September 2007

Thomas von der Dunk

De onmisbare balling


Hoeveel heeft de wereld, heeft Nederland, heeft Amsterdam te danken aan de balling die er een toevluchtsoord vindt? Hoeveel draagt de elders vervolgde, de uitgewekene bij aan de samenleving waarin hij belandt? Hoe welkom is hij daar, ook – of juist – als het een ‘grote’ naam betreft? Door de eeuwen heen hebben vooral steden gefungeerd als veilige haven voor hen die elders niet meer welkom waren of voortdurend door de autoriteiten werden tegengewerkt. Stadslucht maakt vrij – en dat betekent tevens al snel: vrij van brute ingrepen in de persoonlijke fysieke en psychische bewegingsvrijheid van buiten- en bovenaf.

Vrijheid staat voor ons vrijwel gelijk aan pluriformiteit, wat zelfs wel eens zo breed wordt opgevat, dat binnen die pluriformiteit ook weer ruimte is voor niches van onvrijheid – denk aan de discussies over een boerkaverbod, waarbij een wettelijke beperking van de feitelijke vrijheidsbeperking waarvoor de boerka model staat, aan tal van bezwaren onderhevig blijkt. Of denk aan de opvang van vluchtelingen – en wat zijn vluchtelingen anders dan ballingen – voor een nieuw despotisch regime die zelf onder een vorig despotisch regime de nodige gruwelen hebben bedreven: ook dat, de komst van zulke mensen, resulteert in een vorm van pluriformiteit waarmee zelfs de meest vreemdelingvriendelijke samenleving moeite zal hebben.

Ook blijkt niet elke intellectuele balling, die zich bij zijn komst met veel pathos op zijn recht op vrijheid beroept, vervolgens ook echt vrijheid voor te staan. Een voorbeeld vormt de Russische schrijver en dissident Solzjenitsyn, die niets moest hebben van het Westen waar hij onderdak vond, en voor zijn vaderland na de val van het communisme de terugkeer naar een even onvrij precommunistisch verleden propageerde. Was het toeval dat hij als balling in de Verenigde Staten zijn landgoed omringde met camera’s en prikkeldraad? En in Polen lijken eveneens sommigen na de val van de Muur de dictatuur van het proletariaat graag in te wisselen voor de dictatuur van het episcopaat.

Maar ook de ware vrijheidsvoorvechter die een dictatuur ontwijkt en elders als balling onderdak vindt, was en is niet altijd een even graag geziene gast. Achteraf mag men er trots op zijn, dat men ooit een Descartes onderdak heeft geboden, op het moment zelf gold zo iemand menigmaal als last. Niet zelden kwam hij aanvankelijk voor gesloten deuren – ‘probeert U het toch echt liefst eerst maar even verderop’. Ballingen zijn vaak querulanten, potentiële onruststokers, die menen de verkondiging van hun ideeën en idealen ook in het buitenland voort te moeten zetten – daarvoor zijn zij immers uitgeweken – en dat komt de autoriteiten niet altijd evenzeer van pas. Het kan immers de relatie met het land van herkomst van de balling nodeloos belasten, zoals in de jaren dertig die tussen Duitsland en Nederland: Hitlers schrikbewind gold als dat van een bevriende natie die niet nodeloos door provocaties van hinderlijke Duitse vluchtelingen getart moest worden, tot Hitler zelf op 10 mei 1940 onverhoeds de knop omdraaide en het gevreesde grote buurland van bevriende natie bezettende vijand werd.

De laatste twee eeuwen heeft Nederland in dat opzicht altijd wat voorzichtigjes geopereerd: geen aanstoot geven – men denke daarvoor ook aan de rel rond Rudi Carrell en de damesslipjes voor Khomeini, al zou ik Carrell noch een balling noch een intellectueel durven noemen. Een principieel openstaan voor politieke vluchtelingen ging ten onzent vaak gepaard met een – voor een klein land ook niet onlogisch – zekere praktische behoedzaamheid. Men mocht komen, mits men maar zou zwijgen.

