Juli-Augustus 2008

Sander Boelens

De langdurige generatie

Over de pensioenen van babyboomers


De geschiedenis van de eenentwintigste eeuw begon op 6 juni 1944. ’s Avonds was duidelijk dat de geallieerde landingen op de Normandische kust zouden slagen. Dezelfde dag waren geallieerde troepen Rome binnengetrokken. De crisis van de jaren dertig was voorbij, de oorlog bijna gewonnen en: de geboorte-explosie begon. In 2011 worden de oudsten van de naoorlogse geboortegolf 65 jaar, de leeftijd waarop men in veel landen officieel met pensioen gaat.

De generatie van de naoorlogse geboortegolf groeide op ten tijde van een zich voltooiende industrialisatie. De consumptiemaatschappij ontstond, mede mogelijk gemaakt door de loongolven als gevolg van de uitzonderlijke periode van economische groei die volgde op de wederopbouw. De dienstenmaatschappij kwam in de plaats van de industriële samenleving, waardoor de onbelemmerd vervolgonderwijs genietende babyboomers probleemloos een passende werkkring konden vinden. Wat zij aantroffen bij het betreden van de arbeidsmarkt – dit is normaal bij generaties – geeft nog steeds richting aan hun denken.

De generatie van 1968

De babyboomgeneratie, ook wel de ’68-ers genoemd, kende buitengewoon gunstige sociaaleconomische omstandigheden. Zij reageerde heftig op haar ouders – in het fameuze generatieconflict uit de jaren zestig – die geen erkenning hadden gekregen voor de geslaagde verwezenlijking van het eeuwenoude verlangen van de middenklasse naar een maatschappij met sociale zekerheden, de verzorgingsstaat. De onverwachte maatschappijkritiek vertaalde zich bij de jongeren in een nostalgisch verlangen naar de tijd van vóór de ordening die de kern van de verzorgingsstaat uitmaakte. Romantische gevoelens, die gezien de leeftijd van diegenen die protesteerden tegen datgene waarvan ze profiteerden wel logisch waren, speelden een belangrijke rol in de wens van de generatie van 1968 de staat een andere taak te geven. Herverdelend en veranderend, speels maar toch kritisch, moest een verdere spreiding van kennis, macht en inkomen ontstaan. Paradoxalerwijs leidde dit streven naar het uitbannen van risico’s door middel van sociale modernisering tot een risicomaatschappij, om de term van Ulrich Beck te gebruiken, die haar verantwoordelijkheid bij het individu zou neerleggen. Het uiteindelijke resultaat is een ‘vloeibare samenleving’, zoals Zygmunt Bauman het uitdrukt, die de maatschappelijke deelnemer op elk denkbaar vlak in onzekerheid heeft gestort.

Daarmee wordt de toekomst een cultureel probleem. De optimistische cultuur van 1968 bemoeilijkt het onder ogen zien van informatie die wijst op grote toekomstige problemen, als zij dit niet al onmogelijk maakt. ‘Wees realistisch, eis het onmogelijke’, zo sprak men de stalinist Che Guevara na. Momenteel wordt het onmogelijke van de jongeren verwacht en, als men zo doorgaat, geëist. Dit gaat ten koste van de kinderen die elke samenleving nodig heeft voor de toekomst.

 De Romantiek had duidelijk conservatieve, zelfs reactionaire kanten. Voor 1968 geldt hetzelfde. Het progressieve optimisme van de jaren zestig in combinatie met een romantisch ‘samengevoel’, solidariteit, leidt tot het miskennen van toenemende signalen van onrust over de toekomst van de ’68-ers, het pensioen. Het streven van 1968 is zo verworden tot een reactionaire behoudzucht ten aanzien van wensen en verlangens die moeten worden gefinancierd met nieuwe premies, belastingen en andere financiële verzwaringen voor de jongere generaties. Een nieuwe generatiecrisis doemt op. In Frans Baskenland werden vorig jaar tweede woningen in brand gestoken door jongeren die in de verste verte nog geen eerste huis weten te betalen.

