November 2004

Patrick Vanden Berghe

‘Mijn pen kunnen ze me niet ontnemen’

Leven en werk van Raden Ajeng Kartini (1879-1904)


In de Javabode van 19 september 1904 stond tussen enkele berichten over de Russisch-Japanse oorlog een In Memoriam. ‘Zaterdag overleed te Rembang Raden Ajoe Djojo-adiningrat Kartini, echtgenote van de regent van Rembang, een der begaafde dochters van den regent van Japara, die veel van zich hebben doen spreken door hun streven den Javaan en zijne vrouwen en dochters geestelijk op te heffen. Zij had zich dit als levensdoel gesteld en hoopte in haar huwelijk, […], in staat te zijn nog meer tot stand te brengen.’

Het had niet mogen zijn: Kartini, vijfentwintig jaar en net bevallen van haar eerste zoon, overleed in het kraambed. Met haar stierf een van de meest beloftevolle uitdragers van de nieuwe wind die langzaam over de kolonie Nederlands-Indië begon te waaien.

‘Hollandsche maniertjes leren’

Het moet een heuglijke dag geweest zijn, ergens in 1895, in het leven van Raden Ajeng Kartini, tweede dochter van de regent van Japara (Midden-Java). Na vier jaar van opsluiting krijgt het zestienjarige meisje een deel van de hard bevochten vrijheid terug. Vanaf haar twaalfde werd ze immers thuisgehouden; in het Nederlands-Indië van 1900 was een meisje van twaalf huwbaar en werd ze geacht zo onopvallend mogelijk thuis te wachten tot een echtgenoot haar kwam halen. Letterlijk dan, want huwen betekende de vertrouwde omgeving achterlaten om spoorloos te verdwijnen in het huis van een echtgenoot die vaak al enkele vrouwen bezat!

Niet dat Kartini gedurende vier jaar in een echte gevangenis zat, maar haar wereld was al die tijd beperkt tot het weliswaar ruime erf van het ouderlijke huis. Zelf schrijft ze daarover in een van haar intussen bekend geworden brieven: ‘Vier lange jaren heb ik tussen vier dikke muren doorgebracht, zonder ooit iets van de buitenwereld te zien’[1]. Uit een latere brief leren we hoe ze dit leven à huis clos beleefde: ‘Ik herinner mij, hoe ik in stomme wanhoop mijn lichaam telkens tegen de steeds gesloten deur en koude stenen muur wierp. Welke richting ik ook nam, het eind van iedere wandeling was een stenen muur of een gesloten deur’. Eerste vaststelling: ondanks de beperkte vrijheid was Kartini’s bestaan allesbehalve eentonig. Samen met haar zussen batikte en schilderde ze, samen ook lazen ze Nederlandse boeken en tijdschriften. Tweede vaststelling: haar brieven hoeven voor Nederlandstaligen niet vertaald te worden. Kartini had immers een meer dan behoorlijke opleiding genoten. Tot haar twaalfde kreeg ze les aan een Europese lagere school, die vlak bij het huis lag. Misschien was dit ook de reden waarom ze erheen mocht gaan; zij noch haar zussen hoefden over straat! Pas later, ze is dan volwassen, zou Kartini snappen dat het mogen studeren een andere betekenis had voor haar dan voor haar vader. Kartini’s ideaal bestond erin om door leren vrij en zelfstandig een beroep te kunnen uitoefenen. Voor haar vader diende leren een ander doel: door de omgeving geacht worden. Op haar twintigste verzuchtte de regentendochter bitter: ‘Onze opvoeding was komedie – schitteren was het doel’. Kartini onderscheidde zich in nog andere zaken van haar ouders. Toen haar oudere broer het huis uit was, kwam de leiding over haar zussen en broers op haar schouders te liggen. Kartini maakte meteen komaf met de volgens haar nutteloze eerbetuigingen. ‘De zusjes en broertjes gaan met mij en onder elkaar als vrije, gelijke kameraadjes om. Onder ons geen stijfheid, ‘t is enkel vriendschap en hartelijkheid wat je ziet in onze verhouding onderling. De zusjes zeggen jij en jou tegen mij en spreken dezelfde taal als ik.’ Gedaan met het gehurk en handengevouw; het was in een van tradities verlamde maatschappij een eerste bewijs van haar opstandige geest. Haar afwijzen van geforceerde huwelijken en, meer nog, van polygamie zouden haar nog meer van haar omgeving verwijderen.

