Maart 2006

Ludo Abicht

Drie begrafenissen en een trouwfeest

José Saramago en de postmoderniteit


In 1995, toen hij al internationaal bekend was geworden met onder meer Memoriaal van een klooster (1982) en vooral door de controverse rond zijn roman Het evangelie volgens Jezus Christus (1991), publiceerde de Portugese auteur José Saramago zijn ‘essay over de blindheid’ (Ensaio sobre a Cegueira), dat in het Nederlands vertaald werd als De stad der blinden. In hetzelfde jaar kreeg hij de Camõesprijs, de belangrijkste literaire onderscheiding in het Portugese taalgebied. Zijn late doorbraak – hij was intussen al 73 jaar oud – was voor een deel te wijten aan de problemen waarmee uitgesproken linkse auteurs te maken hadden gehad in het dictatoriale Portugal van Salazar en diens opvolger, maar wellicht ook aan het feit dat Saramago, na een aantal vroege romans in de sociaal-realistische traditie, eerst langzamerhand de typische stijl ontwikkeld had die hij niet meer zou loslaten (of, zoals hij zou zeggen, die hem niet meer zou laten gaan). Door die stijl, meer nog dan door zijn politiek engagement en zijn toch wel erg genuanceerde atheïsme, keerden een aantal critici en potentiële lezers zich van hem af, terwijl anderen, onder wie de juryleden die hem in 1998 de Nobelprijs toekenden, daar juist niet genoeg van konden krijgen: ‘[…] die zinnen behoren tot de gewaagdste en de meest weergaloze die er tegenwoordig geschreven worden’, zoals een criticus in Vrij Nederland terecht opmerkte. José Saramago is namelijk geen postmodernistisch auteur die er zich voor hoedt, vaste zekerheden of, godbetere het, absolute waarheden te verkondigen. In zekere zin gaat hij zelfs verder dan de traditionele alwetende schrijver van de negentiende-eeuwse realistische of naturalistische romans: niet alleen weet hij dat alles wat hij schrijft uiteraard fictie is, zijn fictie, maar hij deelt dit te pas en te onpas mee aan de lezer, die nog minder dan de auteur weet wat hij met die informatie moet doen: nodigt Saramago hem misschien uit mee op zoek te gaan naar een alternatieve afloop van de vaak uitzichtloze situaties waarin de romanfiguren verwikkeld zijn geraakt? Of leidt hij hem gewoon binnen in het volgestouwde laboratorium waar hij zijn narratief en de vele afleidingen daarvan aan het brouwen is? In elk geval maken deze uitweidingen en bespiegelingen, associaties, opsommingen en verwijzingen naar allerlei andere teksten (de zogenaamde ‘intertextualiteit’) de lectuur van zijn romans moeizaam, maar waarschijnlijk juist daarom ook boeiend en beklijvend. In het geval van Saramago is de uitspraak van Buffon, ‘le style c’est l’homme même’, meer dan gerechtvaardigd. Zijn romans worden niet gekenmerkt door een sterke plot met allerlei peripetieën, maar kunnen veeleer, met de woorden van de auteur zelf, ‘parabels’ worden genoemd: ‘Veeleisende lezers en luisteraars zullen onderhand hebben opgemerkt dat de verteller van deze parabel […]’ (De stad der zienden). En parabels moeten eenvoudig en voor iedereen begrijpelijk zijn. Daarom kunnen we de vier romans die hier besproken worden inderdaad als parabels beschouwen, of liever als vier verschillende maar met elkaar samenhangende versies van één grote parabel, waarin Saramago zijn beeld schetst van de huidige postmoderne samenleving. De romans mogen zich dan al min of meer herkenbaar in Lissabon afspelen, we moeten wel beseffen dat ‘Lissabon’, de telkens opnieuw beschreven grootstad, hier ondanks kleine schetsen in de couleur locale, al even universeel en symbolisch is als het Praag van Franz Kafka, een verwantschap waarop ik nog zal terugkomen.