Dat betrof bijvoorbeeld Wilhelm II (ook geen intellectueel natuurlijk), toen die op 10 november 1918 plotseling ongevraagd op het spoorperron van Eijsden opdook. Liever niet, dacht Den Haag, maar men zei uiteindelijk toch maar ja. De weigering van de Nederlandse regering om hem vervolgens voor berechting aan de Fransen en Engelsen – ‘Hang the Kaiser’ – uit te leveren bezorgde ons land de jaren daarna nog enige benauwde momenten en er was vanwege het algemene ongenoegen daarover bij onze zuiderburen zelfs even sprake van dat een Belgisch vliegtuig mogelijk ’s keizers onderkomen aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug zou komen bombarderen, maar ook deze dreiging werd gelukkig afgewend. Een intellectueel is Nederland, als gezegd, de twee decennia daarna aan Wilhelm niet rijker geworden, ofschoon hij op Doorn ijverig aan zijn memoires schreef en deze vervolgens als een filmster in ruste ten behoeve van bezoekende vereerders signeerde.

Men mocht komen, mits men maar zou zwijgen – iets wat Wilhelm II al zijn hele leven lang slecht kon. Daardoor zat hij nu ook in Doorn. Daar was hij de hem resterende levensjaren continu bezig te pogen naar huis terug te keren, en daarvoor in 1932 zelfs bereid Hermann Goering op zijn buitenverblijf te ontvangen: geen zee ging de ex-keizer te hoog. Met name zijn tweede echtgenote was voortdurend in de weer om complotten ter ondermijning van de Republiek van Weimar te beramen, en het sprak vanzelf dat men dat in Den Haag met lede ogen aanzag.

Pogen naar huis terug te keren: dat deden ook, op hun wijze, de vele ex-revolutionairen, ex-bonapartisten en nog vele andere soorten ex-Fransen die zich in het Restauratietijdvak in de zuidelijke hoofdstad Brussel van het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden van Willem I gevestigd hadden. Zij vonden er persoonlijk veilig onderdak, maar brachten vervolgens de Nederlandse staatsveiligheid in gevaar met hun plannen om van hieruit de herstelde Bourbons in Parijs van de troon te stoten: de dikke Lodewijk XVIII en de domme Karel X. Zij, die bannelingen, wisten zelfs de eerzuchtige, door zijn vader niet voor vol aangeziene en terzijde geschoven, dus in zijn ambities gefnuikte en naar erkenning dorstende kroonprins – onze latere koning Willem II – voor hun karretje te spannen, door hem de Franse kroon in het vooruitzicht te stellen. De zaak dreigde zo vanzelfsprekend Europese dimensies aan te nemen, waarbij de dreigende verwikkeling van de Oranjes in de Spaanse Carlistenbeweging door het huwelijk van prinses Irene anderhalve eeuw later in het niet zou vallen. De tsaar zag zich genoodzaakt in te grijpen en Willem I persoonlijk aan te manen zijn zoon tot de orde te roepen, wat toen ook maar is gebeurd.

Omgekeerd was Parijs in de jaren vóór Napoleon zelf een actief exporteur van gevaarlijke revolutionairen, die elders de grond onder eeuwenoude tronen omwoelen moest. Zoals de Duitsers in 1917 de intellectueel Vladimir Iljitsj Oeljanov, beter bekend als Lenin, per trein vanuit zijn Zwitserse ballingsoord terug naar zijn Russische vaderland brachten, als explosief Duits geschenk aan de tsaar – een van de meest explosieve politieke geschenken uit de wereldgeschiedenis – zo zadelden Danton, Saint-Just en Robespierre het buitenland maar al te graag met revolutionairen van eigen bodem op, nadat die in Frankrijk een nuttige leerschool hadden doorlopen.

Frankrijk was toen ook een toevluchtsoord voor veel Nederlandse intellectuelen geweest, namelijk voor patriotten die na de brute Pruisische inval, die in september 1787 op Goejanverwellesluis was gevolgd, voor de fysieke straatterreur van het orangistische plebs en de politieke vervolging door een wraakzuchtige prinses Wilhelmina uit hadden moeten wijken. Buiten Parijs vormde eveneens de kleine graafschap Burgsteinfurt in het Münsterland in die jaren een wijkplaats voor vluchtelingen, onder wie Eiso Eisinga, de stichter van het bekende planetarium te Franeker. Zelfs daar waren hij en zijn geestverwanten niet geheel veilig, de lange arm van de Nederlandse justitie reikte ver. Er werd zelfs een poging gedaan om, zoals de Israelische geheime dienst in 1960 met Adolf Eichmann deed, een paar patriotten vanuit Burgsteinfurt te ontvoeren.

