September 2004

Cees Willemsen

Heimwee naar de volksziel

De vroege ontvangst van Gogol in Nederland


Met een mengeling van angst en bewondering verwelkomden onze voorouders de spectaculaire overwinning van de Russische barbaren op Napoleon. Sommigen schaften in allerijl Nederlands-Russische woordenboekjes aan om zich de kozakken van het lijf te kunnen praten. Dat bleek overbodig, bijna alle Russische officieren spraken Frans. Niet lang na Napoleons definitieve nederlaag verloofde kroonprins Willem II zich met Anna Pavlovna, de zuster van de bevrijder van Europa. Toen de tsaar vervolgens pal stond om ons prille koninkrijk tegen de omringende grootmachten te verdedigen, werden de Russen zelfs onze beste vrienden. Zolang het duurde natuurlijk, want in de politiek heb je geen vrienden. Bovendien was het wantrouwen tegenover die halve Aziaten niet helemaal verdwenen. Toen de Belgen na 1830 besloten alsnog hun eigen weg te gaan en de nieuwe tsaar ons niet kon helpen, stak de oude scepsis, gevoed door de steeds autocratischer binnen- en buitenlandse politiek van Nicolaas, de kop weer op. Rusland bleef vanzelfsprekend een grootmacht waar men rekening mee moest houden, dus enige eigentijdse informatie over dit raadselachtige rijk bleef geboden. Inspelend op deze behoefte besloot de Haarlemse boekhandelaar en redacteur van de Konst- en Letterbode Vincent Loosjes in 1838 een Blik op Ruslands letterkunde, of overzigt der voornaamste oudere en nieuwere schrijvers in proza en poëzie welke Rusland heeft opgeleverd uit te geven. Het was een vertaling en bewerking van het Duitse origineel van Koenig. Volgens Loosjes maakte de Russische literatuur ons bekend met ‘het inwendig leven eens volks, dat tegenwoordig, door zijn staatkundig gewigt in de balans van Europa, zoozeer de algemeene aandacht tot zich trekt.’ Hij kritiseerde landgenoten die het noorden en het noordoosten van Europa onverschillig de rug toekeerden, ‘vooral Rusland, dat het halsstarrig vooroordeel nog steeds gewoon is voor meer dan half barbaarsch te houden’, zozeer zelfs dat men zich nauwelijks kon voorstellen ‘dat in die streken eene literatuur besta, ja zou kunnen bestaan; even alsof de snerpende adem van den aldaar getroonden wintervorst ook den geest kon bevriezen’.

Wonderkind

In ruim tweehonderd bladzijden gaf Loosjes een overzicht van de belangrijkste Russische schrijvers en dichters, van het anonieme Igorlied tot en met tijdgenoten als Nikolaj Gogol (1809-1852). Gogol was afkomstig uit de Oekraïne, die toen nog ‘Klein-Rusland’ heette. Loosjes karakteriseerde hem als een vroegrijp wondertalent, dat zijn oorsprong vond in het ‘bijzonder eigenaardig, krijgshaftig-poëtisch volk’ dat lang een dam had opgeworpen tegen de vloed van de Mongolen die Europa bedreigden. De Klein-Russen hadden hun dichterlijke aanleg ontwikkeld onder invloed van een zuidelijk klimaat, een indrukwekkende natuur en een vrij spel van republikeinse krachten. Hun overgeleverde liederen en verhalen waren daar het bewijs van. Ze hadden zich vanwege hun voortdurende strijd met Tartaren, Turken en Polen steeds meer tegen hun machtige Russische buren moeten aanschurken, met het gevolg dat hun talen en culturen gaandeweg versmolten waren geraakt. Gogol schreef in het Russisch en putte tegelijkertijd uit de rijke schatkamer van de Klein-Russische folklore. Gogols humor week niet alleen af van de Duitse of de Engelse, ook van de Russische. Loosjes (Koenig) prees Avonden op een boerderij bij Dikanka (1831-1832) en Arabesken (1835) en hij was onder de indruk van Dagboek eens krankzinnigen, maar de verhalenbundel Mirgorod[1] sprak hem het meest aan. Hij betreurde het dat Gogol in zijn volgende verhalen Klein-Rusland als onderwerp had laten vallen, zoals hij het ook jammer vond dat in zijn blijspelen zo duidelijk de invloed te bespeuren was van Gogols intensieve contacten met de Petersburgse ‘officianten’, want wanneer men eenmaal met ‘dit slag van lieden is afgedaald, dan behoeft men zich niet te verwonderen, als men bemerkt, dat hij veel triviaals, veel min voegelijks heeft aangenomen’. Loosjes besloot dan ook met de bede dat de jeugdige schrijver, die de winter in Génève doorbracht, bij terugkomst in zijn vaderland weer een meer bij hem passende richting zou inslaan door Klein-Rusland opnieuw als bron voor zijn verhalen te nemen. Want Gogol was een volstrekt oorspronkelijk talent, nauwelijks belast met kennis van andere literaturen waardoor zijn genie zich ‘geheel eigenaardig’ had kunnen ontwikkelen. Dit laatste was een indirecte verwijzing naar zijn Russische tijdgenoten-schrijvers, onder wie Poesjkin, die hier lange tijd beschouwd werd als een epigoon van Byron.

