Maart 2007

Johan de Wit

De Hezbollah tussen Iran en Libanon: een ambigue relatie


Er is een nieuwe ster opgegaan in het Nabije Oosten. Bezorgd vraagt het Westen zich af of dat veel goeds voorspelt voor dit getourmenteerde gebied. Er gaat geen dag voorbij of ergens, zowel in Libanon zelf als daarbuiten, komt de Hezbollah wel ter sprake. Het gaat dan om militaire en politieke aspecten van deze radicale beweging. Moet zij de wapens inleveren of kan zij die bewaren tot het einde van het conflict met Israël? In welke mate is er een band tussen de Hezbollah en het regime van Iran? Wordt zij louter beheerst door Libanese belangen of heeft de Hezbollah een invloed die verder reikt?

Om deze vragen te beantwoorden moeten we inzien dat die nieuwe ster niet uit een lege kosmos is gekomen. De voorgeschiedenis kan een licht werpen op het ontstaan van de partij en zijn huidige politieke gedrag. Na gestage ontwikkelingen bij de sjiieten (de ene helft van de moslims) verscheen de Hezbollah in het begin van de jaren tachtig als een sociopolitieke eenheid op het Libanese politieke toneel. Nu is ze in aantal de grootste, maar aanvankelijk nam ze een weinig benijdenswaardige minderheidspositie in.

In het Ottomaanse Rijk golden de sjiieten niet als een aparte bevolkingsgroep. Dat blijkt uit belangrijke religieuze troebelen halverwege de negentiende eeuw in het bergachtige gebied van Libanon. De grootmachten drongen er bij het Turkse bewind op aan dat dit moest ophouden. Elke subprovincie kreeg vervolgens een raad waarin alle minderheden een stem kregen, met uitzondering van de sjiieten. De vertegenwoordiger van de soennieten zou tevens de belangen van de sjiieten behartigen. Deze discriminatie ging door tot aan de val van het Ottomaanse Rijk aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.

Juridisch kregen de sjiieten pas bestaansrecht toen in 1920 de staat Groot-Libanon werd uitgeroepen. Toen kwamen er bij de bestaande kern van het bergachtige Libanon nieuwe gebieden, zoals de Bekaavallei en Zuid-Libanon vanaf Beiroet tot aan de grens met Israël. Omdat er vooral sjiieten in deze streken woonden, veranderde deze toevoeging de numerieke verhoudingen tussen de diverse minderheden in Libanon aanzienlijk. Wel had de bestaande kern in die tijd economisch-cultureel al vooruitgang geboekt door de activiteit van scholen van de buitenlandse missies en een groeiende onafhankelijkheid van de Turkse koloniale overheerser. Van groot belang daarbij was de oprichting van twee grote westerse wetenschappelijke instituten, de Franse Université St. Joseph en de Amerikaanse Universiteit. Dit Klein-Libanon kreeg Beiroet als hoofdstad. Het genoot de voordelen van een netwerk van wegen, de haveninstallatie, de spoorlijn naar Damascus en de oprichting van menige commerciële en industriële onderneming.

Van meet af aan heerste er dus een groot cultureel en economisch verschil tussen de oude kern van Libanon en het omringende, overwegend sjiitische gebied. Dat heeft geduurd tot lang na 1943, toen Libanon onafhankelijk werd verklaard en zijn Franse overheerser zich terugtrok. In het nationale pact van 1943 domineerde de maronitisch-soennitische bevolkingsgroep, omdat die het verst geëvolueerd was en beter georganiseerd. Na de onafhankelijkheidsverklaring kwam de macht vooral in handen van de traditionele feodale leiders die zich autocratisch opstelden tegenover de minderheden waaruit zij waren voortgekomen. De sjiitische bevolkingsgroep bleef nagenoeg buiten beschouwing.

De actie van de oelama’s

Aan het eind van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig was de situatie voor de sjiieten er niet rooskleuriger op geworden. Dit kwam mede door de aanwezigheid van Palestijnse militaire organisaties, het opflakkeren van de acties van de antiwesterse volksmilitie fedajien en Israëlische represailles die zich richtten op het zuidelijke deel van Libanon, zones waar de sjiitische bevolking dominant was. Ze zocht haar heil aan de rand van de hoofdstad. Hier versterkte zij het sjiitische proletariaat, dat rondom de hoofdstad reeds een kring van armoede had gevormd.