Deze vier romans (De stad der blinden, 1995; Alle namen, 1997; Het schijnbestaan, 2000 en De stad der zienden, 2004) werden over een periode van negen jaar geschreven, waarbij de laatste niet alleen in de titel (Ensaio sobre a Lucidez, letterlijk ‘Essay over de helderheid of het inzicht’) naar de eerste verwijst, maar waarin ook de belangrijkste figuren uit De stad der blinden een centrale rol spelen. Vanzelfsprekend vinden we ook in vroegere romans als Het stenen vlot (1986) en recente als De man in duplo (2002) elementen die perfect in onze analyse zouden passen, maar ik denk dat we ons tot deze vier mogen beperken om enigszins adequaat het ‘wereldbeeld volgens Saramago’ te kunnen schetsen.

Blinden die zien. Blinden die ziende niet zien

‘Zij knikte, maar omdat ze zelf blind was dacht ze, heel begrijpelijk, dat de agent haar gebaar niet gezien had en fluisterde, Ja, heb ik, en in stilte voegde ze eraan toe, Ik wou van niet, woorden die misschien misplaatst lijken, maar die, als je rekening houdt met de kronkels in het menselijk denken, waar geen korte, rechte wegen bestaan, uiteindelijk toch volledig kloppen, want wat zij bedoelde was dat ze gestraft was voor haar slechte gedrag, haar verdorvenheid, zie je wel, dat krijg je er nou van.’

Dit lange citaat is nodig om enigszins wegwijs te geraken in de kronkelige en inderdaad ‘weergaloze en gewaagdste’ stijl van Saramago. In deze passage bijvoorbeeld lopen drie zaken door elkaar: het gesprek van ‘het meisje met de zonnebril’ met een politieman die haar komt afhalen; zij is een goedhartige callgirl die net blind geworden was op het moment dat ze op een hotelkamer een orgasme beleefde (‘net of ik er helemaal blind van word!’); in de tweede plaats haar interne monoloog én ten slotte de bedenkingen van de auteur over dat soort verschijnselen. Dit meisje is een van de eersten die door een plotselinge blindheid getroffen wordt. Wanneer meer mensen blind worden, vrezen de overheden voor het uitbreken van een onbekende epidemie en plaatsen ze deze eerste slachtoffers in quarantaine. Wat ze echter niet weten is dat één vrouw tussen de snel groeiende groep geïnterneerden niet blind geworden is, maar haar man niet alleen wil laten. Dat bezorgt haar het afschuwelijke voorrecht, de ontreddering en verloedering van deze samenleving van blinden van dichtbij te kunnen zien en de lezers daarover in te lichten. Want de collectieve ellende, die overigens bijzonder overtuigend, grafisch en naturalistisch beschreven wordt, leidt slechts in uitzonderlijke gevallen tot onderlinge solidariteit. Het wederzijdse wantrouwen, de wreedheid en de uitbuiting worden integendeel tot het uiterste gedreven, want van nu af aan is het meer dan ooit ‘ieder voor zich’. Op een paar dagen tijd wordt het leven van de mensen gereduceerd tot de meest elementaire struggle for life: wie geen onderdak of slaapplaats kan veroveren en, vooral, wie geen eten of drinken vindt, gaat eraan. De situatie wordt erger naarmate het duidelijk wordt dat ten slotte alle bewoners van de stad op dezelfde onverklaarbare manier blind worden. De ergste schoften, die in normale tijden nog een beetje rekening moesten houden met de wet, nemen zonder meer de macht in handen. Ze leggen beslag op de voedselvoorraden, die ze slechts tegen hoge betaling in geld en juwelen verkopen. In een tweede fase willen ze ‘vrouwen’: indien er geen vrouwen geleverd worden, is er voor niemand eten. De excuses waarmee de uitgehongerde mannen, na een eerste verontwaardigde weigering, al heel snel zichzelf en hun partners proberen te overtuigen dat ‘er nu eenmaal geen andere keuze is en dat iemand dringend voor eten moet zorgen’, zouden grotesk klinken als de situatie niet zo tragisch en herkenbaar ontmaskerend was. Op deze manier ontstaat er een totaal dystopische samenleving, waarin het recht van de sterkste de hele wanorde van boven tot onder bepaalt.