Hollandse leermeester

Veel Nederlanders bleven de Russische literatuur (cultuur) zien als een afgeleide van de Europese. Zoals men na Waterloo ook regelmatig beschouwingen in de vaderlandse pers tegenkwam waarin het beslissende Russische aandeel in Napoleons nederlaag geclaimd werd als een – indirecte – Hollandse verdienste. De Russen hadden ten slotte Napoleon nooit kunnen verslaan zonder de maatschappelijke hervormingen van Peter de Grote, en die had zijn beschavingsarbeid alleen kunnen doorzetten dankzij zijn Hollandse leermeesters.

Ook dominee en kerkhistoricus R.C.H. Römer, die in 1855 vanwege de Krimoorlog (1853-1856) door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant werd uitgenodigd een lezing te geven over Ruslands letterkunde, sprak over de invloed van het Nederlands op de Russische taal in termen van lessen die gegeven waren door ‘meer gevorderden in beschaving aan welgezinde kwekelingen’. Tegelijkertijd gaf Römer net als Loosjes toe dat Rusland zich sinds Peter de Grote niet alleen militair had ontwikkeld. Ook op cultureel gebied had ‘het niet geweigerd van Westelijk-Europa te leeren’, en was het zelfs ‘bestemd misschien om in de jaren van rijper ontwikkeling op zijne beurt de leermeester der westerse volkeren te zijn’. Want, zo verzekerde Römer zijn gehoor in Den Bosch, het Rusland van vandaag kent meer ontwikkelden dan alleen ‘Karamsin, Tatischtschew, Ielagin en Pouschkin’. Gogol kende hij niet, of hij besteedde geen aandacht aan hem omdat Gogols proza voor hem nog te veel het arcadische Rusland uit het verleden weerspiegelde. Opvallend is het daarom dat de in 1858 bij uitgeverij Roelants in Schiedam verschenen Volks-encyclopaedie Gogol als een van de weinige Russische auteurs opneemt, niet Poesjkin, Lermontov of Toergenjev. Gogols beste werk was volgens de onbekende lemmaschrijver Taras Boelba, een ‘soort van Kozakken-Illiade’, en deze laatste toevoeging verraadde de achtergrond van zijn bewondering. In elk geval nog tot 1863 werd in Utrecht op 28 november, met deelnemers uit het hele land, de jaarlijkse ‘Kozakjes-dag’gevierd, een groots volksfeest daterend uit 1813, het jaar van onze bevrijding uit de Franse overheersing. In een bonte optocht trokken oud-strijders van 1813 en 1815 (Quatre Bras) in open rijtuigen door de uitbundig versierde straten, geflankeerd door een erewacht en begeleid door muziekkapellen, marinierskorpsen, dragonders en wagens waarop de gilden hun ambachten uitbeeldden. ‘Maar wat volgt daar nu? Wat vreemde kleding ziet ons oog? Die gebaarde, dik gekleede mannen, hoe donker en zwart is hun aanblik. O, wij herkennen ze, wij herinneren ons die goede vrienden, die voor vijftig jaren met opene armen werden ontvangen en nu nog in onze herinnering voortleven. Met regt heet het Kozakjes-dag, die bewoners van den Don, dat aan geen krijgstucht gebonden volk, dat voor ieder een afgrijzen was, zijn voor ons onze vrienden, bondgenooten, die mede hielpen om Utrechts vrijheid te verzekeren. Daarom ook eene kleine hulde aan den dapperen, onversaagden Rus, die getoond heeft gaarne den zwakkeren volken bijstand in den nood te willen verleenen’[2]. Maar los van deze kozakjesdagen zakte de belangstelling voor Rusland en de Russische literatuur na de Krimoorlog snel weer in, waarschijnlijk doordat het verloop van deze oorlog Ruslands onvermoede zwakte op militair en politiek gebied zo pijnlijk blootlegde. Toch hadden niet alleen de Russen te lijden onder een wegzakkende belangstelling voor hun land.

Twee onbekenden

Allard Pierson was in de tweede helft van de negentiende eeuw een vooraanstaand theoloog en publicist. In een artikel in dagblad Het Vaderland van 8 september 1873[3] beweerde hij: ‘Op ons Nederlanders, naar wie men in den vreemde zoo weinig vraagt, rust wel enigszins de verplichting landen die in hetzelfde ongunstige geval verkeeren opmerkzaamheid te schenken’. Men kon de beschaafde burgers in de ons omringende landen toch moeilijk verwijten dat ze Vondel, Da Costa of Van Lennep niet kenden als wij niets afwisten van de literatuur van landen als de ‘noordsche rijken’ of Rusland, die in een vergelijkbaar isolement verkeerden. Pierson signaleerde in zijn artikel een parallel tussen de opkomst van een hernieuwd nationaal bewustzijn in Rusland en een heroplevende belangstelling voor de eigen taal en letterkunde. Het waren volgens hem vooral Poesjkin en Lermontov die hier literair gestalte aan gaven. Pierson situeerde deze dichters min of meer aan de zijde van de slavofielen, die weliswaar bijdroegen aan de verbroedering van de Slavische familie, maar waarvan hij betwijfelde of hun idealen haalbaar waren, gezien ‘de onvolkomenheid van hun beschaving, inclusief het ontbreken van iedere vrijheid’. Tegenover de slavofielen stonden schrijvers als Gogol, Gontsjarov en Toergenjev, die niet bang waren in hun romans misstanden aan de kaak te stellen, helaas zonder nieuwe perspectieven te bieden. Hun romans bewezen wel dat het realisme een karakteristieke trek was geworden van de Russische literatuur, maar omdat hun hekeling van wantoestanden geïnspireerd leek door de ‘cyniek van hun [geïmporteerd, c.w.] materialisme’, konden ze niet op Piersons volle sympathie rekenen. Al wilde hij wel aannemen dat zij overdreven en vaak meer karikatuur dan kritiek leverden.