In deze niet-georganiseerde massa streek een aantal oelama’s neer die hun opleiding hadden voltooid in Qum of Najaf (Irak), plaatsen die beschouwd kunnen worden als de bakermat van het sjiitische deel van de islam. Drie van hen onderscheidden zich door hun charisma, hun grotere religieuze cultuur en hun duidelijke visie over de te volgen weg om de sjiieten uit hun toestand van onterfde massa te helpen: imam Moussa Sadr, sjeik Mohammed Mehdi Chamseddine en sjeik Mohammed Hussein Fadlallah. In het begin gaven zij talloze conferenties, organiseerden ontmoetingen en discussies in clubs, in de moskee en in culturele associaties, allemaal in het gebied waar de sjiieten sterk vertegenwoordigd waren.

Het duurde niet lang voordat imam Moussa Sadr de meest vooraanstaande politieke figuur van de oelama’s werd. Hij trok het land door en tegen het einde van de jaren zestig was hij al een politieke figuur, wiens betekenis steeds maar groeide. In 1967 wist hij een hoge sjiitische raad te vormen. Hij verkreeg aldus voor zijn geloofsgemeenschap een instituut dat de sociaalpolitieke aanwezigheid van de sjiieten een eigen gezicht kon geven. Traditionele politici zagen er een ernstige bedreiging in. De rol van de CSC (Conseil Shi’iete Supérieure) werd beperkt tot een simpele hergroepering van notabelen en verantwoordelijken die trachtten, zo goed en zo kwaad als het ging, zich te interesseren voor actuele politieke en nationale vraagstukken.

Moussa Sadr heeft zich ingespannen voor een volksbeweging die de politieke en sociale aspiraties van de sjiitische gemeenschap waarmaakte. Met name kantte ze zich tegen de onderontwikkeling waarmee de sjiitische gewesten te stellen hadden in Zuid-Libanon, in de Bekaa en in de voorsteden van Beiroet. Een van de doelen van deze beweging was de sjiitische milieus te onttrekken aan de groeiende invloed van linkse Arabische partijen en van de gewapende Palestijnse organisaties. Ook wilde ze een opvolger vinden voor feodale traditionele leiders die het land in een chronische lethargie hielden. Op 18 februari 1974 hield Moussa Sadr een krijgshaftige redevoering, die sommigen beschouwen als de geboorteakte van de Libanese sjiieten: ‘Onze naam is niet langer Metwali. Onze naam is die van de weigering, van de wraak, die zich keert tegen alle tirannie. Zelfs als wij dat met ons bloed, met ons leven moeten bekopen […]. Wij willen geen mooie gevoelens meer, maar actie. Wij zijn de woorden, de gemoedstoestanden en de redevoeringen moe […]. Ik heb meer redevoeringen gehouden dan wie ook. Ik ben ook degene die het meest heeft gemaand tot kalmte. Maar van nu af aan zal ik niet meer zwijgen. Als jullie inert blijven, ik niet!’

Deze zogeheten Beweging van de Onterfden heeft de sjiieten de eerste politieksociale structuur opgeleverd sinds het verdwijnen van het Ottomaanse Rijk. Tegen de inplanting van gewapende Palestijnse organisaties in het zuiden en als gevolg van de militaire escalatie die daaruit voortvloeide, riep Moussa Sadr in het begin van de jaren zeventig een gewapende militie in het leven, de Amal. Het bestaan van deze beweging, die de nieuwe façade werd voor de Beweging van de Onterfden, kwam aan het licht bij een moorddadige ontploffing in de Bekaavallei tijdens een militaire training. Dankzij de Amal, onder leiding van Moussa Sadr, kon het sjiitische proletariaat worden bereikt dat anders zou zijn opgegaan in de communistische partij of de sociale, areligieuze Ba’athpartij. Het is deze politieke en militaire actie, samen met de desastreuze economische situatie waarin de sjiieten zich sedert vele jaren bevonden, die de voedingsbodem was voor de snelle opkomst van de Hezbollah in de loop van de jaren tachtig. Moussa Sadr had de politieke cultuur geput uit de waarden van de sjiitische islam, die, evenals de bewustwording van de gemeenschap waarvoor hij zoveel gedaan had, het pad effenden voor de Hezbollah.

