Juli-Augustus 2007

Herman Simissen

‘De vondst van de eeuw’

De dagboeken van Adolf Hitler


‘Die Geschichte des Dritten Reichs muss zu großen Teilen neu geschrieben werden.’

Peter Koch, 25 april 1983


Tot ver buiten de Bondsrepubliek Duitsland was de sensatie compleet: op een drukbezochte persconferentie in Hamburg, op 25 april 1983, verkondigde Peter Koch, hoofdredacteur van het weekblad Stern, dat zijn verslaggever Gerd Heidemann de dagboeken van Adolf Hitler had ontdekt. In de volgende weken en maanden zouden gedeelten ervan in Stern worden gepubliceerd. De dagboeken zouden, aldus Koch tijdens de persconferentie, een heel nieuw licht op de Führer werpen, reden waarom de biografie van Hitler en daarmee ook de geschiedenis van het Derde Rijk zouden moeten worden herschreven.

Diezelfde dag verscheen een eerste uitgave met fragmenten uit de dagboeken, waarin ook de achtergronden van de sensationele ontdekking worden beschreven. In zijn inleiding bij dit nummer van Stern onthulde Koch dat de dagboeken slechts een deel van de vondst vormden. Er waren ook handgeschreven aantekeningen van Hitler aangetroffen over de vlucht van Rudolf Hess naar Schotland op 10 mei 1941 en over de aanslag op zijn leven op 21 juli 1944, tekeningen en olieverfschilderijen, liefdesbrieven en gedichten en een handgeschreven versie van het partijprogramma van de NSDAP uit 1920. ‘Voor historici en leken kondigen zich weken, maanden aan van spannende lectuur, opgewonden discussie’, aldus Koch [1].

De herkomst en vondst van de dagboeken

Hoe had Stern dit sensationele materiaal gevonden? Het artikel ‘Wie Sternreporter Gerd Heidemann die Tagebücher fand’ in hetzelfde nummer verhaalt hoe de verslaggever aan de dagboeken was gekomen. Volgens Heidemann maakten ze deel uit van de persoonlijke bezittingen van Hitler die vlak voor het einde van de oorlog vanuit de Führer-bunker uit Berlijn werden geëvacueerd. De Russische troepen stonden al in de buitenwijken van Berlijn, toen werd besloten tot een reddingsoperatie. Tijdens deze zogeheten Operatie Seraglio, vlak na de verjaardag van Hitler op 20 april 1945, zouden behalve diens persoonlijke bezittingen ook tachtig naaste medewerkers van de Führer, regeringsarchieven en uiteenlopende waardevolle goederen vanuit de belegerde hoofdstad worden overgevlogen naar Salzburg en München. Van daaruit zouden zij naar Obersalzberg bij Berchtesgaden gaan – en vanuit de Duitse en Oostenrijkse Alpen zou dan de strijd tegen de geallieerden worden voortgezet. Voor Operatie Seraglio werden tien vliegtuigen ingezet, die in de nacht van 20 op 21 april vanaf verschillende vliegvelden in de omgeving van Berlijn vertrokken. Maar niet alle bereikten hun doel: één vliegtuig stortte onderweg neer, in de bossen bij het dorp Börnersdorf, vlak bij de grens met Tsjecho-Slowakije. Een van de inzittenden van dit vliegtuig overleefde het ongeluk, en ook zou een brandkast van ongeveer 1,60 m hoog bij 75 cm breed uit het brandende vliegtuig zijn geslingerd. De inhoud van deze brandkast had Heidemann, zo vertelde hij, nu ontdekt.

