April 2009

Julia Salpec

'We gaan door, want het leven gaat door'


In de bijna vier decennia durende ‘vuile oorlog’, die in december 1996 met een vredesverdrag tussen de regering en de guerrilla eindigde, werden in Guatemala naar schatting 200.000 personen omgebracht. Ze werden door het regime verdacht van subversieve activiteiten. Een van hen was Román Reyes, een gedreven boerenleider uit Santa Lucía Cotzumalguapa. Op 8 september 1983 haalden gewapende mannen hem voor de ogen van zijn vrouw Julia Reyes-Salpec en hun drie kinderen uit zijn huis en namen hem mee. Meer dan vijfentwintig jaar na dat verschrikkelijke moment vertelt Julia Salpec haar verhaal.

Mijn naam is Julia Salpec. Ik ben geboren in Miriam, een dorpje in de buurt van Santa Lucía Cotzumalguapa aan de zuidkust van Guatemala. Ik heb de eerste klas van de lagere school afgemaakt; vanwege de armoede in ons gezin moest ik toen van school. Ik kan lezen en schrijven, zij het met veel moeite. Mijn man heette Román Reyes. Hij was afkomstig uit Cruce de la Esperanza. Wij leerden elkaar in Miriam kennen en nadat we een tijdje verkering hadden gehad besloten we samen te gaan wonen.

Vóór de ontvoering van mijn man leidden we eigenlijk een normaal bestaan. Román was een catechist die het woord van God verkondigde, een nobel man die zich met hart en ziel wijdde aan zijn missie. Hij blijft een groot voorbeeld voor mijn kinderen en voor allen die hem kenden en zijn strijd deelden. Ook hij had amper de kans gehad naar school te gaan, maar desondanks ontwikkelde hij zich tot een gerespecteerd leider. Hij had oog voor het onrecht dat de arbeiders van de suikerrietplantages werd aangedaan en voor de schrijnende armoede in veel gezinnen. Hij was er diep van overtuigd dat in die situatie verandering moest komen. Samen kregen we kinderen. Mijn man werkte als seizoenarbeider op de plantages en ik deed het huishouden. Ik zorgde voor de kinderen en hield kippen, die extra inkomsten opleverden.

Ik herinner me dat mijn man op de dag van zijn ontvoering heel moe thuiskwam. Sinds een paar maanden werkte hij niet meer op de plantages, maar plukte hij fruit voor een vrouw die handelde in sinaasappelen. Die dag hadden ze hard gewerkt om een vrachtwagen te vullen met sinaasappelen voor de markt. Zo kwam hij doodmoe thuis en het liefst wilde hij meteen gaan rusten. Die avond aten we zoals altijd samen met de kinderen, die gek waren op hun vader. Na het eten speelde Román nog even met de kinderen, maar niet lang want hij was werkelijk doodop. Daarna bracht ik de kinderen naar bed en ging zelf ook slapen.

Precies om middernacht schrok ik wakker van een kip die vreselijk tekeerging. Ik dacht dat een wild dier de kip had gepakt. Omdat mijn man zo moe was veronderstelde ik dat hij niets had gehoord, maar ook hij was wakker geworden en samen gingen we op onderzoek uit. We schenen met een zaklamp in het kippenhok en telden de kippen, maar die waren er allemaal. Omdat we beseften dat er niets was gebeurd, gingen we weer naar bed. Mijn man sliep meteen weer in, maar ik kon de slaap niet vatten. Mijn hart ging erg tekeer, het geluid van de kippen had me helemaal van streek gemaakt. Ik was klaarwakker en had het gevoel dat er iets verschrikkelijks te gebeuren stond.

Het werd vier uur en nog steeds lag ik wakker. Toen opeens klonk er een hevig gedreun, zoals wanneer een kudde runderen komt aangerend. Ik beefde over heel mijn lichaam en zat meteen rechtovereind in mijn bed. Pas later realiseerde ik me dat het geluid afkomstig was van wapens die geladen werden en waarvan de echo door ons huis klonk. Plotseling werd er hard geroepen: ‘Román Reyes, kom naar buiten. Probeer niet te ontsnappen want we hebben je hele huis omsingeld.’ Mijn God! Ik sprong meteen uit bed.