Wanneer de blinden die zich hebben verzameld rond de ziende ‘vrouw van de oogarts’ – in deze roman tellen alleen maar de rollen en functies, want iedereen is sowieso zijn of haar naam kwijtgespeeld, hoe belangrijk die identiteit een paar dagen geleden ook was – beseffen dat hun naakte leven in gevaar is, slagen ze erin, uit de internering te ontsnappen. Ze komen echter terecht in een stad die als gevolg van de verblinding totaal chaotisch en voor iedereen uiterst gevaarlijk geworden is. Zoals hij in zijn werk vaker doet, gebruikt Saramago ook hier beelden en uitdrukkingen die in ons collectieve geheugen werden opgeslagen: ‘[…] maar de meeste kwamen vallend en struikelend, in groepjes aan elkaar geklampt of apart, paniekerig of met hun armen zwaaiend als drenkelingen, de slaapzaal in getuimeld, alsof ze door een bulldozer naar binnen werden geschoven’. Wie ooit de filmopnamen uit het concentratiekamp Bergen-Belsen gezien heeft (en wie heeft die niet gezien), weet dat deze blinden weliswaar nog niet dood zijn, maar de vergelijking met de hulpeloos door elkaar geschudde lijken die met bulldozers in een grote kuil geschoven werden is te opvallend om toeval te zijn. Te meer daar Saramago dit procédé geregeld in zijn romans toepast.

De kleine groep blind geworden burgers die in deze parabel een centrale plaats inneemt, ook al lijken ze af en toe op Bruegels ‘blinden die blinden leiden’, kan zich met de hulp van de vrouw voldoende inrichten en organiseren om in leven te blijven. Daardoor komt er opnieuw ruimte vrij voor het ontwikkelen van persoonlijke relaties, onder meer met een verdwaalde hond die op een bepaald ogenblik de wanhoopstranen van de vrouw likt en van dan af ‘de Tranenhond’ genoemd wordt, maar ook tussen de oude man en het jonge ‘meisje met de zonnebril’, die allebei waarschijnlijk voor het eerst een vorm van liefde ontdekken die de seksuele aantrekking niet overstijgt, waar zou dat nou goed voor zijn, maar op een ontroerend beschreven manier complementeert.

De bescheiden tekenen van solidariteit worden mogelijk door een vorm van organisatie die niet alleen overal elders in deze stad der blinden ontbreekt, maar vroeger ook al uitzonderlijk was: ‘we waren al blind toen we blind werden, de angst heeft ons blind gemaakt en de angst zal ons blind laten blijven’. En een beetje verder merkt een van de personages op: ‘Vechten is altijd min of meer een vorm van blindheid geweest’.

Wanneer dan aan het einde van het boek de blindheid even onverwacht en onverklaarbaar verdwijnt als ze gekomen is, lijken allen naar het oude terug te keren, met uitzondering van de meeste, niet alle, leden van deze toevallige overlevingsgroep. Alsof deze catastrofe ons even, als met een paradox, ‘de ogen heeft geopend’ over de ware aard van de stad en de maatschappij waarin de meesten van ons leven. We hoeven geen blinden te blijven die ‘ziende niet zien’, maar de twijfel is groot of de mensen deze lessen getrokken hebben uit het onheil dat hun is overkomen. Dit geeft aan de allerlaatste zin van de roman ‘De stad was er nog’ een dubbele en uitgerekend daarom verontrustende betekenis.

