Mei 2008

Kaspar Beelen

Tussen uniciteit en banaliteit

De Holocaust als historiografisch en sociologisch probleem


Is de Holocaust uniek? De vraag kan ons verbazen. ‘L’histoire est la science des choses qui ne se répètent pas’, meende Paul Valéry. En inderdaad, Auschwitz is enkel heropend voor toeristen. Naziaanhangers komt men slechts tegen in schimmige Brugse kroegen of op stoere feestjes in de provincie, maar reële politieke invloed oefenen ze niet uit.

We moeten de vraag herformuleren en opsplitsen. De uniciteitskwestie draait om twee zaken. Ten eerste: is de judeocide vergelijkbaar met voorgaande gevallen van genocide? De twintigste eeuw geldt als ‘the age of genocide’. Er kwamen ongeveer vier keer zoveel mensen om het leven door genocide en politicide dan door oorlog. De judeocide was niet het eerste noch het enige geval waarin een etnische collectiviteit door een staat werd vervolgd.

Ten tweede: valt de ‘Jewish experience’ te vergelijken met de ervaringen van andere slachtoffers (de anonieme categorie ‘Other Victims’), zoals zigeuners, Jehovagetuigen, gehandicapten, Polen, Russische burgers, Russische krijgsgevangenen? De lijst van nazislachtoffers lijkt eindeloos. Recente schattingen tonen aan dat tijdens de laatste vier jaar zo’n twintig à zesentwintig miljoen ongewapende mensen door het naziregime werden omgebracht. Al blijven ook deze ramingen onnauwkeurig. Misschien is het maar beter dat we het nooit exact zullen weten.

Onder de meer dan twintig miljoen doden waren zo’n vijf à zes miljoen Joden, circa één op drie à vier dus. Toch domineert het Joodse lot het beeld van de nazigenocide. Als men het over Holocaustslachtoffers heeft, bedoelt men de zes miljoen omgebrachte Joden. Toen president Jimmy Carter sprak van elf miljoen Holocaustslachtoffers volgden er verontwaardigde reacties van prominenten als Yehuda Bauer en Elie Wiesel die hem ervan betichtten de Holocaust te ‘ontjudaïseren’. Men mag, zo betogen deze auteurs, de Joodse slachtoffers niet samenvoegen met andere slachtoffers, omdat de behandeling van Joden fundamenteel anders was. De zes miljoen Joodse Holocaustslachtoffers verdienen een centrale én onderscheiden plaats in de nazigenocide.

Met gekromde tenen sloegen sommigen deze reactie gade. In plaats van ontjudaïsering ontwaren zij monopolisering. De Holocaust is, zo menen zij, tot een mythische versie van de nazigenocide verworden. Het Joodse lijden overschaduwt het algemeen menselijk leed dat de nazi’s ook zovele niet-Joodse burgers brachten. De uniciteit van de Holocaust reduceert de ware schaal van de nazigenocide tot een bijna exclusief Joodse tragedie. Uniciteit minimaliseert of, erger, ontkent de genocidale aanvallen op andere bevolkingsgroepen, zoals de Roma-zigeuners. De term Shoah is bekender dan Porrajmos – waarmee zigeuners hun vernietiging ten tijde van de Tweede Wereldoorlog aanduiden. De spellingscontrole van Microsoft Word herkent het eerste woord wel, het tweede niet.

Auteurs als Gie van den Berghe, Norman Finkelstein en Boaz Evron neigen ertoe de uniciteit te herleiden tot een pseudo-wetenschappelijk concept dat politieke doelen dient. Van den Berghe omschrijft uniciteit als een ‘wetenschappelijk-ideologische weerspiegeling van de politisering van de judeocide’. De Joodse intellectueel Evron observeert hoe een reductie van nazislachtoffers tot Joden het verleden dusdanig laat overeenstemmen met de zionistische ideologie dat ‘it is impossible for the Jewish people to exist dispersed among other nations, without their own territory and that the continuation of their existence is possible only in their own sovereign homeland, with their own army’. Finkelstein spreekt over uniciteit als een ‘zionistische apologie’ die niet alleen het repressieve optreden van de Israëlische overheid vandaag legitimeert, maar ook een middel is tot diplomatieke, economische en vooral morele ‘chantage’.

