Mei 2006

Robert Stallaerts

Tussen Balkan en Europese Unie

Slovenië vijftien jaar onafhankelijk


Onbekend maakt onbemind

Tot voor kort was Slovenië ook voor slavisten het minst bekende deel van het vroegere Joegoslavië. Ik herinner me dat toen men mij na mijn universiteitsstudies een beurs aanbood, ik absoluut in de vroegere hoofdstad Belgrado wilde verblijven. De Joegoslaven zelf nochtans wilden beursstudenten uit een hoog ontwikkeld land als België naar Slovenië dirigeren. Maar ik weigerde omdat de hoofdstad Belgrado me hét culturele centrum van Joegoslavië leek en omdat ik in België een basiskennis van het Servo-Kroatisch had verworven. Een zware vergissing. Later moest ik constateren dat het Economische Instituut van Ljubljana onder leiding van de professoren Aleksander Bajt en Jože Mencinger veel meer geavanceerde econometrische studies deed dan zelfs het federale Economische Instituut van Belgrado, nochtans geleid door de voor de Nobelprijs getipte Branko Horvat. Uiteraard is de eigen taal en het geringe aantal inwoners van Slovenië voor de buitenwereld een hinderpaal om het land te leren kennen. Maar ik moest ervaren dat de op het eerste gezicht wat stugge Slovenen een veel grotere openheid vertoonden dan de andere deelvolkeren van ex-Joegoslavië, misschien samen met de Macedoniërs en in iets mindere mate met de Bosniërs. Slovenië was de meest ontwikkelde republiek van het vroegere Joegoslavië (al willen studies van andere deelgebieden dit wel eens tegenspreken). Het behoorde tevoren dan ook tot het Habsburgse rijk, waarin het dan weer een van de minst ontwikkelde gebieden was.

Taal en cultuur

Zoals gezegd hadden de Slovenen een eigen taal, die echter door de vele bergen in veel dialecten gedifferentieerd was. Die taal werd in de negentiende eeuw gecodificeerd tot een algemeen Sloveens, te vergelijken met onze latere codificatie van het algemeen Nederlands. De Slovenen gaan er prat op dat ze door de eeuwen heen hun eigenheid via de taal konden behouden, want van een eigen staat was er nauwelijks sprake tot het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1991. Slovenië was in ex-Joegoslavië wel een van de zes republieken en historici wijzen erop dat er in de Middeleeuwen zoiets als een ‘Carinthanië’ moet hebben bestaan, een wat schimmig rijkje waarvan de toenmalige grenzen trouwens niet helemaal samenvallen met die van het huidige Slovenië. Ook was er al vroeg sprake van een Sloveense variant van het Oudslavisch.

De onafhankelijkheid werd veroverd in een dertiendaagse oorlog (25 juni tot 7 juli 1991): Slovenië werd vrij snel los gelaten door het centrale gezag in Belgrado omdat er, in tegenstelling tot Kroatië en Bosnië, geen grote Servische minderheidsgroep leefde. De onafhankelijksbeweging werd wel goed voorbereid door intelligente sociale en culturele acties. Trouwens, nog in het Tito-tijdperk was het culturele weerwerk van de Slovenen vrij hoog, en dat werd min of meer gedoogd zolang het zich niet in onmiddellijke politieke actie vertaalde. Zo werd de radicale dichter Tomaž Šalamun in de jaren zestig wel voor tien dagen opgepakt en in de gevangenis gestopt, maar toch kon hij na zijn vrijlating weer tamelijk snel een aantal openbare culturele functies opnemen. De onmiddellijke voorbereiding van de afscheuring van het toenmalige Joegoslavië werd in de hand gewerkt door de redactie van het jongerenblad Mladina. En zo zijn er nog enkele culturele tijdschriften die een belangrijke rol in deze ontwikkelingen hebben gespeeld, onder andere Nova Revija.