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was Heidemann dertien jaar – te jong voor een actieve betrokkenheid, oud genoeg om veel indrukken op te doen. Hij was altijd door de oorlog gefascineerd gebleven en begon met het aanleggen van een verzameling curiosa uit het Derde Rijk. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw had Heidemann zelfs Carin II gekocht, een plezierjacht dat van rijksmaarschalk Hermann Goering was geweest. Had hij aanvankelijk de bedoeling dit jacht in de oorspronkelijke staat te herstellen om het met winst te verkopen aan een of andere rijke Amerikaanse verzamelaar van nationaalsocialistische memorabilia, het liep anders. Carin II werd, met Heidemann als gastheer, meer en meer een ontmoetingsplaats voor oud-strijders en voormalige nationaalsocialisten. Onder hen waren eertijds hooggeplaatste figuren als de vroegere stafchef van Heinrich Himmler, SS-generaal Karl Wolff, en de vroegere commandant van de Führer-bunker in Berlijn, SS-brigadegeneraal Wilhelm Mohnke. Door deze connecties had Heidemann kennisgenomen van Operatie Seraglio, en was hij onderzoek gaan doen naar wat er met de geëvacueerde spullen was gebeurd. Hij voerde gesprekken met alle mogelijke getuigen – in Duitsland, maar ook in andere Europese landen en zelfs in Zuid-Amerika. Zo had Heidemann naar eigen zeggen toegang gekregen tot de hoogste kringen van voormalige nationaalsocialisten. Indirect zou hij zelfs contacten onderhouden met niemand minder dan Martin Bormann. Die was niet, zoals algemeen werd aangenomen, in de laatste dagen van de oorlog omgekomen, maar zou na een vlucht afwisselend in Zwitserland, Spanje en verschillende Zuid-Amerikaanse landen verblijven. Heidemann liet doorschemeren dat hij Bormann binnenkort persoonlijk ging ontmoeten, en hij suggereerde dat Bormann zelf erin had toegestemd dat de geheimen van Operatie Seraglio aan hem zouden worden onthuld.

Maar er was, zo beweerde Heidemann, een complicatie. Het verongelukte vliegtuig was neergekomen in een streek die tot de DDR was gaan behoren. Nu kende de DDR een uiterst strenge wetgeving inzake de-nazificatie: er stonden zware straffen op het bezit van welk aandenken uit de nationaalsocialistische tijd ook. Het door Heidemann ontdekte materiaal had zich voor het grootste deel in de DDR bevonden, en hij had het slechts met de grootste omzichtigheid beetje bij beetje naar het Westen kunnen smokkelen. Daarbij waren allerlei tussenpersonen betrokken geweest. Om hun veiligheid te garanderen kon Heidemann niet in detail ingaan op wat er tussen 1945 en 1983 met het gevonden materiaal was gebeurd, noch kon hij nadere informatie verstrekken over hoe hij precies de beschikking over het materiaal had gekregen.

Authentiek of niet?

Ondanks dit wat schimmige verhaal over de herkomst van het materiaal beweerde Heidemann, en Stern met hem, te kunnen instaan voor de authenticiteit ervan. Het blad had de dagboeken laten onderzoeken door twee internationaal vermaarde historici, de Engelsman Hugh Trevor-Roper en de Amerikaan Gerhard L. Weinberg, die de authenticiteit ervan bevestigden.