Jongere generaties worden in tijd en geld zo sterk overbelast, dat ze zich mondiaal steeds minder kinderen kunnen veroorloven. Onderbevolking begint vooral in Europa de kop op te steken.

Aanvullende pensioenen

Noodzakelijke uitwegen ontbreken uit het dilemma van het besteden van algemene middelen aan ofwel kinderen ofwel ouderen. Het te verwachten gevolg is, dat de vergrijzing steeds minder betaalbaar wordt. Waarschijnlijk is dit, naast het milieuvraagstuk, het grootste probleem waarvoor de eenentwintigste eeuw zich gesteld ziet. De kernvraag is of jongere generaties er in de nabije toekomst in zullen slagen de pensioenstelsels in stand te houden, door er direct of indirect voor te blijven werken en betalen. Keer op keer is berekend dat jongere generaties meer betalen dan oudere generaties, en daarvoor minder krijgen. Oudere generaties daarentegen krijgen meer dan waarvoor zij hebben betaald.

In Nederland, het land met het hoogste belegd vermogen ten behoeve van pensioenen, wordt verplicht een aanvullend pensioen opgebouwd. Het is aanvullend op een omslaggefinancierd pensioen dat door werkenden wordt betaald voor gepensioneerden. Het aanvullende pensioen is kapitaalgedekt, wat wil zeggen dat de verplichte premies voor de betaler zelf belastingvrij worden belegd om later als pensioen te worden uitgekeerd. Nederland heeft een gemengd betalingsstelsel, zowel via omslag als kapitaaldekking.

Elk land heeft in meer of mindere mate een gemengd stelsel, omdat er in elk land door velen, zelfstandigen bijvoorbeeld, voor het pensioen wordt gespaard en belegd, al dan niet vrijwillig, als aanvulling op verplichte voorzieningen. In Duitsland, een van ’s werelds meest krachtige economieën en tevens een land met voornamelijk een omslagstelsel, gebeurt dit vrijwillig door de grote groep van zelfstandigen.

In omslagstelsellanden werd te weinig gespaard en te veel geconsumeerd. De pensioenverwachting was er gebaseerd op hoge lonen die te hoge consumptie veroorzaakten. In kapitaaldekkingslanden werd dan weer te veel gespaard. In Nederland lag de rendementsverwachting lang op vier procent. De premies en de geherinvesteerde rendementen zorgden er voor hoge pensioenverwachtingen. Een knelpunt is dat waardepapieren eerst te gelde zullen moeten worden gemaakt. Voor het pensioen gekochte aandelen zullen ooit moeten worden verkocht.

De pensioenen van de gepensioneerden zijn voor het bedrijfsleven loonkosten, voor de werknemers premies, voor de pensioenfondsen toekomstige aanspraken. De rendementen moeten, in welke vorm dan ook, door de werkenden onder jongere generaties worden opgebracht. Zijn die rendementen er niet, dan is een omslagstelsel even goed, en waarschijnlijk zelfs beter wanneer er sprake is van negatieve rendementen, bijvoorbeeld doordat de belegde vermogens minder waard worden.

Bij beide stelsels blijft het echter de vraag of jongere generaties in de toekomst de rendementen dan wel de direct aan de gepensioneerden uit te keren pensioenen kunnen opbrengen. Direct zou dit moeten gebeuren in de vorm van stijgende salarissen door een groeiende arbeidsproductiviteit, economische groei, die dan extra zal worden belast voor de vergrijzing. Indirect zouden economische groei en een toename in de bedrijfswinsten zich in rendementen uit dividenden en stijgende beurskoersen moeten vertalen. Samen met de renten over staatsschulden en grondstoffen zijn dit de rendementen waarvan de pensioenen bij kapitaaldekking moeten worden betaald.