Kartini leek wel voorbestemd om uit te groeien tot een icoon van de vrouwenemancipatie. Ze werd immers geboren in een familie waarin opleiding en vorming centraal stonden. Tot de staf van haar grootvader, eveneens regent, behoorde een Nederlandse gouverneur, die de kinderen Europees getint onderwijs verstrekte. Ongezien voor die tijd was dat ook de dochters aan de lessen mochten deelnemen. Niet zonder resultaat: een van Kartini’s tantes beheerste zelfs de Franse taal! Haar vader deelde de idealen van zijn vader; hij gaf ze ook door aan zijn dochters. Maar anno 1900 was iedereen, en niet het minst een man van adellijke afkomst, meer dan nu de gevangene van zijn tijd en cultuur; een cultuur met meer plichten en rechten. Hoger onderwijs zat er aldus voor Kartini niet in. Maar dat was buiten haar wil en onverzettelijkheid gerekend. Rond 1900 leerde ze immers enkele geestesverwanten kennen, niet toevallig allemaal Nederlanders. Voor de Javanen zelf ging het wellicht nog even te vlug. De meeste inlanders waren nog de gevolgen van de veranderende politiek van het moederland aan het verteren. Enkele decennia daarvoor had een zekere Multatuli immers brandhout gemaakt van het koloniale beleid. In zijn zog veranderde het Nederlands bewind het geweer van schouder. Er werd afgestapt van het desastreuze ‘cultuurstelsel’[2]; onder invloed van de liberale politiek werden landbouwers plots loonwerkers. De concurrentie was moordend, en dus valt het enigszins te begrijpen dat de modale Javaan wel iets anders aan zijn hoofd had dan ‘te worden opgeheven’!

Angrek

Kartini’s eerste vaste correspondent was een Nederlandse feministe van het eerste uur, Stella Zeehandelaar. De correspondentie begon hoogst toevallig. Kartini had in 1899 onder het pseudoniem Angrek (Indonesisch voor ‘orchidee’) een briefje geschreven naar het vrouwentijdschrift De Hollandsche Lelie. De redactrice van het blad was blijkbaar zo onder de indruk van het overzeese schrijven dat ze ongevraagd een oproep lanceerde aan Nederlandse dames om met Kartini ‘in correspondentie [te] treden, opdat zij wrijving en uitwisseling van gedachten zou kunnen hebben, […]’. Diegene die hiertoe bereid bleek, was Stella Zeehandelaar. Stella, wier vader vroeg gestorven was, groeide op tot een zeer zelfstandige vrouw; ze had – we schrijven 1900! – zelfs een baan. Haar eerste daad tegenover Kartini verraadt veel van haar persoonlijkheid: ze stuurde haar verre correspondente de feministische roman Hilda Van Suylenburg. Stella was aldus de eerste voorstander van de opheffersidee waarmee Kartini in contact kwam. Later kwamen er nog velen bij: Hendrik van Kol, ingenieur en later socialistisch kamerlid die in 1902 een studiereis naar Indië ondernam en ervan overtuigd werd dat er een grote ereschuld te betalen viel aan de kolonie, Piet Sijthoff, de resident van Semarang, die een groot pleitbezorger was van Europees onderwijs aan de Javanen, de twee mevrouwen Ovink (de eerste, die schilderles gaf aan Kartini en haar zussen, wekte de belangstelling van haar schoonzus, die getrouwd was met een Nederlandse ambtenaar) en het echtpaar Abendanon. Jacques H. Abendanon zou een belangrijke rol spelen in Kartini’s leven. Als directeur van het departement Onderwijs zou hij haar idealen steeds onderschrijven. Van Kartini’s brieven zijn die aan het echtpaar Abendanon het bekendst; niet verwonderlijk, want het was precies J.H. Abendanon die reeds in 1911, onder de titel Door duisternis tot licht, de brieven van Kartini uitgaf. Het moet gezegd dat de vriendschap met het echtpaar werkelijk zeer diep was. Van het vormelijk ‘Liefste mevrouw’ evolueerde de aanhef van de brieven al snel naar ‘Mijn lieve schat’ of ‘Mijn lieve zon’. Voor Kartini en haar zussen was Rosa Abendanon een wonderlijke vrouw; dat ze zich net bij haar zo goed voelden, had ongetwijfeld te maken met ‘dat warme, vurige bloed dat in Uwe en onze aderen stroomt’. Mevrouw Abendanon was immers, zoals haar man, in Zuid-Amerika geboren.