Hugh Trevor-Roper werd geboren in 1914. Tijdens zijn studie klassieke talen in Oxford raakte hij verveeld door de taalkundige kant ervan en begon zich zich meer en meer op de geschiedenis te richten. Toen in 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werkte Trevor-Roper aan een biografie van William Laud, aartsbisschop van Canterbury, die tijdens de Engelse Burgeroorlog werd onthoofd, onder meer vanwege zijn niet-aflatende steun aan de verdreven koning Charles de Eerste. De studie verscheen in 1940 onder de titel Archbishop Laud, 1573-1645; hij had daarin tal van overgeleverde meningen over Laud in twijfel getrokken. Maar inmiddels was Trevor-Roper opgeroepen voor de militaire dienst. Hij kwam bij de inlichtingendienst, waar hij werd ingezet om onderschept Duits radioverkeer te analyseren. Hij kreeg de reputatie dat hij erg scherpzinnig was en steeg snel in de hiërarchie – al maakte hij met zijn soms al te scherpe tong ook de nodige vijanden. In september 1945 werd Trevor-Roper gerekruteerd voor een onderzoek naar wat er in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog met Adolf Hitler was gebeurd. Hij stelde een rapport op voor de inlichtingendienst, dat hij in november 1945 kon presenteren. Deze nauwgezette reconstructie van Hitlers laatste tien dagen was ten dele gebaseerd op gesprekken met mensen die toen in de onmiddellijke omgeving van de Führer hadden verkeerd en ten dele op unieke bronnen, zoals het dagboek van generaal Koller, de chef-staf van Hermann Goering. Met toestemming van zijn superieuren werkte Trevor-Roper zijn rapport om tot het boek The Last Days of Hitler, dat wereldwijd een verkoopsucces bleek. Sindsdien gold hij, hoewel hij zich veel meer ging bezighouden met de geschiedenis van Engeland in de vroegmoderne tijd, als expert met betrekking tot Hitler en het Derde Rijk. Zo werd Trevor-Roper, die in 1979 in de adelstand was verheven en de titel ‘Lord Dacre of Glanton’ mocht voeren, in 1983 uitgenodigd om de authenticiteit van de dagboeken van Hitler te onderzoeken.

Zijn collega bij die gelegenheid, Gerhard L. Weinberg, werd in 1928 geboren in een joods gezin in Hannover. In 1938 ontvluchtte de familie Duitsland, onder druk van de steeds sterkere discriminatie en vervolging van het joodse volksdeel, en vestigde zich eerst in het Verenigd Koninkrijk en in 1941 in de Verenigde Staten. Weinberg werd Amerikaans staatsburger en diende in 1946-1947 in de Amerikaanse bezettingsmacht die in Japan was gelegerd. Na zijn diensttijd studeerde hij sociale wetenschappen en geschiedenis; in 1951 promoveerde hij met German Relations with Russia, 1939-1941. Gedurende zijn hele loopbaan heeft Weinberg de buitenlandse politiek van het Derde Rijk als specialisme gehad. Zijn bekendste werk is het tweedelige The Foreign Policy of Hitler’s Germany (1970 en 1980). Saillant detail is dat Weinberg in 1958 het ongepubliceerde vervolg op Mein Kampf ontdekt had en, onder de titel Hitlers zweites Buch, in 1961 uitgegeven.

Op uitnodiging van Stern onderzochten Trevor-Roper en Weinberg de dagboeken van Hitler in een kluis van een bank in het Zwitserse Zürich. Hun onderzoek was omgeven met de strengste veiligheidsmaatregelen en diende, omdat de publicatie van de eerste dagboekenfragmenten aanstaande was, met grote snelheid worden uitgevoerd. Voor Weinberg kwam daar bij dat hij meteen naar de Verenigde Staten terug moest, waar hij onderwijsverplichtingen had.

Trevor-Roper deed verslag van zijn bevindingen in een artikel in The Times van 23 april 1983. Hij bekende dat hij aanvankelijk uiterst sceptisch was geweest toen hij hoorde van de vondst. Nooit had hij enige aanwijzing gehad dat Hitler dagboeken zou hebben bijgehouden en bovendien waren er al vervalsingen in omloop van documenten van Martin Bormann en van Eva Braun. Deze nieuwe vondst moest daarom zeer kritisch worden bekeken. Maar nadat hij het materiaal had ingezien, was hij tot de conclusie gekomen dat het authentiek moest zijn, ook omdat er naast de dagboeken veel meer bij zat:

Het zijn zelfs deze andere documenten – brieven, notities, verslagen van bijeenkomsten, notulen, memo’s en, vooral, gesigneerde schilderijen en tekeningen van Hitler, die allemaal verschillende decennia beslaan – die mij hebben overtuigd van de authenticiteit van de dagboeken. Want zij horen allemaal tot hetzelfde archief, en waar handtekeningen, enkele documenten of zelfs groepen documenten vakkundig kunnen worden vervalst, kan een heel samenhangend archief dat 35 jaar beslaat veel minder gemakkelijk worden gemaakt [2].

