December 2006

Mario Coolen

Zoektocht naar een verloren vriend

Of waarom Macabeo Aguilar niet vermist is


Guatemala-stad 25 juli 1981. Met piepende remmen stopt een politieauto in een drukke buitenwijk. Enkele minuten later worden drie jonge mannen uit een huis gesleept en met geweld de auto in geduwd. Eén van hen is Macabeo Aguilar, mijn beste vriend in de jaren dat ik werkzaam ben in Guatemala.

Macabeo leer ik in 1978 kennen. Hij studeert dan aan het seminarie in de hoofdstad. Macabeo wil priester worden, een vrome jongen met een hart van goud, opgegroeid aan de tropische zuidkust van Guatemala. In dat gebied arriveer ik in 1972. Ik ben dan net klaar met mijn studie theologie en via een vrijwilligersorganisatie krijg ik de kans naar Guatemala te vertrekken. Amper vierentwintig uur nadat ik Nederland heb verlaten, sta ik in het hart van de tropische kustvlakte. Ik zie plantages zover het oog reikt, uitgestrekte velden koffie, katoen en suikerriet. In de zee van plantages ontwaar ik groepjes arbeiders. Als wanhopige drenkelingen worstelen ze met enorme koffiestruiken en metershoog suikerriet. Maya’s zijn het, erfgenamen van een schitterende cultuur. Maar in de verzengende hitte van de zuidkust herinneren enkel nog de kleurige klederdracht en de typische indiaanse gelaatstrekken aan dat roemrijke verleden.

Aan de zuidkust word ik lid van het pastorale team in het stadje Santa Lucía Cotzumalguapa. Op een nacht schrik ik wakker. Vrachtwagens vol indiaanse seizoenarbeiders, enkele uren eerder weggeplukt uit het bergland van Guatemala, worden gelost recht voor het huis waar ik met mijn collega’s woon. Ik zie fluisterende mannen, zwijgende vrouwen, huilende kinderen met ogen vol slaap en ontreddering onder een tropische sterrenhemel. Op de brede stoep voor ons huis wachten de arbeiders tot het licht wordt en de eerste koppelbazen verschijnen.

De kerk die ik in Guatemala leer kennen, wil een kerk van de armen zijn en maakt duidelijke keuzes. Ons pastorale werk is gericht op het vormen van basisgemeenschappen. Met de seizoenarbeiders praten we over de dagelijkse zorgen en het tastbaar onrecht op de plantages, over lage lonen en zieke kinderen, over bedrog bij het wegen van het gekapte suikerriet en de geplukte koffie en katoen, over de minachting waarmee Maya’s worden behandeld. ‘Stomme indiaan’ is in het kustgebied een veel gehoord scheldwoord.

Mede door het werk van de kerk breekt op de plantages een nieuw bewustzijn door. Arbeiders pikken het niet langer dat ze worden uitgebuit en uitgescholden. Gretig wordt in kleine groepjes de Bijbel gelezen, die in de hel van de plantages een ongekende actualiteit krijgt. Het zijn de verhalen van de profeten van Israël, die onrecht aanklagen en daarbij man en paard noemen, verhalen van slavernij in een ver vreemd land en de riskante strijd voor bevrijding. ‘Ons Egypte zijn de plantages, onze farao’s zijn de grootgrondbezitters’, met die woorden maken slaven uit de twintigste eeuw de eeuwenoude Bijbel tot het verhaal van hun eigen leven.

Intussen groeien bij grootgrondbezitters onrust en wrevel over het werk van de kerk. Waar is de goede oude tijd, toen je als plantage-eigenaar nog met een gerust hart naar de kerk kon gaan? Toen priesters nog aanspoorden tot berusting en geduld, in ruil voor een gelukzalig bestaan na dit aardse tranendal? Maar de grootgrondbezitters staan niet alleen, en vooral in het leger beschikken zij over uitstekende contacten. Daar klagen zij hun nood; ze vragen de militairen in te grijpen ‘voor het te laat is’. Vanaf dat moment ontvangen we anonieme bedreigingen en wordt ons huis in Santa Lucía ’s nachts beklad met leuzen als: ‘Hier wonen communisten’, en ‘We willen geloof, geen politiek’.