De jonge generatie overvraagd

Jongere generaties zullen niet aan deze verwachtingen kunnen voldoen. Daar zijn twee belangrijke redenen voor. Ten eerste worden de jongeren overvraagd. Ze moeten niet alleen zorgen voor de pensioenen, maar ook betalen voor een groeiend beroep op de zorg. Alles bij elkaar genomen (premies, belastingen, accijnzen, prijsverhogingen en staatsschulden) bewegen de vergrijzinglasten zich inmiddels in Europa in de richting van de helft van het inkomen. Dit is nog maar het begin. Met teruglopende bevolkingen en een toenemend aantal gepensioneerden zal het, ten tweede, heel lastig worden een afname van de economische groei te voorkomen, al kan er natuurlijk een groei per hoofd van de bevolking blijven bestaan. Daardoor zullen jongere generaties zich niet kunnen veroorloven de pensioeninvesteringen over te nemen tegen het bedrag waarvoor ze in de boeken staan. Als jongere generaties ertoe zouden worden verplicht, bijvoorbeeld ten behoeve van hun eigen pensioen, dan doet het probleem zich alleen maar nog sterker voor bij de daaropvolgende generatie.

Er zullen voor steeds meer, en steeds ouder wordende, gepensioneerden hoge pensioenen moeten worden betaald. Er bestaat geen Europees land waar het geboortecijfer hoog genoeg is om de demografische opbouw in stand te houden. De verhouding tussen werkenden en ouderen verandert zodanig dat er binnenkort landen zijn waar elke werkende een gepensioneerde te onderhouden heeft – een kwarteeuw geleden waren er vier werkenden per gepensioneerde. In de afgelopen eeuw is men in Europa per jaar gemiddeld een maand ouder geworden, zonder dat de pensioneringsdatum voldoende is aangepast. Integendeel, in het laatste kwart van de vorige eeuw is men steeds vroeger gestopt met werken. De Verenigde Naties hebben eens berekend dat in Europa de leeftijd van pensionering 75 jaar zou moeten zijn, om het pensioen op het niveau van 1995 te houden. Dat de pensioenen hoger geworden zijn dan ooit de bedoeling was, blijkt mijns inziens het meest duidelijk uit de verhoging door Adenauer in 1957 van de voorgestelde vijftig procent van het laatstverdiende loon naar zeventig procent. Het commentaar van Höffner, mede-indiener van het plan in 1956: ‘Wer unser Rentensystem später einmal ändern will, muss dann entweder die Alten enteignen oder die Jungen ausbeuten’.

De onmogelijkheid de pensioenstelsels op de huidige manier te laten voortbestaan wordt versterkt, doordat het betalen van het pensioen door jongere generaties resulteert in een verlies aan koopkracht. Koppelingen tussen lonen en pensioenen in combinatie met de generatievolumes hebben tot gevolg dat wanneer jongeren vooruitgaan in loon, dit voor de oudere, grotere, generaties zoveel vooruitgang betekent dat de jongeren er uiteindelijk relatief op achteruitgaan. Op 14 maart 2008 verschenen er twee berichten: de koopkracht in Duitsland was sterker gedaald dan de regering dacht en de regering overwoog de pensioenen sterker te verhogen dan aanvankelijk de bedoeling was. Van de economische voorspoed van de afgelopen jaren heeft 83% van de Duitse bevolking niets gemerkt.

Maar ook bij kapitaaldekking werkt het zo. Op 18 december 2007 bleek voor Nederland dat wie in 2008 geen salarisverhoging zou krijgen, zou worden geconfronteerd met een daling van het besteedbaar inkomen. Dezelfde dag viel te lezen dat het grootste pensioenfonds, het ABP, de achterstand in de indexatie van de pensioenen wegwerkt. De zevenhonderdduizend gepensioneerden van het ABP zullen er 4,05% op vooruitgaan. De pensioenpremie zal met 0,4% stijgen tot 19,6%. Het ABP noemde dit een beperkte stijging omdat mensen langer doorwerken.