Want, zo schrijft Trevor-Roper even verderop:

Een dergelijk buitensporige en zelfs extravagante poging [tot vervalsing, HS] biedt een te grote en kwetsbare flank aan critici, die er zeker zullen aanvallen. De vervalser zou hier niet alleen de handschriften van Hitler en Bormann moeten imiteren, maar ook de geleidelijke verandering in het handschrift van Hitler van 1908 tot 1945, de eigenaardigheden in zijn manier van schrijven, de hele stijl van de man: niet alleen de tekst maar de context waarin de individuele documenten, gedurende de hele periode, zijn geschreven. Het archief is feitelijk niet alleen een verzameling documenten die individueel kunnen worden onderzocht: het hangt als geheel samen, en de dagboeken vormen er een integraal deel van [3].

Weinberg was iets minder stellig. In een rapport voor Newsweek, dat (gedeelten van) de dagboeken in de Verenigde Staten zou publiceren, gaf hij weliswaar aan dat hij geneigd was de dagboeken als authentiek te beschouwen, maar hij pleitte ook voor nader onderzoek om meer zekerheid te kunnen verkrijgen.

De ontmaskering van de dagboeken

Met de publicatie van de dagboeken van Hitler waren miljoenen gemoeid. Stern had al fiks voorgeschoten in het onderzoek van Heidemann – met al zijn reizen binnen en buiten Europa. De aankoop van de dagboeken had nog eens ruim negen miljoen Duitse Mark gekost. Voor een belangrijk deel was dit bedrag door Gruner-Jahr AG, de uitgeverij van Stern, gestort op een speciale rekening waar Heidemann geld van kon afhalen wanneer hij nieuwe delen van de dagboeken kocht. Ondanks deze grote investeringen verwachtte Stern winst te maken door de publicatierechten op de dagboeken in het buitenland te verkopen. Bladen als The Sunday Times in Groot-Brittannië, Paris Match in Frankrijk en de Nieuwe Revu in Nederland hadden er al flink voor in de buidel getast. Vooruitlopend op het verkoopsucces dat de dagboeken van Hitler ongetwijfeld zou worden, had Stern bovendien de eigen oplage met een half miljoen exemplaren verhoogd.

Binnen drie weken waren de winstverwachtingen van Stern echter geheel vervlogen. Op een persconferentie op 6 mei 1983 maakte de Duitse minister van Binnenlandse Zaken, Friedrich Zimmermann, bekend dat onomstotelijk was komen vast te staan dat de door Stern gepubliceerde dagboeken van Adolf Hitler vervalsingen waren. Onderzoek door het Bondsarchief, met ondersteuning van de Bondsrecherche en het Bondsbureau voor materiaalonderzoek, had uitgewezen dat ten minste een deel van het papier waarop de dagboeken waren geschreven pas tien jaar na het einde van de oorlog was vervaardigd. De kaften van de dagboeken waren dichtgeknoopt met touwtjes, die eveneens pas na de oorlog konden zijn gemaakt. En zo waren er nog de nodige aanwijzingen, die maar één conclusie rechtvaardigden.

Uiteraard werd meteen de vraag gesteld, wie er achter deze vervalsing kon zitten. Bondskanselier Helmut Kohl had zo zijn vermoedens: hij gaf de geheime dienst opdracht onderzoek te doen naar de mogelijke betrokkenheid van ‘een Oost-Europese mogendheid’. Het laat zich raden op welk land hij doelde… Vanzelfsprekend werd ook Gerd Heidemann door de politie verhoord, waarbij het onduidelijk was in welke hoedanigheid: getuige, slachtoffer, medeplichtige of zelfs dader?

