Februari 2006

Ignaas Devisch

‘Shoot to kill’

De normalisering van de nood-toestand in de hedendaagse politiek


‘Op de ochtend van 22 juli werd de 27-jarige Braziliaanse elektricien Jean-Charles de Menezes met acht kogels doodgeschoten in de Londense metro.’ Zo begint het gearchiveerde persbericht over een man die zonder zinnige motivering werd neergeknald door de politie. Zijn ‘schuld’ lag in het feit dat hij zich ‘verdacht’ gedroeg in spannende tijden. Het was voldoende om hem op een kogelregen te trakteren. Preventieve oorlogsvoering heet zoiets.

Dat dit brutale en schokkende feit niet eens veel protest heeft uitgelokt in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten, zegt veel over het huidige politieke klimaat. Dat de overheid een willekeurige burger kan doden zonder dat er strafbare feiten gepleegd zijn, is niet meteen iets wat je in een rechtsstaat verwacht aan te treffen. En toch lijkt het voorval slechts de voorbode van ‘het allerergste dat nog komen zal’, dixit Schopenhauer. Ik zal proberen enig licht te werpen op die in vele opzichten ‘uitzonderlijke’ situatie. Mijn analyse is vooral gericht op de politieke reactie op het terrorisme en niet zozeer op het terrorisme zelf.

Het begrip politiek

Om het gebeurde feit wat te kaderen is een kleine omweg nodig. Ik keer daarvoor terug naar een tekst die de Duitse rechtsfilosoof Carl Schmitt in 1932 publiceerde in zijn boek Der Begriff des Politischen (Het begrip politiek, Boom, Amsterdam, 2001). Deze tekst legt merkwaardig genoeg een vrij duidelijke parallel bloot met de politieke problematiek waarmee wij vandaag worstelen. Uit verschillende hoeken maakt men ons de laatste jaren duidelijk dat wij in één wereldgemeenschap zouden leven en dat de soevereine natiestaat aan belang heeft ingeboet. Van de ecologische zorg voor moeder aarde over de economische ‘challenge of globalization’ tot het wereldwijde informatienetwerk, de wereld in haar globaliteit is het focuspunt en niet langer de soevereine natie. Met het verdwijnen van de grote ideologische politieke tegenstellingen die de twintigste eeuw hebben gekenmerkt, zouden wij leven in een ‘postpolitieke’ wereld. De politieke vraagstukken zouden nog louter beheers- of verdeelkwesties geworden zijn en niet langer de inzet van een ideeënstrijd tussen politieke Waarheden.

Vriend en vijand

Als Schmitt ergens aan twijfelde, dan was het wel aan de gedachte dat wij kunnen spreken in naam van een mondiale orde en zomaar de nationale soevereiniteit achter ons laten. Van zijn hand is onder meer de volgende slogan bekend: ‘wie mensheid zegt, wil bedriegen’. Daarmee bedoelt hij: ook al pretendeert een staat oorlog te voeren in naam van de mensheid, dan nog eigent die staat zich dit universele begrip van de mensheid toe om het polemisch tegen een tegenstander, een vijand, aan te wenden. Anders gesteld: een zich globaliserende wereld blijft niet alleen refereren aan de politieke basistegenstelling vriend-vijand; bovendien wordt de ‘vijand’ er gecriminaliseerd, aldus Schmitt. Eens die soevereiniteit van geen tel meer wordt geacht, volstaat het met name niet langer de vijand binnen zijn eigen landsgrenzen terug te dringen. Men spoort hem op eigen terrein op om hem (moreel) te diskwalificeren. Hij wordt letterlijk een onmens, iemand die buiten de mondiale humane orde valt en geen rechten meer heeft. Of ook: hij wordt een ‘illegale strijder’, zoals de Amerikaanse regering de Taliban in Afghanistan omschrijft, iemand die in naam van de mensheid buiten de mondiale humane orde valt.