De culturele eigenheid via de Sloveense taal werd altijd sterk benadrukt. Ook vandaag is er een levendig cultureel leven dat verbazend goed wordt gesubsidieerd door de overheid. Ook is er een actief vertaalbeleid, waaraan zelfs onze instanties misschien nog een voorbeeld kunnen nemen. Ik noem hier slechts de tijdschriften Sodobnost, Nova Revija en Mladina. De dichter Tomaž Šalamun wordt meer en meer als een kandidaat voor de Nobelprijs gezien. Zijn kansen zijn groter omdat hij ook in het Engels schrijft en doceerde aan Amerikaanse universiteiten en hogescholen. Een andere belangrijke hedendaagse dichter is Boris A. Novak, tevens literatuurtheoreticus. Maar er zijn er nog vele anderen, onder meer Milan Dekleva, Iztok Osojnik, Milan Vincetic, Brane Mozetic, Uroš Zupan en Aleš Šteger. De dichteres Maja Vidmar verrast door haar gevoelige vrouwelijke schriftuur. De meest intellectuele dichter is waarschijnlijk Aleš Debeljak, die ook in de Verenigde Staten doceert. En er is het internationaal bekende poëziefestival in het landelijke dorpje Vilenica.

De meest interessante, ironische schrijver van romans en kortverhalen is Evald Flisar, die de halve wereld bereisde en van wie ook al enkele werken in het Engels werden vertaald. Van de nieuwe generatie verhalenschrijvers hebben Maja Novak, Vinko Möderndorfer, Andrej Blatnik en Jani Virk opmerkelijk werk afgeleverd. De Slovenen vormen overigens een belangrijke minderheidsgroep in de Verenigde Staten (deels nakomelingen van de Slovenen die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog het toen nog erg repressieve Tito-regime ontvluchtten), die evenzeer belangwekkende culturele activiteiten organiseert. Richard Jackson is een eminent vertegenwoordiger van deze groep. Voor zijn poëzie en kritieken ontving hij meerdere prijzen en hij was ook laureaat van een Fulbright-beurs in een uitwisselingsproject met Joegoslavië.

Maar ook in het verleden had Slovenië veel interessante culturele verwezenlijkingen, noemen we enkel maar de Oudslavische Brižinski of Freisinger Manuscripten. In dit Latijnse handschrift, de Monumenta Frisengensia, werden een aantal gebeden aangetroffen in de Sloveense volkstaal van de tiende of elfde eeuw. Hiermee werd aangetoond dat de Sloveense variant al heel vroeg een eigen plaats had ingenomen in de ontwikkeling van het Oudslavisch. Vijfhonderd jaar later zou Slovenië diepgaand getekend worden door de Reformatie. Primož Trubar gaf het eerste Sloveense boek uit en in 1586 verscheen de eerste bijbelvertaling. Interessante culturele stromingen op het einde van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw als expressionisme, dadaïsme en surrealisme kregen ook hun uitdrukking in het Sloveens. Het is niet nodig hier nu verder op in te gaan omdat Raymond Detrez dit vorig jaar in het juninummer van Streven uitgebreid behandelde. Ook filosofen en voorlopers van sociologen waren zeer actief. Vroeger, in de Habsburgse tijd, waren de Slovenen met Wenen verbonden en heel wat wetenschappelijke bijdragen van blijvende waarde die aan de universiteit van Wenen gerealiseerd werden, staan er op hun naam. Één ervan is de linguïst Jernej Kopiter (1780-1844), die het bracht tot bibliothecaris van de Keizerlijke Bibliotheek in Wenen.

De nieuwe regering en de ‘ruk naar rechts’

De politieke evolutie na de onafhankelijkheid verliep in grote trekken als volgt. De communisten vormden zich om tot sociaal-democraten en de belangrijkste andere partijen, die ook afwisselend in coalities regeringsverantwoordelijkheid opnamen, waren liberalen, christen-democraten, conservatieven en een boerenpartij. De grootste uitdaging komt wellicht van de groeiende aanhang van de nationalistische volksbeweging. Zij is de enige die een verdere toenadering tot de Europese Unie via een eng Sloveens nationalisme in gevaar had kunnen brengen. Maar Slovenië lijkt op dit moment al stevig in de Europese Unie geïntegreerd, of is dit maar schijn?

