December 2010

Brendan Callaghan

Over het schandaal en schandalen


Dat zelfs maar één kind door een priester is misbruikt, is reden voor terechte woede, merkte Vincent Nichols, aartsbisschop van Westminster, op tijdens een interview voor de televisie op Palmzondag. Niemand met ook maar enige kennis van de schade die wordt aangericht door seksueel misbruik door de clerus zal van mening met hem kunnen verschillen. Degenen die directe ervaring hebben – degenen die zijn misbruikt – weten dit; degenen van wie de ervaring minder direct is – degenen die een persoonlijke en/of beroepsmatige relatie hebben met mensen die zijn misbruikt – komen dit te weten. Ik schrijf als iemand die behoort tot de laatste groep, als jezuïet, psycholoog en vriend, met de ervaring die voortvloeit uit verantwoordelijkheden in de opvang door jezuïeten, met de ervaring van een psycholoog die heeft gewerkt met zowel slachtoffers van misbruik als daders, maar, veel belangrijker nog, met de ervaring van liefde voor en vriendschap met mensen die zijn misbruikt zo goed als met anderen die van hen houden en om hem geven.

De emotionele schade als gevolg van ieder seksueel misbruik kan enorm zijn, en een aspect van die schade is gewoonlijk het intense gevoel te zijn verraden. Het is dan ook een gemeenplaats te wijzen op seksueel misbruik door de clerus als voorbeeld van waar het om gaat: een priester bekleedt een vertrouwenspositie, en juist dit bijzondere vertrouwen is beschaamd. Dit is een onbetwistbare waarheid, maar daarnaast moeten we een andere weerzinwekkende waarheid plaatsen: de overgrote meerderheid van gevallen van misbruik doet zich voor in een omgeving waar het kind zich het meest veilig zou moeten weten en waarop het kind het meeste zou moeten kunnen vertrouwen, te weten het gezin.

Er bestaat geen ‘becijfering van verschrikkingen’, als poging vast te stellen dat de ene soort ervaring van verraad en misbruik van nature erger is dan de andere. Maar er zou wel ruimte voor perspectief en context moeten bestaan, opdat onze reacties op welk misbruik dan ook kunnen worden ingegeven door onze woede en ons medelijden, maar ook gevoed door kennis van zaken en doordachte reflectie. Zoekend naar een dergelijk perspectief en een dergelijke context, is het de moeite waard twee aspecten van wat in verschillende media is opgemerkt over seksueel misbruik door de clerus nader te onderzoeken: het verplichte celibaat, en de ‘samenzwering van stilzwijgen’. Kort ingaan op deze beide aspecten kan leiden naar een meer omvattende reflectie op wat ertoe heeft geleid dat de kerk zich bevindt in deze tragische situatie van lijden, zonde en mislukking.

Verplicht celibaat

In een aantal onlangs verschenen artikelen en uitzendingen is seksueel misbruik door de clerus rechtstreeks in verband gebracht met de katholieke regel van het verplichte celibaat. ‘Schaf het verplichte celibaat voor katholieke priesters af, en één van de voornaamste oorzaken van misbruik wordt weggenomen’. Deze gedachte lijkt overtuigend: seksualiteit is een krachtig aspect van ons mens-zijn. Maar onze cultuur loopt het gevaar de directe seksuele ervaring (in de engere betekenis van het woord ‘seksueel’, dat wil zeggen, betrekking hebbend op de geslachtsgemeenschap) zozeer op te hemelen, dat we de mogelijkheid een seksuele persoonlijkheid te zijn (in de bredere betekenis van het woord ‘seksueel’, dat wil zeggen, daarbij inbegrepen alle affectieve aspecten van ons mens-zijn) en een gezond en vervuld leven te leiden als celibatair uit het oog verliezen.

Twee nogal verschillende soorten gegevens maken duidelijk dat er niet zo’n rechtstreeks verband bestaat tussen het verplichte celibaat en seksueel misbruik van kinderen. De eerste is al genoemd: het grootste risico seksueel te worden misbruikt loopt een kind thuis, en de meest gevaarlijke mensen zijn niet indringers of vreemdelingen, maar familieleden en vrienden. De tweede is dat, waar het gaat om het zich voordoen van seksueel misbruik, een kind in de katholieke kerk geen groter risico loopt dan in welke andere omgeving ook waar volwassenen zonder toezicht toegang tot kinderen hebben.

