Oktober 2008

Frans Kurris

Van Studiën naar Streven


Op 10 mei 1940 eindigt de negentiende eeuw in Nederland. In tegenstelling tot zijn buurlanden heeft het – afgezien van interne kwesties als de Aprilbeweging, een dreigende staatsgreep in 1918 en de muiterij op de Zeven Provinciën – vanaf 1830 geen schokkende oorlog gekend en kan de negentiende eeuw zich voortzetten tot aan de inval van het Duitse leger. Zo is ook Studiën, gesticht in 1868, in de lijn van De Katholiek (1842, Le Sage ten Broek), De Dietsche Warande (1855, Alberdingk Thijm) en De Wachter (1871, Schaepman), blijven bestaan. Zelfs jongerentijdschriften als Roeping en De Gemeenschap, opgericht in respectievelijk 1922 en 1925, laten slechts een verre voorecho klinken van de beroering die door de oorlog en de direct daaropvolgende restauratie wordt teweeggebracht. In het katholieke culturele leven in Nederland ten slotte is Boekenschouw, waar sinds 1929 dr. Jan van Heugten S.J. de hoofdredactie voert, overgegaan op wat Van Duinkerken noemt ‘fatsoenlijke literatuurkritiek’.

Ik bezit nog de notulen van de redactievergadering van april 1940. Professor Robert Regout S.J., die al heeft getekend voor een vijftal artikelen, belooft te schrijven over neutraliteit. Een maand later, op de vrijdagavondborrel van de Sociëteit Roland, terwijl Nijmegen volstroomt met Duitse bezettingstroepen, houdt hij een causerie over de rechten en de plichten van een bezettende natie. Dat is het voorproefje van een stuk dat Regout precies veertien dagen later voor Studiën voltooit en dat verschijnt in het juninummer: ‘De rechtstoestand in bezet gebied’. Het is een korte tekst van zeven bladzijden waarin het Landoorlogverdrag van 1907 centraal staat. Het is totaal niet ophitsend maar blijkt voor de bezetters zo gevaarlijk, dat Robert Regout enige tijd later wordt gearresteerd en na dertig maanden gevangenschap als martelaar in Dachau overlijdt.

Studiën leeft na mei 1940 een jaar door. Gezien de bezetting en dus de neteligheid van veel onderwerpen zijn er in het laatste nummer van de 64 bladzijden slechts 17 voorzichtig gewijd aan de actualiteit: over het Oekraïense vraagstuk in Europa, en over de economische en sociale organisatie van het bedrijfsleven (dit laatste artikel is van de hand van mr. C.P.M. Romme). Vermeldenswaard is verder dat de ondertitel ‘Tijdschrift voor godsdienst, wetenschap en letteren’ in 1939 is veranderd in ‘Katholiek Cultureel Tijdschrift’.

In augustus 1941 wordt Studiën door de Duitsers opgeheven, officieel vanwege papierschaarste, maar toch ook ‘ter verzekering van de rust van het land en de veiligheid van de bezettende macht’. Ten slotte gaat het redactiearchief in Nijmegen grotendeels verloren bij brandstichting door de Duitsers. ‘Geen snipper is ervan overgebleven’, constateert dramatisch het hoofdartikel van K.C.T. op 1 februari 1945.

K.C.T.: de geloofsbrieven

Op die dag verscheen in ’s-Hertogenbosch, met een oranje omslag, het eerste nummer van het Katholiek Cultureel Tijdschrift, ondertiteld Studiën. Het weerspiegelt plaats, tijd en acteurs: een oorlogsgeneratie die net haar vrijheid heeft herkregen. Het is de dynamiek van Maastricht dat op 13 september en van Nijmegen dat op 17 september bevrijd wordt. Zo ging dat in die tijd: daags na een verwoesting, een zware beschadiging of een opheffing maakt men alweer plannen. Zo ook de jezuïeten van Limburg, Noord-Brabant en Nijmegen. Met veel elan bouwt men niet alleen op: het met zestig voltreffers getergde Canisius College, een verwoeste kerk, een afgebrand retraitehuis, terugkeer uit de ballingschap en uit vernietigingskampen – maar ook Studiën, waarvan de vroegere schrijvers zich storten op vernieuwing van de vooroorlogse opzet. In het Canisianum van Maastricht hebben de professoren Jos Creijghton en Jan Tesser daar alle tijd voor gehad. Creijghtons droom moet wachten omdat hij voor zijn opzet Amsterdam en Den Haag nodig heeft, tot mei 1945 nog bezet gebied.