Uiteindelijk leidde het spoor naar Konrad Kujau, die in Stuttgart een winkel in souvenirs uit de nationaalsocialistische tijd had. Kujau, die zich vaak ‘Konrad Fischer’ noemde, was in 1938 geboren in Löbau, een kleine stad in de buurt van Dresden. In 1957 was hij naar de Bondsrepubliek gevlucht, naar eigen zeggen om te ontkomen aan de militaire dienst, in werkelijkheid omdat de politie hem zocht vanwege diefstal. Hij vestigde zich in Stuttgart, waar hij wat onduidelijke baantjes had en vanaf 1963 met zijn vriendin en latere echtgenote Edith Lieblang een schoonmaakbedrijf bestierde. In 1970 ging hij voor het eerst na zijn vlucht naar het Westen op familiebezoek in de DDR. Toen besloot hij een handel in souvenirs uit het Derde Rijk op te zetten. Hij vermoedde dat ondanks het strenge wettelijke verbod heel wat inwoners van de DDR dergelijke spullen zouden bezitten; tegen betaling van harde Westmarken zouden zij er vast wel afstand van willen doen. Het klopte allemaal. Met hulp van zijn familie kocht Kujau souvenirs op in de DDR, om deze in zijn winkel in Stuttgart voor een veelvoud te verkopen. Hij handelde in de meest uiteenlopende dingen als wapens, helmen, onderscheidingen en documenten.

Toen Kujau merkte hoe lucratief deze branche was, begon hij zijn handelswaar zelf te vervaardigen. Hij vervalste documenten en ging daarbij steeds een stapje verder. Kujau was een niet onverdienstelijk amateurschilder en tekenaar – en hij legde zich toe op het maken van aquarellen en schilderijen in de stijl van de weinig succesvolle kunstschilder die Adolf Hitler in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog was. Hij bleek deze zonder enig probleem als authentiek te kunnen verkopen. Zo was hij op het idee gekomen de ‘dagboeken’ van Hitler te schrijven en te verkopen.

Na de ontmaskering kwam Hugh Trevor-Roper onder vuur te liggen: met name in de Engelse pers verschenen enkele zeer kritische artikelen over de historicus, die immers zozeer van overtuigd was geweest van de authenticiteit van de dagboeken. Trevor-Roper kwam na enige stilte op 14 mei met een nieuw artikel in The Times, dat hij ditmaal, opmerkelijk genoeg, ondertekende met ‘Lord Dacre’ en waarin hij de achtergronden van zijn eerdere conclusie uit te doeken deed. Hij verklaarde:

Bij mijn terugkeer in Engeland dacht ik na over de documenten van de heer Heideman, en één ervan verontrustte mij. Het was een brief uit 1908, en zij leek mij net iets te mooi in elkaar gezet om een passage in het gepubliceerde verslag van August Kubizek van zijn vriendschap met Hitler in die tijd te bevestigen, en erdoor te worden bevestigd. Kon deze brief vervalst zijn met dit doel? Maar als een vervalste brief – zoals de heer Heidemann volhoudt – deel uitmaakt van het archief dat uit het vliegtuig werd gered, dan is dat hele archief verdacht.

Vertrekkend vanuit dit uitgangspunt, begon ik met de geest van een vervalser na te denken over het hele archief. Hoe zou een vervalser van de dagboeken van Hitler te werk gaan? Ik concludeerde dat hij zich zou concentreren op een periode waarin de gedragingen van Hitler goed gedocumenteerd zijn, en buiten die periode alleen losse voorvallen zou kiezen waarvoor openbaar bewijsmateriaal toegankelijk was. Hij zou ook, omdat het overgrote deel van zijn materiaal een afgeleide was of onbelangrijk, dit, waar hij dit veilig kon doen, afwisselen met interessante afwijkingen. De dagboeken vertoonden, zo merkte ik, een onrustbarende overeenkomst met dit model. Zij waren ononderbroken vanaf 1932; voor die tijd waren er losse voorvallen; en een interessante afwisseling werd voorgespiegeld door de zaak van Rudolf Hess [4].