Kartini’s verzuchtingen konden niet enkel op weerklank rekenen onder haar correspondenten, haar stem klonk ook steeds luider bij diegenen met wie ze geen briefwisseling onderhield. Zo waren er de jurist en kamerlid Van Deventer, die met zijn artikel ‘Een eereschuld’ aan de basis lag van de ethische koloniale politiek, en Gonggrijp, als assistent-resident van Jepara, in 1900 de directe chef van Kartini’s vader. De eerste zou later bergen werk verzetten om de kwaliteit en de toegankelijkheid van het inlands onderwijs te verhogen. Behalve Kartini-scholen kwamen er in het tweede decennium van de twintigste eeuw op Java ook Van Deventer-scholen. Gonggrijp lag dan weer aan de basis van het zich snel verspreidende beeld van de Opheffer, de multatuliaanse ambtenaar die de Javanen de weldaden van de vooruitgang moest helpen ontdekken.

Vreemd genoeg – of misschien juist niet, wanneer deze vaststelling wordt gehouden tegen het behoudsgezinde en van traditie doordrongen Javaanse daglicht – kwam Kartini’s grootste tegenstander uit eigen rangen. Haar oom Hadiningrat deelde met Kartini dezelfde ideeën omtrent het opvoeden van de inlanders. Dit wil zeggen, tot op zekere hoogte. Voor haar vaders broer was het immers onbespreekbaar meisjes aan het onderwijs te laten deelnemen. Dat de hardste tegenwind net uit eigen familie kwam, bleef voor Kartini steeds een bron van verdriet.

In al haar vrienden zocht Kartini medestanders voor haar ideaal: het oprichten van Nederlandstalige scholen waar kinderen uit de Javaanse adel goede vorming konden krijgen. Dat ze hierbij in eerste instantie dacht aan meisjes, leek haar evident: ‘En wie kan ‘t meest bijdragen tot de verhooging van ‘t zedelijk gehalte der menschheid? – de vrouw, de moeder, omdat aan den schoot van de vrouw de mensch zijn allereerste opvoeding ontvangt, het kind daar leert voelen, denken, spreken’. Kartini schreef deze woorden in 1900, ze zou nog enkele jaren moeten wachten voor ze realiteit werden. Na pogingen om in Nederland en Batavia te kunnen studeren, richtte ze samen met haar zus Roekmini halverwege 1903 thuis een schooltje op voor de kinderen uit de buurt. Het initiatief was meteen een succes; op een foto uit die tijd zien we Kartini en haar zus omgeven door een tiental kinderen.

‘Studeeren! Studeeren! In Europa wijsheid vergaren’

