch wat te temperen, werd het voetbal meer en meer gebonden aan regels [18]. Elke belangrijke school ontwikkelde zo een eigen reglement. Eton College was er het eerst bij in 1815. In 1848 kwam men dan tijdens een vergadering op Trinity College in Cambridge tot een eerste standaardisering van de verschillende voetbalreglementen. Een volgende belangrijke stap werd gezet toen in 1863 in Londen de ‘Football Association’ werd opgericht. Daar besliste men o.m. dat de bal voortaan niet meer met de hand gespeeld mocht worden en vanaf nu ontwikkelde het rugby zich dan ook als een aparte sport. Tezamen met het opstellen van die eerste voetbalreglementen werd ook de idee van ‘fair play’ geleidelijk aan gepropageerd.

Het zou te ver voeren hier de hele ontstaansgeschiedenis van het voetbalreglement tot in detail te schetsen. Maar zowat alle dingen die we nu evident vinden, moesten in die eerste periode nog vastgelegd worden: de afmetingen van het terrein, het aantal spelers (elf omdat op de slaapzalen in de scholen tien leerlingen en één surveillant sliepen), de bal (een ronde bal en geen eivormige), de kledij enz. Het reglement werd in de loop der jaren verder ontwikkeld en ook vandaag zijn er af en toe nog aanpassingen. De achterliggende tendens is duidelijk: het spel wordt alsmaar minder ruw [19]. Ook de speltactiek is grondig gewijzigd. De spelers en hun begeleiders zijn thans duurbetaalde professionals. Belangrijke wedstrijden hebben veel weg van een schaakspel met een ‘studieronde’ in het begin van de match, ‘wetenschappelijke’ analyses van specialisten in de studio enz. Wat een verschil tussen dit ‘academische’ voetbal en het wilde geloop van anderhalve eeuw geleden!

Het wordt weer fijn langs de lijn

De gewelddadigheid op het veld is, hoe je het ook draait of keert, op honderdvijftig jaar tijd fors teruggedrongen. De agressie rond het veld [20] volgt op lange termijn in feite dezelfde lijn, weliswaar met ups en downs en met enige vertraging. Supportersgeweld heeft altijd bestaan en was in vroeger eeuwen zelfs veel extremer dan wat we nu kennen [21]. Ook het voetbal ontsnapte hier niet aan. Eigenlijk is het gewelddadige gedrag van bepaalde supporters nu gewoon een voortzetting van de brutaliteit van de spelers van het vroegere volksvoetbal. Daaraan mocht iedereen deelnemen, het moderne voetbal daarentegen liet slechts elf deelnemers toe. De rest (en dat waren er heel wat) moest dan maar als supporter plaatsnemen rond het veld. Maar, in tegenstelling tot het gebeuren op het veld, werd het gedrag buiten de lijnen niet echt minder brutaal. Een aantal supporters begon namelijk meer en meer te vervreemden van hun spelers, duurbetaalde professionals zonder echte binding met de club, en de verschillende supportersgroepen startten dan maar een eigen gewelddadige competitie rond het veld, als compensatie voor het steeds tammer wordende spel op het terrein.

De (voetbal)autoriteiten hebben lang gewacht, maar sinds enkele decennia wordt ook het geweld buiten de lijnen ernstig aangepakt. Een keerpunt vormde het Heizeldrama in mei 1985, toen voor de ogen van miljoenen tv-kijkers tientallen voetbalfans vertrapt werden nadat er rellen waren uitgebroken. Deze gruwelijke gebeurtenissen brachten de strijd tegen het voetbalgeweld in een stroomversnelling. Allerlei maatregelen volgden. Strengere straffen, meer politie, meer controle en ook modernere stadions. Op het hoogste niveau wordt thans alleen nog gespeeld in luxueuze voetbaltempels als bijvoorbeeld de Amsterdam ArenA: overal camera’s tegen potentiële geweldenaren, alleen nog maar zitplaatsen, het hele stadion (zelfs het speelveld) overdekt, loges en ‘business seats’ van waaruit de kapitaalkrachtige toeschouwer met een glaasje champagne in de hand het spel kan volgen. Mooi, dat wel, veilig en comfortabel, zeker, maar toch ook wat zielloos allemaal [22].