Wanneer u, terwijl u de laatste zin las, merkte dat u kwaad werd en aanvoerde dat dit niet het punt is waar het om draait, dat binnen de kerk ieder geval onaanvaardbaar is, weet dan dat ik bij het typen van deze zin dezelfde ervaring had. Met aartsbisschop Nichols ben ik het eens, dat het misbruiken van zelfs maar één kind reden is voor terechte woede. Maar om te begrijpen wat er aan de hand is, zodat we zowel onze kinderen kunnen beschermen als kunnen bewerkstelligen dat er recht wordt gedaan, moeten we feiten die ons verontrusten onder ogen kunnen zien, en ermee kunnen omgaan.

Seksueel misbruik van kinderen doet zich niet alleen in allerlei milieus binnen onze eigen cultuur voor, maar ook in andere culturen. Ook is seksueel misbruik van kinderen niet iets van onze tijd: in alle tijden hebben kinderen geleden onder seksueel misbruik, zoals – naast uit andere bronnen – maar al te duidelijk blijkt uit bepalingen in het strafrecht en het kerkelijk recht. Maar er bestaat een toenemende bereidheid deze feiten als feiten te erkennen: onwelkome feiten, onaangename feiten, maar niettemin feiten. Deze openheid is een noodzakelijke, positieve stap, en zij wordt nu ook meer zichtbaar in de organisatie van de kerk.

Een samenzwering van stilzwijgen

Psychotherapeuten, en leden van alle beroepsgroepen waarin intensief werken met cliënten een rol speelt, leren het verschijnsel kennen dat een ‘parallel proces’ wordt genoemd. Daarbij wordt een of ander aspect van de pathologie van de cliënt onbewust verplaatst in diegenen die zich met de cliënt bezighouden – in een bespreking van een geval bijvoorbeeld, of in een supervisiesessie van de therapeut zelf. Gezien het feit dat ontkenning zo centraal staat in de psychodynamiek tussen dader en misbruikte, is het dus niet zo verrassend dat ontkenning een sterk mechanisme is onder diegenen die gevallen van seksueel misbruik van kinderen behandelen.

De werkelijkheid – dat seksueel gedrag tussen een volwassene en een kind machtsmisbruik is, veeleer dan een wederzijdse uiting van liefde – wordt echter zelden of nooit erkend door de dader. Maar de dader zal bovendien gebruik maken van de macht die hij heeft om zich te verzekeren van het zwijgen van het misbruikte kind, hetzij door te dreigen met direct geweld, hetzij door ermee te dreigen dat de schuld bij het kind wordt gelegd, of hoe dan ook.

Het emotionele overleven van het misbruikte kind lijkt afhankelijk van het niet in het bewustzijn toelaten van de werkelijkheid van wat hem of haar is aangedaan, of dit nu de vorm aanneemt van het volledig wissen (onderdrukken) van iedere herinnering aan de gebeurtenissen, of het terugbrengen van de betekenis en het belang van wat er is gebeurd, of van het aanvaarden van een verantwoordelijkheid die in werkelijkheid nooit de zijne of hare kan zijn.

Ontkenning is de kern van misbruik. Wanneer beroepspsychologen al merken dat zij verwikkeld raken in parallelle processen, zijn de dodelijke manieren waarop ontkenning de kern vormde van de reacties op seksueel misbruik door de clerus minder verrassend.

In spreektaal: we denken niet graag na over het seksueel misbruik van kinderen, en dus grijpen we iedere kans aan om er niet over na te denken. En wanneer we worden gedwongen het onder ogen te zien, houden we zoveel mogelijk afstand door de daders op zo’n manier aan te duiden dat zij zover mogelijk van ons afstaan, en van ‘mensen zoals wij’. De krantenkoppen van de sensatiepers beschrijven zo eenvoudigweg in 50-punts letters die uitwijkmanoeuvres waaraan de meesten van ons zich wel eens overgeven.

Nogmaals, een begin maken met begrijpen is niet hetzelfde als verontschuldigen. Ontkenning maakt het mogelijk dat we ermee omgaan, of we nu ouders zijn – ‘Zeg nooit zoiets over een priester van God!’ –; medeclerici – ‘Zoiets kan niet waar zijn over pater X’ –; of bisschoppen – ‘Deze pater heeft zijn zondigheid en zwakte erkend, en de noodzaak van therapie aanvaard: hij verdient een nieuw begin!’

Maar het volhouden van ontkenning ondanks de feiten vergt inspanning, en een toenemende mate van vastbeslotenheid, en beide verminderen ons vermogen de waarheid onder ogen te zien. Het ethos waarin professionele therapeuten werken stelt hen in staat ‘parallelle processen’ te onderkennen – of het nu in de vorm van ontkenning is of in een andere vorm – en te gebruiken wat deze hen vertellen over zowel de dynamiek van een bepaald geval als over de dynamiek die henzelf als therapeuten kenmerkt. Door deze wellicht moeilijke waarheden te erkennen, en daarbij geholpen door gedeelde inzichten en de organisatorische structuur van zijn beroepsgroep, kan een therapeut verder, en in de toekomst beter van dienst zijn.