Dat het zo lang had geduurd voor Kartini besliste zelf in te staan voor de opvoeding van Javaanse kinderen, had met een aantal factoren te maken. Eerst en vooral waren er de ziektes en periodes van zwakte die haar familie en zijzelf moesten doorstaan. De gezondheid van haar vader was niet te best, de man leed aan een hartkwaal en het warme en vochtige klimaat bespoedigde zijn genezing zeker niet. Daarnaast had de regentendochter eerst andere sporen uitgeprobeerd. Haar grootste droom bestond erin een opleiding te krijgen in Nederland. Gesprekken met haar Nederlandse vrienden hadden haar op dit idee gebracht. Daar, in het verre en ontwikkelde Europa, zou ze kennis maken met de nieuwste opvattingen rond opvoeding en medische zorg. Omdat een dergelijke opleiding erg duur was, stelde Van Kol voor een verzoek tot financiële steun in te dienen bij de Nederlandse overheid. Het duurde echter een tijdje voor haar vader met de plannen instemde. Uiteindelijk werd de vraag in de Tweede Kamer behandeld, het antwoord liet op zich wachten en toen het positieve antwoord Jepara bereikte, was het te laat. Niet alleen was Kartini toen net één dag uitgehuwelijkt, de zussen hadden intussen zelf al beslist om in eigen land te blijven. De angst om van hun eigen cultuur te vervreemden was in deze beslissing het belangrijkste argument. Kartini wilde niet het risico lopen dat vaders en moeders hun kroost niet langer wilden toevertrouwen aan iemand die jaren ver van huis in een vreemd land had geleefd. Maar ook de ergste roddels werden de zussen niet bespaard. Zochten ze immers niet enkel Nederlandse connecties om later rijk te kunnen trouwen? Toen het de zussen duidelijk werd dat de droom om in Nederland te verblijven moest opgegeven worden, schreef Kartini vertwijfeld: ‘Europa! Europa! Zult ge dan steeds onbereikbaar blijven voor ons!? Wij, die zoo met hart en ziel naar u verlangen? Wij kunnen, wij willen ‘t niet gelooven […]’.

Kartini had dan maar haar hoop gesteld op een opleiding in Batavia. Het leek haar zelfs zeer aantrekkelijk om in de onmiddellijke nabijheid van Rosa Abendanon, ‘onze lieve engel’, te kunnen studeren. Maar ook dit plan strandde: haar vader voelde er niet veel voor, en uiteindelijk keerden ook de Abendanons terug naar Nederland. Toen restte haar nog maar één uitweg: enkele dorpen verder lag een klooster dat meisjes gratis opleidde tot verloskundige. Het laat zich raden wat er gebeurde: de omgeving, oom Hadiningrat op kop, reageerde afwijzend. Verloskundige was toch wel te min voor regentendochters. Adieu Holland, adieu Batavia, adieu opleiding!

‘Geef Java flinke, verstandige moeders!’[3]

‘Is het absoluut onmogelijk een volk van 27 miljoen zielen ineens op te voeden?’ Met deze vraag, die in kracht kan wedijveren met de laatste regels uit de Max Havelaar, openen Kartini’s beschouwingen over het inlandse onderwijs. Eind 1902 werd haar gevraagd haar ideeën over onderwijs aan inlandse regentendochters uit te schrijven. Het resultaat is haar bekendste pamflet, Geef den Javaan opvoeding. Dat het pamflet er kwam op expliciete vraag van het Ministerie van Koloniën, betekende voor haar een heuse overwinning. Gedurende de voorgaande jaren had ze immers nauwelijks kunnen publiceren. Haar vader vond het immers ongepast dat ze haar toevlucht nam tot de media. Nogal vervelend voor een meisje dat ervan droomde schrijfster te worden. Stonden Kartini bij het schrijven van de nota haar eigen onderwijservaringen voor ogen? Moeilijk te zeggen, maar het valt op dat het onderwijs waar ze voor pleitte opmerkelijk modern te noemen is. Zelf sprak ze van ‘aanschouwelijk onderwijs’. In een van haar brieven omschrijft ze dit onderwijs als volgt: ‘Er moet iets aanschouwelijks zijn, iets dat men zien, betasten en mooi vinden kan met ‘t bloote oog, om onze onderneming sympathiek, begeerenswaardig te maken voor onze landslieden’. Deze woorden moeten gelezen worden tegen Kartini’s eigen achtergrond. Nadat haar oudere zus Kardinah was uitgehuwelijkt, bleef haar nog enkel haar twee jaar jongere zus Roekmini, die erg onderlegd was in tekenen. Roekmini, die geen onderwijzeres wilde worden, week geen millimeter van Kartini’s zijde, en dus zocht deze laatste een manier om haar in de opleiding van de Javaanse meisjes te betrekken.