Is het probleem van het voetbalgeweld daarmee nu opgelost? Sinds de jaren negentig merken we dat er in en onmiddellijk rond de stadions inderdaad minder geweld voorkomt (er zijn zeker nog uitzonderingen), maar dat er anderzijds meer rellen zijn op afgelegen plaatsen. De ‘slag om Beverwijk’ in maart 1997 was in dit verband een duidelijk teken aan de wand: aanhangers van Feyenoord en Ajax vochten toen op afspraak een volgens journalisten ‘haast middeleeuwse veldslag’ uit op een weiland naast de A9-autoweg in Beverwijk. Er vielen één dode en tientallen gewonden. Het waren de zwaarste rellen uit de Nederlandse voetbalgeschiedenis. De politie was getipt, maar wist niet precies waar het treffen zou plaatsvinden. Beverwijk is slechts één voorbeeld van de vele waaruit blijkt dat het voetbalgeweld meer en meer ‘ondergronds’ gaat en buiten de controle van de overheid valt. Op den duur zullen bepaalde daden van voetbalgeweld zelfs niet meer als dusdanig herkend en gecatalogiseerd worden, juist omdat ze zo ver van het voetbalveld plaatsvinden. Is dit een goede of een slechte evolutie? De meest recente tendens inzake geweldbestrijding ten slotte is dat de (voetbal)overheid zich, nu het fysieke geweld (bijna) uit de stadions gebannen is, meer en meer gaat richten op het psychologische geweld: ‘kwetsende’ spreekkoren of dito spandoeken en gebaren kunnen leiden tot het stilleggen van de wedstrijd en een boete voor de ‘schuldige’ club. Men kan zich afvragen in hoeverre dat allemaal haalbaar is.

Beschavingsproces met vallen en opstaan

Het zal sommige mensen, en zeker de voetbalhaters, wellicht wat vreemd in de oren klinken, maar het actuele voetbal is het resultaat van een eeuwenlang beschavingsproces. In feite kunnen we drie grote fasen onderscheiden. De eerste fase ligt buiten het voetbal, het is die van de middeleeuwse oorlog, inzonderheid de ‘onbloedige’ oorlogjes die werden uitgevochten in het twaalfde-eeuwse Engeland en Frankrijk. De tweede fase is die van het zeer gewelddadige middeleeuwse volksvoetbal, dat inzake het aantal deelnemers en slachtoffers nauwelijks moest onderdoen voor de echte veldslagen uit die tijd en, net zoals de riddertoernooien, beschouwd kan worden als een uitlaatklep voor agressie, een surrogaat voor oorlog. De derde en laatste fase is die van het moderne voetbal zoals zich dat ontwikkelde vanaf de negentiende eeuw en zoals we het ook vandaag nog kennen. Deze derde fase kunnen we zelfs nog verder onderverdelen: eerst werd het gedrag van de spelers, het geweld binnen de lijnen aangepakt; daarna volgde het fysiek geweld buiten de lijnen, het supportersgeweld; en ten slotte neemt men, sinds enkele jaren, ook maatregelen tegen het psychologische supportersgeweld, zoals kwetsende liederen en slogans.

Af en toe merkt men echter een terugval. Zo gebeurt het wel eens dat een voetbalmatch uitloopt op een massale vechtpartij tussen de spelers. Een beroemd voorbeeld is de ‘Slag van Bern’. Op het wereldkampioenschap van 1954 in Zwitserland stonden in de kwartfinale de twee favorieten Hongarije en Brazilië tegenover elkaar. Hongarije won na een tumultueuze wedstrijd (twee strafschoppen en drie uitsluitingen) met 4-2. Naderhand kwam het naast de zijlijn en in de kleedkamers tot een ongemeen hevige kloppartij tussen spelers, officials, fotografen en de politie [23]. En meer recent nog, in maart 2002, was er de Champions League-wedstrijd tussen AS Roma en Galatasaray (1-1). Na het laatste fluitsignaal gingen spelers en officials van beide ploegen met elkaar op de vuist en de politie kon slechts met heel wat moeite en ten koste van ruim twintig gewonden de vechtenden scheiden. In zulke gevallen valt men terug van fase drie, het moderne voetbal, naar fase twee, het middeleeuwse voetbal. Hoe men het moderne supportersgeweld, zoals de slag om Beverwijk, moet interpreteren is minder duidelijk: gaat dit ook om een terugval van fase drie naar fase twee? Of is het zelfs een terugkeer naar fase één, regelrechte oorlogsvoering dus? Het terugvallen van fase drie naar fase één is uitzonderlijk maar niet onmogelijk: de voetbaloorlog tussen Honduras en El Salvador in 1969 en de bizarre charge van het East Surrey-regiment tijdens de Eerste Wereldoorlog bewijzen dit.