Bovenstaande auteurs wijzen er terecht op dat er politieke en economische munt uit de Holocaust wordt geslagen. Niettemin hebben ze het volgens mij bij het verkeerde eind als zij menen dat het voorstaan van de uniciteit van de Holocaust exclusief politiek gemotiveerd is. Zulke beschuldigingen aan het adres van onder anderen Yehuda Bauer en Steven Katz zijn vaak te kwader trouw en ongefundeerd. Aantijgingen in de omgekeerde richting, waar de tegenstanders van antisemitisme worden beticht, neigen evenzeer naar laster. Door de politieke aspecten dreigt het debat in een emotioneel moddergevecht te verzanden. Ze voegen in ieder geval niets toe aan ons verstaan van de nazigenocide. Ik neem de opvatting dat de Holocaust uniek is serieus en probeer niet zozeer haar politieke wortels hyperkritisch te traceren, als wel na te gaan welke problemen er rijzen bij het aanvaarden van de uniciteit van de Joodse ervaring.

Ik definieer de uniciteitsopvatting als de overtuiging dat de behandeling van de Joden binnen de nazigenocide onvergelijkbaar is met andere gevallen en slachtoffers van genociden. De term Holocaust duidt op een relaas over de nazigenocide waarin de judeocide centraal staat. Met ‘nazigenocide’ bedoel ik de genociden in de periode 1939-1945: van T4 of ‘euthanasia’ tot het einde van de oorlog en de ontmanteling van de kampen.

De vraag is dus: hoe verhoudt de Holocaust zich tot de nazigenocide?

Uniciteit als historiografisch probleem: Goldhagen

Voor een oorspronkelijk academisch werk kende Hitler’s Willing Executioners van Daniel Goldhagen een eigenaardige receptie. Het boek vond gretig aftrek, maar binnen academische kringen stootte het op een bijna algehele afwijzing. Ook de pers was verdeeld: van lovende kritieken in Amerikaanse en Britse periodieken tot ‘Einfach ein schlechtes Buch’ in Duitsland [1]. Zelfs toegewijde aanhangers van de uniciteitsgedachte distantieerden zich van Goldhagens resultaten. Yehuda Bauer vroeg zich in eerste instantie af waarom de Harvard-professoren dit proefschrift in hemelsnaam geaccepteerd hadden.

Om de uniciteitsgedachte en Goldhagens standpunt te begrijpen moeten we eerst de bredere context van de historiografie over de nazigenocide bezien. De ondertitel van zijn boek luidt nota bene ‘Ordinary Germans and the Holocaust’. Het tracht te verklaren hoe dit hoogontwikkelde land tot zulk een barbarij kon vervallen. Wat is, meer bepaald, de relatie van ‘de Duitsers’ tot de Holocaust? Goldhagen antwoordt resoluut: zonder Duitsers geen Holocaust. Hij noemt hen consequent de ‘begerige’ daders. Zo ontstaat er een collectieve schuld voor een collectieve misdaad.

Deze radicale stelingname is gedeeltelijk een reactie op een debat dat tussen 1986 en 1988 voornamelijk door Duitse intellectuelen werd gevoerd: de Historikerstreit. Daartoe gaf Ernst Nolte de aanzet met een pleidooi om de plaats van de Holocaust in de geschiedenis te normaliseren. Deze aanval op de uniciteit is door velen als een apologie van het nazisme geïnterpreteerd. Nolte meende dat het uitmoorden van de Europese Joden door de Nazi’s een angstvallige reactie was op de terreur van Stalin in de jaren twintig en dertig. Er bestond aldus een ‘causale nexus’ tussen de stalinistische zuiveringen en de Holocaust. Deze laatste misdaad was slechts een ‘gebrekkige kopie’ van de eerste. Zo geredeneerd kon men de morele bezwaren netjes achter het IJzeren Gordijn vegen.