Geen enkele burger, levend of dood, ontsnapt aan de bureaucratie

In de volgende roman-parabel, Alle namen, komen de personages uit De stad der blinden niet voor, maar opnieuw vormt ‘Lissabon’ (de grootstad, de postmoderne maatschappij) het kader waarbinnen zich alles afspeelt. En midden in die stad staat het indrukwekkende gebouw van de Burgerlijke Stand, waar alle namen van de levenden en de doden geregistreerd staan. Omdat de lijst onvermijdelijk voortdurend aangroeit, moet de achterwand op geregelde tijden afgebroken en een eind verder heropgebouwd worden om plaats te maken voor nieuwe archieven. Mijnheer José, de enige die in de roman met naam genoemd wordt, is een van de ondergeschikte klerken die de dagelijkse aangiften van geboorten en sterfgevallen moet verwerken, en dat ook met een voorbeeldige ijver en ambtelijke verantwoordelijkheidszin doet. Om echter de verveling van zijn werk en zijn leven als vrijgezel een beetje te verlichten, legt hij in het grootste geheim een eigen archief aan ‘van de belangrijkste 100 Portugezen’, over wie hij zo veel mogelijk gegevens verzamelt en daarbij niet aarzelt, tegen alle regels in ’s nachts in het grote archief binnen te dringen om fiches te kopiëren. Tot hij op een dag bij vergissing de fiche in handen krijgt van een verder onbekende en duidelijk onbelangrijke vrouw, die hem op een niet nader verklaarde manier begint te intrigeren. Bijna de hele plot van deze roman bestaat uit zijn zoektocht naar die vrouw en de steeds grotere risico’s die hij bereid is te nemen om zijn doel te bereiken. Hij verzint allerlei smoesjes om een halve dag, één uur of desnoods een half uur zijn werk te kunnen verlaten, en wekt daarbij de achterdocht van de hoofdarchivaris op, die hem dan ook door de collega’s en zelfs de arbeidsgeneesheer laat bespioneren: is mijnheer José echt ziek of voert hij iets in zijn schild dat de goede orde en de discipline van de Burgerlijke Stand in groot gevaar zou kunnen brengen? Mijnheer José laat zich, ondanks zijn gewetensbezwaren en de dreigende disciplinemaatregelen, niet intimideren, maar gebruikt zijn vrije tijd om alle mensen die hem informatie over die vrouw kunnen verschaffen te gaan opzoeken, waardoor hij uiteraard nog meer verdacht wordt. Op een nacht breekt hij zelfs als een onhandige dief binnen in het schoolgebouw waar die vrouw als kind jaren geleden leerlinge is geweest. Het avontuur van mijnheer José herinnert steeds meer aan de wanhopige zoektocht van Joseph K. in Het Proces en van de ongelukkige landmeter K. in Het Slot van Franz Kafka. Net als die tragische helden uit Praag mislukt mijnheer José jammerlijk, want op het moment dat hij zijn doel bijna bereikt heeft, ontdekt hij met verbijstering dat de fiche van de vrouw van de afdeling der ‘levenden’ overgebracht is naar die van de ‘doden’. Het enige wat hij nog kan doen is die overlijdensakte in het reusachtige archief opsporen en vernietigen, maar het is weinig waarschijnlijk dat hij daarin zal slagen.

Wat dit absurde verhaal echter zo spannend maakt, is de tegenstelling tussen zijn toenemende obsessie (of verliefdheid) en de angst die uit alles spreekt wat de keurige mijnheer José doet, denkt en voelt. Er is de angst voor de macht van de hoofdarchivaris en zijn medewerkers, die de ondergeschikte maar binnen de hiërarchie daarom juist almachtige vertegenwoordigers zijn van het absolute gezag van de staat. Er is de angst voor de collega’s die zijn afwijkende gedrag afkeuren en hem nauwlettend in de gaten houden. Mijnheer José leeft in een wereld waar iedereen, in het bijzonder hijzelf, verdacht is en waarin elk woord, elke blik en elk gebaar de gevreesde catastrofe kunnen uitlokken. De angstaanjagende verwarring in zijn hoofd weerspiegelt de geordende absurditeit van de instellingen en machtsstructuren waarin hij als kleine burger en lagere ambtenaar hopeloos gevangen zit en waaruit hij nooit zal kunnen ontsnappen. Hij niet, zijn collega’s en oversten niet, in feite geen enkele van al die namen die de Burgerlijke Stand tot aan het einde der tijden bevolken.

Maar ook de eeuwige rust die het kerkhof normaal garandeert wordt verstoord, want een herder die daar zijn kudde laat grazen, heeft er niets beters op gevonden dan van tijd tot tijd de grafstenen van plaats te verwisselen, met als gevolg dat ‘al die namen’ die de ambtenaren van de Burgerlijke Stand zo zorgvuldig hebben genoteerd, hun betekenis verloren hebben en er dus niets overblijft dan de totale anonimiteit van een begraafplaats die langzaam maar zeker de hele wereld zal vullen.