Het voetbal heeft dus al een hele weg afgelegd. De inspanningen die thans geleverd worden om ook het laatste restje gewelddadigheid, het laatste overblijfsel dat ons aan oorlog herinnert, uit het voetbal te bannen, roepen echter een fundamentele vraag op: is dit wel wenselijk? Immers, wat blijft er nog over van het voetbal als ook de psychologische strijd, de symbolische oorlog zoals die gevoerd wordt door elke spionkop, volledig verdwenen is? Desmond Morris vat het probleem goed samen [24]:

‘Velen zouden graag zien dat zelfs ook deze verbale en visuele demonstraties helemaal uit de voetbalstamwereld verdwenen en de gebeurtenissen op wedstrijddagen meer het beeld gingen vertonen van gezellige familie-uitjes met vriendelijk applaus en het zingen van vrolijke clubliederen, zoals een schoolreisje of een padvindersjamboree. Ze willen de woeste voetbaltonelen temmen en ze in een keurige vrijetijdsbesteding omzetten. Maar zulke ideeën brengen zelfs de supporters die het hardst tegen voetbalfan-aggro tekeergaan in opstand. Plotseling realiseren ze zich hoeveel opwinding de opgekropte spanning van die specifieke strijdlust van het voetbalpubliek aan de sport verleent. Neem die spanning weg en de machtige symbolische betekenis van de stamrituelen zou verloren zijn, hun diepgewortelde betekenis vernietigd.

Het is dus duidelijk dat het in de toekomst de kunst is deze spanning en dit intense meeleven van de stamleden te bewaren, maar tegelijk de meest extreme en destructieve uitingsvormen ervan kwijt te raken. De moeilijkheid is dat je aan elk waarschuwend vuurtje soms je vingers kunt branden en de voetbalstam moet de ideale brandwacht nog uitvinden. Hopelijk gebeurt dat vóór de rest van de gemeenschap haar geduld verliest en er water over gooit.’


[1] Ik heb de Nederlandse vertaling gebruikt: Desmond Morris, Spel om de bal. Over tradities en rituelen, spelers en supporters in de fascinerende wereld van het voetbal, Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1982.

[2] Desmond Morris, op. cit., blz. 305. Voor meer details: Thomas Pakenham, The Boer War, Weidenfeld & Nicolson, Londen, 1997, blz. 288-307.

[3] Onlangs heeft FC Liverpool bekendgemaakt dat er tegen het seizoen 2006-2007 een gloednieuw stadion met 60.000 zitplaatsen wordt gebouwd in het nabijgelegen Stanley Park. De historisch beladen Spionkoptribune zal dus na meer dan een eeuw uiteindelijk toch verdwijnen. Het zal de mythevorming waarschijnlijk nog versterken.

[4] Desmond Morris, op. cit., blz. 278. Voor meer details: Gilbert Roox, ‘Waarom voetbal de Nobelprijs niét verdient’, in De Standaard, 27 januari 2001 en Keesings Historisch Archief 1969, blz. 449-450.

[5] Overigens is het opmerkelijk hoe in onze mediamaatschappij de oorlogsverslaggeving steeds meer begint te lijken op die van een voetbalwedstrijd. Hans Achterhuis wees hierop n.a.v. de Kosovo-oorlog van 1999 in Politiek van goede bedoelingen, Boom, Amsterdam, 1999, blz. 9-10. Ook interessant is de column van Hans Nieuwenburg ‘Voetbal is oorlog’ op www.sport.nl over de laatste Golfoorlog.

[6] Desmond Morris, op. cit., blz. 158-160. Hieruit komen ook de citaten.

[7] René Appel, Voetbaltaal, Sdu, Den Haag, 1990. Dit boek staat volledig op het internet: www.onzetaal.nl .

[8] Arthur Ferrill, De oorsprong van oorlog. Van het stenen tijdperk tot en met Alexander de Grote, Bert Bakker, Amsterdam, 1992, blz. 13-40.

[9] Voor de geschiedenis van het voetbal kan men, naast Desmond Morris, op. cit., o.m. terecht bij E. Dunning & K. Sheard, Barbarians, Gentlemen and Players: a sociological study of the development of rugby football, Oxford, 1979.