Belangrijk aan Noltes interpretatie is dat ze de morele schuld van ‘de Duitsers’ aanzienlijk verlichtte. Critici van Nolte en zijn conservatieve kompanen meenden dat het afzwakken van de uniciteit van de Holocaust de recuperatie van de Duitse identiteit beoogde. Door de Holocaust vanuit een vergelijkend perspectief te benaderen poogden zij de Duitser terug een verleden voor te schotelen dat ten onrechte ontdaan was van zijn scherpe randen. Goldhagen treedt deze critici bij. Zijn ‘geen Duitsers, geen Holocaust’ beantwoordt Noltes ‘provocatie’. In plaats van de schuld te verplaatsen breidt hij ze uit tot alle Duitsers. Daarbij meent Goldhagen dat hun volksaard zo doordrongen was van de drang om de Joden te vernietigen, dat een Duitse identiteit zonder antisemitisme en zonder Holocaust gewoonweg ondenkbaar is.

Voorts is het goed vooraf te weten dat het historiografisch veld bestaat uit ideologisch-intentionalisten en structureel-functionalisten. Deze stromingen verschillen in veel punten van mening, maar ik beperk me hier tot het probleem van ‘human agency’. De judeocide was een misdaad, het uitroeien van de Europese Joden was mensenwerk, daar bestaat geen enkele twijfel over. Het twistpunt is de karakterisering van de daders. Dit debat gaat in feite terug op twee opvattingen over de vrijheid van de mens. Daar waar intentionalisten uitgaan van een vrije keuze (en de daaraan verbonden morele verantwoordelijkheid), benadrukken functionalisten de geconditioneerdheid en onvrijheid van de mens.

Intentionalisten beschouwen de Holocaust dan ook als het logische gevolg van de ideologie en intentie van de vervolgers en wijzen op de dominantie van het antisemitisme binnen de nazi-ideologie. Intentie en ideologie sturen de gebeurtenissen. Zodoende ligt de hoofdoorzaak van de nazigenocide in het antisemitisme. Volgens functionalisten staat de ideologie echter in dienst van de gebeurtenissen. Ongetwijfeld, redeneren ze, trachtte Hitler zich te ontdoen van alle Joden, maar het opteren voor een genocidale strategie is het hoogtepunt van een cumulative radicalization die samenhangt met de geopolitieke ontwikkeling van het Reich. Tussen de oorspronkelijke intentie (antisemitisme) en het resultaat (judeocide) interfereerde veel.

Structureel-functionalisten neigen er zelfs toe het belang van antisemitisme te minimaliseren als ‘een van de vele oorzaken’ van de nazigenocide. Merk op dat deze stellingname impliceert dat de scheidingslijn tussen Joden en andere slachtoffers vervaagt. Daarbij komt dat structureel-functionalisten het verhaal van de Holocaust depersonaliseren. Niet zozeer de intentie van het individu als wel het maatschappelijk raamwerk waarin het individu leeft, ligt aan de basis van zijn daden. In plaats van oorspronkelijke moordzucht stellen structuralisten een (gestage) socialisering centraal. Men spreekt in dit verband van ‘cages’. Deze kooien zijn de instituties waarin ‘gewone Duitsers’ als het ware vrijwillig gevangen zitten en waarin zij systematisch in een geweldscultuur worden geïndoctrineerd. Michael Mann wijst op grote analogieën in de achtergrond van daders. Een meerderheid kende een lange carrière van oplopende gewelddadigheid. Velen waren bijvoorbeeld oudgedienden van het Freikorps.

Om nu terug te komen op Goldhagen, je kunt zeggen dat hij een hardcore ideologisch-intentionalist is en bijgevolg een fanatiek verdediger van de uniciteit van de Holocaust. Hij gebruikt het uniciteitsargument volgens mij als middel tegen de toegenomen historisering van de judeocide. Binnen de kring van historici kreeg de structuralistische interpretatie de overhand. De Holocaust verloor haar directe morele boodschap door een toegenomen bewustzijn van de complexiteit ervan. Een doorgedreven structuralistische benadering dreigde de menselijke verantwoordelijkheid te verduisteren.