Gemeenschap en falen

Dit wil niet zeggen, dat therapeuten en andere beroepsgroepen door hun gedeelde inzichten en de organisatorische structuur van hun beroepsgroep immuun worden, hoe goed deze ook mogen zijn uitgewerkt. De waarheid is, zoals elke maatschappelijk werker ons zal kunnen vertellen, dat kinderen die zijn misbruikt in de steek zijn gelaten door de staat en door vrijwilligersorganisaties die de plicht hadden hen te beschermen, en dat ook de rol van de pers weinig consequent is geweest. Maar het lijkt me dat de reactie van ‘de kerk’ op berichten over seksueel misbruik van kinderen erop wijst dat de gedeelde inzichten en organisatorische structuur van de kerkelijke gemeenschap veelvuldig veeleer een hinderpaal vormden dan een hulpmiddel waren.

De aandacht richten op deze meer algemene aspecten van de wijze waarop wij als kerk bestaan, zou op het eerste gezicht het risico kunnen inhouden dat wij ons afwenden van wat centraal zou moeten staan. De grote tragedie die we nooit uit het oog mogen verliezen, is dat zoveel lijden is aangedaan dat had kunnen worden voorkomen: de gezichten van deze tragedie zijn altijd de gezichten van de gekwetste en verraden kinderen.

Wat wij als leden van de kerk moeten plaatsen, is dat dit kwetsen en verraad gevolgen zijn van het falen van onze gemeenschap in het volledig leven als evangelische gemeenschap. In die mate dat we de idee serieus nemen dat we als kerk het verzamelde volk Gods zijn, met een gemeenschappelijke, wederzijdse verantwoordelijkheid voor elkaar en voor de gemeenschap, in diezelfde mate moeten we aanvaarden dat dit falen een gemeenschappelijk falen is. Een dergelijke uitspraak kan een verscheidenheid aan reacties oproepen, maar ik zou willen opperen dat ons als kerk een kans op genade wordt geboden, en dat we, zoals bij al dergelijke kansen op genade, niet alleen moeten onderkennen wat ons wordt geboden, maar ook wat van ons wordt gevraagd, opdat we kunnen ontvangen wat ons wordt geboden.

Ik denk dat wat van ons wordt gevraagd is, dat we afstand nemen van een klerikale cultuur die zich heeft ontwikkeld tot iets dat uit de pas loopt met de waarheid van de kerk, en dat we de werkelijkheid terugwinnen van de kerk als een gemeenschap van Christus waarin verschillende mensen verschillende diensten verzorgen. Op haar best heeft de kerk deze werkelijkheid belichaamd, zowel op levendige, hoogst zichtbare wijze als op meer kalme alledaagse wijze. In overweging geven dat we door de Geest worden uitgenodigd te veranderen is niet hetzelfde als het negeren van, of afbreuk doen aan, de levens van zoveel mannen en vrouwen waarin het Evangelie centraal stond, die werden geroepen tot een ambt of tot leiderschap in de kerk. Maar zoals iedere organisatie is ook de kerk niet altijd op haar best, en als zij dat niet is kan zij een gesloten, defensieve houding aannemen die afbreuk doet zowel aan haar vermogen te getuigen van de Blijde Boodschap die in Jezus is geopenbaard, als aan haar vermogen de waarheid te zien en te horen.

Een defensieve institutionele cultuur

Het is een gemeenplaats dat de kerk al vijf eeuwen worstelt met deze defensieve houding. De reacties op de uitdaging van de Reformatie varieerden van dialoog en zelfonderzoek tot afweer en zichzelf vrijpleiten. Een gevolg hiervan was dat het seminariesysteem van na het Concilie van Trente, dat voortkwam uit de erkenning van de noodzaak van een passende vorming van priesters, zich ontwikkelde tot een defensieve structuur op zich. Een dergelijk systeem van vorming was niet in staat mensen op te leiden die konden reageren op de veranderingen in het denken en de cultuur die voortkwamen uit de Verlichting en de ontwikkeling van wetenschappelijke methodes. Voeg bij dit kerkelijk-cultureel mengsel de Franse Revolutie, de opstanden tegen de monarchie in heel Europa in 1848, en de ineenstorting van de Pauselijke Staten, en er ontstond een zekere onvermijdelijkheid in volgende afwerende bewegingen, samengebald in de ‘modernistische crisis’ van het begin van de twintigste eeuw.