De oudsten van de naoorlogse geboortegolf werden in 1995 vijftig, een typische leeftijd om eens na te denken over de levensfase na het werk. Ze begonnen te sparen voor het pensioen. De aandelen waren niet aan te slepen. Tussen 1995 en 2000 verdubbelde het belegde vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen. Internationaal schoten de koersen de lucht in. Het gevolg was een opschorting van pensioenpremiebetalingen en verhogingen van pensioenaanspraken. Er is toen de fout gemaakt te denken dat de rendementen te danken waren aan de uitstekend draaiende economie, niet aan de werking van het pensioensparen, een fout die sinds 2002 is herhaald. Met het internationale pensioensparen en beleggen zijn de hoge koersen gekocht. De pensioenverwachting en de pensioenpremies zijn gebaseerd op deze inmiddels verdwenen ‘rendementen’, de te hoge koersen.

 In Nederland is, afhankelijk van de manier van berekenen, tussen één en twee biljoen euro gereserveerd voor de pensioenen. Ook in landen met een omslagstelsel wordt gespaard, geïnvesteerd en belegd. Het probleem is daarbij dat er internationaal te weinig beleggingsmogelijkheden zijn. Konden er maar meer worden benut. Maar de verdeling tussen de generaties zit dan in de weg. Doordat de geïnvesteerde bedragen onmiddellijk moeten renderen ten behoeve van de ingezette vergrijzing ontbreekt de tijd om, bijvoorbeeld, door maatschappelijk verantwoorde beleggingen naar andere oplossingen te zoeken. De verwachtingen zijn sinds 2002 in Nederland in stand gehouden door de premies pittig te verhogen. Overal zijn, omdat de koersen omlaag gingen, extra beleggingen voor pensioenen gedaan. Dus stegen de koersen weer. Het is een verdelingsvraagstuk. Kapitaaldekking werkt niet als de hele wereld het doet. President Reagan noemde het ooit een ‘Intergenerational Ponzi scheme’, naar Charles Ponzi die in de jaren twintig van de vorige eeuw berucht werd door het piramidespel: geld lenen om te investeren en de beloofde revenuen betalen uit nog meer geleend geld.

Bijkomende morele en sociale problemen

Uit gesprekken met jongeren blijkt dat er een samenleving in het verschiet ligt met een nieuwe kloof tussen oud en jong. Jongeren beginnen kwaad te worden over een tekortschietend huisvestingsbeleid met onbetaalbare woningen, het gebrek aan perspectief, het langer moeten doorwerken voor geprepensioneerden, de jaarlijks uitblijvende ‘koopkracht’, en vooral over de verwijten die ze van ouderen krijgen zodra ze deze problemen aan de orde stellen. Ouderen gaat het nog steeds om werk voor jongeren. Er is nog werkloosheid, maar die begint door de demografische ontgroening snel te verdwijnen. Jongeren merken dat het niet om werk gaat, maar weer ouderwets om inkomen. Hun bestaanszekerheid is aangetast. Dat valt af te leiden uit de geboortecijfers, die dalen onder het niveau van de 2,1 kinderen per vrouw, nodig om de bevolking te reproduceren. Nu daalt het geboortecijfer al meer dan een eeuw. Demografen verwachten dat de wereldbevolking, door de stijgende levensverwachting, eerst nog met twee miljard mensen zal aanwassen om dan, over ongeveer veertig jaar, sterk te gaan afnemen, als gevolg van dalende geboortecijfers.

Het aantal scheidingen is toegenomen, evenals het aantal singles die niet eens meer aan een huwelijk beginnen. De moraal lijkt vervlakt, zeden ogen verruwd, de samenleving seksualiseert. Het positieve antwoord op een geluksbevindingsenquête is de theorie, het gevuld houden van de agenda de praktijk. Zuinigheid is de theorie, het nieuwste mobieltje de praktijk. Zelfhulp, psychiatrie en psychologie maakten een grote bloei door, het leven heeft zich verder versneld en is nog onzekerder geworden. Dat is de huidige concurrentieslag, wetenschappers blijken maatschappelijk minder belangrijk dan voetballers, een minister-president mag blij zijn door een Bekende Nederlander te worden geïnterviewd. Relaties ontwikkelden zich van het zoeken naar redenen om bij elkaar te komen tot het zoeken naar redenen om uit elkaar te gaan. Deze scheidingscultuur heeft als achtergrond de idee dat de perfecte match, al is het maar tijdelijk, bestaat. Voor minder dan het maximum gáát men niet. Het is Adam Smith in de liefde. De happy single is de plaats gaan innemen van de ‘eeuwige vrijgezel’ en de ‘oude vrijster’. Vroeger was scheiden uitzonderlijk, tegenwoordig normaal (normaler dan bij elkaar blijven). Degenen die zich voortplanten zijn degenen die zich ‘opofferen’, om in de termen van Bauman te blijven. Het geboortecijfer daalt overal. Optimistische toekomstgeluiden beginnen te klinken als de man die vanaf de elfde verdieping roept tegen zijn vriend, die van de flat gesprongen is omdat hij denkt dat hij kan vliegen: ‘Tot zover gaat alles goed’.