Hitler’s Willing Executioners is een analyse van politiebataljon 101. Goldhagen schreef die mede als reactie op Christopher Brownings onderzoek naar hetzelfde bataljon. Beide auteurs zoeken naar de motivatie van ‘ordinary men’. Browning poogt te duiden hoe ‘alledaagse’ politiemannen op zulk een brutale wijze Poolse Joden konden uitmoorden. Kort gezegd haalt hij de context aan als verklaring voor hun gedrag. De extreme situatie waarin deze mannen zich geworpen zagen, gecombineerd met groepsdruk, alcohol en conformisme, leidde tot een gewelddadig en destructief gedragspatroon. Browning is zich bewust van de morele implicaties van zijn conclusies. Er bestaat geen objectieve psychologische scheidingslijn tussen onszelf en de mannen van politiebataljon 101. ‘If the men of Reserve Bataljon 101 could become killers in such circumstances, what group of men cannot?’ Morele veroordeling wordt bemoeilijkt door zulke bevindingen. Men hoeft van oorsprong geen slecht mens te zijn om de meest wanstaltige misdaden te begaan.

Intentionalisten daarentegen doorspekken hun academisch discours vaak met morele verontwaardiging. Ook Goldhagen tracht een emotionele snaar te raken:

‘Ze kozen ervoor een hospitaal binnen te lopen en de zieken neer te schieten, die ineenkrompen, smeekten en om genade hadden moeten schreeuwen. Ze vermoordden baby’s. […] Naar alle waarschijnlijkheid schoot de moordenaar ofwel de zuigeling dood in de armen van de moeder – en misschien de moeder ook op de koop toe – ofwel, zoals de gewoonte was in die jaren, hield hij het op een armlengte afstand en vuurde op het kind met zijn pistool. Misschien keek de moeder huiverend toe. Het lichaampje werd vervolgens weggeworpen als afval om het te laten rotten.’ [eigen vertaling, KB]

Door van de nazigenocide een exclusief Joods verhaal te maken komt Goldhagen makkelijker tot een monocausale verklaring én een morele stellingname: ‘de Duitsers’ werden gedreven door ‘eliminatie-antisemitisme’. Deze term staat voor een vorm van antisemitisme die gericht is op de verwijdering van Joden, hetzij door deportatie, hetzij door fysieke vernietiging. De ‘Duitse’ volksaard en cultuur was doordesemd van dit type antisemitisme, meent Goldhagen, ze was inherent aan het ‘Duitse’ denken. Hij wil tonen hoe ‘Duitsers’ al voorafgaand aan het naziregime de Joodse bevolking wensten te elimineren. Hitlers machtsovername krijgt zo een ondergeschikte rol in de uitroeiing van de Joden. De Führer was domweg degene die de antisemitische doos van Pandora opende.

Ordinary Germans’ zijn dus geen ‘ordinary men’ volgens Goldhagen. Ergens is deze conclusie geruststellend. Daar waar Browning er niet in slaagt een objectief criterium te geven dat ons onderscheid van de doorsnee SS’er, werpt Goldhagen eliminatie-antisemitisme op. Hij legt ook de zwakte van het uniciteitsargument bloot: het creëert een hiërarchie in slachtofferschap. Want indien eliminatie-antisemitisme aan de basis van de nazigenocide lag, wat dan met de miljoenen andere slachtoffers, wat met de meerderheid? Nevenschade? De nazigenocide herschrijven als een veroordeling van het antisemitisme suggereert dat de dood van de overige vijftien miljoen minder intentioneel is.

Goldhagen beroept zich derhalve op het principe van intentionaliteit om de Holocaust uniek te verklaren. De excess brutality waarmee de Holocaust gepaard ging is geworteld in de hevigheid van het Duitse antisemitisme en toont haar uniciteit aan. Ook Steven T. Katz redeneert in deze richting. Het virulente antisemitisme isoleert de Jood als slachtoffer van de overige vervolgden. Hier gaat het niet alleen over slachtoffers van de nazigenocide maar van alle genociden. Katz formuleert zijn stelling zo: ‘[De Holocaust is uniek] omdat nooit tevoren een staat zich ten doel had gesteld, zowel als intentioneel principe als als reëel beleid, om elke man, vrouw en kind, die tot een specifiek volk behoren, fysiek te vernietigen’. Het bewijs vanuit intentionaliteit heeft inmiddels de meeste medestanders. Voorheen dienden kwantitatieve argumenten om Joden van andere slachtoffers te onderscheiden. Maar over het algemeen zijn deze argumenten verworpen.