Op het moment dat aan de zuidkust de spanning oploopt, leer ik in de hoofdstad Macabeo Aguilar kennen. De hechte vriendschap die tussen ons ontstaat ervaar ik als een verademing. Ik nodig Macabeo uit, tijdens de vakantie van het seminarie bij ons op bezoek te komen in Santa Lucía. Daar gaan zijn ogen open. Zelf is hij opgegroeid aan de zuidkust, maar van het leven op de plantages heeft hij geen idee. Vooral het directe contact met de indiaanse seizoenarbeiders veroorzaakt bij hem een schok. Vanaf dat moment verdiept mijn vriend zich in de geschiedenis van de Maya’s, die voor hem onbekende landgenoten zijn.

Gedurende weekends en vakanties blijft Macabeo ons bezoeken, maar op het seminarie is hij niet meer de voorbeeldige student van voorheen. Hij heeft het hart op de tong en praat honderduit over wat hij op de plantages heeft gezien. Maar terwijl Macabeo zijn ideeën verkondigt over onrecht en bevrijding, schudden de professoren van het seminarie bezorgd het geleerde hoofd. Mijn vriend wordt aangemaand op zijn woorden te letten en te bidden om wijsheid en geduld. Wanneer die deugden uitblijven, krijgt hij het advies om ‘in het belang van iedereen’ het seminarie te verlaten.

Als de deuren van het veilige seminarie achter hem dicht slaan is het voor Macabeo armoe troef. Thuis hoeft hij niet aan te komen, want zijn ouders kunnen zelf amper het hoofd boven water houden. Noodgedwongen gaat hij op zoek naar werk. Maar er is nog een ander probleem. Als kind is mijn vriend geopereerd aan beide knieën; die ingreep was geen succes en daarom heeft hij vaak hevige pijn bij het lopen. Uiteindelijk vindt Macabeo een baantje als verkoper van huishoudelijke artikelen. Hij sjouwt met zijn koopwaar van deur tot deur, vaak meer strompelend dan lopend. Intussen houdt hij contact met de plantagearbeiders van de zuidkust, die zich inmiddels hebben georganiseerd in het Comité voor Boereneenheid. Voor dat Comité maakt Macabeo materiaal voor studie en vorming. Samen met enkele vrienden huurt hij in een buitenwijk van Guatemala een ruimte die als drukkerij dienstdoet. Alles gebeurt met grote omzichtigheid, want de regering beschouwt het Comité voor Boereneenheid als een subversieve organisatie.

Eind maart 1980 verlaat ik Guatemala in gezelschap van enkele boerenleiders en leden van mensenrechtenorganisaties. Samen bezoeken we Canada en verscheidene Europese landen om aandacht te vragen voor het toenemende geweld in Guatemala. Kort daarvoor, op 31 januari 1980, is de Spaanse ambassade in Guatemala door veiligheidstroepen in brand gestoken. Op dat moment bevond zich in de ambassade een delegatie van Maya’s die protesteerde tegen het geweld van het leger. Zevenendertig personen komen om in de vlammenzee, onder hen een aantal leiders van het Comité voor Boereneenheid. Terug in Nederland werk ik mee aan de voorbereiding van het Russell Tribunaal, dat eind 1980 in Rotterdam plaatsvindt en waar de regering van Guatemala zal worden aangeklaagd vanwege de massamoord in de Spaanse ambassade.

Sinds ik weg ben uit Guatemala verloopt het contact met Macabeo moeizaam. Via brieven die soms maanden onderweg zijn, houden we elkaar op de hoogte van ons werk. Mijn vriend schrijft enthousiast over zijn activiteiten bij de boerenorganisatie, over het grote aantal mensen dat zich aansluit bij de strijd om bevrijding. Maar hij vertelt ook over de hevige pijn aan zijn knieën, die alsmaar erger wordt.