Maar Tesser gaat direct over tot actie. De chaos in het zuiden is groter dan verwacht. Alles moet worden heropgebouwd: binnenlands bestuur, maatschappelijke organisaties, jeugdbeweging, wegen, bruggen, havens, voedselvoorziening, cultureel leven, vakbonden, wetgeving, onderwijsorganisatie. Want Nederland heeft niet alleen een militaire bezetting gekend, maar vooral een fundamentele nazificatie van al zijn instituties. In deze woestijn van verwarring, goede voornemens, onrechtvaardigheden en gebrek aan mankracht willen de Nederlandse jezuïeten voorlichting geven. Tesser bericht in een brief van 21 december 1944, wanneer het perspectief allengs duidelijk is geworden, aan zijn medebroeders in het zuiden (Maastricht, Spaubeek, Vught, Nijmegen):

‘In opdracht van den Hoogeerw. Pater Vice-Provinciaal voor het Zuiden, deel ik U mede dat ons Tijdschrift Studiën zoo spoedig mogelijk weer zal verschijnen. Het is de bedoeling vorm en inhoud aan te passen aan de eischen van het oogenblik. Er is dringend behoefte aan principieel-katholieke voorlichting en R.P. Provinciaal acht het een der meest urgente verplichtingen, die op de leden der Nederlandsche Provincie in Bevrijd Gebied rust, alle krachten in te spannen om zoo spoedig en zoo goed mogelijk deze taak op ons te nemen. […] Korte, eerlijke en zoo nodig radicale, helder-geschreven artikelen zijn daarvoor noodig.’

K.C.T.: een tweewekelijks succesverhaal

In zijn eerste hoofdartikel schrijft Tesser: ‘Studiën zullen wij niet geven maar wel goed doordachte, korte, klare artikelen, die ieder intellectueel kan lezen’. Het eerste nummer bevat als onderwerpen: ‘Het voorbijgaan des Heren’, ‘Hoe President Roosevelt in de oorlog kwam’, ‘Vergeven of straffen? Terugwerkende kracht van strafwetten’, ‘Oorlog en eugenetica’, ‘Het einde van de wereld nabij?’, ‘Het probleem der illegaliteit’ [over de ondergrondse beweging tijdens de oorlog, FK], ‘Drie gedichten’. Het blad zou tweemaal per maand verschijnen, in afleveringen van 32 bladzijden, dus met hetzelfde volume als Studiën.

Het werd een daverend succes. De nummers waren niet aan te slepen. In sommige Maastrichtse boekhandels werden in de eerste weken honderden nieuwe abonnees geboekt.

Oplagecijfers Katholiek Cultureel Tijdschrift na een maand:

Limburg: 2500 (waarvan 1000 in Maastricht)

Brabant en Zeeland: 4200

Rijk van Nijmegen: 800

reserve voor Noord-Nederland: 500

totaal: 8000

Het batig saldo van het eerste halfjaar zal dan ook 16 500 gulden zijn! Triomfantelijk kan Tesser aan alle werkelijke en mogelijke schrijvers eind februari al laten weten: ‘Nu het tijdschrift er is en een lezerskring heeft die de stoutste verwachtingen overtreft…’. De ontvangst in de dan bestaande dag-, week- en maandbladen is goed, ook wanneer het noorden bevrijd is. Slechts Willem Grossouw rept op 3 maart 1945 van ‘een katholiek Readers Digest’, maar misschien komt dat omdat zijn tijdschrift De Nieuwe Eeuw iets later verscheen en de druiven om die reden wat zuur waren. Unaniem werden slechts de ‘gedichten’ gekraakt en schreef Het Parool op 10 februari over ‘Clinge Doorenbosch in jezuïetentoog’. Dat het verwijt terecht was, bleek uit het feit dat daarna nooit meer poëzie is geplaatst. In het verslag van de tweede redactievergadering staat dat er ‘ondanks de grote toeloop geen verzen meer worden geplaatst om allerlei persoonlijke en groepsvetes’.

Ofschoon er aan schrijvers na enige tijd geen gebrek meer was, moest Tesser zich voor de eerste nummers mede behelpen met artikelen uit de lade. We hebben zo de herkomst opgespoord van artikelen over jazz, de drie gedichten en de bijdrage over eugenetica. Tijdloze artikelen waren voortaan zeer zeldzaam, maatschappelijke vragen werden eerder behandeld dan wetenschappelijke of theologische kwesties. De drie grote B’s: Beuns (staatsinrichting), Borret (sociologie) en De Bruin (economie) uit de oude Studiën zag men regelmatig terug, maar spoedig werden ook belangrijke mensen van buiten de Sociëteit tot publiceren uitgenodigd.