Humane oorlogsvoering

Schmitt trok in zijn tijd ten strijde tegen het liberale ideaal dat er een gedepolitiseerde orde tot stand zou komen waarbij de mensheid als geheel in vrede en veiligheid zou genieten van een systeem van mensenrechten, dit alles binnen het kader van een ‘gedeïdeologiseerde’ consumptiemaatschappij. Kortom, Schmitt fulmineerde toen tegen wat vandaag het heersende vertoog is: politiek in naam van een Waarheid leidt alleen maar tot geweld; wat telt is het aanbieden van gelijke kansen en rechten aan iedereen, en dit alles in de wereldwijd opengetrokken markt van welzijn en geluk.

Dat ideaal leidt volgens Schmitt merkwaardig genoeg tot een toestand van onmenselijkheid. In naam van de mensheid voert men dan een oorlog tegen de oorlog, waarbij zoals gezegd de tegenstander niet zomaar kan worden afgeweerd of teruggedrongen tot binnen de grenzen van zijn soevereine staat. De tegenstander moet worden vernietigd, kapotgemaakt, juist omdat het niet langer om een soevereine vijand gaat, maar om een vijand van de mensheid als zodanig. We weten tegenwoordig, zo schrijft Schmitt anno 1929 ter conclusie, dat ‘de verschrikkelijkste oorlog alleen in naam van de vrede, de verschrikkelijkste onderdrukking alleen in naam van de vrijheid en de verschrikkelijkste onmenselijkheid alleen in naam van de mensheid voltrokken worden’ (Schmitt, blz. 128). De gelijkenissen met onze tijd zijn meer dan opvallend. Laat ik die wat verder uitspitten.

Het veiligheidsparadigma

De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben borduurt de laatste jaren uitdrukkelijk voort op Schmitts inzichten, onder meer in zijn studie État d’exception (De uitzonderingstoestand). Wat Schmitt omschreef als de noodtoestand, lijkt vandaag de regel te zijn geworden, aldus Agamben. De periode waarin wij leven, wordt gekenmerkt door een permanente noodtoestand. Of exacter: de noodtoestand krijgt gestalte door een veralgemening van het veiligheidsparadigma. In naam van de strijd tegen een ‘premoderne’ politiek die nog op een goddelijke Waarheid gegrond zou zijn, plooit de ‘seculiere’ postpolitiek zich terug op het handhaven van de noodtoestand. Die toestand wordt gekenmerkt door het opschorten van de normale politieke orde.

Vanwaar die opschorting? Sinds 11 september 2001 wordt het politieke schouwtoneel vooral beheerst door de strijd tegen het mondiaal vertakte terrorisme. Sindsdien hebben wij te maken met een veralgemening van het ‘veiligheidsparadigma’ als nieuwe en stilaan genormaliseerde bestuurstechniek. De recente Atlantische politiek leeft volledig van de verspreiding en de cultivering van dit paradigma. De dreiging van het wereldwijde terrorisme zou ons met name plaatsen in een toestand waarin normale politiek niet langer mogelijk is.

De permanente noodtoestand

Die veralgemening van de noodtoestand vraagt niet alleen om uitzonderlijke maatregelen, ze rechtvaardigt ze ook. Als terroristen bestempelde strijders mag men van daaruit gerust ‘illegal combatants’ noemen en ze veroordelen tot ‘infinite detention’; men mag onschuldigen die zich in de openbare ruimte ‘verdacht’ gedragen, manu militari ombrengen. Uitzonderlijke toestanden vragen nu eenmaal om uitzonderlijke maatregelen, zo redeneren bij uitstek de regeringen-Bush en -Blair.