J. van Vloten, die zich wellicht Piersons vermaning aantrok dat de Nederlandse blik te veel naar binnen was gekeerd, kwam in 1876 met een overzicht van de jongste Europese literatuur van ruim vijfhonderd pagina’s. In zijn Beknopte geschiedenis der nieuwe Letteren ruimt Van Vloten echter maar weinig plaats in voor de Russische letteren. Poesjkin was de baanbreker geweest van de nieuwe Russische literatuur, al toonde hij zich in eerste instantie schatplichtig aan Voltaire en Ariosto en later vooral aan Byron. Met Poesjkin had de spreektaal het in de Russische literatuur gewonnen van de oude kerktaal. In zijn voetspoor ontwikkelde zich een nieuwe generatie schrijvers onder wie, ‘als novelleschrijver en toneeldichter vooral de geestige Nikolaas Gogol, die in zijn Inspecteur[4] al de leemten van ’t Russische beamtenwezen zoo ondeugend waar hekelde, en in zijn Taras Boelba den strijd tusschen de Polen en Kozakken zoo treffend schetste’[5].

Het is opvallend dat zowel Van Vloten als de auteur van het lemma in de eerder geciteerde encyclopedie verzuimden melding te maken van Gogols meesterwerk Dode zielen.

Passie versus nieuwe zakelijkheid

De eerste Nederlandse criticus die er blijk van gaf Dode zielen wel te kennen was Hendrik Wolfgang van der Mey (1842-1914). Deze gewezen landmachtofficier, die zichzelf Russisch had geleerd, was zich vanaf het einde van de jaren zeventig voor de Russische literatuur gaan interesseren. Hij publiceerde er regelmatig over in verschillende bladen. Van der Mey verlangde van de literatuur hartstocht en romantiek zonder dat ze het contact met de werkelijkheid verloor. Maar in West-Europa regeerde de nieuwe zakelijkheid. De grote passies behoorden er juist tot het verleden. Vandaar dat hij zich liever wendde tot het nog niet gemoderniseerde Oosten, de wereld van de Slaven. Hij had zich al eerder afgevraagd waarom de beschaafde westerling, ‘buiten classieke spijs’, zich uitsluitend voedde met ‘de producten der Germaansche en Romaansche letteren, terwijl de voortbrengselen van den Slavischen geest onbekend zijn of à priori niet geacht worden’[6]. Van der Mey betreurde dit. De westerse beschaving had de aarde wellicht in materiële zin bewoonbaarder en het leven draaglijker gemaakt, maar er heerste nergens tevredenheid of geluk. Niet te verwonderen dat ‘het publiek bij voorkeur romans ter hand neemt, die een volmaakt verleden schetsen’[7]. Van der Mey vond in Gogols werk de perfecte synthese tussen idealisme (de ouderwetse romantische literatuur) en (modern) realisme.

Arabesken

Op lyrische toon schreef Van der Mey over de Oekraïne, die ‘grootsche bloemengaarde’, een land van melk en honing. Daar ‘waant men zich in Arcadië en ziet uit naar Homerus’[8]. En hij vond er inderdaad een Klein-Russische Ilias: Gogols Arabesken. Gogol was de zoon van een volk ‘misschien het zangerigste van de geheele wereld; zij zingen dag en nacht, als zij werken en als zij niet werken’[9]. Hij was een realistisch schrijver, ‘een toen nog onbekend genus’, waardoor hij veel meer moest weten dan de romantische schrijvers, omdat als hem ook maar een kleinigheid ontging hij volgens Van der Mey niets uit zijn verbeelding kon aanvullen, want dat talent ontbrak hem volledig[10]. ‘Hij nam zijn helden "uit eigen ziel", waarbij hij hun zijn eigen slechte eigenschappen gaf, ook al verachtte hij ze en had hij ze zelfs overwonnen. Anderzijds kon hij als realistisch schrijver voor zijne helden geen deugdzame voorbeelden nemen, "zoolang de Russen er niet enigszins op geleken"’[11].

Volgens Van der Mey was Gogol de geestelijke vader van Toergenjev, Dostojevski en Tolstoj, al waren de werken van genoemde discipelen voor de Europese lezer leesbaarder ‘dan de meer ruwe werken des meesters. [...] Doch als voorwerp van studie oefent Gogol door zijne oorspronkelijkheid meer aantrekking uit. De Rus met zijn diep gemoedsleven, vol vertrouwen dat er buiten de 19-eeuwschen cynicus nog menschen zijn, die belangstellen in hetgeen onder bepaalde levensomstandigheden is omgegaan in zijne ziel (w doeschi) heeft een nieuw bestanddeel gebracht in onze zoogenaamde realistische letterkunde’[12].