Dat laatste vermag het bestaande beeld van Nederland, of daarbinnen specifiek Amsterdam, als vrijplaats voor ballingen van elders misschien iets te relativeren. En dat geldt ook voor de Gouden Eeuw, toen hier te lande zoveel gedrukt en geschreven mocht worden wat elders strikt verboden was. Is het niet veelzeggend dat de beroemdste Nederlandse intellectueel uit de zeventiende eeuw, Hugo de Groot, na zijn ontsnapping uit Loevestein in 1621, naar Stockholm is uitgeweken om uiteindelijk in Rostock te overlijden? Ook in Amsterdam was hij voor prins Maurits niet veilig geweest, en het heeft lang geduurd voor zijn geboortestad Delft zijn grote betekenis openlijk heeft durven erkennen. Nu staat ‘Hugie’, zoals hij liefkozend in de volksmond heet, echter al goed een eeuw in brons gegoten hoog op zijn sokkel op de Markt voor de Nieuwe Kerk, en moeten alle Oranjes die ginds in de kelder naast Willem de Zwijger een volgende Oranje willen begraven, er met een deemoedige boog omheen.

Toch kan gesteld worden dat de Nederlandse Republiek in deze jaren aanzienlijker toleranter was dan menig vorstendom. Daar maakte immers in het tijdvak van het absolutisme één monarch min of meer de dienst uit, die kon bepalen wat er aan meningen al dan niet geoorloofd was. In republieken – en dat gold ook voor de Italiaanse stadstaten of de vrije steden in het Heilige Roomse Rijk – is de macht meer verdeeld, en zijn de meningen het daarmee ook. Pluriformiteit! Terwijl elders het beginsel van de Augsburgse Confessievrede – cuius regio, eius religio: wiens land, diens geloof – ervoor zorgde dat de vorst zijn volk de ware kerk voorschreef en alle anderen daarmee buiten de wet stelde, daar was de Republiek vanaf het begin confessioneel gemengd: de leden van de officiële heersende calvinistische kerk vormden, ongeacht de mythe van Nederland als protestantse natie, slechts een minderheid, die vanaf het begin het bestaan van andere minderheden – de katholieke voorop – gedogen moest.

En wat zowel hier als daar voor het geloof gold, gold voor het denken in het algemeen. Ondanks alle fanatieke geestdrijverij van orthodoxe predikantenzijde jegens de paapse afgoderij, konden de katholieken in de Republiek binnenshuis redelijk ongestoord hun gang gaan. Er bestond, anders dan in Spanje of Frankrijk, geen gewetensdwang, en dat maakte de Verenigde Provinciën tot een favoriet ballingsoord voor hen die wegens theologische of intellectuele eigenzinnigheid het rechtzinnige vaderland moesten ontvluchten. Nederland dankte daaraan in de Gouden Eeuw voor een groot deel zijn bloei. Dat goede voorbeeld deed in de achttiende eeuw ook sommige koninkrijken volgen: Engeland na de Glorious Revolution, toen de angst voor een roomse restauratie heel geleidelijk begon weg te ebben, en bovenal Pruisen. De Hohenzollern hoopten hun dunbevolkte territorium door middel van een ruimhartige immigratiepolitiek aan gewicht te doen winnen, waarbij, in de woorden van Frederik de Grote, iedereen maar op zijn manier zalig worden moest – op een gegeven moment was zodoende elke derde inwoner van Berlijn van huis uit een Fransman.

Eén ding werd daarbij steeds opnieuw duidelijk: gastvrije staten haalden zo wel vaak grote namen in huis, maar even vaak ook een hoop politieke onrust. Frederik, die (ook om zijn eigen intellectuele standing te vermeerderen) een tijdlang aan Voltaire onderdak bood – overigens niet als Frans balling maar meer als Frans spion – kon weliswaar diens intellectuele grootheid niet ontkennen, maar moest tegelijk constateren dat hij nog nooit met zo’n weerzinwekkende intrigant te maken had gehad: ‘Hij is goed om te lezen, maar gevaarlijk om te ontmoeten’. Toen Voltaire in zijn spotlust uiteindelijk ook de Pruisische koning niet ontzag, liet deze de Franse filosoof vanwege een infaam libel op diens terugreis naar Parijs zelfs in Frankfurt oppakken en voor de duur van vijf weken gevangen zetten.