Mijn man had niets gehoord en omdat alles zo snel gebeurde had ik niet de gelegenheid om hem te wekken. Voor ik het wist hadden gewapende mannen de deur van ons huis ingetrapt. Ze liepen recht naar het bed van Román, pakten hem beet en begonnen hem te slaan met de kolf van hun geweren. Ze duwden hem naar buiten, boeiden hem en wierpen hem tegen de grond. Een van de mannen begon toen hard in zijn rug te schoppen.

Mijn man sliep nog half en besefte eerst amper wat er gebeurde. Hij had alleen zijn ondergoed aan; ze gunden hem niet eens de tijd om zich aan te kleden. Het is iets wat me tot op de dag van vandaag zo’n pijn doet, het is net of het gisteren is gebeurd, een diepe wond die niet geneest. Mijn hart breekt nog steeds als ik hem zo zie liggen, geboeid en met zijn gezicht op de grond, onmachtig om zich te verdedigen, als een dier dat wordt mishandeld. Toen verspreidden de gewapende mannen zich. Een paar hielden mijn man onder schot en enkele anderen gingen ons huis binnen en haalden alles overhoop. De suiker, zeep, bonen en andere boodschappen die ik juist daarvoor op de markt had gehaald, laadden ze in een mand om mee te nemen. Maar blijkbaar vonden ze niet wat ze zochten. Toen ontdekten ze de Bijbel van Román; ze wierpen het boek op de grond en begonnen er hard op te trappen.

Ik was als verlamd en bovendien hield een van de mannen ook mij onder schot. De kinderen hadden zich doodsbang aan mij vastgeklampt; ons jongste kind van acht maanden had ik in mijn armen. Ik kon geen woord uitbrengen. Wat me tot op de dag van vandaag het meest pijn doet is dat ik niets kon doen; ik was volkomen machteloos, niet in staat om mijn man hoe dan ook te helpen. Op dat moment schoot me te binnen wat Román me kort daarvoor had verteld: ‘Er wordt gefluisterd dat ze me zoeken. Ik ben niemand iets schuldig en heb niemand kwaad gedaan. Maar als het een misdrijf is het woord van God te verkondigen en als ze me daarom vervolgen, houd jij je er dan buiten. Ik wil niet dat jou iets overkomt. Jij moet verder leven om voor onze kinderen te zorgen, zij zullen je hard nodig hebben.’

Intussen lag mijn man nog steeds op de grond. Een van de indringers trok hem toen overeind en een andere trapte hem in zijn maag. Op dat moment rukte ons zoontje van vier, die ook Román heet, zich van mij los. Hij greep zijn vader bij zijn been en schreeuwde zo hard als hij kon: ‘Neem papa niet mee, neem papa niet mee!’ ‘Mijn God’, riep ik. Ik duwde het wapen weg dat op mij was gericht, wierp het kind dat ik in mijn armen had op een bed en pakte de kleine Román stevig beet. ‘Blijf bij me, jongen, je papa komt gauw weer terug’, zei ik tegen hem. Ik wist dat het niet waar was, maar ik was als de dood dat de mannen ook mijn zoontje zouden gaan slaan en hem mee zouden nemen.

Huilend bleef ik met mijn drie kinderen achter. Het waren twaalf gewapende mannen in burger die Román meenamen. Alles gebeurde op 8 september 1983 om vier uur ’s ochtends. Mijn man was toen vijfendertig jaar oud en ik achtentwintig. Ons jongste kind was acht maanden, de kleine Román was vier en ons oudste zoontje acht.

De auto waarin ze Román meenamen had al die tijd geparkeerd gestaan voor het huis van mijn moeder. Die dacht dat de gewapende mannen een bos hout in de auto wierpen, maar het was geen hout maar mijn geboeide man. Alles had zo’n klein halfuur geduurd en het was nog donker. Toen de auto was weggereden kwamen buren naar me toe. Zij hadden alles gehoord, het geschreeuw van de mannen, het huilen van de kinderen. Maar uit angst hadden ze niets durven ondernemen. Verscheidenen van hen waren catechist net zoals mijn man en eveneens betrokken bij het werk van het Comité voor Boereneenheid, een organisatie van plantagearbeiders. Diezelfde nacht werden in Miriam ook Guadalupe Pérez en diens neef Gregorio Siguán, allebei catechisten, ontvoerd.