De geboorte van de Hezbollah

De voornaamste katalysator van de sjiitische beweging lag toch buiten Libanon. Dat was namelijk de oprichting van de islamitische republiek Iran in februari 1979, en zijn politiek van export van de revolutie. Weliswaar waren er, toen ayatollah Khomeini begon met zijn theocratische heerschappij, in Teheran al groepen van islamitische sjiieten actief in Libanon, maar ze opereerden nog op bescheiden schaal. In essentie ging het om een verzameling oelama’s uit de Bekaavallei, de islamitische comités, en een tak van de Iraaks-sjiitische partij Al-Dawaa waarvan voor Libanon de reeds genoemde sjeik Mohammed Hussein Fadlallah de vaandeldrager was.

Deze ondoorzichtige compositie van sjiitische groepjes bleef bestaan tot aan de Israëlische actie Vrede in Galilea in juni 1982. De snelle doorbraak van het vijandelijke leger zette hen ertoe aan verzetsacties te plegen. Gedurende die maand werd de sjiitische beweging versterkt door een afsplitsing van de Amal, die sedert de raadselachtige verdwijning van Moussa Sadr in Libië, in augustus 1978, geleid werd door Nabih Berry. Voortbordurend op diens beslissing zitting te nemen in het Heilscomité – gevormd door de Libanese president Elias Sarkis met medewerking van Chafic Wazzan, leider van de regering, en van Bechir Gemayyel en Walid Joumblatt – hadden verscheidene verantwoordelijken en kaders een afdeling opgericht die als islamitische Amal op te vatten viel.

Geconfronteerd met het brede Israëlische offensief werden de aanvoerders van deze groepjes zich bewust van de noodzaak een goed georganiseerde partizanenstructuur op te zetten. Daarvoor golden er drie principes. Ten eerste bepaalde de islam de volledige gedragslijn met het oog op een beter leven. De islam was het ideologische en praktische fundament van de gedachte en het geloof waarop de nieuwe politieke formatie diende te worden gebouwd. Voorts had de actie tegen de Israëlische bezetting van Libanon absolute prioriteit. Bijgevolg moest er een adequate (militaire) structuur komen voor de jihad en alles wat voor deze onderneming nodig was. Ten derde en laatste had de Opperste Gids in Iran het opperbevel. Dat was toentertijd ayatollah Khomeini, die werd beschouwd als de erfgenaam van de Profeet Mohammed en de imams. Alleen hij kon de inhoud formuleren van de grote actielijnen in de islamitische Natie, en zijn beslissingen waren doorslaggevend.

In het licht van deze drie fundamentele beginselen werden talrijke bijeenkomsten belegd om de bases van de nieuwe politieke formatie vast te leggen. Die discussies mondden uit in een politiek document. Een raad van negen personen – drie van de groep van de oelama’s uit de Bekaavallei, drie leden van de islamitische comités, en drie van de islamitische Amal – werd gelast om dit document voor te leggen aan de Opperste Gids. Na de instemming van Khomeini verenigden deze groeperingen zich daadwerkelijk in een federatieve partij die de naam Hizbollah (Hizb-Allah = partij van Allah) kreeg; de gangbare spelling Hezbollah is feitelijk Amerikaans.

Deze fusie is tot stand gekomen in de loop van de zomer van 1982, maar pas aan het einde van 1983 zag de Hezbollah formeel het daglicht. Vervolgens rijpte de partij tot het begin van 1985, toen het eerste politieke programma openbaar werd gemaakt. Spoedig genoot de Hezbollah de politieke, logistieke en militaire steun van Iran, dat de kaders en de Bewakers van de Revolutie stuurde, dwars door Syrië heen. Zij moesten de kampen voor de militaire training in de Bekaa dicht bij Baälbek organiseren en de nieuwe strijders van de Hezbollah vormen.

De term martelaar

In een eerste periode, tussen 1982 en 1985, zet de Hezbollah alles op de verzetsacties tegen het Israëlische leger. In weerwil van hun (ook kwalitatieve) ondertal slagen sjiitische soldaten er al spoedig in verliezen te veroorzaken bij het Israëlische leger dat zich op Libanees grondgebied bevindt.