[10] Volledigheidshalve vermeld ik hier ook nog het Italiaanse ‘calcio’. Deze vorm van voetbal werd in het Firenze van de Renaissance gespeeld tussen ploegen uit de vier stadswijken. In tegenstelling tot ‘hurling’ en ‘soule’ waren er vaste ploegen (telkens zevenentwintig spelers) en een afgebakend terrein (100 m x 50 m). In de achttiende eeuw verdween het ‘calcio’, maar vandaag wordt het opnieuw gespeeld als toeristische attractie. Behalve de naam is er echter geen verband met het moderne Italiaanse voetbal.

[11] Ook in de Middeleeuwen gebruikte men reeds de term ‘voetbal’, maar dan om aan te duiden dat het spel te voet werd gespeeld, dit in tegenstelling tot de aristocratische sporten, die te paard werden beoefend.

[12] Mogelijk werd er zelfs ooit, als vernederingsritueel, gespeeld met het afgehakte hoofd van een overwonnen vijand (Desmond Morris, op. cit., blz. 192). In dat verband is het interessant Waarachtige voetbalkamp van Paul Van Ostaijen te (her)lezen, een kort maar intrigerend stukje dat voor meerdere interpretaties vatbaar is. Nog een pittig detail in deze context: de harde supporterskern van de Londense club Chelsea, een van de meest gevreesde van Engeland, draagt de lugubere naam ‘Chelsea Headhunters’.

[13] B. Maso, ‘Zij dorstten niet naar het bloed van hun broeders’, in A.J. Brand (red.), Oorlog in de middeleeuwen, Verloren, Hilversum, 1989, blz. 89-109.

[14] Joachim Bumke, Hoofse cultuur. Literatuur en samenleving in de volle Middeleeuwen, deel 1, Aula, Het Spectrum, Utrecht, 1989, blz. 318-352.

[15] Diederik Boeykens, ‘Zinloos geweld bestaat niet’, in Streven, januari 2001, blz. 48-57.

[16] Aristoteles, Poëtica (vert. N. van der Ben & J.M. Bremer), Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1986.

Sigmund Freud, ‘Driften en hun lotgevallen’, in Psychoanalytische theorie 2, Boom, Meppel/Amsterdam, 1986, blz. 29-65.

Konrad Lorenz, Agressie bij dier en mens, Ploegsma, Amsterdam, 1984, zesde druk, blz. 267-268.

Norbert Elias, Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen, Aula, Het Spectrum, Utrecht, 1982.

Gerhard Vinnai, Voetbalsport als ideologie, Meulenhoff, Amsterdam, 1972.

[17] Net zoals de gladiatorengevechten in het oude Rome hun hoogtepunt kennen na het einde van de grote veroveringsoorlogen: Fik Meijer, Gladiatoren. Volksvermaak in het Colosseum, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2003, blz. 221-222.

[18] Desmond Morris, op. cit., blz. 32-37.

[19] Wat niet belet dat ook vandaag nog veel voetbalblessures voorkomen. Voetbal is nu eenmaal een contactsport. Dodelijke ongevallen op het voetbalveld zijn thans gelukkig vrij uitzonderlijk.

[20] De term ‘hooliganisme’ doelt op georganiseerde, geplande geweldpleging, vaak in bende. De woorden ‘geweld’ en ‘agressie’ zijn algemener en omvatten ook de ‘spontane’ uitingen ervan.

[21] Uitspraken als ‘het is nog nooit zo erg geweest’ en ‘vroeger verliep alles toch veel sportiever’ berusten op een overschatting van de huidige problemen en een gebrek aan kennis van het verleden. Het zwaarste supportersgeweld deed zich waarschijnlijk voor bij de gladiatorengevechten en de wagenrennen in het oude Rome. In verband met sport en geweld in het verleden: J.H. Goldstein (ed.), Sports Violence, Springer, New York, 1983 en M.D. Smith, Violence and Sport, Butterworth & Co. Ltd., Toronto, 1988.

[22] Over de commercialisering van het voetbal en het verdwijnen van de traditionele voetbalcultuur: Marcel Maassen, Betaalde liefde. Voetbal, van volkssport tot entertainment-industrie, Sun, Nijmegen, 1999.

[23] Meer details bij David Yallop, De voetbalmaffia. De corrupte spelletjes van de FIFA, Rainbow Pocket, Uitgeverij Maarten Muntinga, Amsterdam, 2000, blz. 38.

[24] Desmond Morris, op. cit., blz. 271.



© S T R E V E N