De Nederlandse historicus H.W. von der Dunk heeft eens uiteengezet dat het terugprojecteren van heil in het verleden de conservatief onderscheidt van de progressief, die het heil in de toekomst voorziet. Zo ook bij de ’68-ers. Het terugprojecteren van het heil in het verleden voorkomt dat er ten behoeve van oplossingen nieuwe mogelijkheden worden onderzocht. 1968 was uitzonderlijk. Het was de leukste tijd uit de menselijke geschiedenis, die bovendien de toon zette voor later. Niet de crisis vanaf 1929, niet de oorlog, niet de wederopbouw of de werkloosheidsgolf van de jaren tachtig, maar de periode van tien jaren tussen het begin van de loongolven in 1963 en de eerste energiecrisis van 1973 vormen in Nederland de norm. Dit was een periode met een overspannen arbeidsmarkt en aanhoudende salarisverhogingen. Men is het leven en denken uit die tijd normaal gaan vinden, zozeer zelfs dat elke kritiek op het voor 1968 normale optimisme wordt afgedaan als ‘doemdenken’. De ’68-ers bepalen tot op heden de agenda. Ontwikkelingen worden daardoor niet waargenomen. Dit is een cultureel verschijnsel, al heeft het zijn uitwerking op het economische vlak, met grote sociale gevolgen.

Voor de oudere is de jongere maar al te vaak een verwende yup, waarmee die oudere er blijkt van geeft zijn geschiedenis wel en de huidige jongeren niet te kennen. Want de yup komt uit de tijd van het ‘Savings and Loans’-schandaal, de tijd van de junk bonds, de jaren tachtig van de voorbije eeuw. De jongere die het etiket ‘yuppie’ krijgt opgekleefd, was toen vaak nog niet eens geboren. Een protest van jongeren tegen een ongelijke verdeling van de opbrengsten van het werk verricht door jongeren wordt dan al snel uitgelegd als een gebrek aan solidariteit. Zo protesteerden de ouderenbonden vehement tegen recente voorstellen van de Nederlandse werkgevers om de pensioenen, met het oog op de kosten, terug te brengen naar de ooit bedoelde zeventig procent van het laatstverdiende loon. De machtige ouderenbonden wilden juist meer invloed, meer gepensioneerden in de besturen die beslissen over het pensioen. De verwachting voor 2020 is dat gepensioneerden dan gemiddeld 93% van het gemiddelde loon van de werkenden toucheren. ‘Gemiddeld’ wil hier zeggen dat voor de babyboomers wordt verwacht dat er pensioenen zullen zijn van rond de honderd procent.

Alle jongeren hebben ouders, maar niet alle ouderen hebben kinderen. Daarom zijn jongeren vaker solidair dan ouderen. Maar zo wordt het niet door de ’68-ers gepercipieerd. Het Thomas-theorema, dat wat men voor waar houdt ook waar is in de gevolgen, verbindt 1968 met een vermeend gebrek aan solidariteit van de jongere generaties. Door het veelvuldige gebruik van het gemiddelde wordt het uiteenlopen van ontwikkelingen voor ouderen en jongeren niet onderkend. Nog belangrijker in de verwrongen beeldvorming is de erfenis van 1968. Heel realistisch wordt het onmogelijke gevraagd, onmogelijk overvraagd. Pensioenen van boven de honderd procent. De verbeelding aan de macht. De naoorlogse geboortegolf dwingt het alleen al door haar electorale omvang af.