Naar sommige reeksartikelen werd uitgezien: ‘De vernieuwing van het middelbaar onderwijs’ door dr. Chr. Jansen, ‘De mijnen na de bevrijding’ door C. Minderop, ‘De toekomst van de jeugdbeweging’ door dr. W. Bless, ‘De veranderingen in het binnenlands bestuur’ door mr. Sens. Behalve in de bètawetenschappen – de in Studiën frequente namen van A. Mulder en E. Huffer komen in het K.C.T. helemaal niet meer voor – is het aanbod van onderwerpen uiterst gevarieerd.

‘Het feest voor den geest’ wordt wel af en toe verstoord. In het eerste jaar heerst er voortdurend ongerustheid over het benodigde papier. Er zijn veel zakelijke problemen te regelen met het Militaire Gezag om de oplage van 8000 exemplaren elke twee weken te verzekeren. De massale respons van lezers en schrijvers blijft voor Tesser maandenlang naast een grote vreugde ook een diepe zorg. Daarbij komt nog de mogelijke inbeslagname van drukkerij Boosten & Stols als tijdelijke landsdrukkerij.

Dan is er de moeilijkheid van de verspreiding. Met man en macht zorgt de uitgever dat de pakketten op de plaats van bestemming komen, ondanks kapotte bruggen en spoorwegen, gammele vracht- en bestelwagens, zoekgeraakte zendingen. ‘Hier werkt alles als een paard’, schrijft de directeur vanuit Den Bosch. Tesser moedigt aan, onderhandelt, vadert, stuurt ‘als aardigheidje een ons tabak’ naar een wat trage medewerker en ’50 gram voor pater K.’.

Onverwachte tegenstand komt op de eerste redactievergadering, waarop acht paters aanwezig zijn, van vicerector Felix Malmberg die, als enige, verdere medewerking van jonge jezuïeten verbiedt: ze missen ervaring en zijn niet in staat om aan negatieve reacties het hoofd te bieden. Wij vermoeden ook wat problemen vanuit Nijmegen, waar pater Gerard Gorris (1877-1948) woont, de nimmer formeel ontslagen hoofdredacteur van Studiën. Met hem is er contact, maar de aard daarvan blijkt uit geen enkel document.

De enige echt donkere wolk doemt op in de tweede redactievergadering van 27 april 1945: voor de eerste maal wordt er gesproken over Creijghton en zijn N.K.W. (Nederlands Katholiek Weekblad). In volgende vergaderingen komt het N.K.W. opnieuw ter sprake. In de loop van 1945, wanneer ook het noorden van het land bevrijd is, en begin 1946 neemt de provinciaal van de Nederlandse Provincie het besluit dat, ter wille van het wekelijks verschijnen van het blad dat De Linie zal heten, het K.C.T. weer maandblad zal worden en dat het K.C.T. tevens de functie zal vervullen van Boekenschouw.

K.C.T.: maandblad

Het was een slimme zet om te benoemen tot hoofdredacteur van het maandblad K.C.T. vanaf september 1946 dr. J. van Heugten, moderator van de Amsterdamse katholieke studenten. Was hij niet de redacteur van Boekenschouw van 1929 tot in de oorlog geweest? Hij had bovendien reeds in het K.C.T. zijn sporen verdiend. Hij opende de nieuwe reeks met een groot artikel over ‘Het ontvallen drietal’ Ter Braak, Marsman en Du Perron.

Wat de betekenis was van de woorden ‘het tijdschrift zal terugkeren tot het niveau der vroegere Studiën maar zich meer op actueel terrein bewegen’, blijft raadselachtig. Behalve de maandelijkse verschijning, het ruimere volume – men ging van tweemaal 32 naar 80 bladzijden – en het wat voornamere voorkomen, ging het K.C.T. op dezelfde voet door. De even vreedzame als bekwame Van Heugten wist het blad goed te leiden. Hij was literatuurcriticus en Dostojevski-kenner; om deze te kunnen lezen had hij zelfs Russisch geleerd. K.C.T. kreeg een hoogstaand literair cachet. Intussen was het abonnementenaantal in 1947 licht gedaald tot 7000, hetgeen meer overeenkomt met de groeiend normale verhoudingen in de maatschappij ruim twee jaar na de oorlog.