Deze speldenprikken tegen de Israëlische reus brengen het belang van de notie van martelaar in het sjiitische onderbewuste naar boven. Men moet weten dat voor sjiitische gelovigen het martelaarschap van imam Hussein op het slagveld van Kerbela in het jaar 680 de centrale mythe is geworden. Bij de opvoeding wordt van jongs af gehamerd op het martelaarschap. Sjeik Naim Kassem, nummer twee in de Hezbollah, meent in een boek over de partij dat als zijn strijders een opleiding zouden krijgen die het enkel moest hebben van de overwinning als drijfveer, hun elan zou verflauwen als zij gewaarwerden dat die overwinning nog veraf is of onzeker. Als de mensen echter een training ondergaan die is gebaseerd op het martelaarschap, dan krijgt hun offer een maximum aan efficiëntie. Indien zij een overwinning behalen, zullen zij voldoening bereiken tijdens hun leven hier beneden. Maar als zij doordrongen raken van de notie van martelaar, dan wordt er veel meer mogelijk: het martelaarschap of de overwinning, of allebei tegelijk. Die notie mobiliseert de moraal van de bevolking en zal dus een veel breder effect hebben.

Gedood worden in dienst van de voorschriften van God betekent zo de hoogste eer voor de jonge sjiiet. Het objectief is niet zozeer een directe en onmiddellijke militaire overwinning als wel het voorrecht martelaar te zijn, zich opgeofferd te hebben in dienst van de Almachtige, temeer daar voor het leven in het hiernamaals het eeuwige geluk wordt beloofd. Gehecht blijven aan het leven hier beneden, gemotiveerd door materiële omstandigheden, zinkt in het niet bij de eer van het martelaarschap in dienst van God.

Het is deze betrekkelijke, aan het aardse leven toegekende waarde, die volgens de sjiitische zienswijze het grote verschil uitmaakt met het Westen, zowel inzake de zin van het leven als voor het gedrag ten aanzien van het openbare eigendom. Het Westen sacraliseert het materiële leven en blijft er tot alle prijs aan gehecht, meent sjeik Kassem. De westerling is daarom niet in staat het martelaarschap volledig in te schatten. Het is normaal dat westerlingen de oriëntatie van de islam niet begrijpen: zoiets strekt verder dan het rationele begrip alleen en vraagt ook kennis van de islamitische samenleving.

Een sociocultureel kader dat overeenkomt met het sjiitische onderbewuste dient dus als grote stimulans voor de jongeren van de sjiitische beweging. Dat verklaart het succes van het verzet én van de Hezbollah. Het precedent van de volksopstand in Vietnam tegen de bezetter zou een voorbeeld ter navolging geweest zijn, evenals de persoon van Guevara en het voorbeeld van Cuba – maar misschien behoort dit allemaal slechts tot de retoriek van de propaganda van de Hezbollah.

De grote politieke oriëntaties

Met de geschetste prioriteit ten aanzien van de bezetting door Israël werd in den beginne de uitwerking van het politieke project naar het tweede plan verschoven. De Hezbollah kwam amper uit de clandestiniteit en verscheen slechts na de opstand tegen de regering van de toenmalige president Amin Gemayel op 6 februari 1984, geleid door de milities van de Amal-beweging en van de progressieve partij van Walid Joumblatt in West-Beiroet. Door die opstand kon de Hezbollah zijn kantoren en zijn hoofdkwartier vestigen in een zuidelijke voorstad van Beiroet.

Pas in februari 1985 ontvouwde de Hezbollah zijn politieke project Oproep aan de Onterfden. Dit document omschrijft de grote oriëntaties van de partij, zowel ideologisch en doctrinair als op het vlak van de Libanese politieke conjunctuur en de stellingname tegenover Israël en de Verenigde Staten. De huidige leiders van de Hezbollah beweren nu dat deze tekst verouderd is omdat dat hij geschreven werd tijdens de acties tegen de Israëlische bezetter. Zelfs al houdt de kwestie van de stukken grond tussen Libanon en Israël en de bewapening van de Hezbollah de gemoederen nog bezig, het is enkel uit doctrinair en ideologisch oogpunt dat het document uit 1985 een zeker belang heeft, met name wat de oprichting van een islamitische staat aangaat.