Van der Mey besprak de belangrijkste werken van Gogol. De mantel achtte hij van belang omdat deze novelle de kiem bevatte van Dostojevski’s eerste en ‘meest karakteristieke werk De arme lieden’. Het werd zelfs een gevleugeld woord. Schrijvers na Gogol zouden ‘uit dezen Mantel’ zijn voortgekomen, ‘voor zoover zij de ellende der ambtenaarswereld in beeld brachten’[13].

Van Gogols blijspelen had volgens Van der Mey alleen De revisor voor Europa enige betekenis. ‘De Revisor is een product geheel van Russischen bodem, de typen er in zijn Russischen typen, het belacht niet het algemeene maar het bijzondere en is voor Rusland nog altijd nationaal en actueel.’ Enkele overdreven meningen die in het Westen omtrent het stuk leefden, wilde Van der Mey wel recht zetten. De belangrijkste misvatting was, dat Gogol ‘den administratieven Minotaurus’ aanviel, terwijl Gogol allereerst als kunstenaar en niet als partijman te werk ging en bovendien niet een bepaalde overtuiging aanhing[14]. Dit misverstand was mede veroorzaakt door de verkeerde vertaling van het Russisch woord tsjinovnik (uit Dode zielen) met ambtenaar waardoor de Europese critici de verkeerde conclusie trokken dat Gogol de hele bureaucratie aanviel. In werkelijkheid echter sloeg dit woord alleen op de kleine ambtenaar, en werd het dikwijls gebruikt als onschuldig scheldwoord in de trant van ‘popezoon’[15].

‘Catechiseermeester’

Met Dode zielen, waarvoor het idee evenals voor De revisor volgens Van der Mey was aangereikt door Poesjkin, wilde Gogol ‘dieper tasten’. ‘Bij het doorlezen van het werk moest de geheele Russische mensch oprijzen met al zijne groote en rijke gaven, maar ook met die talrijke hem eigene gebreken, welke hem mede van andere volken onderscheiden. De lyrische kracht die in hem was, moest hem helpen de deugden zoo te schilderen, dat de Rus er in liefde voor zou ontbranden, maar ook moest de komische kracht, die in hem was, hem helpen zoo helder de gebreken te schilderen, dat de lezer ze zou gaan haten indien hij deze gebreken in zich vond.’ Dit alles moest de Hollandse lezer steeds voor ogen houden, aldus Van der Mey[16].

Uiteindelijk was Gogol een mysticus, die getroffen werd door het fatum ‘dat alle Russische genieën ter neder werpt op een leeftijd, waarin anderen beginnen. De satirisch-komische schrijver vormde zich om in een catechiseermeester en viel bij zijn volk in ongenade – hier te lande zou hij misschien juist daardoor populair zijn geworden’[17]. Als bron voor zijn hier gedebiteerde wijsheden vermeldde Van der Mey de Russische uitgave van Gogols werken, verschillende artikelen van Orestes Miller, een literatuurprofessor uit die tijd aan de Universiteit van Sint-Petersburg, en de door hem zeer geprezen Le Roman Russe van De Vogüé.

In de ban van de Russen

Le Roman Russe uit 1886 was een bundeling van diens spraakmakende essays over de moderne Russische literatuur in het veelgelezen Parijse Revue des Deux Mondes. Volgens De Vogüé (1848-1910), Frans gezantschapsattaché in Sint-Petersburg, dreigde Frankrijk de culturele hegemonie in Europa te verliezen door haar nihilistische letterkunde. Hij doelde daarmee op de naturalistische school, die het ontbrak aan zin voor het goddelijke én het menselijke. Met zijn ontdekking van de Russische psychologie in de Russische roman doemde voor hem een nieuw mensbeeld op. Zijn lyrische besprekingen van de poëzie en de romans van Poesjkin, Gogol, Toergenjev, Dostojevski[18] en Tolstoj veroorzaakten een kleine Ruslandrage in Parijs, en de Nederlandse schrijver/criticus Busken Huet, die op dat moment in Parijs woonde, fungeerde in dezen als enthousiast tussenpersoon tussen Frankrijk en het francofiele vaderland. Nog in 1885 wijdde Huet een kort essay aan de Nieuwe Russische Letteren. De opkomst van Rusland en het Slavische ras was volgens hem een van de belangrijkste feiten uit de moderne geschiedenis[19]. ‘We spreken nu niet meer over die half-Franse Russen uit het begin van de eeuw, maar van een natie waarvan we, onze onkunde ten spijt, blij mogen zijn dat ze zich niet in één Slavisch bondgenootschap gebundeld tegen het Westen keren.’ Wilde men in Nederland op de hoogte blijven van zijn tijd (een geliefd thema van Huet), dan kon men beter Russisch gaan leren, het liefst via een zo snel mogelijk op te richten leerstoel slavistiek. De Russische letteren waren Europees gemeengoed geworden. De Russische roman dankte haar populariteit vooral aan haar frisse, oorspronkelijke karakter. Verder was Huet verrast door de schildering van eigentijdse, voor hem onbekende verschijnselen in nieuwe vormen. De Russen hadden ons iets te zeggen. Ze waren geen broodschrijvers, of ‘fabrikanten van litteratuur [zoals de naturalisten, c.w.], maar geboren dichters in proza én bij voorkeur heldedichters’[20].