Dat brengt ons op een cruciaal punt: heeft al die politieke en intellectuele onrust, waar die bannelingen in de loop der eeuwen voor zorgden, Europa uiteindelijk ook vooruit geholpen? Dat is vanzelfsprekend een ingewikkelde vraag, maar het antwoord luidt al met al: ‘Ja’. Aan het feit dat vrijwel alle dwarsliggers en excentriekelingen uiteindelijk toch ergens in Europa een onderdak konden vinden, dankt Europa vermoedelijk zijn enorme voorsprong op de rest van de wereld. Een voorsprong, die in de Middeleeuwen nog volstrekt ontbrak – integendeel: China en de Arabieren lagen toen qua beschavingspeil ten opzichte van de Europeanen mijlenver aan kop – maar in de vroegmoderne tijd, in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw, geleidelijk zichtbaar, en vanaf de Industriële Revolutie en het moderne imperialisme in de negentiende eeuw onontkoombaar werd. Waaraan was dat te danken? Wel, het gaat te ver dat geheel op conto van al die bannelingen te schrijven, maar zij speelden daarbij zeker een niet oninteressante rol.

Er is, ook vanwege de relatie tussen arbeidsethos, kapitalisme en protestantisme, door historici gesteld dat die Europese suprematie in de kern te danken is aan de Reformatie: het zijn immers Engeland, Nederland en Pruisen die tijdens het Ancien Régime zo’n hoge vlucht nemen, en dan een – vrijwel tot op de dag van vandaag behouden – forse welvaartssprong verwerven op katholieke landen als Spanje of Italië. Dat is echter iets te simpel, ofschoon er zeker enige samenhang bestaat. Maar het is vermoedelijk niet zozeer de Reformatie als zodanig, als wel het mislukken – of beter gezegd: het maar gedeeltelijk lukken – van de Reformatie geweest, die voor die sprong voorwaarts van Europa heeft gezorgd. Met de Reformatie werd immers niet, zoals zonder twijfel Luthers en Calvijns intentie was, de ene waarheid voor een andere waarheid ingeruild, maar feitelijk het waarheidsmonopolie, dat zolang bij de katholieke kerk had berust, als zodanig doorbroken.

Waar de boodschap van Luthers voorganger Johannes Hus een eeuw eerder nog door Rome met geweld onderdrukt kon worden, kon dat bij Luther niet meer. Dat was dankzij een revolutionaire uitvinding die in de tussentijd had plaatsgevonden: die van de boekdrukkunst door Johannes Gutenberg uit Mainz. Daardoor hoefde Luther niet langer nog monniken RSI-klachten te bezorgen omdat die zijn boodschap vel voor vel over moesten pennen, maar kon hij daartoe eenvoudig de persen laten draaien, voor een vermenigvuldiging in duizendvoud, bovendien in de volkstaal van dat moment. Daar kon uiteindelijk geen pauselijke index of inquisitie tegenop, zoals nu ook uit de meest gesloten dictaturen toch via internet van alles naar buiten komt. En het is met de boekdrukkunst als met de atoombom: eenmaal uitgevonden, kom je er niet meer van af.

Omdat tegelijk niet iedereen door Luthers nieuwe waarheid overtuigd werd, spleet Europa in twee helften, die tegelijkertijd toch intensief met elkaar in intellectueel contact bleven, dankzij een het hele continent omspannend netwerk van geleerden en universiteiten, van Lissabon tot Uppsala. Weliswaar waren veel opvattingen in veel landen taboe, maar meestal was het nu zo dat wanneer iemand ergens iets verbodens bedacht en verkondigde en daarom vanwege een benepen machthebber de benen nemen moest, er ergens anders wel een koning of burgemeester opstond, die zei: ‘Kom maar gerust naar mij’.