Bij de verkiezingen van 3 oktober 2004 slaagde een rechtse coalitie onder leiding van de Democratische Partij van Slovenië (SDS) erin het centrum-linkse blok van de macht te verdrijven en tekende de nieuwe premier Janež Janša een ander beleid uit. Een troef voor de nieuwe premier is dat hij de handen vrij heeft, nu Slovenië al sinds 1 mei 2004 deel uitmaakt van de Europese Unie en van de NAVO, wat ook bij referendum door de Sloveense bevolking werd goedgekeurd. De regering-Janša zette in met enkele lovenswaardige maatregelen om de rechtszekerheid te verstevigen en de parlementaire onschendbaarheid te beperken in de strijd tegen corruptie, onrecht en verworven posities. Enkele directeurs van overheidsinstellingen moesten aftreden, gedeeltelijk onder politieke druk. Voorts pakte Janša de media aan, onder andere met een wetsvoorstel om de invloed van de regering op de staatstelevisie te versterken. De oppositie sloeg alarm, dwong een referendum af, maar beet in het zand. De rechterzijde triomfeerde openlijk.

De regering nam vervolgens ook de controle in handen van de benoemingen bij het Parket van de Staat en de hoge magistratuur. Het door de vorige regering voorzichtig in de steigers gezette wetsvoorstel over het homohuwelijk werd sterk geamendeerd. Meer dan symbolisch is het feit dat de subsidies aan de alternatieve rockgroep Laibach werden opgeschort: zij leidden het jeugdverzet tegen het communistische regime in de jaren tachtig. Ten slotte werden ook de rechten van de Italiaanse minderheid op het gebruik van de eigen taal in sommige openbare instellingen sterk ingeperkt. Dit alles wijst op toenemende en openlijke autoritaire neigingen. Wellicht wordt het tijd, en de Europese Unie heeft het blijkbaar al begrepen, dat aangedrongen wordt op enige bijsturing. Het gaat hier niet langer om een of andere politieke koers, maar om de eerbiediging van elementaire mensen- en minderhedenrechten. Met de nieuwe regering kreeg overigens ook het conservatieve deel van de katholieke kerk weer de wind in de zeilen, hierbij sterk gesteund door het Vaticaan. De kerkelijke overheid, in het bijzonder aartsbisschop Rode, eiste al in 1997 het invoeren van verplichte godsdienstlessen in alle openbare scholen. De staat subsidieert nu al wel het katholieke privé-onderwijs, waar godsdienstonderricht uiteraard thuishoort.

Economische veranderingen en sociale spanning

Het verhaal van de privatiseringen is een wat ingewikkeld verhaal, dat al begon toen Slovenië nog deel uitmaakte van Joegoslavië. De eerste regelingen waren vaag en werden nauwelijks toegepast. De econoom Ivan Ribnikar stelde vooral dat de rol van de staat in het economisch leven beperkt moest worden. De eerste regering in het onafhankelijke Slovenië onder leiding van de DEMOS-coalitie vertrouwde het privatiseringsbeleid toe aan de befaamde econoom Jože Mencinger (nu rector van de Universiteit van Ljubljana). Zijn wetsvoorstel hield als voornaamste kenmerk in dat er aandelen van ondernemingen gekocht konden worden; op die manier wilde hij vooral de continuïteit van het economische leven verzekeren. Eerste minister Lojze Peterle nodigde echter, nog tijdens de goedkeuringsprocedure, de eveneens befaamde – om niet te zeggen beruchte – Amerikaanse econoom Jeffrey Sachs uit. Hij was voorstander van de uitgifte van aandelen, die aan particulieren en fondsen toegekend konden worden. Uiteindelijk kwam er een hybride oplossing uit de bus. Slovenië werd in de periode 1994-1999 een staat met bijna twee miljoen aandeelhouders. Toen particulieren hun aandelen massaal van de hand begonnen te doen, trad er een concentratie van rijkdom op die in de eerste plaats ten goede kwam aan enkele grote aandeelhouders. Vooral directeurs en managers maakten heel wat winst. Hierdoor kwam het tot een sterkere sociale differentiatie en een grotere economische ongelijkheid dan ooit gezien was in het Slovenië van na de Tweede Wereldoorlog. Erger was dat deze ingrepen, die zo sterk door het IMF en het Westen geprezen werden, evenmin de verwachte grotere economische efficiëntie opleverden. Hoewel de Sloveense economie vrij goed bleef presteren, zeker in vergelijking met veel andere ex-communistische landen, waren de frustraties van de bevolking toch hoog, nu de elite de lakens naar zich toe had gehaald.