David Stannard gebruikt die vaststelling van wisselende argumentatie om uniciteit te verwerpen: ‘bijna alle voorstanders van het uniciteitsargument hebben gedurende jaren enkel die informatie gezocht en naar voren geschoven, die hun eigen voorafgaande overtuiging leek te ondersteunen ten aanzien van de uniciteit van het Joodse lijden’. Dit is onzin, of alleszins geen goede reden om uniciteit te verwerpen. Welke wetenschapper werkt zonder voorafgaande overtuiging of intuïtie? Bovendien hoeft een veranderende argumentatie niet te duiden op een foutief standpunt. Creationisten beroemen zich erop al vele eeuwen dezelfde leer aan te hangen, terwijl boeken over evolutietheorie elk jaar worden bijgeschaafd.

Stannard wil aantonen dat wetenschappers de uniciteit van de Holocaust gebruiken om andere genociden te ontkennen, of het belang ervan trachten te minimaliseren. Het echte probleem ligt in de morele hiërarchie die men schept, gewild of ongewild. Hierbij heeft hij vooral Steven Katz in het vizier. Deze mag opperen dat ‘in arguing for the uniqueness of the Holocaust, I am not making a moral claim’, in feite doet hij dat volgens Stannard juist wel. Katz meent dat de Holocaust de enige werkelijke genocide is geweest. Maar dit hangt samen met zijn invulling van het begrip ‘genocide’.

Uniciteit als sociologisch probleem: het Holocaustparadigma

En toch moeten we uniciteit serieus nemen. Michael Berenbaum stelt ons voor een pregnant vraagstuk: ‘Alleen door het lot te begrijpen van anderen die hebben geleden, daar waar het leek op de Joodse ervaring en – belangrijker nog – daar waar het verschilde, kunnen we het distinctieve karakter van het Joodse lot als een historisch feit aantonen’. De Holocaust dreigt ons begrip van het fenomeen ‘genocide’ in zijn algemeenheid te vervormen. Als een Holocaustparadigma de genocidenstudies domineert, dan vernauwt het onze blik tot enkele (meestal extreme) gevallen van volkerenmoord, soms zelfs tot één geval, namelijk de Holocaust zelf.

Om dit te snappen, moeten we het Holocaustparadigma zien in relatie tot het begrip ‘genocide’, zoals uitgelegd door Rafaël Lemkin. Lemkin was niet geobsedeerd door het lot van de Europese Joden, noch koesterde hij een abstracte liefde voor de ‘mensheid’. Hij ontwierp de term ‘genocide’ om de bestaande verscheidenheid in religieuze en culturele groepen te beschermen. Het behoud van deze groepen beschouwde hij als essentieel voor de beschaving ‘because every one of these groups has a mission to fulfill and a contribution to make in terms of culture’.

Genocide was bijgevolg niet alleen van toepassing op judeocide maar behelsde onder meer ook de deportatie van Ottomaanse Armeniërs. Lemkin behandelde de judeocide niet als een geval apart. Deze opvatting is weerspiegeld in zijn concept van genocide, dat meer omvat dan massamoord die leidt tot complete fysieke destructie van een etnische groep. ‘Generally speaking, genocide does not entail the immediate destruction of national groups, except when accomplished by mass killing of all members of a nation.’ Biologische/fysieke vernietiging is de kern van het genocidaal proces, maar genocide kan er niet toe gereduceerd worden.