De tekst stelt een onderscheid vast tussen het principe en de praktijk. Principieel spreekt de Hezbollah zich uit ten gunste van de oprichting van een islamitische staat in Libanon, maar tekent daarbij aan dat de verwerkelijking van zo’n project dient te gebeuren op basis van een vrije keuze door de bevolking. Geen enkele partij mag dus iets opleggen. Deze optie wordt stringent ondersteund door de huidige leiding van de partij, die beweert dat het geenszins de bedoeling is in Libanon een islamitische staat op te richten, al blijft de Hezbollah zich baseren op de islam als het fundament van zijn actie en zijn denken.

De partij onderstreept dat rekening moet worden gehouden met de Libanese realiteit, en dat zij wil bijdragen aan de consolidatie van een pluralistische autoriteit die een billijke deelname van alle geloofsgemeenschappen aan het openbaar gezag nastreeft. Concreet zijn de verantwoordelijken van de Hezbollah vóór handhaving van het politieke systeem, op basis van een rechtvaardige verdeling van de macht tussen alle partijen. Vandaar de beslissing in 1992 om deel te nemen aan de verkiezingen en dus deel uit te maken van het pluralistische systeem van Libanon, iets waar sommige verantwoordelijken het helemaal niet mee eens waren. De leiders van de Hezbollah merken in dit verband op dat steun aan een pluralistische regeringsvorm, ten nadele van het project van de islamitische republiek, de wereld de Libanese formule wil voorhouden als een geslaagd voorbeeld van samenleving van verschillende geloofsgemeenschappen, het respect voor de verscheidenheid en het verzekeren van de vrijheden. Zo staat die formule tegelijk lijnrecht tegenover het zionistische project van de stichting van een staat ten dienste van slechts één gemeenschap.

Daar gaat het de Hezbollah dan ook om. De partij geeft de voorkeur aan een strikte toepassing van het Taef-akkoord (een vredesplan na de burgeroorlog van 1974-1992) met een uitwerking van een nieuwe verkiezingswet die de huidige verhoudingen tussen de verschillende gemeenschappen zou respecteren. Uit het politieke betoog van de Hezbollah blijkt voortdurend de vijandigheid jegens Israël. De leiders bespotten zelfs oproepen tot pragmatisme voor het vinden van een oplossing voor het conflict met Israël. Ze verhelen geenszins hun solidariteit met de strijd die gevoerd wordt door het Palestijnse volk, zonder evenwel expliciete hulp of concrete ondersteuning te beloven aan de bevolking van Cisjordanië en Gaza.

Tegenover het Westen in het algemeen stellen de leiders van de Hezbollah zich nochtans in principe niet vijandig op. Zij beweren dat ze zich niet keren tegen de westerse beschaving als zodanig maar alleen tegen het ‘kolonialistische gedrag’ van enkele westerse landen. Deze genuanceerde houding heeft duidelijk te maken met de realpolitik van openheid die de partij belijdt. Of moeten we hier spreken van opportunisme?

Het systeem van de wilayat-al-fakih

Misschien wel de allervoornaamste karakteristiek van de Hezbollah is de erkenning van het politiekreligieuze en het supranationale gezag van de Opperste Gids in Iran, de waly-al-fakih. Momenteel is dat Khamenei, voordien dus Khomeini. Een goed begrip van de wilayat-al-fakih, te vertalen als ‘het domein van de Hoogste Wetgeleerde’, draagt dan ook bij tot een verheldering van de stellingname van de partij.

Voor de sjiieten moet in de leiding van een islamitische natie altijd een imam zitten die afstamt van de imam Ali, een zoon van de Profeet Mohammed. De meerderheid meent dat er historisch twaalf imams hebben bestaan, maar dat de twaalfde is verdwenen en wordt terugverwacht als de Imam-al-Mahdi om de sjiieten uit de verdrukking en de ellende te verlossen.