Tijdens de eerste redactievergadering van 1 maart 1945 had de viceprovinciaal voor het zuiden, pater Henri van Waesberghe, duidelijk betoogd dat, ten eerste, over het communisme genuanceerd moest worden geschreven en er, ten tweede, niet mocht worden geschreven over de ‘kwestie Groot-Nederland’. Dat was in de periode dat Nederland stukje bij beetje bevrijd werd en bewegingen als Verdinaso en Zwart Front – en hun aanhangers – verkeerd konden worden beoordeeld.

Tegelijk leefde bij sommige Nederlandse jezuïeten een stille nostalgie naar de oude Provincie Flandro-Belgica, waarin Vlaanderen en Noord-Nederland eeuwenlang verenigd waren geweest. De scheiding van de Vlaamse en de Franssprekende Provincie in de jaren dertig, de stichting van het Ruusbroecgenootschap en de fusie van de Bijdragen der Vlaamse en Nederlandse filosofische en theologische faculteiten leken een belofte in te houden voor nauwe samenwerking. Waarom zouden ook het piepjonge, want pas sinds 1933 officieel bestaande Streven en het bejaarde maar herrezen Studiën-K.C.T. niet samengaan? De taal van Ruusbroec en Rubens verbond ons toch? Of haalden wij zo Groot-Nederland via een achterdeur naar binnen? En vormde de Vlaamse variant van het ABN eigenlijk geen bezwaar voor de Hollanders? Zou de hoofdredacteur een Nederlander of een Vlaming zijn? In welk land moest de hoofdredactie zich vestigen?

Het zullen moeizame besprekingen zijn geweest tussen Van Heugten en Frans De Raedemaeker, maar men is tot overeenstemming geraakt. In 1947 was de fusie tussen K.C.T. en Streven een feit. Er zouden twee hoofdredacteuren en twee redactieraden komen, en het ABN zou de norm zijn voor het taalgebruik. Het ene K.C.T-Streven zou gevestigd zijn in Amsterdam en in Antwerpen.

Misschien omdat Van Heugten als hoofdredacteur toch te veel gespreid werk kreeg en zijn moderatorschap van de Thomas-studenten wilde aanhouden, moest hij een jaar later vervangen worden door A.J. Wessels. Ofschoon van meet af aan – getuige de verslagen van de redactievergaderingen – de eenstemmigheid van de redactieraden en de tweekoppigheid van de hoofdredactie in het geding waren, lijken deze redenen voor Van Heugten geen gewicht in de schaal te hebben gelegd, want toen Wessels na negen jaar wegens ziekte moest aftreden, kwam hij opnieuw van 1957 tot zijn dood in 1963 voor het voetlicht. Intussen verloor het blad in 1953 wel een gedeelte van zijn titel en heette kortweg: Streven. Een voorteken?

Een verstandshuwelijk?

Zolang er geen grote beslissingen genomen hoefden te worden, kon het redactiebeleid rustig verlopen. Dat werd anders in het begin van de jaren zestig. Wat eigenlijk al sinds een halve eeuw rommelde, een formidabele cultuuromslag die slechts te vergelijken valt met de val van het Romeinse Rijk of met de uitvinding van de boekdrukkunst, maar wat vertraagd was door fascisme, nationaalsocialisme en communisme, brak in die jaren snel door.

Technologie en dito kennis op alle levensgebieden, emancipatie van alle mensen, welvaart voor zeer velen in het Westen veroorzaakten, na aanvankelijk ongevaarlijk lijkende veranderingen, totaal onoverzichtelijke dijkdoorbraken. Die deden zich voor op alle levensgebieden en voor alle mensen in het Westen. Ze stelden vragen welke die van vorige generaties deden vergeten. En ook zij die dachten dat het allemaal wel meeviel, moesten tien jaar later bekennen dat het allemaal nog veel dieper ging dan gevreesd of gehoopt.

Die veranderingen konden niet voorbijgaan aan een ‘maandblad voor geestesleven en cultuur’. Het ging om meer dan het plaatsen van vignetten, een structuur van hoofdredactie, kernredactie of redactieraad, om splitsing van redacties en edities (sinds oktober 1978), om misverstanden tussen mensen of plaatselijke verschillen tussen Nederland en Vlaanderen. Verschillende goede antwoorden waren mogelijk, maar er moest wel gekozen worden. En dat kon uitdraaien op slinkse wegen of wantrouwen.