Liefde in tijden van shoppingcentra

In tegenstelling tot de vorige romans lijkt Het schijnbestaan, op één enkele, zij het letterlijk fundamentele uitzondering na, veeleer een realistische beschrijving van onze huidige neoliberale samenleving te zijn. Het verhaal is, alweer, bedrieglijk eenvoudig en rechtlijnig: de pottenbakker en weduwnaar Cipriano Algor woont met zijn dochter Marta in een klein landelijk dorp in de buurt van de grote stad. Ze kunnen hun traditionele bedrijfje in stand houden dankzij de leveringen van hun traditioneel aardewerk aan het grote winkelcentrum in de stad. Tot de directie van het Centrum – door Saramago altijd met een hoofdletter geschreven – hem op een kwade dag meedeelt dat de klanten niet langer geïnteresseerd zijn in hun producten en ze er dus maar beter mee ophouden. Marta aanvaardt dit verdict niet en kan haar vader ervan overtuigen, in plaats van nutteloze want onverkoopbaar geworden gebruiksvoorwerpen (kannen, borden en kruiken) te bakken, over te stappen op de productie van sowieso nutteloze sierfiguurtjes uit klei die wellicht nog een ruilwaarde bezitten, overigens de enige waarde die voor de heren van het Centrum in aanmerking komt. Maar omdat het Centrum om commerciële redenen onmiddellijk resultaten wil zien en de twee pottenbakkers alleen maar ambachtelijk kunnen werken, wordt dit een heroïsche race tegen de tijd. De gedetailleerde beschrijving van dit scheppingsproces bezorgt ons de mooiste bladzijden die Saramago, een auteur die zelf hartstochtelijk en zorgvuldig met hoofd en handen werkt, ‘met de hersenen in het hoofd en in de vingers’, aan deze bedreigde vorm van traditionele artisanale arbeid gewijd heeft. Cipriano en Marta slagen er ondanks alles in, de eerste reeks figuurtjes op tijd klaar te krijgen, maar ze hebben buiten de kapitalistische waard gerekend, want een wetenschappelijk gevoerd marktonderzoek wijst uit dat ook deze sierbeeldjes onverkocht zullen blijven, waarop de hele bestelling meteen wordt afgelast. De pottenbakkerij wordt gesloten en er zit voor Cipriano niets anders op dan samen met zijn dochter en haar man Marçal, die als interne bewaker in het Centrum werkt en woont, in te trekken. Het Centrum, dat zich snel over de hele stad en het land uitbreidt, is een gesloten en volmaakt gecontroleerde kunstmatige wereld, waarin alle echte en valse behoeften van de mensen bevredigd worden en waar letterlijk alles tot consumptieartikel wordt herleid, van voedingswaren, kleren en meubels tot avonturen, verlangens, gevoelens en virtueel geproduceerde natuurervaringen. Niets is wat het lijkt, maar alles is voor geld te verkrijgen. Wie hier geen vragen stelt of ongepaste kritiek uit, wordt voor zijn volgzaamheid en redelijkheid beloond. En zo gaat alles rustig verder, tot op de dag dat bouwvakkers die een ondergrondse garage aan het uitgraven zijn, op een onderaardse ruimte stoten die in alle opzichten herinnert aan de beroemde grot (A caverna, de Portugese titel van de roman) uit Politeia, Boek VII van Plato: ‘Een vreemd tafereel beschrijf je daar, en vreemde gevangenen. Ze lijken op ons’.

Cipriano en Marta begrijpen maar al te goed dat de gelijkenis tussen henzelf en de mummies van de gevangenen in de grot helemaal niet toevallig is, maar het diepste wezen van dit wereldwijde Centrum onthult. Ze verkiezen daarom de onzekerheid van een bestaan buiten het Centrum boven de zekerheid van dit schijnbestaan. Ze slaan halsoverkop op de vlucht en beginnen aan ‘een reis met onbekende bestemming, waarvan niemand weet hoe en waar zij zal eindigen’.

Hun enige troef, die uiteraard geen gewaarborgd inkomen of ook maar de minste materiële zekerheid garandeert, is de liefde tussen vader en dochter, tussen Marta en Marçal en tussen Cipriano en de weduwe Isaura die weet dat hij van haar houdt, maar het als echte man zo verdomd lastig heeft zelfs maar tijdelijk van het inkomen van een vrouw af te hangen. We weten inderdaad niet of deze vier vluchtelingen het zullen halen. We weten wél dat het Centrum nog steeds in volle expansie is, en in staat is alles maar dan ook alles te vermarkten, zoals blijkt uit de laatste zin van het boek, de tekst van een nieuwe affiche aan de gevel: BINNENKORT VOOR PUBLIEK GEOPEND, DE GROT VAN PLATO, EXCLUSIEVE ATTRACTIE, UNIEK OP DE WERELD, TOEGANGSBEWIJZEN NU TE KOOP.