De toenemende ongelijkheid leidde tot sociale spanningen, al kwam het in de eerste tien jaar na de onafhankelijkheid slechts tweemaal tot een algemene staking. Het sociaal overleg blijft niettemin functioneren. Het loonpeil is in vergelijking met de andere ex-communistische landen vrij redelijk, ook al vergrootte de kloof tussen de hoogste en laagste inkomens. Omdat ook de werkloosheid op een laag peil bleef, moet het eigenlijke probleem wel gesitueerd worden bij specifieke kwetsbare bevolkingsgroepen als immigranten, gepensioneerden en andere niet-werkenden, die geconfronteerd worden met de stijgende prijzen van consumptiegoederen. Zeker zij die de Sloveense nationaliteit niet verkregen, en dus niet legaal tewerkgesteld kunnen worden, vormen een steeds groter wordende groep van armen.

De behandeling van de minderheden: een heikele kwestie

Ook Slovenië ontsnapte bij het uiteenvallen van Joegoslavië niet aan een nationalistische reflex. Het nieuwe land zette zich af tegen het federale Joegoslavië en introduceerde een nieuwe grondwet, die Slovenië in de eerste plaats tot staat van de Slovenen in de etnische zin maakte. In februari 1992 werden 18.305 personen uit de permanente verblijfsregisters geschrapt omdat ze de Sloveense nationaliteit niet hadden aangevraagd of verkregen. De meeste dossiers zijn zeer pijnlijk. In één geval bijvoorbeeld gaat het over een kind van een Sloveense moeder die in een grensstreek in Kroatië ging bevallen omdat het plaatselijke ziekenhuis op dat ogenblik niet functioneerde. Zo kreeg het kind de Sloveense nationaliteit niet en zit het nu in de problemen. Wel moet gezegd worden dat onder druk van een deel van de publieke opinie een groot aantal dossiers later werd geregulariseerd.

Minderheden werden formeel ook wel heel wat rechten toegekend. In de grondwet staat zelfs dat de Italiaanse en Hongaarse minderheden als ‘autochtonen’ beschouwd moeten worden. En het Constitutionele Hof veroordeelde het schrappen van bewoners van Slovenië uit het bevolkingsregister. Maar de soms mooie bewoordingen werden door het beleid niettemin in vrij grote mate willekeurig ingevuld. Vooral de financiering van de instellingen van de minderheden kwam meer en meer op de helling. En ook de publieke opinie kent nog altijd sterke nationalistische reflexen, daarbij vooral aangepord door één grote nationalistische partij. Die versterkt echter ook de nationalistische reflex in de andere partijen. Er werd rond de kwestie van de minderheden een referendum uitgelokt – een courante praktijk in Slovenië – door de toenmalige oppositiepartijen onder leiding van Janež Janša. De regeringspartijen besloten tot een boycot, en de deelname aan het referendum viel terug tot dertig procent, maar van deze dertig procent stemde wel vijfennegentig procent tegen een wetsontwerp dat de rechten van de ontheemden moest herstellen.