Intussen wordt in Guatemala de situatie steeds grimmiger. Er gaat nu geen dag voorbij of er worden vakbondsleden en studentenleiders opgepakt. Voor het eerst komen er ook berichten over massamoorden op het platteland, waar het leger hele Mayadorpen uitroeit. Ik maak me grote zorgen over de veiligheid van mijn vriend; ver verwijderd van de hel van Guatemala voel ik me verantwoordelijk voor de richting die zijn leven heeft genomen. Wanneer ik hem hierover schrijf, probeert hij me gerust te stellen. ‘Wat ik doe is mijn eigen keuze’, schrijft hij. ‘Jouw werk in Europa en dat van mij in Guatemala zijn bijdragen aan een strijd die zonder twijfel in een overwinning zal eindigen.’

Maar wat een overwinning had moeten zijn, wordt een nachtmerrie. Begin augustus 1981 krijg ik uit Guatemala het bericht dat Macabeo is ontvoerd. Ik ben radeloos. Hoe kan het leven verder gaan, als op tienduizend kilometer afstand mijn vriend zonder enige twijfel gruwelijk wordt gefolterd? Waar zullen ze hem gevangen houden en hoe lang zal het martelen duren? Internationaal protest heeft geen zin: de regering van Guatemala ontkent stelselmatig dat er in het land politieke gevangenen zijn. Ik hoop op een wonder, eigenlijk tegen beter weten in. Als verdere berichten uitblijven schuift er een donkere wolk van angst en onmacht tussen ons; wanhopig besef ik dat ik mijn vriend voorgoed kwijt ben.

Het is 24 februari 1999 en opnieuw ben ik in Guatemala. Op die dag presenteert de Waarheidscommissie van de Verenigde Naties haar rapport over het geweld dat Guatemala jaren in zijn greep had. Ik ga naar de bijeenkomst met Dora Mirón, een vriendin van vroeger, die met haar man César ook werkte voor het Comité voor Boereneenheid. Begin 1982 werden binnen enkele maanden Dora’s beide ouders, haar schoonvader en haar man ontvoerd.

Met Dora luister ik verbijsterd naar de conclusies van de Waarheidscommissie. In de periode van het geweld zijn in Guatemala naar schatting 150.000 personen gedood en 50.000 mannen en vrouwen verdwenen. Het leger wordt door de Waarheidscommissie verantwoordelijk gehouden voor meer dan negentig procent van de moorden en ontvoeringen. Vooral de Mayabevolking heeft een hoge tol betaald: meer dan tachtig procent van de slachtoffers was van indiaanse komaf. Ik hoor getallen en percentages, maar tegelijkertijd zie ik het gezicht van verdwenen vrienden en collega’s voor me. Ik staar naar de twaalf dikke boekdelen die de Commissie op een tafel heeft uitgestald, duizenden pagina’s onbeschrijflijk leed.

Na de presentatie van de Waarheidscommissie blader ik met Dora in het boek met de namen van verdwenen personen. We vinden al gauw haar familieleden, maar hoe we ook zoeken, de naam van Macabeo is er niet bij. Even is er een flits van hoop: stel dat hij toch nog leeft en dat alles een boze droom is geweest. Maar de illusie is van korte duur; achttien onherroepelijke jaren scheiden mij van mijn verdwenen vriend.

Enkele dagen later reis ik met Dora naar de zuidkust. In een van zijn laatste brieven had Macabeo het adres van zijn ouders vermeld en ik hoop dat zij daar na al die tijd nog steeds wonen. Als we op het aangegeven adres aankloppen, doet een meisje van een jaar of vijftien open. Ik vraag of we binnen mogen komen, zeg dat ik een vriend van Macabeo ben. Het meisje schrikt zichtbaar bij het horen van die naam en roept haar moeder. Dan verschijnt een vrouw die de zus van Macabeo blijkt te zijn. Zij neemt ons mee naar binnen en daar treffen we doña Carmen en don Macabeo, de ouders van mijn vriend. Ze kijken ons met vreemde ogen aan. Ik voel afstand en achterdocht, wil veel zeggen en vragen, maar weet niet waar of hoe te beginnen.