Naar eigen zeggen was Trevor-Roper dus vrijwel meteen nadat hij had geconcludeerd dat de dagboeken van Hitler authentiek waren, aan deze conclusie gaan twijfelen. Hoewel in de Engelse pers met de nodige spot op dit artikel werd gereageerd, heeft de verdere loopbaan van Trevor-Roper niet geleden onder deze zaak. Hij overleed in 2003 en geldt nog altijd als een uitstekend historicus; zijn misser rond de dagboeken van Hitler werd hem uiteindelijk toch vrij gemakkelijk vergeven. Hetzelfde geldt voor Weinberg: zijn reputatie heeft op de langere termijn niet geleden onder zijn misplaatste oordeel over de dagboeken.

Zaak gesloten?

Niet alle vragen rond de dagboeken van Hitler zijn opgelost. Allereerst is er de financiële kwestie: Stern betaalde ruim negen miljoen Duitse Mark voor de dagboeken. Kujau hield tot in de rechtszaal vol dat hem ‘slechts’ 1,5 miljoen was betaald; Heidemann beweerde zijn ‘rechtmatige’ provisie van 1,7 miljoen te hebben ontvangen – waarmee ongeveer zes miljoen Mark is verdwenen, zonder dat ooit duidelijk is geworden waarheen.

Over de rol van Kujau bestaan nog tal van onduidelijkheden. Handelde hij, zoals hij beweerde, op eigen houtje en zuiver uit winstbejag? Of had hij hulp van anderen, die hem influisterden wat hij op de verschillende data moest neerschrijven? Dan Gerd Heidemann: is hij eenvoudig door Konrad Kujau bedrogen, omdat hij, zoals bleek uit zijn verhalen over zijn aanstaande ontmoeting met Martin Bormann, een naïeve fantast was? Of wist hij dat Kujau niet een ‘tussenpersoon’ in deze schimmige handel was maar de maker van de dagboeken, en zweeg hij om zelf mee te profiteren? Was hij zelfs medeplichtig? Zelf heeft hij altijd volgehouden dat hij het grootste slachtoffer in deze zaak was, maar die bewering is op zijn minst in een vreemd daglicht komen te staan toen na de val van de Berlijnse Muur bleek dat Heidemann een betaalde informant van de Stasi was.

Heidemann en Kujau werden beiden door de rechter veroordeeld – tot vier jaar en acht maanden gevangenisstraf, respectievelijk vier jaar en zes maanden – en hebben beiden hun straf uitgezeten. Kujau overleed in 2000. Toch lijkt het voorbarig om de zaak helemaal als gesloten te beschouwen, juist ook vanwege het verleden van Heidemann als Stasi-informant. Wellicht was de verdenking die Helmut Kohl koesterde meer op haar plaats dan hij besefte toen hij haar uitsprak.



[1] Peter Koch, ‘Der Fund’, Stern Magazin, 18, 28 april 1983, blz. 4.

[2] Hugh Trevor-Roper, ‘Secrets that survived the bunker’, The Times, 23 april 1983, blz. 8.

[3] Loc. cit.

[4] Lord Dacre, ‘Hitler: a catalogue of errors’, The Times, 14 mei 1983, blz. 8.

Gebruikte literatuur

Charles Hamilton, The Hitler Diaries: Fakes that fooled the world, The University Press of Kentucky, S.l., 1991.

Robert Harris, Selling Hitler: The story of the Hitler Diaries, Faber & Faber, Londen, 1986.

N.K.C.A. in ’t Veld, ‘De dagboeken van Hitler’, in Z.R. Dittrich, B. Naarden en H. Renner (red.), Knoeien met het verleden, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1984, blz. 176-88.

Peter-Ferdinand Koch, Der Fund. Die Skandale des Stern, Gerd Heidemann und die Hitler-Tagebücher, Facta, Hamburg, 1990.

Gitta Sereny, ‘Fakes and hoaxes: the Hitler Diaries’, in The German Trauma. Experiences and reflections, 1938-2001, [herziene druk], Penguin, Harmondsworth, 2001, blz. 162-93.


© S T R E V E N