Het huidige politieke probleem, zo stelt Agamben in État d’exception, is niet alleen die situatie op zich. De noodtoestand is in principe bedoeld als tijdelijk fenomeen, terwijl het nu een permanent karakter lijkt te verwerven en de regel is geworden. Omdat het ons bovendien ontbreekt aan een omvattend theoretisch kader om de analyse ervan te maken, zijn de consequenties en de risico’s van het veiligheidsparadigma voorlopig nog vrij onduidelijk. Zoals Salman Rushdie onlangs liet optekenen: het zijn alarmerende tijden.

Gespannen zenuwen

De noodtoestand afkondigen staat en stond voor Bush – maar ook voor Blair – gelijk met de oorlog tegen het terrorisme. Dat rechtvaardigt volgens hen en hun regeringen de toepassing van allerlei uitzonderingsmaatregelen in alle stadia die het juridisch apparaat rijk is, van de opsluiting en de daaraan gekoppelde folterpraktijken over het proces tot aan het verdict. Constitutionele mechanismen die de democratie op vele plaatsen heeft ingebouwd ter bescherming van de privacy of ter vrijwaring van de individuele rechten, worden zonder verpinken opgeschort en terzijde geschoven. Terwijl een normale juridische orde zich bezighoudt met delicten, zeg maar strafbare feiten, volstaat het in de permanente noodtoestand dat iemand eventueel een strafbaar feit zou kúnnen plegen, om hem op te pakken en maandenlang op te sluiten zonder enig contact met de buitenwereld. Bush is er bijvoorbeeld in geslaagd, met het begrip ‘illegal combatants’ het juridische statuut van een individu radicaal weg te vegen – ze zijn niet langer een rechtssubject – en nieuwe entiteiten te construeren die buiten het recht opereren. Veiligheid gaat boven alles: boven de individuele vrijheid, boven de privacy, boven de rechtsstaat.

Dit politieke kader van de permanente noodsituatie en niets anders heeft de moord op de Braziliaanse elektricien mogelijk gemaakt, naast de begrijpelijkerwijze gespannen zenuwen van de ordediensten. Maar zenuwen alleen verklaren natuurlijk nog geen acht kogels in het lijf van een onschuldige. Wel de politieke richtlijn ‘Shoot to kill’ en het achterliggende ideologische kader.

Politieke toekomst

Wat impliceert dit soort van politiek nu voor de nabije toekomst? Juist het feit dat men oorlog voert vanuit een ‘humaan’ paradigma maar met dezelfde soevereine middelen als voorheen (zie Schmitts analyse hierboven), zorgt voor een explosieve situatie. Die bezorgdheid wil ook Agamben duidelijk aan ons overbrengen. Natuurlijk is terrorisme gruwelijk en moet het intens worden bestreden. Dat staat buiten kijf, en ik denk niet dat een consensus daarover moeilijk te vinden is. De vraag luidt veeleer, hoe en met welke middelen men het terrorisme het best bekampt. Ook daarover lijkt stilaan een consensus tot stand te zijn gekomen, al is de vraag of die consensus niet vooral pijnlijk blootlegt hoe onmachtig we tegenover dit fenomeen staan vanuit het veiligheidsparadigma. Dat paradigma heeft vandaag de absolute bovenhand, maar het raakt stilaan verstrikt in de paradoxen die het zelf heeft gecreëerd. Ik duid hier alleen de voornaamste ervan aan.

Identificatieplicht

Een uiterst relevante kwestie is in dit geval de opgevoerde controle en de eis tot absolute identificatie van alle individuen in de openbare ruimte. Om het wat cryptisch uit te drukken: wie (op camerabeelden) stante pede te identificeren valt is een veilig sujet, en omgekeerd, wie niet onmiddellijk identificeerbaar is, verdacht. Dit uitgangspunt ligt aan de basis van de schier eindeloze uitbreiding van wat verdacht gedrag of een verdacht uiterlijk inhoudt. Van een man die snel loopt om zijn metro te halen, over iemand met een lange baard en zonnebril tot een gesluierde vrouw, allen schieten zij tekort bij de eis tot onmiddellijke identificatie en transparantie.