De sterk gestegen vergrijzingslasten hebben de middenklasse in de problemen gebracht. Uit de verpaupering en verloedering in de grote steden kan het ontstaan van een nieuwe onderklasse worden afgeleid. Jongere generaties maken financieel geen carrière meer, en als ze het al doen valt er in Nederland voor een betaalbaar bedrag nog geen huis te kopen. In het groeiende illegale circuit, waar bijvoorbeeld gescheidenen in eerste instantie op aangewezen zijn, kost een huurkrotje al snel zeshonderd euro. Een fatsoenlijke legale kamer komt op vijfhonderd euro. De toename van het aantal rijkere gepensioneerden wordt betaald met belemmeringen voor jongere generaties zich financieel een plaats in de middengroepen te verwerven. Dankzij ‘outsourcing’, ‘flexibilisering’, ‘toegenomen verzelfstandiging’, termen die dienen om het verdwijnen van goedbetaald vast werk te verbloemen, zijn jongeren de contractkoelies van de nieuwe tijd. In geval van werkloosheid is er dan wel een werkervaringstraject, maar met de opbrengst daarvan kunnen geen boodschappen worden betaald. Overheidsmaatregelen zijn al essentieel, wil men zich nog kinderen kunnen veroorloven. Wijken met kinderen zijn de arme wijken. Beter gezegd: zodra er kinderen zijn is de lagere middenklasse financieel al snel gedwongen zich goedkoop te vestigen. Ouderen daarentegen ontvangen meer, hoge pensioenen die worden aangevuld met ‘extra’s’ zoals zorgkosten, die ooit waren bedoeld voor echt arme ouderen, maar nu als ‘verworven recht’ in stand worden gehouden.

Sociale daling van jonge generaties

De ooit met zoveel optimisme ingezette herverdeling van kennis, macht en inkomen leidt tot een sociale daling voor jongere generaties. De welwillende herverdeling ten behoeve van de arme ouderen van de jaren vijftig heeft geleid tot de rijkere ouderen van tegenwoordig. De macht ligt nog steeds bij de ouderen, de naoorlogs zuinige ouderen, zuinig op alles behalve het eigen vervroegde pensioen. Het is de combinatie van een grote generatie, die bewust naar macht streefde en een lange mars door de instituties maakte, met een grote economische voorspoed die verwachtingen heeft gewekt waaraan nu moet worden voldaan. De goedbedoelde maar eenzijdige overheidsinterventies in het weefsel van de sociale samenhang hebben ervoor gezorgd dat de door de ’68-ers zozeer gewilde solidariteit aan flarden ligt. Want solidariteit is iets anders dan overvragen.

De huidige crisis is dan ook geen financiële macro-economische crisis. Het is een crisis op microniveau, die al jaren gaande is. Jongeren nemen rationele beslissingen, gebaseerd op de aanhoudende dagelijkse stroom van zeer positieve financiële informatie – de goednieuwsshow van de stijgende beurzen. Zo besluiten ze een huis te kopen. Maar wanneer blijkt dat de positieve financiële informatie zich niet in een reële financiële verbetering vertaalt, kan de hypotheek niet worden opgebracht. Internationaal is sprake van soms al lang, goed gedocumenteerde, teruglopende reëel besteedbare inkomens.

De verstoorde demografische kringloop, de ontvolking, wordt niet opgelost met een dalende koopkracht, omdat de communicatieve kringloop, het van elkaar leren en naar elkaar luisteren, eveneens is verstoord. In 1890 publiceerde Jacob Riis een interessante studie naar de onderkant van de samenleving, How the Other Half Lives: Studies among the Tenements of New York. Dit boek had effect, er veranderde wat. Tegenwoordig worden berichten over voedselbanken, toenemende schulden en onbetaalbaar wonen in Nederland of toenemende verwaarlozing van kinderen dan wel over onderwijsgevenden met ondersteuning in Duitsland, als symptomen van een klaagcultuur van de hand gewezen.