Toen begon voor mij een lijdensweg. Ik besefte dat ik mijn man voorgoed kwijt was en dat ik er nu alleen voor stond. Wat moest ik beginnen? Ik pakte mijn drie kinderen en wilde zo snel mogelijk naar de kerk van Santa Lucía, waar mijn schoonvader Máximo Reyes als koster werkte. Ik wilde hem zelf het verschrikkelijke nieuws van de ontvoering van zijn zoon Román vertellen. Ik heb toen iets gedaan waar ik later heel veel spijt van heb gehad. Ik zag op de snelweg een bus aankomen en in mijn wanhoop wilde ik me met mijn kinderen voor de bus werpen. De chauffeur kon nog net op tijd remmen. Hij ging verschrikkelijk tegen me tekeer en ook voorbijgangers riepen me allerlei verwensingen toe. Toen ik weer bij zinnen was zag ik hoe mijn kinderen me aanstaarden zonder te begrijpen wat er was gebeurd. Ze grepen me vast en begonnen vreselijk te huilen.

In Santa Lucía trof ik don Máximo. Hij was helemaal ontdaan toen hij hoorde wat er met zijn zoon was gebeurd, maar zelfs in zijn verdriet probeerde hij mij nog te troosten. ‘Ik zal helpen voor jullie kinderen te zorgen’, zei hij, ‘en ik ga op zoek naar Román.’ Hij voegde er nog aan toe: ‘Eén ding moet je nooit vergeten: wie zijn leven geeft door goed te doen, geeft het voor Christus en zal gered worden.’ Ik herinnerde me toen dat Román op diezelfde manier tegen me had gesproken en dat hij me op het hart had gedrukt die overtuiging ook aan onze kinderen door te geven. Mijn schoonvader was een geweldig persoon. Hij is enkele jaren geleden overleden, maar ik blijf hem eeuwig dankbaar voor zijn grote solidariteit met ons.

Na de verdwijning van mijn man verloor ik het contact met veel vrienden en bekenden, de meesten omdat ze zelf werden ontvoerd. Wel heb ik nog een poosje steun gekregen van de parochie van Santa Lucía. Mijn man en ik gingen regelmatig naar de kerk en samen waren we actief bij de voorbereiding van jonge mensen op het vormsel en het huwelijk. Maar na verloop van tijd was ook de kerk niet meer in staat om me te helpen.

Om voor mijn gezin de kost te verdienen ben ik toen werk gaan zoeken op de plantages. Ik kapte suikerriet, zwaar werk dat eigenlijk alleen door mannen wordt gedaan, maar echt, ik had geen keus. Het weinige geld dat ik verdiende was nauwelijks voldoende om mijn kinderen te eten te geven. Na verloop van tijd kreeg ik een baantje als kokkin op de plantage La Unión. Ik hoefde toen niet meer in de brandende zon te werken, maar ook het bereiden van maaltijden voor de arbeiders was een zware klus.

Kort daarop werd ik ernstig ziek. Ik had een virus en de eigenaar van de plantage stuurde me met de bus naar de dokter, eigenlijk om van me af te zijn. Ik kon amper het consult betalen en voor medicijnen had ik al helemaal geen geld. Doodziek strompelde ik weer naar huis, ik moest me aan de muren van ons huis vasthouden om overeind te blijven. Ik ben toen bewusteloos geraakt. Toen ik bijkwam zag ik de gezichten van mijn kinderen, mijn moeder en mijn zus Rosa die me bezorgd aanstaarden. Met het geld dat mijn zus me leende heb ik toen medicijnen gekocht en langzaam maar zeker herstelde ik weer.

Ik besefte dat het zo niet langer kon. Mijn kinderen werden groter, ik had geen werk en ik was ten einde raad. Op een avond heb ik toen het besluit genomen mijn kinderen bij mijn ouders achter te laten en in de hoofdstad werk te gaan zoeken. Nooit heb ik me zo ellendig gevoeld als op dat ogenblik. Hoe moest ik mijn kinderen uitleggen waarom ik hen in de steek liet? Ik huilde en mijn kinderen huilden en zo sliepen we in. De volgende morgen pakte ik de bus naar de hoofdstad, waar een vriendin werk voor me had gevonden. Mijn jongste kind was anderhalf jaar oud toen ik vertrok.

Wat kan het vreemd gaan in het leven. In de hoofdstad werkte ik bij een gezin waar ik op de kinderen paste, ik die net mijn eigen kinderen had moeten achterlaten. Toch heb ik mijn werk zo goed mogelijk gedaan, ook al verdiende ik een schijntje. Vaak huilde ik in stilte, maar ik vroeg God kracht om de moed niet te verliezen. Wat me veel pijn deed is dat ik slecht werd behandeld; ik kreeg alleen te eten als er iets van de maaltijd overschoot. Ondanks dat alles hield ik vol, want ik had het geld hard nodig voor mijn kinderen.