Huet was vooral gecharmeerd van Tolstoj. ‘Bestond er van Oorlog en Vrede eene goede hollandsche vertaling, men zou zich een hollandsch gezin kunnen denken dat een geheelen winter, avond aan avond, zich om de theetafel schaarde en, altijd onder magt derzelfde bekoring, het eindeloos verhaal van Tolstoi aanhoorde.’

Van Dostojevski had hij slechts Misdaad en straf gelezen, waarbij hij moest toegeven dat hij ondanks bewondering voor verschillende aspecten van diens schrijversschap, niet alles begreep. Overigens was de Russische literatuur in haar thematiek universeel. ‘Geen andere europesche letterkunde spreidt op dit oogenblik bij zoveel kunst zoveel natuur ten toon, bij zooveel studie zooveel oorspronkelijkheid, of bij zooveel bevalligheid zooveel kracht. Een volgend geslacht zal herkennen dat met haar, – zoozeer heeft zij de uitwerking van een verjongend bad, – voor de andere literaturen van Europa een tijdperk van wedergeboorte aangebroken is.’[21]

Wisselende accenten

Terwijl Van der Mey jarenlang vergeefs zijn best deed om zijn landgenoten voor de Russische literatuur te interesseren, slaagde Huet moeiteloos. Vanaf 1885 verscheen een stroom vertalingen van Russische klassieken. In 1887 bijvoorbeeld negen werken van Tolstoj vertaald, twee van Dostojevski, één van Gontsjarov en twee van Gogol, Dagboek van een krankzinnige en De revisor. Blijspel in vijf bedrijven. Toch bleef de buitenliteraire fascinatie voor de Russische letteren een typerend facet van haar populariteit, al verschoven de accenten. Van de ietwat neerbuigende, paternalistische waardering voor ‘de Russen’ bij Loosjes en Römer via een gelijkwaardiger benadering bij Pierson tot adoratie bij Van der Mey en vervolgens Huet. Het lijkt niet te gewaagd om in de wisselende appreciatie vooral een weerspiegeling te zien van een veranderende verhouding tot de eigen cultuur, van overwegend positief tot opvallend negatief. Een breuk in het zelfbeeld van de Nederlander, die alles van doen lijkt te hebben met het moderniseringsproces dat inzette na 1870, toen in Nederland de industrialisering op gang kwam en dat in het midden van de jaren tachtig in een versnelling raakte. Het is tegen deze achtergrond dat eerst Van der Mey en vervolgens Huet in hun positieve waardering van wat altijd begrepen was als ‘het totaal andere’ (hier de Russische literatuur) uitdrukking gaven aan hun heimwee naar wat in de eigen cultuur verloren was gegaan. Hier tegenover stonden progressieve critici, uitgevers en anderen die zich juist afzetten tegen het despotische Rusland met zijn pogroms, zijn politieke terreur en verbanningen naar Siberië. Een stellingname die bij de massa weerklank vond in de huiver maar ook de opwinding waarmee bijvoorbeeld Stepnjaks Het onderaardsche Rusland en de vele populaire, pseudo-Russische aftreksels van Siberische ballingenverhalen in de vorm van stuiverromans, werden ontvangen. Een overtuigd socialist als de schrijver Herman Heijermans maakte van deze fascinatie slim gebruik door onder het Russisch klinkend pseudoniem Iwan Jelakowitch als toneelschrijver door te breken. De buitenliteraire belangstelling klonk ook door in de toevoeging Russische typen in de titel van de eerste vertaling van Doode zielen uit 1888. De vertaler dr. J.A. Bruins, een liberale dominee, voelde zich genoodzaakt in een narede wat meer duidelijkheid te verschaffen over dit ‘vreemde boek’. Vooral het slot vond hij onbevredigend en hij zag graag een derde deel, waarin de lezer zou vernemen hoe het met Tsjitsjikov en anderen afliep. Voor Bruins was Gogol in de eerste plaats een Rus, met alle deugden en gebreken die de Russische volksaard eigen waren. Naast vurig patriot was Gogol gelovig christen. Hij onderkende de gebreken van zijn land, maar bezat niet zo’n sterk karakter dat hij zich ten koste van alles een weg wilde banen naar een betere toekomst. ‘Zijn blik richt zich niet naar voren, maar naar achteren en naar boven. Zijn paradijs ligt als dat der meeste zwakke zielen in het verleden.’ Gogol wilde terug naar de voorvaderlijke eenvoud, waarbij hij geen hulp verwachtte van de zwakke mens, maar ‘van boven’. ‘Dat de treurige toestanden in zijn vaderland te wijten zouden zijn aan het alle vrijheid, alle ontwikkeling tegenhoudend staatkundig en kerkelijk regiment; dat er geen gezond en krachtig volksleven in Rusland zal kunnen worden gewekt, tenzij de frissche en zuivere luchtstroom der Europeesche beschaving de nevelen en dampen wegvage, waarin autocratie en orthodoxie het rijk der Czaren hebben gehuld; ’t komt niet bij hem op dit te denken. Als de kinderen de goede bedoelingen van hun Czaar-vadertje maar wilden erkennen en er aan verkozen te beantwoorden; als zij maar wandelen wilden in het goddelijke licht, waarvan hunne moeder, de Grieksch-orthodoxe kerk, de draagster is, dan zouden alle dingen terecht komen! Doch helaas, dien weg wil hun door de zonde verduisterd oog niet zien. Van boete en berouw willen zij niet weten. Wat blijft over dan hen te beklagen, over hen te treuren, voor hen te bidden.’[22]