Terwijl ik zoek naar woorden is doña Carmen me voor. Hoe ik haar zoon ken, vraagt ze me, en waar ik na al die jaren opeens vandaan kom. Ook de zus van Macabeo mengt zich in het gesprek en vraagt of wij soms met nieuwe informatie over haar broer komen. Dan vertel ik hoe ik Macabeo destijds heb leren kennen, over zijn bezoeken aan Santa Lucía, over zijn werk voor de boerenorganisatie. Uit de reacties merk ik dat de familie nauwelijks iets wist over de activiteiten van mijn vriend na zijn vertrek uit het seminarie. ‘Tegen ons zei hij dat hij nog altijd voor de kerk werkte’, zegt zijn moeder. ‘Maar hij kwam zo weinig thuis en eigenlijk heb ik nooit durven vragen waar dat werk dan precies in bestond. We maakten ons wel zorgen, vooral toen we hoorden dat padre Walter, de pastoor van Santa Lucía, was vermoord.’

Toen Macabeo zich in geen weken meer thuis had laten zien, waren zijn ouders ongerust geworden. Een jongere zus is daarop naar de hoofdstad gereisd, maar op het adres van haar broer had zij enkel een lege kamer aangetroffen. Buren wisten te vertellen dat Macabeo al in geen tijden was komen opdagen. Ze heeft toen de spullen van haar broer ingepakt en alles mee naar huis genomen. ‘Ik zie haar nog aankomen met dat koffertje’, zegt doña Carmen, ‘het was alsof mijn hart het toen acuut begaf. Ik liep naar de put bij ons huis, wilde er zó inspringen.’

‘Vanaf dat moment was ons huis een huis van rouw’, vertelt de zus van Macabeo. ‘Er mocht geen radio meer aan, er werd niet meer gelachen en iedereen praatte zachtjes. Het fotoalbum van de familie hebben we achter in een kast gestopt, omdat mijn moeder hele dagen naar de foto’s van mijn broer zat te staren. Werkelijk, sinds het verdwijnen van Macabeo is het leven hier stil blijven staan.’

Don Macabeo, op zijn vijfenzeventigste een rijzige man met heldere blik, heeft tot nu toe gezwegen. ‘Wat was het een verschrikkelijke tijd’, zegt hij plotseling. Maanden had hij gezocht naar het lichaam van zijn zoon. Telkens wanneer er verminkte lijken waren gevonden in ravijnen en rivieren of langs de kant van de weg was hij eropuit gegaan om te zien of zijn zoon erbij was. ‘De lichamen waren gruwelijk verminkt’, zegt hij. Op den duur had hij alleen nog maar naar de knieën van de slachtoffers gekeken; hij kende de littekens die na de operatie van zijn zoon waren achtergebleven en hoopte op die manier een teken te vinden. Maar al het zoeken was tevergeefs geweest en jaren gingen voorbij, jaren van onzekerheid en angst, jaren van taal noch teken.

Uren praten Dora en ik die middag met de ouders van mijn vriend. Dora vertelt het verhaal van haar eigen vermiste familieleden en de twee oude mensen hebben zichtbaar met haar te doen. Zelf zeg ik hoezeer ik Macabeo nog elke dag mis, wat voor goede vrienden we waren, dat hun zoon voor mij een echte held is die zijn leven gaf voor wat hem heilig was. Terwijl ik praat kijkt doña Carmen me doordringend aan. ‘En toch zit ik met een grote vraag’, zegt zij plotseling. Dan vertelt ze hoe ze destijds bij de spullen van Macabeo een spaarboekje hadden gevonden, met daarop een groot geldbedrag. ‘En dat begrijp ik nou niet’, zegt ze met een diepe zucht. ‘Mijn zoon heeft nooit een cent gehad. Wie weet met wat voor duistere zaken hij zich bezighield, want hoe komt zo’n jongen anders aan zoveel geld?’

Er gaat een schok door me heen. Ik besef dat een verdacht spaarboekje al die jaren een smet heeft geworpen op de herinnering aan een geliefde zoon. En dat ik zelf onbewust oorzaak ben geweest van pijnlijke twijfel die bleef knagen. Als ik in 1980 naar Nederland terugkeer, ontvang ik van de organisatie die mij heeft uitgezonden een geldbedrag. Dat hebben ze voor me gespaard tijdens de acht jaar dat ik in Guatemala verbleef. Omdat ik weet dat voor Macabeo een ingrijpende operatie aan zijn knieën bittere noodzaak is, stuur ik hem het spaargeld. ‘Zeer bedankt’, laat hij me kort daarop weten, ‘ik sta nu op een lijst om zo spoedig mogelijk te worden geopereerd. Het geld voor de operatie heb ik voorlopig op de bank gezet. Ik heb mijn moeder opgegeven als gemachtigde, maar ik heb er mijn ouders maar niets van verteld.’