Je vraagt je af hoe het mogelijk is, maar soms is het je eigen familie die voor grote problemen zorgt. Zo heb ik een broer en een zus die me nooit hebben gemogen. Toen ik al een tijdje in de hoofdstad was, begonnen zij tegen mijn kinderen te zeggen: ‘Die zogenaamde moeder van jullie is helemaal geen moeder. Anders had ze jullie nooit in de steek gelaten. Wie weet wat ze allemaal uitspookt, daar in de hoofdstad. En jullie vader, nou die hebben ze gedood omdat hij een guerrillero was.’ Ik vond het verschrikkelijk. En wat nog het ergste was: mijn kinderen geloofden die praatjes en begonnen me steeds vaker af te wijzen. Ik heb ze toen gedurende lange tijd niet meer bezocht. Maar op den duur hield ik het niet vol; ik moest en zou mijn kinderen zien. Ik keek ervan op hoe groot zij waren geworden. Ik omhelsde ze alle drie en we hebben een hele tijd samen gehuild. De kinderen vertelden me toen pas wat ze allemaal te horen hadden gekregen over mij en hun vader. Ik voelde toen dat ze me wel degelijk hadden gemist en dat ze stilletjes hadden gehoopt dat ik terug zou komen. Maar wat is het misdadig wanneer onschuldige kinderen zo tegen je worden opgezet en dat met pure leugens.

Ik ben er trots op dat mijn kinderen ondanks alles de kans hebben gehad om te studeren. Ze zijn nu alle drie getrouwd en hebben mijn hulp niet meer zo nodig. Maar je hebt er geen idee van hoeveel we hebben geleden en hoezeer mijn kinderen hun vader hebben gemist. Naarmate ze groter werden, begonnen ze me ook vragen te stellen over zijn ontvoering. Ik heb hun toen uitgelegd dat hun vader een heel goed mens was met een groot geloof in God. En dat ze hem hadden meegenomen omdat hij zich inzette voor de allerarmsten. De kinderen vroegen me ook of hun vader vrienden had, want waar waren die dan toen we zulke moeilijke tijden doormaakten. Veel vragen en twijfels waar ook ikzelf niet altijd een antwoord op had.

Door de ontvoering van mijn man was 1983 echt een rampjaar. Daar komt bij dat in januari van datzelfde jaar mijn jongste broer was opgepakt. Een informant van het leger had hem al een hele tijd in de gaten gehouden en volgde al zijn activiteiten. Op weg naar zijn werk op de plantages werd mijn broer uit de bus gehaald. Hij probeerde zich nog te verdedigen, maar een groep soldaten sloot hem in. Mijn broer werd tegen de grond geslagen en vervolgens in een auto zonder kenteken geduwd en meegenomen. Ook mijn oudste broer zat in de bus; hij zag alles gebeuren maar kon niets ondernemen om zijn broer te verdedigen. Mijn broer was drieëndertig toen ze hem ontvoerden. Hij liet een zoontje na met wie we sinds kort weer contact hebben en die als twee druppels water op zijn vader lijkt.

Mijn ontvoerde broer was actief binnen het Comité voor Boereneenheid, waar ook mijn man lid van was. Beiden hadden ze in 1980 deelgenomen aan de grote staking op de suikerrietplantages om een loonsverhoging af te dwingen. De staking was absoluut gerechtvaardigd, want je hebt er geen idee van hoe zwaar het kappen van suikerriet is, dat weet ik uit eigen ervaring. Ook ikzelf en andere vrouwen hebben een bijdrage geleverd aan de staking; wij zorgden voor frisdrank en voor voedsel voor alle stakers. De actie van de arbeiders werd een groot succes, maar daarna brak er een golf van geweld los. De grootgrondbezitters zagen dat hun belangen werden bedreigd en daar waren ze absoluut niet van gediend. Kort na de staking werd in Santa Lucía pater Walter Voordeckers vermoord. Hij was een priester die zich steeds had verzet tegen het onrecht dat arme mensen wordt aangedaan.