Niet enkel kennisoverdracht was voor Kartini belangrijk. In Geef den Javaan opvoeding schrijft ze hierover onder meer: ‘Aan de personen die onderwijs geven, de taak om de meisjes die hun worden toevertrouwd, naar hun beste weten en met ál hun vermogen te vormen tot beschaafde, ontwikkelde vrouwen, bewust van hare ZEDELIJKE ROEPING in de maatschappij, […]’. De hoofdletters schreeuwen bijna letterlijk om aandacht. De hedendaagse lezer valt op dat het pamflet nog steeds leest als een vooruitstrevend onderwijsprogramma. Centraal stonden de praktijkvorming – concreet dacht Kartini aan vakken als administratie, gezondheidsleer, verbandleer – en het onderricht in de Nederlandse taal. Dit laatste sloot aan bij de heersende tendens. In het tweede deel van de negentiende eeuw gingen steeds meer inlanders de banken van Nederlandstalige scholen, de zogenaamde Europese scholen, opzoeken. Waren deze instellingen tot in 1864 verboden terrein voor de lokale bevolking, in 1900 telden de Europese scholen net geen tweeduizend inlandse leerlingen, het grootste deel van adellijke origine.

‘Liefste mevrouw, er is onraad!’

De realisatie van haar dromen zou Kartini niet zelf meemaken. De tragedie (haar eigen woorden!) die ze had gevreesd en ook haar zus Kardinah enkele jaren eerder was overkomen, werd haar niet bespaard. Eén dag voor ze het positieve antwoord op haar rekest ontving, kreeg ze van haar vader het nieuws dat er een huwelijksaanzoek was binnengekomen. Had ze nog uit principiële redenen kunnen weigeren, de broze gezondheid van haar vader deed haar overstag gaan. Het aanzoek kwam niet van de minste; Raden Adipati Djojo Adiningrat was regent van Rembang, een grote zware man met een gezicht als een walrus. Van iemand die net geen twintig jaar ouder was dan zijzelf, leek Kartini niet veel sympathie voor haar onderwijsplannen te mogen verwachten. Niets was minder waar. Djojo Adiningrat had zijn oog precies op Kartini laten vallen omdat hij haar hoog achtte. In haar brieven aan haar vrienden omschreef Kartini haar echtgenoot als zacht, teder en vol belangstelling voor haar werk en ideeën. Snel na haar huwelijk in november 1903 gebeurde het onwaarschijnlijke: de geëmancipeerde Kartini begon liefde voor haar man te voelen. Hij stemde er zelfs mee in dat ze het onderwijs aan haar schooltje bleef verzorgen. Begin 1904 raakte Kartini zwanger, op 13 september werd haar zoon geboren. Ze zou het kraambed niet meer verlaten, vier dagen later overleed ze.

Herinneringen aan een regentendochter

Was Kartini reeds bij leven een legende, na haar dood zou haar ster des te helderder schijnen. Bijna onmiddellijk nadat bekend werd dat Kartini overleden was, schreef ene Victor Ido, pseudoniem van Hans van de Wall, het toneelstuk De Regentsdochter [4]. Ondanks Kartini’s bekendheid, kon de auteur niemand vinden die het stuk wilde opvoeren; het werd wel uitgegeven als dagbladfeuilleton in 1905 en 1906. In dezelfde periode schreef Pieter Brooshooft het toneelstuk Arm Java, waarin zowel reële als fictieve elementen uit Kartini’s leven werden verwerkt. In 1911 publiceerde J.H. Abendanon onder de titel Door duisternis tot licht een selectie uit de brieven die Kartini aan het echtpaar had geschreven. Dat Abendanon uit het goede hout gesneden was, mag blijken uit het feit dat de opbrengsten van het boek werden besteed aan de oprichting van Kartini-scholen. Omdat J.H. Abendanon hoofdzakelijk kon putten uit zijn eigen archief, bevatten zijn eerste uitgaven vooral brieven die Kartini aan het echtpaar stuurde. Pas na de ontdekking van nieuwe brieven verscheen Kartini / Brieven aan mevrouw R.M. Abendanon-Mandri en haar echtgenoot; met andere documenten van F.G.P. Jacquet.