Lemkin heeft oog voor vele niet direct dodende genocidale technieken die uiteindelijk een collectiviteit fysiek willen aanvallen. Het opdringen van benarde levensomstandigheden, zoals het verplicht samenhokken in getto’s, is op zich geen directe massamoord. Toch valt de verplichte gettoïsering van Joden onder de noemer ‘genocide’, omdat ze een situatie schept waarin het dodencijfer exponentieel toeneemt en het geboortecijfer keldert. Gettoïsering werkt fysieke vernietiging in de hand. Lemkin noteert dat dit ook voor de ‘verduitsing’ van Poolse burgers geldt, die een fysieke aanval op Poolse burgers was en niet louter ‘the change of the national pattern’ (i.e. culturele assimilatie). Deze opvatting is als volgt in de United Nations Genocide Convention verweven: ‘[Genocide is] deliberately inflicting on the group conditions of life calculated to bring about its physical destruction in whole or in part’ [2].

Deze conventie is het mikpunt geworden van kritiek tegen de ideeën van Lemkin zelf, die er inderdaad zijn intellectuele stempel op had gedrukt. Zijn ‘brede’ opvatting van genocide kwam onder vuur te liggen. De dominante ‘liberale’ stroming binnen de genocidenstudies neemt afstand van Lemkins oorspronkelijke ontwerp, en doet het begrip steeds meer op de Holocaust gelijken. De uniciteit van de Holocaust wordt zogenaamd verworpen maar tegelijk ontwaart men een ideaaltypische genocide. Dirk A. Moses stelt dan ook: ‘By regarding [the Holocaust] as the ultimate case, liberals thereby bring the Holocaust uniqueness into comparative genocide studies by the back door’.

Vernauwing van genocide tot Holocaust komt neer op het weglaten van niet-dodende genocidale technieken – die Lemkin en de Verenigde Naties in hun definitie hadden geïncorporeerd. Katz hanteert verreweg de meest enge definitie: genocide is een vorm van ‘mass murder [where] there is an actualized intent […] to physically destroy an entire group’. Zo geformuleerd voldoet enkel de judeocide aan deze vereisten. Dan hoeft het niet te verwonderen dat men Katz verwijt de Holocaust te gebruiken om andere genociden te ontkennen. Ongetwijfeld is dat niet zijn intentie, maar de facto komt het er wel op neer.

Naar deze maatstaven zou bijvoorbeeld de Armeense genocide geen genocide zijn. Hoewel op lokaal niveau vele Armeense gemeenschappen volledig werden ontworteld en uitgemoord, is het maar de vraag of de leiders in Istanbul de volledige fysieke vernietiging van alle Armenïers beoogden. Het heeft er meer van weg dat men de Armeense millet (natie) voor eens en altijd tot impotente minderheid trachtte te reduceren. Niettemin trof de genocide zowel Armeniërs als Joden procentueel gezien even hard, in beide gevallen naar schatting zo’n 66 à 67 procent. Men kan dus vragen stellen bij de relevantie van Katz’ opvatting.

Ook het handboek van Frank Chalk en Kurt Jonassohn is een voorbeeld van de liberale stroming. Zij beperken genocide tot gevallen van ‘one-sided mass killing’ geïntendeerd door ‘a state or other authority’ [3]. Exemplarisch voor deze definitie is haar obsessie met directe fysieke vernietiging en de rol van staten in dit destructieproces. Deze elementen, massamoord en staatsautoriteit, zijn het best van toepassing op de judeocide. In feite zijn het juist deze twee die de Holocaust volgens Katz uniek maken! Als we zijn bovenstaande formulering resumeren, komt ze neer op het feit dat nog nooit een staat de volledige fysieke vernietiging van een collectiviteit heeft nagestreefd zoals bij de Holocaust. Met andere woorden, genocide wordt weer gemodelleerd naar kenmerken waarin de Holocaust excelleerde. De Holocaust wordt de moeder aller genociden.