Kan het anarchisme de wereld redden, en voor hoelang?

Met de vierde parabel, De stad der zienden (‘essay over de helderheid en/of het inzicht’) keren we terug naar het begin. Opnieuw wordt de grootstad, vier jaar na de epidemie van blindheid, het toneel van een ‘opmerkelijke gebeurtenis’: totaal onverwacht stemt meer dan zeventig procent van de kiezers er blanco. De regering probeert zichzelf ervan te overtuigen dat hier een vergissing in het spel is, en schrijft meteen nieuwe verkiezingen uit. Het resultaat is nog negatiever, want nu zijn er al tachtig procent blanco stemmen, waardoor het hele apparaat van de parlementaire democratie in elkaar dreigt te stuiken. Is dit het werk van buitenlandse vijanden van de democratie (een soort ‘voortzetting van het internationale terrorisme met andere middelen’)? Zijn er interne subversieve groepen aan het werk, die als mollen de democratische rechtsstaat proberen te ondergraven? Het komt in de hoofden van de regeringsleiders niet eens op dat de meeste burgers de formele en rituele aflossing van de macht tussen centrum-rechts en centrum-links, die trouwens ei zo na met elkaar uitwisselbaar zijn, eens grondig beu kunnen zijn en spontaan besloten hebben hun lot in eigen handen te nemen: ‘there is no government like no government’. De regering trekt zich terug uit de hoofdstad (‘ze zullen nu zelf ervaren wat het is, niet langer geregeerd te worden!’) en kondigt de staat van beleg af. Er zijn zelfs plannen om een betonnen en elektronisch bewaakte muur van zo’n acht meter rond de hele hoofdstad op te trekken, een model dat men intussen al in Palestina aan het uittesten is. Maar wat de regering ook doet, en dat gaat van het droppen van propagandablaadjes tot het organiseren van een bloedige terreuraanslag door de geheime diensten, niets schijnt de bevolking te kunnen raken. Met bijtende ironie reproduceert Saramago de holle frasen van de verschillende regeringsverklaringen en de diplomatieke taal van de ongenadige machtsspelletjes binnen de regeringskringen. Één voorbeeld:

‘In bewoordingen die te bevatten zijn voor de minder onderlegde klassen, die daarom nog niet onwetend hoeven te zijn van de ernst en verscheidenheid van alle kwalen die een bedreiging vormen voor het toch al precaire voortbestaan van de menselijke soort, was wat de premier had voorgesteld niet meer en niet minder dan een vlucht voor het virus dat het grootste deel van de bevolking had aangetast en dat, aangezien het ergste altijd op loer ligt, uiteindelijk misschien ook het andere deel zou infecteren of zelfs, wie weet, het hele land.’

Via een klikbrief van een man die beweert ‘het beste voor te hebben met het lot van ons vaderland’ wordt de regering erover ingelicht dat er vier jaar geleden één vrouw om raadselachtige redenen niet blind geworden was én dat het heel goed mogelijk is dat zij en haar trawanten deze ogenschijnlijk ‘spontane’ anarchistische revolte hebben georganiseerd. Quod est demonstrandum: de premier zendt een politiecommissaris naar de belegerde stad, met de opdracht deze aanklacht sluitend te bewijzen en de schuldigen te arresteren. De politieman ontdekt dat het inderdaad gaat om de ons al bekende ‘vrouw van de oogarts’ en de leden van de groep blinden die zij toen had gered, maar dat het absurd is deze mensen ook maar in de verste verte van samenzwering te beschuldigen. Omdat de commissaris weigert zijn opdracht uit te voeren, moet hij om staatsredenen worden uitgeschakeld, en hetzelfde geldt trouwens voor de ‘vrouw van de oogarts’, haar man en hun vrienden.