Aanvankelijk zoekt men de oorzaak van de misverstanden in de verschillende wijzen van behandeling van bijvoorbeeld een auteur als Greimas. Soms blijkt wat voor de ene partij actueel is voor de andere alweer te behoren tot het verleden. De ene redactieraad werkt vanuit consensus, de andere vanuit de visie van de hoofdredacteur. In Vlaanderen beperkt de drukker zich tot het drukken, in Nederland behartigt hij ook de promotie. Men zwalkt tevens tussen vaktechnische artikelen en engagement. Of tussen journalistiek en achtergrondinformatie.

Intussen daalt het aantal abonnees catastrofaal: in Nederland van 1800 in 1974 tot 1200 in 1980. Een laatste, dure promotiepoging levert niet meer dan tachtig abonnementen op. En intussen vullen de Nederlandse jezuïeten het financiële tekort aan. Geen wonder dat de Nederlandse hoofdredacteur, Gerard Adriaansen, letterlijk ten einde raad is en moegestreden in 1980 de pijp aan Maarten geeft. Dan wordt besloten de uitgave van Streven-Nederland te staken. Streven-België gaat op eigen kracht door, blijft Nederlandse medewerking waarderen en behoudt de Nederlandse abonnees indien zij dat wensen; het zal zich in Nederland niet voordoen als voortzetting van Streven-Nederland.

Ter overweging

Wat is er eigenlijk aan de hand geweest? Hoe konden intelligente, nobele, bekwame jezuïeten van dezelfde taal niet komen tot één formule die hout sneed? Gedurende anderhalf jaar was ik als mederedacteur getuige van alle pogingen en las alle verslagen van redactievergaderingen. Zo kon ik constateren hoe in een context van diepe verwarring en van constructiepogingen tot nieuwe cultuur de best leefbare tegenstellingen tussen Nederland en Vlaanderen scherp werden. Niemand kon nog beseffen – kán nog beseffen – waarop deze gigantische bouwput uitloopt.

Want Vlaanderen en Nederland werden in hun zoeken fundamenteel gehinderd door hun verschillende benadering. Sinds de Unie van Utrecht, toen noord en zuid – de Zeven Provinciën en de Spaanse Nederlanden – uiteenvielen, liggen eeuwen geschiedenis aan de grond der verschillen. Voor de Hollanders zijn de Vlamingen een strijdbaar volkje. In de laatste anderhalve eeuw moest katholiek Vlaanderen als een belfort het hoofd bieden aan de Brusselse liberaal, aan zijn Franssprekende landgenoot en aan de rechtse stromingen in zijn eigen gewest; vanuit zijn historie is zijn diepste aanleg de strijd. Speerpunt is hierin de progressiviteit, aanvallen is de beste verdediging, men moet duidelijk partij kiezen en consequent vooruit-streven. Dan wordt er een brug geslagen naar andersdenkenden. En dat is zijn zending. Zo ziet de Hollander hoe de Vlaming leiding wil geven: hij gaat voor.

Ook de Nederlandse katholiek heeft de strijd gekend. Na twee eeuwen onderdrukking stond hij nog tegenover protestanten en liberalen. Maar die strijd mondde telkens uit in vrede. Al pratende komt de Nederlandse katholiek in zijn polder tot een goed gesprek met liberaal, protestant of socialist: de geschiedenis der regeringen bewijst dat. De scherpe kantjes gaan eraf. Hij handelt en onder-handelt. Hij heeft misschien iets meer geduld en net iets minder moed dan de Vlaming, hij vindt formules en formaliteiten uit om de tijd te rekken. Hij houdt niet zo van ‘zending’. Waar ‘Antwerpen’ consequent progressief wilde zijn, wilde de Nederlandse hoofdredacteur Adriaansen consequent kritisch zijn. Daarom pleit de noorderling voor deskundigheid als op-de-hoogte-zijn van de werkelijke stand van zaken, kritiek als talent om waarde en onwaarde te onderscheiden. Hij kiest niet het grijze midden, het én-én-foefje, of een ideologie van welke signatuur ook, maar bekwaamheid en christelijke optiek.

Dit alles weerspiegelt zich in de politiek, de vakbeweging, de Kerk en de kerken, het sociale leven, de Sociëteit van Jezus… Misschien kunnen de beelden van het licht en het zout (Mat. 5, 13-16) aan de toekomst van beide volksmentaliteiten meer inspiratie geven dan het belfort en de polder.


© S T R E V E N