Dit is problematisch om twee redenen. Ten eerste speelt het uniciteit in de kaart. Louter gemeten naar de aspecten staatsintentie en massamoord, staat de Holocaust eenzaam en alleen als een archetype, als een bijna ‘ideale’ genocide die slechts eenmalig is voorgekomen. Indianen waren voor een groot deel gestorven ten gevolge van ziektes, sommige Armeniërs konden hun leven redden door zich te bekeren, massale hongersnoden onder Mao waren niet geheel geïntendeerd, de hongersnoden in Oekraïne daarentegen waren intentioneel maar niet gericht op complete vernietiging enz. Yehuda Bauer heeft voorgesteld om een onderscheid tussen genocide en Holocaust te maken. Enkel de Joden ondergingen een Holocaust omdat zij het slachtoffer werden van intentionele biologische destructie die hen van de aardbodem trachtte te vegen. Dit in tegenstelling tot andere slachtoffers van genocide die voornamelijk stierven aan niet-dodende genocidale technieken; moord was veeleer repressief dan destructief.

Volgens mij vertonen de redeneringen van Bauer en Katz een zekere eenzijdigheid. Waarom de overmatige focus op intentie en directe fysieke vernietiging? Misschien was de algehele uitroeiing van Indianen, Herero’s en Aboriginals niet zo intentioneel nagestreefd, maar in werkelijkheid waren deze genociden veel completer. Stannard heeft berekend dat de ‘American Holocaust’, hoewel minder gericht op directe biologische vernietiging, de inheemse bevolking zowel proportioneel als absoluut veel harder trof dan de Europese Joden. Daarbij komt de vraag waarom, zelfs in het geval van de Holocaust, ‘mass killing’ primeert op ‘conditions of life’. Volgens een calculatie van Raul Hilberg stierven er buiten de concentratiekampen zo’n twee miljoen Joden. Bijna de helft hiervan overleed niet direct door nazigeweld maar aan de erbarmelijke levensomstandigheden in getto’s en dergelijke. Waarom zouden dit geen Holocaustslachtoffers zijn? Lemkin had het volgens mij bij het rechte eind genocidale technieken niet te versmallen tot intentionele massamoord.

De tweede reden waarom de Holocaust maar beter niet de moeder aller genociden kan zijn luidt: stellen dat de Holocaust een uiterst slechte archetypische genocide is, is even waar. ‘To classify events [of genocide] […] by whether they are or are not a Holocaust is like measuring viral fevers with a thermometer which only has markings of 96 to 106 degrees’ (Helen Fein). De Armeense genocide en vooral de Holocaust zijn exceptioneel, maar genocide op zich niet. Ondanks de kreet ‘never again’ komt genocide ‘ever again’ voor. Niet lang geleden vertolkte Gérard Prunier zijn woede over de situatie in Darfur: ‘[C]eux qui osent encore dire "plus jamais ça" font preuve soit d’inconscience, soit d’une hypocrisie monstrueuse’ [4].

Fein brengt het Holocaustparadigma in verband met onze onmacht een genocide mondiaal een halt toe te roepen. Dit paradigma leidt volgens haar tot een misvatting van genocide. Wetenschappers zijn geobsedeerd door een gigantische genocide die zich in een van de meest ontwikkelde landen heeft afgespeeld, terwijl de meeste genociden zich momenteel in de derde wereld voltrekken. Fein beargumenteert hoe uitzonderlijk de Holocaust was die een grote ideologische motivatie bezat. Inderdaad zijn ideologische genociden in de minderheid. Het merendeel zijn ‘retributive genocides’ waarin een elite van een dominante etnische groep een andere collectiviteit uit de weg ruimt die mogelijk haar positie ondermijnt. Als we naar Darfur vandaag kijken, dan springt daar ook de slechte gelijkenis met de Holocaust in het oog. Hier is het zelfs onmogelijk genocide te beperken tot ‘one-sided killing’, zoals Chalk en Jonassohn propageren. De versplintering en anarchie onder rebellengroepen maakt het ons moeilijk een heldere dader-slachtofferdichotomie te ontwaren. Niettemin leidt de bevolking en masse onder het geweld.

Academici gespecialiseerd in genocide in de derde wereld, zoals Léo Kuper en Helen Fein, schrijven een veel kleinere rol toe aan de staat als actor. Was de staat bijvoorbeeld werkelijk zo belangrijk in de koloniale genociden? Daarnaast kan men niet verwachten dat een continent met relatief zwakke staten een infrastructuur als nazi-Duitsland aanwendt om een groep als totaliteit uit te roeien. De meeste genociden zijn dan ook zowel in intentie als in resultaten ‘genocide in part’.