Ook op het einde van de legislatuur van de vorige regering van Anton Rop was het goed raak. De gematigde en weinig tot politieke spelletjes geneigde politicus Roberto Batelli (van Italiaanse afkomst) legde zijn mandaat van voorzitter van de Parlementaire Commissie voor de Minderheden neer. Dit na zware en onterechte aantijgingen en vooral het blokkeren van de financiering van het budget op een niveau van vier jaar eerder, dus zonder rekening te houden met de inflatie. Daardoor kwam volgens de politicus de goede werking van het vreemdelingenbeleid in gevaar. Het gaat hierbij vooral om de grote groep Italianen die in de grensstreek bij Triëst en op het schiereiland Istrië soms meer dan de helft van de bevolking uitmaken. Ook een andere belangrijke minderheid, die van de Hongaren, wordt nog tot op zekere hoogte ernstig genomen en als eventuele gesprekspartner gedoogd. Van de minderheden uit de andere delen van ex-Joegoslavië moet de Sloveen niets weten, zeker niet van de zigeuners, die nog steeds gediscrimineerd worden. Het is jammer dat de politiek inspeelt op deze negatieve gevoelens bij de bevolking.

Anderzijds kunnen gasten van Slovenië met bepaalde verdiensten voor de republiek aanspraak maken op de Sloveense nationaliteit. Bij de ongeveer vijfduizend begunstigden sinds de onafhankelijkheid in 1991 waren vooral sportmensen. Schrijvers en vertalers lijken op dit moment in de perceptie van de overheid toch niet meer zo sterk bij te dragen aan het imago van Slovenië als dit eens het geval was. De Macedonische Lidija Dimkovska en de Franse Andrée Lück-Gaye bijvoorbeeld, twee zeer verdienstelijke vertalers uit het Sloveens, kregen nog geen groen licht.

Demografische problemen en de immigratieproblematiek

Bij de laatste volkstelling in 2002 telde Slovenië bijna twee miljoen inwoners, 2,4 percent meer dan tien jaar eerder. Deze groei is echter geheel te danken aan immigratie. De lokale bevolking veroudert en net als in de andere West-Europese landen maken de Slovenen zich zorgen over de financiering van de sociale zekerheid en de pensioenen. Daarom gaan er stemmen op om de immigratie te bevorderen, al is men daarin zeer selectief en wordt er vooral gehengeld naar geschoolde Tsjechen, Slovaken, Russen en Oekraïners. De inwoners van de landen van ex-Joegoslavië blijven nog altijd weinig welkom. Nu Slovenië sinds 1 mei 2004 lid is van de Europese Unie, zit het ook opgescheept met een Europese buitengrens van 670 km en heeft het veel last van illegale immigratie. In 2004 werden al bijna zesduizend personen gearresteerd. Men kan aannemen dat ongeveer hetzelfde aantal door de mazen van het net glipte. Met de hulp van de Europese Unie werd er dan ook zwaar geïnvesteerd in materieel en personeel voor de bescherming van de buitengrenzen. Paradoxaal genoeg wordt Slovenië zo nog sterker van de andere landen van ex-Joegoslavië geïsoleerd, al zijn er pragmatische regelingen uitgewerkt voor een deel van de grens met Kroatië.

De buitenlandse politiek

In het buitenlandse beleid lijkt er een neiging te bestaan, binnen de nogal vage lijnen van de internationale politiek van de Europese Unie, toch dichter aan te leunen bij de Verenigde Staten. Openlijke steun aan de oorlog in Irak zit er wel niet in, maar de opeenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken zouden wellicht weinig bezwaar maken tegen het etiket ‘Amerikanofiel’. Ondertussen blijven de relaties met Kroatië vrij gespannen. Naast de discussie over de spaargelden die de Bank van Ljubljana al bij de afscheiding ‘annexeerde’, en de twist over de financiële bijdrage aan en leveringen van de nucleaire centrale Krško, blijven grensconflicten de gemoederen verhitten. Juist vóór de laatste Sloveense parlementsverkiezingen staken aanhangers van een Sloveense nationalistische partij de ‘grens’ over en werden in betwist gebied brutaal gearresteerd door de Kroatische politie. ‘Toevallig’ was er ook een filmploeg bij. Maar het achterliggende probleem in verband met het gebied van de Baai van Piran is het feit dat het Slovenië een toegang moet geven tot de internationale wateren. Onlangs goten de Slovenen olie op het vuur, door het gebied uit te roepen tot ecologisch beschermde zone, die alleen door hen beheerd kan worden. Wellicht kan op langere termijn alleen internationale arbitrage een definitieve oplossing brengen, al vrezen de beide partners dat zelfs die niet gerespecteerd zal worden. Ligt Slovenië dan toch nog in de Balkan?