Hoe hoger men hiervoor de lat legt, hoe moeilijker het wordt er in gewone omstandigheden aan te voldoen. En hoeft het gezegd dat de laatste jaren die eis almaar verstrengd is? Op die manier, zo redeneert men consequent verder binnen deze logica, moet men wel overgaan tot een ‘militarisering van de openbare ruimte’. Daarmee bedoelt men: een volstrekt militair geïnspireerde inrichting van het openbare leven: de bewaking van ongeveer alles en toezicht op zowat iedereen.

Partners in geweld

Wie de strijd tegen het terrorisme wil voeren vanuit het veiligheidsparadigma, verklaart daardoor vooral zichzelf de oorlog, een oorlog die hij principieel nooit kan winnen. Waarom niet? Wanneer alles en iedereen altijd verdacht is, kun je nooit, maar dan ook nooit meer zeker zijn dat het ergens ooit nog veilig toeven is. Laat dit nu net de ultieme doelstelling van het fenomeen terrorisme zijn. De oorlog is juist altijd en overal aanwezig omdat potentieel de vijand overal achter schuilt.

De oorlog tegen het terrorisme wordt zo opmerkelijk genoeg de grootste partner van het terrorisme. Samen cultiveren ze de angst om nog te leven. Beide creëren ze willekeurig geweld en doden ze onschuldige slachtoffers. Samen maken ze de wereld onveilig. Het terrorisme doet dat door een alomtegenwoordige dreiging en helaas ook door gruwelijke daden; de oorlog ertegen door ons wijs te maken dat alles altijd onveilig is en dat elke veiligheidsmaatregel en dito actie, hoe excessief ook, daardoor a priori gerechtvaardigd is.

Natuurlijk is die oorlog tot mislukken gedoemd en genereert ze de kwaal die ze pretendeert te bestrijden. Hoe kun je er immers ooit zeker van zijn dat de wereld veilig is? De wereld kan en zal dat nooit zijn, ze is dat ook nooit geweest. Waarom niet? Omdat ze onmogelijk uitputtend te bewaken valt. Er bestaat geen totaal overzicht over de wereld.

Overzichtelijk

Het is een dwangneurotische en politieke waanidee dat de wereld in absolute zin overzichtelijk moet zijn om er veilig in te kunnen leven. Het doet denken aan De parabel van het paleis die Jorge Luis Borges ooit schreef over een keizer die een dichter laat onthoofden omdat die in één gedicht zijn paleis volledig en tot in detail beschreef. De keizer was woest en riep: ‘Je hebt me mijn paleis ontrukt’. Daarmee wou Borges, zoals hij zelf schreef, de lezer duidelijk maken dat in de wereld geen twee dingen exact hetzelfde kunnen zijn.

Wat het veiligheidsparadigma eigenlijk nastreeft, is net dat: onze kijk en controle op de wereld moet zo groot zijn dat ze de hele wereld omvat. Wat men niet doorheeft, is dat daardoor, eerder dan ooit bij dat eindpunt aan te komen, een bijkomende werkelijkheid gecreëerd wordt die (het zicht op) de eerste wereld kapot maakt.

Het vrije Westen

De kernvraag, een vraag die een opinietekst als deze in verregaande mate overstijgt, luidt of het veiligheidsparadigma alleenzaligmakend is om het terrorisme te bestrijden en het Westen (én het Oosten én het Zuiden) vrij en democratisch te houden. Uiteraard moet je luchthavens beveiligen, mensen beschermen en ordetroepen opleiden en inzetten waar nodig. Dat moet je sowieso doen, met of zonder terrorisme. Dat spreekt voor zich. Maar je kunt dat ook doen zonder Guantanamo Bay, zonder Irak op imperialistische wijze binnen te vallen, zonder mensen te vermoorden nog voor ze ook maar strafbare feiten kunnen plegen, zonder tegelijk je eigen religie te cultiveren en de andere te degraderen tot achterlijk, zonder de wereld economisch op te delen in superrijke magnaten enerzijds en hongerig zwetend voetvolk anderzijds, en ga zo maar door. Er zijn genoeg politieke, economische en juridische kaders voorhanden die de afkondiging van de permanente noodtoestand totaal overbodig maken en toch afdoende kunnen zijn in de bestrijding van dit vreselijke geweld. En noodwetten blijven steeds mogelijk, zonder dat ze daarvoor de hele juridische orde buitenspel hoeven te zetten.