Sinds kort is er sprake van dat de overheid een schadevergoeding gaat betalen aan nabestaanden van personen die in de periode van het geweld werden ontvoerd of gedood. Ik vind dat een goede zaak, ook al kun je het verlies van een geliefd persoon nooit met geld goedmaken. Ik heb geen idee hoe ik of mijn kinderen zouden reageren als ook wij in aanmerking zouden komen voor een financiële vergoeding. Verdriet maak je niet goed met geld en een mensenleven is onbetaalbaar. Maar het is wel een verplichting van de overheid om de families te helpen die zulke verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt. Ik zou met het geld mijn oude moeder helpen die in grote armoede leeft.

Op dit moment woon ik samen met een man die ik ontmoette toen ik uit de hoofdstad was teruggekeerd. Eerst wilde ik niet aan een nieuwe relatie beginnen, vanwege de traumatische herinnering aan Román en ook vanwege de kinderen. Maar de man die ik had leren kennen zei dat hij voor hen zou zorgen. Dat heeft hij ook gedaan, vooral voor mijn jongste zoon die nog niet klaar was met zijn studie. Het is echt een goed mens die me met respect behandelt en veel van mijn kinderen houdt. Hij heeft wel één groot probleem: hij drinkt, maar gelukkig is hij niet agressief.

Omdat ik twijfelde over het samenwonen met de man die ik had leren kennen, ben ik naar mijn schoonvader don Máximo gegaan. Die heeft me toen een verschrikkelijk verhaal verteld. Meteen na de ontvoering van Román had hij zijn zoon gezocht in alle ziekenhuizen en politiebureaus in de omgeving, maar zonder resultaat. Ten einde raad was hij naar de kazerne aan de rand van Santa Lucía gegaan en daar hadden ze hem binnengelaten. Een officier had hem toen meegenomen naar een ruimte waar drie mannen met het hoofd naar beneden waren opgehangen. Onder de hoofden stond een kruik gas, duidelijk met de bedoeling om de mannen in brand te steken. ‘Zijn hier bekenden bij?’ vroeg de officier. ‘Nee’, antwoordde mijn schoonvader, maar hij had de drie meteen herkend. Het waren Julián Bac, Gorgóneo Lemus en zijn eigen zoon Román. Die kon zijn vader nog een teken geven dat hij moest doen alsof hij hem niet herkende.

Toen ik dit hoorde was het alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. Ook don Máximo beefde over zijn hele lichaam. Hij had al die jaren met een verschrikkelijk geheim rondgelopen; aan niemand had hij het verteld. Pas toen hij mijn twijfels over een nieuwe relatie hoorde, nam hij mij in vertrouwen. ‘Voel je vrij om opnieuw te trouwen’, zei hij tegen mij, ‘want Román is zeker dood.’ Hij zei me ook nog dat ik altijd een goede vrouw was geweest en een goede moeder voor mijn kinderen.

Kort daarop is mijn schoonvader overleden. Ik zal altijd met grote genegenheid aan hem blijven denken. Hij werkte als arbeider op de plantages, was catechist en actief binnen het Comité voor Boereneenheid. Werkelijk, don Máximo was een geweldige man die zijn leven aan God had gewijd. Veel mensen die hem in de loop van de jaren hebben leren kennen spreken nog steeds met groot respect over hem.

Dit is het dan, het verschrikkelijke verhaal van wat ons is overkomen. We zijn er nog steeds en we gaan door, want het leven gaat door. Maar moeilijk is het wel. En ook al ben ik geregeld ziek, ik sla me er doorheen en de medicijnen houden me op de been.


Opgetekend door Patty Camposeco
Nederlandse vertaling Mario Coolen

Samen met andere nabestaanden uit Santa Lucía bezocht Julia Reyes-Salpec op 20 maart jl. het onlangs ontdekte archief van de politie in Guatemala-stad dat 4,5 kilometer informatie bevat over executies en ontvoeringen in de periode van de ‘vuile oorlog’. In de installaties van het archief werden op die dag door Mayapriesters rituelen uitgevoerd voor de doden van Guatemala die nooit een waardige begrafenis ontvingen en daarom geen rust vinden. Met het ontsteken van een offervuur en het branden van wierook en kaarsen werd gebeden om kracht voor de levenden, om hun moeilijke situatie onder ogen te zien en de weg te vinden naar innerlijke rust en herstel van de geschonden rechtsorde. Vóór het bezoek aan het archief gingen de bezoekers uit Santa Lucía naar het graf van Mgr. Juan Gerardi die de waarheidscommissie van de kerk leidde en in 1998 werd vermoord.


© S T R E V E N