De vrijheidsdrang, de solidariteit, het gelijkheidsstreven en de betrokkenheid van 1968 hebben geleid tot het inschakelen van het individu als middel. De vergrijzing zal niet kunnen worden opgelost met bestaand beleid. Het ligt voor de hand dat waar de problemen niet scherp onder ogen worden gezien, eventuele oplossingen half werk zullen zijn. De vergrijzing zou op te lossen zijn als meer vrouwen gaan werken en vrouwen meer gaan werken, als de werkenden langer doorwerken, harder werken, de studielasten hoger worden, staatschulden versneld worden afgelost, er extra wordt gespaard en belegd, korter wordt gestudeerd, er meer immigranten komen, de loonkosten omlaag gaan, de lonen omlaag gaan en zo verder. Denkt men. Dat moet voldoende zijn voor Nederland. In Duitsland voegt men er meer kapitaaldekking aan toe.

De overeenkomst tussen de voorgestelde maatregelen is telkens dat de pensioenen stijgen en anderen extra worden belast in tijd, geld of beperking van mogelijkheden, ten behoeve van de pensioenen van diegenen die te vroeg zijn gestopt met werken en die te veel verdienden. En op dat te hoge salaris is hun pensioen gebaseerd. De momenteel voorgestelde oplossingen lopen stuk op een principiële denkfout. En wel één die de makers van die fout eigenlijk zeer goed zouden moeten onderkennen: niemand laat zich langdurig inzetten voor een ander zonder tegenprestatie.

Wat meer kapitaaldekking in landen met overwegend een omslagstelsel lost het probleem niet op. Daarvoor zijn deze landen inmiddels niet rijk genoeg meer, zeker de jongere generaties niet. En de rijkere oudere generaties zullen hun pensioeninvesteringen juist te gelde willen maken. De enige manier is jongeren in staat te stellen zinnig in hun eigen toekomst te investeren, dus zonder dat de rendementen daarvan al vooraf aan de oudere generaties ten goede komen. Hogere salarissen dus, die géén lagere koopkracht betekenen. Daardoor kunnen ze zich meer kinderen veroorloven en kan op den duur de neerwaartse economische spiraal weer worden omgebogen. Er moet worden voorkomen dat straks wordt gezegd: ‘nooit eerder hebben zo velen zo lang zo veel te veel van zo weinigen gevraagd’.



Literatuur

Zygmunt Bauman, Liquid Times. Living in an Age of Uncertainty, Polity Press, Cambridge, 2007.

Ulrich Beck, Risikogesellschaft. Auf dem Weg in eine andere Moderne, SV, Frankfurt (a.M.), 1986.

Kurt Biedenkopf, Die Ausbeutung der Enkel. Plädoyer für die Rückkehr zur Vernunft, Propyläen, Berlijn, 2006.

Herwig Birg, Die ausgefallene Generation. Was die Demographie über unsere Zukunft sagt, Beck, München, 2005.

Sander Boelens en Lies van Rijssen, De armoede van het rijkrekenen, waarom het Nederlandse pensioenstelsel aan succes ten onder gaat, Papieren Tijger, Breda, 2007.

H.W. von der Dunk, Conservatisme, Fibula-Van Dishoeck, Bussum, 1976.

Denis Jeambar & Jacqueline Remy, Nos enfants nous haïront, Seuil, Parijs, 2006.

Flip de Kam en Frans Nypels, Tijdbom, Contact, Amsterdam, 1995.

Laurence J. Kotlikoff en Scott Burns, The Coming Generational Storm. What You Need to Know about America’s Economic Future, MIT Press, Londen, 2004.

Alain Madelin en Jacques Bichot, Quand les autruches prendront leur retraite, Seuil, Parijs, 2003.

Peter G. Peterson, Gray Dawn. How the Coming Age Wave Will Transform America – and the World, Times Books, New York, 1999.

Jacob Riis, How the Other Half Lives: Studies among the Tenements of New York, www.yale.edu/amstud/inforev/riis/title.html

Rüdiger Safranski, Romantik. Eine deutsche Affäre, Carl Hanser Verlag, München, 2007.


© S T R E V E N