‘It’s the economy, stupid’

In de strijd tegen het terrorisme doet men opvallend lauwtjes over het mogelijke droogleggen van de internationale geldstromen die voorzien in de financiering ervan en over de scheefgetrokken geopolitieke verhoudingen die terrorisme mede mogelijk maken. Waarom wordt daarover geen noodtoestand afgekondigd? Vanwaar die opmerkelijke verwaarlozing van een van de cruciale mogelijkheidsvoorwaarden tot terrorisme? Zo komen we opnieuw bij Carl Schmitt terecht: het gevaar van een zogenaamde postpolitieke wereld waarin politieke vraagstukken louter humane beheerskwesties geworden zouden zijn, is dat men doet alsof er geen politieke ideologie meer werkzaam is. Alsof de wijze waarop men maatschappelijke en economische kwesties beheert, geen politieke keuze zou impliceren (en dus, volgens Schmitt, nog steeds vijanden zou genereren). Het beheren van de (economische) wereld is misschien nog nooit zo politiek geweest als vandaag. Je kunt trouwens niet én beweren dat je het terrorisme bestrijdt én het regime in Saudi-Arabië ondersteunen terwijl je Irak en Afghanistan binnenvalt. Dat is niet alleen aan ideologisch geïnspireerde politiek of politieke economie doen, het is vooral aan contraproductieve en gevaarlijke machtspolitiek doen.

Slotbeschouwing

De wereld na 11 september is dus wel degelijk veranderd. Niet alleen door de feiten op zich, maar ook en misschien vooral door de politieke reactie erop. Eerder dan te strijden voor een vrije democratie, zijn we terechtgekomen in een strijd tegen onszelf en misschien ook, op middellange termijn, ten koste van onszelf en ons democratisch raamwerk.

Natuurlijk zijn terroristen, die overigens nooit zomaar ‘moslimterroristen’ zijn zoals Karen Armstrong onlangs terecht opmerkte, geen onschuldige slachtoffers van politieke of economische verhoudingen. Natuurlijk zijn hun daden onnoemelijk laf en onvergeeflijk en door geen enkele omstandigheid goed te keuren. Natuurlijk moeten wij het mogelijke gevaar bestrijden. En uiteraard is elke inbreuk op de vrije meningsuiting een schande. De vogelvrijverklaring van Salman Rushdie is nog steeds dé schandvlek van het einde van de twintigste eeuw. We kunnen dat niet genoeg herhalen en we moeten blijvend strijden voor de vrije meningsuiting en de fantastische vrijplaats die de literatuur is. Maar indien die strijd gaat ten koste van datgene wat ze denkt te beschermen, zijn we slechter af dan voorheen.


Gebruikte literatuur

G. Agamben, État d’exception, Seuil, Parijs, 2003 (oorspr. titel: Stato di eccezione).

J.L. Borges, De parabel van het paleis, in Werken in vier delen, De Bezige Bij, Amsterdam, 1998, blz. 486-488.

C. Schmitt, Het begrip politiek, Boom/Parrèsia, Amsterdam, 2001.

Voor de tekst van Karen Armstrong, zie De Standaard der Letteren van 14 juli 2005 en voor de brontekst: www.guardian.co.uk/comment/story/0,,1525714,00.html.


© S T R E V E N