Een onbarmhartig portret

Gelukkig bezat Gogol volgens Bruins een gezonde dosis humor en een buitengewone lyrische kracht, die hij in zijn vroege werken tot en met Taras Boelba op onbezorgde wijze creatief wist te ontplooien en te exploiteren. Tot Poesjkin hem aanspoorde zijn talenten voor een groter, beter doel in te zetten en geen kunst meer te scheppen om de kunst, maar als middel om het zedelijk peil van zijn volk te verbeteren. Zo kwamen De revisor en Dode zielen tot stand. Gogols profetische bedoelingen met De revisor werden aanvankelijk niet (h)erkend, en daarom zette hij zich aan het schrijven van Dode zielen, een onbarmhartig, naar het leven getekend portret van het Russische volkskarakter. De lotgevallen van Tsjitsjikov of Dode zielen ‘schildert de verdorvenheid van de Russische landadel en van den ambtenaarsstand, de platheid en trivialiteit van het leven in de hoogere standen der Russische maatschappij en het doet dit op meesterlijke wijze’[23]. Gogol was een realist, dus dat de zonzijde van het Russische leven ontbrak, had geen andere reden dan dat die kant in werkelijkheid ook niet bestond. Dat zijn boek toch lyrische ontboezemingen kent, was volgens Bruins uitsluitend te danken aan zijn inspiratie door de natuur en zijn vertrouwen in de toekomst, waarvan het geloof in God de bron was. Voor het voltooien van het tweede deel van Dode zielen, waarin de nobele kanten van de Russen – die helaas alleen in zijn verbeelding bestonden – aan bod zouden komen, deed hij een beroep op zijn lezers en allen die hem konden helpen, maar vergeefs. Gogol werd bespot, en hij besefte dat zijn humoristische stijl niet werkte, althans niet voor het serieuze doel dat hem voor ogen stond. De lezer had weinig oog voor de ernst die onder zijn lach schuilging. Dit misverstand ondermijnde zijn werkkracht, maar versterkte ook zijn angst invloedrijke vrienden verder van zich te vervreemden. Vijf jaar lang werkte Gogol aan het tweede deel, om het manuscript uiteindelijk in het vuur te gooien. Hij begon opnieuw, maar het bleef onvoltooid. Vijf jaar na zijn dood werd het gevonden. Behalve dat het onaf was, bleef het ook als ‘kunstgewrocht’ bij het eerste deel achter. Hij was er uiteindelijk niet in geslaagd ‘grootsche en schoone karakters’ te vinden, waardoor hem niets anders overbleef dan de weg te wijzen naar een betere samenleving. Bruins refereerde expliciet aan een essay van Van der Mey, waarin hij opmerkt dat de ooit zo geestige humorist in zijn werk na Dode zielen een ‘catechiseermeester’ is geworden, wiens onnatuurlijke preektoon al zijn tintelend vernuft heeft verloren. Dode zielen daarentegen bleef, los van zijn literaire waarde, voor het Nederlandse publiek interessant, omdat het ‘ons den toestand van het hedendaagsche Rusland volkomen begrijpelijk maakt’. En mogen zij, die zich ’met wellust baden in den stroom der Russischen literatuur, waarvoor een Tolstoï een bedding graaft, ook eens een wijle […] stilstaan bij de bron waaruit zij vloeit: Nicolaas Gogol en zijn Doode Zielen’[24].