Vóórdat Khomeini aan de macht kwam, had de historische titel van de waly-al-fakih nooit de draagwijdte en het politieke belang dat hij kreeg na de islamitische revolutie in Iran, omdat de sjiieten in Irak nooit werkelijk de macht hadden als religieuze autoriteit. Sinds de onderdrukking in de tijd van de Ommayaden in de achtste eeuw wilden de religieuze leiders – van de heilige stad Najaf in Irak – het kerkelijke gezag buiten politieke kwesties houden. Maar in het begin van de twintigste eeuw hebben sommigen zich duidelijk uitgesproken vóór een actieve deelname van de oelama’s aan het politieke leven. De eerste strekking, die politiek en religie gescheiden wil houden, wordt vandaag belichaamd door autoriteiten als de ayatollahs Sistani en Khoi, terwijl de tweede, die van een actieve deelname, voornamelijk door de oelama’s van de families Sadr en Hakim wordt geleid.

In elk geval had de meerderheid van de sjiieten vóór ayatollah Khomeini nog geen enkele religieuze autoriteit erkend als Opperste Gids. De islamitische revolutie van Iran betekende op dit vlak inderdaad een historische ommekeer. Toen hij de constitutionele bases van de islamitische republiek omschreef, poneerde Khomeini als principe van de macht de eenheid tussen het religieuze en de politiek. Deze versmelting die in de republiek Iran tot stand is gebracht, heeft ervoor gezorgd dat voor de eerste keer in de geschiedenis de historische term waly-al-fakih zijn volle betekenis kreeg.

Vervolgens hebben na de overwinning van de islamitische revolutie in Iran en de adoptie van het principe van de export van de revolutie talrijke oelama’s en religieuze hoogwaardigheidsbekleders de erkenning van de Opperste Gids goedgekeurd. Slechts enkele oelama’s hebben deze benoeming betwist. Pas na het overlijden van Khomeini bleek dat sommige hooggeplaatste oelama’s de opvolger van de ayatollah weigerden te erkennen als waly-al-fakih. Dit protest werd voornamelijk geleid door Montaziri in Iran, Sistani in Irak en door Mohammed Hussein Fadlallah in Libanon. Maar als gezegd, de Libanese Hezbollah als geheel heeft de Opperste Gids van de Iraans-islamitische revolutie dan weer wel erkend. Overigens werd dit vergemakkelijkt door oeroude religieuze en familiale banden tussen de sjiieten van de drie genoemde landen, met name van de zojuist genoemde families Sadr en Hakim.

Het beroep op de Opperste Gids in Iran

De waly-al-fakih wordt gekozen door een corps van tweeënzeventig Iraanse leden, die zelf gekozen zijn via een algemene stemming onder de Iraanse bevolking. Hij hoeft niet per se een Iraniër te zijn, maar sedert de revolutie van februari 1979 is het in de praktijk de Opperste Gids van de islamitische republiek die door de meerderheid van de sjiieten erkend wordt als de waly. Men moet zich niet slechts voor doctrinaire en religieuze kwesties tot hem wenden, maar ook voor politieke zaken met een strategische draagwijdte.

In zijn boek over de Hezbollah onderstreept sjeik Naim Kassem dat de waly evengoed islamitische wetten correct mag toepassen als grote politieke beslissingen nemen betreffende de islamitische wereldgemeenschap (de oemma), inclusief oorlog en vrede. Voorts oordeelt hij over de beveiliging van de bevolking en haar financiële belangen, over de verdeling van het belastinggeld dat de religieuze autoriteit geïnd heeft. De Opperste Gids bepaalt ten slotte ook nog de grenzen van de islamitische staat. Ayatollah Khomeini had in zijn werk De islamitische regering al duidelijk gezegd dat het verkeerd is te menen dat de voorrechten van de Profeet Mohammed belangrijker zijn dan die van de tegenwoordige waly-al-fakih. De voorrechten die de Almachtige de Profeet en de imams heeft gegeven betreffende de organisatie van het leger, de benoeming van gouverneurs, de belastinginning en de verdeling daarvan ten dienste van de moslims, heeft Hij ook aan dit nieuwe islamitische bestuur verleend.

Dat betekent dat de waly voor regeringszaken dezelfde autoriteit geniet als de Profeet Mohammed. Op dit vlak overschrijdt zijn autoriteit de landsgrenzen en heeft ze invloed op alle sjiitische gelovigen. Wat dan de Hezbollah betreft, benadrukt sjeik Naim Kassem dat dit een Libanese partij is in alle geledingen. De partij mag het gezag van de waly voor de grote lijnen dan wel erkennen, het dagelijks bestuur inclusief de details van de strijd tegen de Israëlische bezetter vallen onder de verantwoordelijkheid van de partijsecretaris. Bij de deelname aan de Libanese verkiezingen verklaarde de huidige partijsecretaris Nawaf Moussawi dat er geen bevoegdheid erkend wordt boven de Hezbollah. Er kan louter sprake zijn van een overleg met het bestuur, zoals andere fracties dat doen.