Bibliografie

Antonio Bernard, La Slovénie et l’Europe. Contributions à la connaissance de la Slovénie actuelle, L’Harmattan, Parijs, 2005.

Antonio Bernard, Petite histoire de la Slovénie, Institut D’Études Slaves, 1996.

Georges Castellan en Aude Bernard, Slovénie, Presses Universitaires de France, 1996.

Contemporary Slovenian drama, Slovene Writers Association, Ljubljana, 1997.

Contemporary Slovenian short stories, Slovene Writers Association, Ljubljana, Litterae Slovenicae, 1991, nr. 1.

Raymond Detrez, ‘De barbaren van de Karst. Triëst en de Sloveense avant-garde in de jaren twintig’, Streven, juni 2005, blz. 561-572.

‘Een oorlog voorbij. Hedendaagse Zuid-Slavische literatuur’, Kreatief, 2001, nr. 3-4 (themanummer).

Richard Jackson, Alive All Day, Cleveland State University Poetry Center, Cleveland, 1992.

Evald Flisar, ‘Het einde van de geschiedenis’, in ‘Vijf verhalen uit het literaire tijdschrift Sodobnost’, Kreatief, 2003, nr. 2, blz. 35-47.

Evald Flisar, My father’s dreams, Norman, Texture Press, Oklahoma, 2002.

Evald Flisar, Tales of wandering, Norman, Texture Press, Oklahoma, 2001.

http://www.uvi.gov.si/eng/ (officiële Sloveense regeringssite op het internet).

Key: Slovenia. Contemporary Slovenian humanities in translation, Studentska Založba, Ljubljana, 2002.

Key: Slovenia. Contemporary Slovenian literature in translation, Studentska Založba, Ljubljana, 2002.

La poésie slovène contemporaine, Slovene Writers Association, Ljubljana, Litterae Slovenicae, 1994, nr. 1.

‘Poëzie uit ex-Joegoslavië’, Kreatief, 1997, nr. 3-4 (themanummer).

Janko Prunk en Wayne Tuttle, A brief history of Slovenia historical background of the republic of Slovenia, Založba grad, Ljubljana, 1996.

Tomaž Šalamun, Alleen in jou heb ik gegorgeld van geluk (= Cahiers van De Lantaarn, nr. 62), Plantage, Leiden, 1995.

Tomaž Šalamun, A ballad for Metka Krašovec, Twisted Spoon Press, Praag, 2001.

Tomaž Šalamun, Feast poems, Harcourt, New York, 2000.

Tomaž Šalamun, Livre pour mon frère, MEET, Saint-Nazaire, 1998.

Tomaž Šalamun, The four questions of melancholy, White Pine Press, Fredonia, New York, 1997.

‘Slovenia’, Kreatief, 1989, nr. 2-3 (themanummer verzorgd door Raymond Detrez).

‘Slovenië op zoek naar een identiteit. 5 verhalen uit Slovenië’, Kreatief, 2003, nr. 2, blz. 4-69.

Robert Stallaerts, Afscheid van Joegoslavië, Garant, Leuven, 1992.

Veno Taufer, De waterlingen (vert. Raymond Detrez), Europees Poëziecentrum ‘De zevenslapers’, Leuven, 1995.

The case of Slovenia, Delo, Ljubljana, 1992.

‘Tien dichters uit Slovenië’, Kreatief, 2004, nr. 3, blz. 2-38.

Vilenica 203. International Literary Gathering, Društvo slovenskih pisateljev, Ljubljana, 2003.

www.uvi.si/10years/path (over de onafhankelijkheid).


© S T R E V E N