Liefdevolle weergave

Vooral met Tolstoj werd gedweept. Behalve diens literaire werken werden er vanaf 1898 veel van zijn religieuze geschriften vertaald en uitgegeven door Drukkerij Vrede, opgericht door de Tolstojaanse kolonie Internationale Broederschap in Blaricum. Een van de regelmatige bezoekers van de Blaricumse kolonie was Zadok Stokvis. Hij studeerde in Leiden Russisch als bijvak[25] en was de auctor intellectualis van de Bibliotheek van Russische literatuur die vanaf 1906 eerst bij uitgever Maas en Van Suchtelen, later bij de Uitgeverij voor Goede en Goedkope Lectuur verscheen. In deze Bibliotheek van Russische literatuur verschenen tussen 1906 en 1909 zo’n 18 deeltjes, waaronder Gogols De mantel en De revisor[26]. Verder waren er vertalingen van – toen – moderner schrijvers als Tsjechov, Andrejev, Meresjovski en Gorki. Tolstoj werd niet opgenomen in deze bibliotheek, waarschijnlijk omdat er van hem al genoeg vertalingen voorhanden waren. De serie werd in 1909 afgesloten met Stokvis’ Inleiding tot de Russische literatuurgeschiedenis. Hierin noemde hij Gogol de schepper van het Russisch realisme in de letterkunde. Over dat realisme merkte hij elders in zijn boek op dat de Russen een realistische, praktische aard hebben. Hun kunst bereikt haar grootste hoogte in een liefdevolle weergave van de werkelijkheid. ‘De Russische kunstenaar heeft de menschen lief in hun dagelijksch doen; hij filosofeert niet over "den mensch" in ’t algemeen, maar met liefdevolle, bijna angstvallige zorgvuldigheid volgt hij hun leven van dag tot dag. […] De literatuur was (en is nog) in Rusland niet een hoog vermaak, een schoone verpoozing, een tegenstelling met het alledaagsche – de Russische letterkunde is een les, een profetie; de Roman, deze hoogste uiting der Russische kunst, is een levensleer.’[27] Ook Stokvis relateerde Gogols humor en aanvankelijk opgewekte karakter aan de volksaard der Klein-Russen en ook hij zag in Taras Boelba hét epos van de Oekraïne – de enige streek van Rusland waar men herinneringen had aan ‘Moedertje Vrijheid’ – met passages van homerische schoonheid en strijdtonelen die met ‘een zelfde gedempte kracht geschreven zijn als die in de Ilias’. Maar Dode zielen was Gogols meesterproef, al zouden de Nederlandse lezers, afgaande op de titel, dit werk volgens Stokvis gemakkelijk associëren met een ‘modern romannetje’. Maar uiteindelijk zou het hen vergaan als Poesjkin: ‘men lacht, men lacht, maar langzamerhand voel je je gezicht strakker worden en ten slotte doordringt je de gruwzaamheid van het lot der menschen, die van lieden als Malienof, Nozdref, Sobakjewietsj en hoe ze verder heten, afhangen. De groote kracht van het boek zit in den volgehouden humoristische toon. Nergens wordt Gogol pathetisch of bitter. Hij is als de man die lacht, omdat hij geen tranen meer heeft’. Gogol kende de kwalen van zijn land maar vond er geen medicijnen voor. Maar wie kon hem dit kwalijk nemen, vroeg Stokvis zich retorisch af. Velen na hem was het ook niet gelukt. Dat hij naar oplossingen had gezocht en daaraan ten onder was gegaan, maakte zijn nagedachtenis des te sympathieker.

Het probleem ‘mens’

Nikolaas van Wijk, die in 1913 in Leiden de eerste Nederlandse hoogleraar in de Balto-Slavische talen werd, schreef veel over Russische literatuur, hoewel hij eigenlijk meer linguïst was. In Hoofdmomenten der Russiese letterkunde uit 1919 bracht hij vier essays bijeen, over Poesjkin, Gogol, Tolstoj en Dostojevski. Het was ook voor Van Wijk duidelijk dat met Gogol het grote Russische proza begon. Hij refereerde aan Karamzin, wiens reisbrieven nog wel leesbaar waren, veel meer dan zijn novelles, omdat ze zo weinig Russisch waren. Met Gogol begon de rij van schrijvers die het probleem van het menselijk bestaan, hét hoofdthema van de Russische roman, uitdiepten, met als voornaamste kenmerk een spontaan mededogen met de mens die zo diep kon wegzinken in het slijk van zijn aardse besognes. De mens had behoefte aan een zuiver en harmonisch leven in een samenleving die onder waanzin gebukt ging. De oorzaak van de discrepantie lag in de mens zelf. In zijn ziel huisden zuivere idealen naast duistere hartstochten. ‘De schrilste tegenstelling op aarde is die tussen het menswaardig leven, zoals onze betere instinkten het ons voortoveren, en de werkelikheid van elke dag.’ Die werkelijkheid was het thema van Gogol, maar hij beschreef die zo, ‘dat wij haar onwillekeurig toetsen aan het onuitgesproken ideaal: dat is het grote geheim van Gogolj’s humor’[28]. Ten aanzien van Dode zielen merkte Van Wijk op: ‘Het is somber in Rusland’. Maar dat is slechts één kant van het boek. Het bevat ook een lofzang op land en volk, door niemand zo mooi en enthousiast verwoord als door Gogol. Vooral zijn boutade over ‘het Russiese woord’ maakte grote indruk. Veel explicieter en meeslepender dan het woord van andere volkeren was het de spiegel van een ‘kloeke volksgeest’. Vooral ‘wanneer Gogol het lagere volk gadesloeg, moet hij een soortgelijke, enigszins vage en mystieke eerbied hebben gevoeld voor de verborgen, maar toch niet onzichtbare kracht van de Russische ziel als wij bij de zogenaamde "Slawjanofilen" en ook bij andere Russen aantreffen. Vandaar de optimistiese stemming, die af en toe Gogol’s somberheid verdrijft, vandaar de lyrische perioden, waarmee herhaaldelijk Tsjitsjikow’s lotgevallen worden afgewisseld’[29].