Op deze manier, meent Moussawi, is deelname aan de verkiezingen niet strijdig met de leer dat een sjiiet geen onderdaan kan zijn van een bestuur waarop hij geen invloed zou kunnen uitoefenen. De Hezbollah kreeg echter het fiat van de waly om mee te doen aan de Libanese verkiezingen. Hierbij gold dat dit geen politieke maar een religieuze kwestie is omdat de politieke beslissing conform de geloofsdoctrine heet te zijn. Maar de grens is inderdaad bijzonder vaag tussen politieke en religieuze kwesties die uitgaan van de waly op het vlak van de aanbevelingen voor de Hezbollah.

Hoe het ook zij, de geschriften van de Hezbollah en met name het boek van sjeik Kassem laten er geen twijfel over bestaan dat grote politieke beslissingen helemaal onder de bevoegdheid van de waly in Iran vallen. En diens wil is zoals gezegd wet. Maar als de vraag wordt gesteld waar de Hezbollah nu eigenlijk thuishoort, dan moet het antwoord toch luiden dat dit niet de oemma is. Tot de gemeenschap van alle moslims worden immers ook de soennieten gerekend en de Hezbollah vertegenwoordigt alleen het sjiitische deel. Dit heeft gevolgen op nationaal terrein, in het bijzonder met betrekking tot het inleveren van wapens aan de staat en het gebruik van geweld tegen Israël buiten het leger om.

Verder is duidelijk dat de Hezbollah zich ondanks zijn patriottische voorkomen onttrekt aan het Libanese gezag, doordat de partij zijn wapens en zijn opdrachten ontvangt vanuit Iran. De Hezbollah bleek tot nog toe weinig gevoelig voor wat er speelt in Libanon. De huidige religieuze leider Nasrallah toonde zich verbaasd dat de gijzeling van Israëlische soldaten zulke desastreuze gevolgen kon hebben voor Libanon. Daar was intern duidelijk geen rekening mee gehouden. De Hezbollah is voornamelijk gevestigd in het zuiden van Beiroet, waar het ideologisch centrum gevestigd is, en in de streek tot aan de grens met Israël. Hier treft men ook diverse sociale en caritatieve instellingen aan die zorgdragen voor de familie van Hezbollahsoldaten. Zij bekommeren zich om de huisvesting, scholing en de ziektekosten van de strijders en hun familieleden.

De terugtrekking van het Israëlische leger en het vrijkomen van de bezette gebieden in Zuid-Libanon in mei 2000 was de kroon op de slijtageslag van de Hezbollah tegen Israël. De partij bevrijdde door zijn gewapende actie een stuk van het nationaal gebied en kreeg zo een meer patriottische kleur. Toch blijft er een zekere dubbelzinnigheid die het de partij toestaat nu eens de Libanese aspiraties te steunen en dan weer meer aan te leunen bij Iran. Tegelijk is dit voedsel voor allerlei politieke aanvallen. Met name Walid Joumblatt, hoofd van de progressieve partij, vraagt zich af tot welk kamp de Hezbollah nu werkelijk behoort.

Kan gehoorzamen aan Iran en meedoen met de Syrische aanspraken op het Libanese grondgebied, wel goed samengaan met Libanees patriottisme? Wat te denken van de koppige wil tot elke prijs te weigeren zich te schikken naar het defensiesysteem dat de Libanese staat heeft uitgebouwd? De sjiitische minderheid heeft zijn definitieve vorm nog niet gevonden. Het gesol met de vijf Hezbollahministers in de huidige Libanese regering bevestigt dit alleen maar.


Bronnen

M.H. Georgiou en M. Touma, ‘Le Parti de Dieu au Liban’, Travaux et Jours, nr. 77, lente 2006, blz. 127-148.

Michael Young, ‘Hezbollah’s Other War’, The New York Times, 4 augustus 2006.


© S T R E V E N