Zo ontstond, aanvankelijk misschien niet zozeer binnenslands, als wel op internationaal ‘pan-Europees’ niveau, in de loop van de zestiende eeuw dankzij al deze ballingen steeds meer discussieruimte en denkvrijheid, die in de zeventiende eeuw de weg baande voor de zogeheten wetenschappelijke revolutie – die naast Galilei en Newton ook onze canoniek verklaarde Christiaan Huygens voortbracht – en vervolgens in de achttiende voor de Verlichting. Die formaliseerde uiteindelijk de feitelijk gegroeide intellectuele ruimte door, als les uit de rampzalige godsdienstoorlogen voordien, de religieuze vrijheid en verdraagzaamheid centraal te stellen. Met de Franse Revolutie mondde dit uit in ons parlementaire stelsel, dat met zijn politieke partijen de pluriformiteit tot principe heeft verheven, op basis van de vrijheid van meningsuiting: in de zeventiende eeuw grotendeels gegroeid, in de achttiende eeuw grotendeels gerealiseerd, in de negentiende eeuw ook grotendeels tot juridische grondslag van de samenleving verheven, als de oudere censuurbepalingen in de ontluikende westerse democratieën stuk voor stuk worden afgeschaft.

Die ontwikkeling was ondenkbaar zonder de politieke verdeeldheid die Europa met zijn veelvoud aan soevereine staten gedurende de vroegmoderne tijd in feite al uit de Middeleeuwen had geërfd. Anders dan in Rusland, Byzantium of de Arabische wereld, was in het Latijnse Avondland altijd sprake geweest van een bipolariteit tussen geestelijke en wereldlijke macht. Iedereen heeft op school geleerd over de strijd tussen paus en keizer, die eeuwenlang alles domineerde – maar noch de paus, noch de keizer kreeg uiteindelijk de overhand. Anders dan elders kwam het in het Latijnse deel van Europa noch tot een theocratie, noch tot caesaropapisme. Voor een contrasterende wereld richte men de blik op het orthodoxe Oosten, waar de kerk vanouds volledig ondergeschikt is aan de staatsmacht en dus ook recent nog met alle dictaturen – fascistische zo goed als communistische – moeiteloos heeft gecollaboreerd. Dankzij de politieke verdeeldheid van onze helft van Europa, die zich vanaf de Reformatie in een waardepluriformiteit vertaalde, was die enorme sprong voorwaarts mogelijk. Er was niemand bij machte om een bepaalde ontwikkeling volledig te verbieden.

Als tegenvoorbeeld moge hier daarom ten slotte China opgevoerd worden. In de vijftiende eeuw was geen land technisch zo ver ontwikkeld als dit. Als dan ook op dat moment één land in de Oude Wereld technisch voorbestemd leek om de hele aardbol te verkennen, om Afrika te varen en Amerika te ontdekken, dan ongetwijfeld China (er is zelfs een paar jaar terug een boek verschenen, waarin de auteur – zij het met een weinig overtuigende bewijsvoering – beweert dat China dat inderdaad allemaal heeft gedaan). Maar in China, met slechts één machtscentrum dat telde, kon de keizer plotseling zeggen: ‘En nu is het uit met die onzin’. In Europa kon Columbus, toen hij in zijn vaderstad Genua, en vervolgens bij de Portugezen die hun hoop op Kaap de Goede Hoop gericht hadden, geen gehoor vond voor zijn wilde plan eens westwaarts naar Indië te zoeken, ook nog naar het buurland Spanje uitwijken. En daar beten Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië – op andere momenten beslist geen exempla van ruimdenkendheid – vervolgens toe.

Het is slechts één cruciaal voorbeeld uit velen. Zij laten zich uitbreiden tot het theologisch heikele werkterrein van de astronomie, en tot eigenlijk elk intellectueel métier. Emigranten en ballingen – en de grens tussen beiden is uit de aard der zaak vloeiend – speelden daarbij een belangrijke rol. Want de vondsten en uitvindingen die hun vertrek naar elders mogelijk maakte, hun vondsten en uitvindingen die veelal hun nieuwe vaderland vooruithielpen, noopten op den duur ook de meer onverdraagzame overige overheden uit concurrentie-overwegingen om zich ruimdenkender op te stellen, wilden zij de vooruitgang van de anderen kunnen bijbenen. Aanvankelijk mogen autocratieën namelijk, met hun beroep op de noodzaak krachtig op te treden, voortvarend ogen, uiteindelijk worden zij het slachtoffer van hun eigen moedwillige onwetendheid. Uiteindelijk namelijk raken zij daardoor bij de meer open samenlevingen, die hun ballingen gastvrij hebben onthaald, hopeloos achterop.


© S T R E V E N