Naar mijn mening moeten we aanvaarden dat genocide een globaal fenomeen is… en dat Europa niet de wereld is. Ik bedoel dat we ‘onze’ Holocaust niet als maatstaf mogen hanteren waaraan we het genocidale gehalte van alle andere conflicten afmeten. Het probleem blijft nochtans doodeenvoudig: hoe kunnen onschuldige en weerloze mensen tegen nietsontziend geweld beschermd worden? Blijkbaar hebben we hier nog geen afdoend antwoord op.



[1] Eberhard Jäckel in Die Zeit, 31 mei 1997, blz. 4.

[2] United Nations Genocide Convention, Article ii (c), 1948.

[3] De volledige definitie luidt: ‘Genocide is form of one-sided mass killing in which a state or other authority intends to destroy a group, as that group and membership in it are defined by the perpetrator’ (blz. 23).

[4] Gérard Prunier, ‘Darfour, la chronique d’un génocide ambigu’, Le Monde diplomatique, maart 2007.


Selectieve bibliografie

Michael Berenbaum, ‘The Uniqueness and Universality of the Holocaust’, American Journal for Theology and Philosophy, 2, 1981, blz. 81-98.

Christopher Browning, Ordinary Men: Reserve Battalion 101 and the Final Solution in Poland, HarperCollins, 1993.

Frank Chalk en Kurt Jonassohn, The History and Sociology of Genocide, Yale University Press, 1990.

Boaz Envron, ‘The Holocaust: Learning the Wrong Lessons’, Journal of Palestine Studies, 10, 1981, blz. 16-26.

Helen Fein, ‘Remembering for the Present: Using the Holocaust to Misunderstand Genocide and to Segregate the "Final Solution of the Jewish Question"’, in The Holocaust and the Age of Genocide, Palgrave, 2005.

Norman Finkelstein en Ruth Bettina Birn, Een volk staat terecht: Misleiding en bedrog bij Goldhagen, Balans, 1998.

Daniel Goldhagen, Hitler’s Willing Executioners: Ordinary Germans and the Holocaust, Brown, 1996.

Raul Hilberg, ‘The Goldhagen Phenomenon’, Critical Enquiry, 23, 1997, blz. 721-728.

Steven T. Katz, ‘The Uniqueness of the Holocaust: The Historical Dimension’, in Alan S. Rosenbaum (red.), Is the Holocaust Unique? Perspectives on Comparative Genocide, Boulder, 1996.

Rafaël Lemkin, Axis Rule in Occupied Europe: Laws of Occupation, Analysis of Government, Proposals for Redress, Carnegie Endowment for Peace, 1944.

Michael Mann, The Dark Side of Democracy, Cambridge University Press, 2005.

Dirk A. Moses, ‘The Holocaust and Genocide’ in Dan Stone (red.), The Historiography of the Holocaust, Palgrave, 2004.

Dirk A. Moses, ‘Structure and Agency in the Holocaust: Daniel J. Goldhagen and his Critics’, History and Theory, 37, 1998, blz. 194-219.

Gavriel D. Rosenfeld, ‘The Politics of Uniqueness: Reflections on the recent polemical turn in Holocaust and genocide scholarship’, Holocaust and Genocide Studies, 13, 1999, blz. 28-61.

David Stannard, ‘Uniqueness as Denial: the Politics of Genocide Scholarship’, in Alan S. Rosenbaum (red.), Is the Holocaust Unique? Perspectives on Comparative Genocide, Boulder, 1996.

Gie van den Berghe, De uitbuiting van de Holocaust, Boom, 1996.

Georgi Verbeeck, ‘In de schaduw van Auschwitz en de Goelag Archipel: de Historikerstreit’ in Patrick Dassen en Ton Nijhuis, Gegijzeld in het verleden: controverses in Duitsland van de Historikerstreit tot het Sloterdijk-debat, Boom, 2001.


© S T R E V E N