Het strekt de Indonesiërs tot eer dat zij hun illustere landgenote niet vergeten zijn. Dat hebben ze onder meer te danken aan de biografie die de bekende Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer in de jaren zestig schreef. Intussen prijkt Kartini ook op Indonesische bankbiljetten en werd haar geboortedag, 21 april, uitgeroepen tot Kartini-dag.

Belangrijker echter is de vraag of Kartini ook echt iets heeft betekend voor het inlandse onderwijs. Door haar onophoudelijk schrijven naar en contact zoeken met invloedrijke mensen zorgde ze er zeker voor dat het onderwijs aan inlandse meisjes op de politieke agenda werd gezet. Even belangrijk is dat ze in haar eigen omgeving de adel ertoe aanzette ook dochters een schoolse opleiding te geven. Reeds enkele jaren na haar overlijden zagen zogenoemde Kartini-scholen het licht in de grote steden van Java. In 1911 stroomde het eerste inlandse meisje dat een dergelijke school had bezocht, door naar het hoger onderwijs. En het was pas nadat hij dankzij de uitgaven van haar brieven kennis had gemaakt met Kartini’s ideeën dat Van Deventer in 1913 het Kartini-fonds oprichtte. Het fonds zamelde geld in ten behoeve van die meisjesscholen op Java die ook oog hadden voor de praktische vorming van de leerlingen.

Één facet van Kartini is echter totnogtoe aan onze aandacht ontsnapt. Als tiener werd ze op een dag door haar vader meegenomen naar een klein dorp in de buurt waar heel wat houtsnijders woonden. Het betekende een schok voor haar. In brieven aan haar Nederlandse vrienden was ze zo enthousiast over de vaardigheden van de ambachtslui, dat zowat iedereen meteen allerlei bestellingen plaatste, tot een kamerscherm voor de gouverneur-generaal. Kartini’s brieven hebben dan ook niet alleen betrekking op haar onderwijsideeën, ze staan eveneens vol met gegevens omtrent leveringstermijnen, afmetingen, houtsoort en afbeeldingen. In 1898 werd het haar toevertrouwd het Javaanse geschenk voor de troonsbestijging van Koningin Wilhelmina te ontwerpen! Datzelfde jaar was er in Amsterdam een grote tentoonstelling waarop de Jeparese houtsnijkunst aan de wereld werd voorgesteld. Er wordt zelfs beweerd dat Kartini en haar vader ervoor verantwoordelijk zijn dat op traditioneel houtsnijwerk afbeeldingen van wayangpoppen te zien zijn. Tot dan waren de houtsnijders bevreesd dat de geesten van de poppen zich zouden wreken. Blijkbaar kon niemand echt ontsnappen aan het begeesterende enthousiasme waarmee Kartini nieuwe ideeën lanceerde.


[1] Voor de citaten uit Kartini’s brieven gebruikten we de vierde editie van: J.H. Abendanon, Door duisternis tot licht: gedachten over en voor het Javaansche volk, Luctor et Emergo, ’s Gravenhage, 1923, 410 blz. Voor biografische gegevens omtrent Kartini verwijs ik naar: Elisabeth Keesing, Hoe ruim een kooi is: leven en lot van Kartini en haar werk, Querido, Den Haag, 1996, 261 blz.

[2] Omstreeks 1830 werd in Nederlands-Indië het ‘cultuurstelsel’ ingevoerd. Dat was een staatsmonopoliestelsel waarbij de Javaanse plattelandsbevolking verplicht werd op Nederlandse plantages een beperkt aantal exportgewassen, zoals koffie en suiker, te verbouwen. Deze producten werden vervolgens via de Nederlandse Handel-Maatschappij in Nederland geveild namens de staat. Financieel was het cultuurstelsel een groot succes. De opbrengsten ervan werden gebruikt om de lege Nederlandse schatkist te vullen.

[3] Uit Geef den Javaan opvoeding!, integraal opgenomen in bovenvermelde editie van Door duisternis tot licht, blz. 392.

[4] De Regentsdochter was de voorloper van Karina Adinda uit 1913, eveneens door Ido geschreven. Het werd nog datzelfde jaar opgevoerd. Naar aanleiding van het Kartini-jaar wordt Karina Adinda in Nederland opnieuw ten tonele gebracht.


© S T R E V E N