Wanneer ik na al die jaren alsnog de herkomst van het geld op het spaarboekje verklaar, is het of een loden last van de schouders van doña Carmen en don Macabeo valt. De zus van Macabeo barst in tranen uit. ‘Hoe is het mogelijk’, snikt ze, ‘hoe hebben we ooit aan mijn broer kunnen twijfelen.’ En dan vernemen Dora en ik de rest van het verhaal. Ongeveer een jaar na de verdwijning van mijn vriend krijgt zijn vader een ernstig ongeluk. Maanden kan hij niet werken en het gezin maakt moeilijke tijden door. En steeds ligt, verborgen in een kast, het bankboekje van Macabeo dat uitkomst zou kunnen brengen. Als de situatie onhoudbaar wordt, overwint doña Carmen haar laatste schroom en stapt ze met het boekje naar de bank. Daar krijgt ze te horen dat zij enkel met een schriftelijke verklaring van haar zoon het geld kan opnemen.

Doña Carmen voelt zich betrapt en weer gaan maanden van nijpende armoede voorbij. En dan opeens is er een oplossing. Een schoolvriend van Macabeo die het tot advocaat heeft gebracht, weet dat in een ziekenhuis in de hoofdstad een onbekende jongeman is gestorven en dat zich niemand heeft gemeld om het dode lichaam op te halen. De advocaat gaat vervolgens naar het ziekenhuis en met de ouders van mijn vriend als getuigen wordt in een officiële akte vastgelegd dat het lichaam toebehoort aan Macabeo Aguilar. Met dat bewijsstuk gaat doña Carmen naar de bank en dan wordt zonder verdere problemen het bewuste bedrag alsnog uitbetaald.

Jaren later horen de ouders van Macabeo van het werk van de Waarheidscommissie, maar aan de oproep om informatie te verschaffen over verdwenen personen geven zij geen gehoor. Officieel is Macabeo Aguilar immers niet vermist en daarom heb ik tevergeefs de naam van mijn vriend gezocht in het boek van verdwenen personen. Door een vreemde speling van het lot werd zijn naam opgetekend in de registers van degenen die in Guatemala het voorrecht hadden een natuurlijke dood te sterven.

Het loopt tegen de avond als Dora en ik afscheid nemen van de ouders van Macabeo. Doña Carmen omhelst me en zegt: ‘Alsjeblieft, vergeet mijn zoon niet.’ Don Macabeo is even weg geweest en komt terug met een groot brood; dat krijg ik mee ‘voor onderweg’. Dora geeft hij een scheut van een bloemenstruik uit zijn tuin. ‘Plant die bij je huis, dan denk je nog eens aan ons’, zegt hij bij het afscheid.


Elk jaar, als de maïsoogst in Guatemala ten einde loopt, vindt aan de rand van de akkers een ritueel plaats. Met veel wierook en intense gebeden roepen Maya’s dan de geest op van alle verloren maïskorrels en gebroken kolven die op het veld zijn achtergebleven. Het ritueel mag niet ontbreken, want eerbied voor de meest onbeduidende korrel is van invloed op de groeikracht bij een volgende oogst.

‘Mensen van maïs’ worden de Maya’s genoemd. Vanaf het moment dat Macabeo Aguilar zijn indiaanse landgenoten leerde kennen op de plantages van de zuidkust ontstond er met hen een hechte band. Zijn werk voor het Comité voor Boereneenheid werd hem fataal. Als een verloren maïskorrel rust het lichaam van mijn vriend op de akker die Guatemala heet.

Macabeo is weg, maar hij wordt niet vergeten. Als na de oogst verloren korrels en gebroken kolven worden herdacht in de gebeden van de Maya’s, klinkt ook zijn naam. In het land van de mensen van maïs leeft hij voort op het ritme van de seizoenen.


© S T R E V E N