Ook deze parabel eindigt niet met de overwinning van het Ware, het Goede en het Schone, om nog even naar de Grot van Plato terug te keren. Toch heeft deze roman een andere toon dan de drie vorige, waarin telkens één aspect van onze postmoderne samenleving aan de kaak werd gesteld. De hoofdpersonages worden weliswaar verpletterd onder de macht van het establishment, wat hadden we anders verwacht, maar net zoals in de vorige romans de dominerende structuren en houdingen (de verblinding, de hiërarchie, de neoliberale markt) bleven bestaan, is het in deze afsluitende roman duidelijk dat de creativiteit van deze revolte nog lang niet is uitgeput. Deze roman werd opgedragen aan de rebelse auteur Manuel Vàzquez Montalbàn uit Barcelona, de hoofdstad van het Iberische anarchisme (FAI). En vlak bij Lissabon hebben immigranten uit de Kaapverdische eilanden in de jaren tachtig met eigen handen de illegale wijk Alto da Cova da Moura gebouwd en er, praktisch zonder steun van de regering, een bloeiende gemeente van meer dan zesduizend inwoners van gemaakt. Daarom zou De stad der zienden met evenveel recht een literair en fictief ‘essay over de democratie’ kunnen heten, en zo werd de roman ook door vriend en vijand begrepen: riep Saramago hier op tot burgerlijke ongehoorzaamheid, wenste hij zelfs niet dat de mensen op zijn eigen partij stemden, geloofde hij niet langer in de parlementaire democratie, toch nog altijd ‘de minst slechte van alle oplossingen’ zoals het cliché luidt?

Het antwoord hierop is complex: uiteraard weet Saramago na jaren van dictatuur de voordelen van de democratie te waarderen, maar hij wil erop wijzen dat deze formele democratie de vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid die ze plechtig beloofd heeft niet langer kan garanderen. Misschien is een staatsvorm, hoe nobel ook, niet beter of slechter dan zijn burgers? Misschien is een democratie gewoon niet leefbaar zonder de inbreng van een flinke dosis ‘anarchisme’, dat wil zeggen autonomie én verantwoordelijkheidszin van een kritische massa van burgers?

Ten slotte: Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?
(Spreuken 31)

De sterkste figuren in veel romans van Saramago zijn zonder enige twijfel vrouwen, en het zou de moeite lonen een afzonderlijke studie aan dit thema te wijden. Ook in drie van deze vier parabels spelen vrouwen een centrale rol. De ‘vrouw van de oogarts’ is niet alleen de enige die niet blind wordt, maar ze is vooral nuchter en moedig genoeg om op het juiste moment in te grijpen. Dit valt onder meer op in de weerzinwekkende episode van de collectieve verkrachting door de blinde gangsters: om aan eten te geraken beslist ze eerst, zich aan de wensen van die schurken te onderwerpen, en komt ze daarna tot het besluit de bendeleider uit de weg te ruimen om aan die gruwel een eind te maken. Ze beschermt de groep blinden die zich aan haar toevertrouwd hebben, maar zorgt ervoor hun menselijke waardigheid zoveel mogelijk te respecteren. Ze doorziet zowel de leugens van de regering als de mentale twijfels van de politiecommissaris en is zich heel goed bewust van het gevaar dat zij en haar vrienden lopen.

Maar ook Marta, de dochter van de pottenbakker in Het schijnbestaan, is een sterke vrouw in de bijbelse betekenis: zij draagt bijna de hele verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van het verhaal, van het besluit de productie om te schakelen tot de vlucht uit het Centrum, om maar te zwijgen van de manier waarop ze de onhandige en weerbarstige liefde tussen haar vader en de weduwe Isaura vrouwelijk en vakkundig ‘begeleidt’. Marta noch de vrouw van de oogarts zijn geïdealiseerde iconen, maar afgeronde karakters vol tegenstellingen en twijfels en met voldoende zelfkritiek en humor om in barre tijden te overleven. Ze zijn de concrete belichaming van de stelling die door al deze parabels loopt: ‘Bij onze geboorte, wanneer we op de wereld komen, is het alsof we een pact hebben getekend voor ons hele leven, maar het kan gebeuren dat je je op een dag moet afvragen, Wie heeft dat pact voor mij getekend’.


© S T R E V E N