Ethiek en volksziel

In een nawoord getiteld ‘De Russiese letterkunde als spiegel van de Russiese volksgeest’, stelde Van Wijk zich de vraag of de Russische literatuur werkelijk de geest van het volk ademde. Men wist immers zo weinig van het volk en zijn gevoelswereld af. Bij de Russen kreeg men vaak de indruk dat de uiterlijke en de innerlijke kant van de mens los van elkaar bestonden. In absolute zin kon dit natuurlijk niet, want anders hadden zich in de Russische samenleving geen uitingen van opofferende deemoed of barmhartigheid voorgedaan. Toch was het onloochenbaar dat het alledaagse Rusland de westerse mens confronteerde met gruwelen die twijfel opriepen aan de ethische basis van het volksbewustzijn, bijvoorbeeld pogroms en politieke moorden, waarover de pers ook in Nederland geregeld berichtte. Tot in de eenvoudigste dorpskroniek kon men uitingen van hardvochtigheid aantreffen die onverenigbaar leken met elk ethisch ideaal. Misschien dat een en ander historisch verklaarbaar was. In de praktijk van het dagelijks leven heerste de knoet van de absolute staat, zo repressief dat de leefomgeving van de meeste onderdanen letterlijk te klein en figuurlijk te bekrompen was om de maatschappelijke ellende te kunnen sublimeren. Vandaar dat de Rus ‘niet in maar naast de laag-bij-de-grondse werkelijkheid een hogere stelde’, en zo de ‘zedeloze barbaar’ en het ‘Godskind’ in zich verenigde. Ieder die De gebroeders Karamazov heeft gelezen, zal dit beeld herkennen in de ‘brede natuur’ van Dimitri. Door toenemende welvaart en een daarmee correlerende schaalvergroting van het maatschappelijke leven dreigde de Rus zijn mystiek-ethische neigingen te verliezen. Wat vaststond was dat – te beginnen met Gogol – de Russische literatuur Europa de ethiek van de volksziel toonde, een kostbaar erfgoed dat menig Europeaan met een diep gevoeld heimwee verloren had zien gaan [30].



[1] De naam van een stadje in Klein-Rusland (Oekraïne). Gogol was in het district met die naam geboren.

[2] A.J.S. van Rooijen, Kozakjes-dag of Utrecht op den 28sten November 1863. Historisch-romantische herinnering, Utrecht, 1864, blz. 35.

[3] Herdrukt in Allard Pierson, Feuilletons, Nijmegen, 1985, blz. 24-29. Deze herdruk verscheen in de Vaderland-Reeks.

[4] Bedoeld wordt hier natuurlijk De revisor.

[5] J. van Vloten, Beknopte geschiedenis der nieuwe Letteren, Amsterdam, 1876, blz. 521.

[6] H. Wolfgang van der Mey, ‘Het Servische epos’, Nederland, 1885, blz. 1-34, hier blz. 1.

[7] H. Wolfgang van der Mey, ‘De leugen een tweede natuur’, in de Dageraad, 1884-1885, blz. 193-216 en blz. 241-262, hier blz. 194 en 197. Boekbespreking van Max Nordau Die conventionellen Lugen der Kulturmenschheit, Leipzig, 1884, [9de druk].

[8] H. Wolfgang van der Mey, ‘De Russische schrijver Gogol en zijne werken’, Nederland, 1887, blz. 3-154, hier blz. 31-33.

[9] Idem, blz. 32. Poesjkin liet zich ooit in bijna dezelfde termen over Gogols protagonisten uit.

[10] Idem, blz. 138.

[11] Idem, blz. 130-131.

[12] Idem, blz. 4-5.

[13] Idem, blz. 41-42.

[14] Idem, blz. 125.

[15] Idem, blz. 125-126.

[16] Idem, blz. 128.

[17] Idem, blz. 3.

[18] De Vogüé had met Dostojevski, ‘"De Scyt die al onze intellectuele gewoonten zal revolutioneren." […] "de beul voor rustige zielen"’, of ‘de Shakespeare van het gekkenhuis’, wel enige moeite.

[19] Oorspronkelijk verscheen Huets artikel in het tijdschrift Nederland in 1885, ik citeer hier uit de herdruk in C. Busken Huet, ‘Nieuwe Russische letteren’, in Litterarische fantasien, vierde reeks, achtste deel, Haarlem, 1886, blz. 44-61, hier blz. 44.

[20] Idem, blz. 49.

[21] C. Busken Huet,’Graaf Tolstoi’, in Litterarische fantasien, vierde reeks, achtste deel, Haarlem, 1886, blz. 164-172, hier blz. 164.

[22] Dr. J.A. Bruins, narede bij het tweede deel van diens vertaling van Nicolaas Gogol, Doode zielen. Russische typen, Amsterdam, 1888, blz. 177-188, hier blz. 181-182.

[23] Idem, blz. 184.

[24] Idem, blz. 187-188.

[25] De eerste Nederlandse leerstoel Balto-Slavische talen dateert van 1913, zie hierna.

[26] De mantel werd vertaald door Stokvis zelf, De revisor door Josine C. Termaat.

[27] Z. Stokvis, Inleiding tot de Russische literatuurgeschiedenis, Amsterdam, 1909, blz. 85-87.

[28] N. van Wijk, Hoofdmomenten der Russiese letterkunde, Zeist, 1919, blz. 46.

[29] Idem, blz. 63.

[30] Idem, blz. 166.


© S T R E V E N