Een autoritaire en een defensieve houding voeden elkaar. De kerk in de eerste helft van de twintigste eeuw was er een waarin het gezagsargument overheerste, en waarin de geschriften van degenen die het niet eens waren met dat gezag werden geclassificeerd onder adversarii – waarvan een alledaagse vertaling zou kunnen luiden ‘degenen die ons te pakken willen nemen’. Discussie, debat of het afwegen van bewijs werden niet gezien als oefeningen die konden bijdragen aan de vorming, noch als middelen om ons begrip van de waarheid te verdiepen. Theologen worstelden met een systeem dat van hen vroeg te doceren dat de eerste vijf boeken van de Bijbel – de Pentateuch – ‘werkelijk en geheel het werk van Mozes’ waren. De Amerikaanse kerkhistoricus John Tracey Ellis citeert een professor aan een seminarie: ‘Alleen de katholieke filosofie heeft de waarheid’, en geeft als commentaar: ‘Hij gaf weer wat anderen dachten en praktiseerden. Studenten ontwikkelden de zwakste van alle houdingen tegenover tegenstrevers – die van minachting’.1

Als teken van hoop kunnen we onszelf eraan herinneren, dat Johannes XXIII voortkwam uit dit seminariesysteem, en dat het de wetenschap was die onder deze omstandigheden werd beoefend die de aanzet gaf tot de definitieve verandering in het bewustzijn en de kerkelijke cultuur, belichaamd in het Tweede Vaticaans Concilie. De Geest werkt in de kerk, bemoedigt en geeft inzicht, ook wanneer degenen die beter zouden moeten weten de aandacht richten op het zich verdedigen tegen ‘dissenters’ – waarvan een alledaagse vertaling zou kunnen luiden ‘degenen die ons van binnenuit te pakken willen nemen’.

Alle grote organisaties ontwikkelen afweermechanismen. IBM, General Motors, Lehman Brothers – alle hebben de prijs betaald voor het ontwikkelen van een interne cultuur die het de verantwoordelijken onmogelijk maakt de waarheid onder ogen te zien. Een aspect van het kerkelijk leven dat zijn afweermechanismen zo vernietigend maakt is dat de kerk, anders dan commerciële organisaties, min of meer volledige controle heeft over de vorming van haar leiders. Seminaries brachten op hun best toegewijde, veel biddende en wijze mannen voort, maar het klassieke seminariesysteem had een ingebouwde tendens tot conformisme en het zonder meer aanvaarden van gezag. Het monastieke spreekwoord ‘Houd je aan de Regel en de Regel zal je behoeden’ werd vertaald in ‘Houd je aan de regels van dit seminarie en je zult worden gewijd’.

Dit is een gevaarlijk levenspatroon om in te worden gevormd. Onnadenkende gehoorzaamheid en trouw bij meningsverschillen met het gezag kunnen een manier zijn om de pijn en spanningen van conflicten te vermijden, hetgeen dubbel aantrekkelijk is wanneer degenen die het gezag uitoefenen eigenmachtig kunnen beslissen over benoemingen en bevorderingen. Maar als levenspatroon houdt het een compromis in, een terugdeinzen voor de worsteling met de waarheid van het Evangelie die groter is dan welke organisatie ook. En terwijl een dergelijke manier van leven diegene die haar volgt lijkt te begiftigen met een geruststellende uitstraling van zekerheid, merkt ‘het volk’ onvermijdelijk dat de preken en liturgie van deze man duidelijk niet wortelen in ervaringen, en even onvermijdelijk wordt het bidden van dit individu, afgesneden van de worsteling om de waarheid, leeg.

Maar de schade gaat nog verder, want de ervaring van een onderdanige en volgzame priester te worden overheerst (binnen een structuur die onnadenkende gehoorzaamheid eist, of zelfs alleen maar lijkt te eisen) kan leiden tot dominant en onverzoenlijk gedrag wanneer zo iemand een positie met gezag gaat bekleden. Degenen die worden benoemd op plaatsen met gezag zouden mensen moeten zijn die de waarheid over hun eigen sterke en zwakke plekken hebben leren kennen, in een worsteling met de waarheid van het Evangelie door de Schrift, de sacramenten en het gebed. Al te vaak, zo lijkt het, heeft de kerk degenen die plaatsen met gezag bekleden niet gesteund in dit noodzakelijke proces van menselijke ontwikkeling.

Functioneel en disfunctioneel

Alle menselijke organisaties brengen macht voort, en brengen macht over: de vraag is, hoe deze macht wordt overgebracht. Studies naar functionele en disfunctionele groepen hebben gewezen op de kenmerken van beide, en het kan nuttig zijn deze eenvoudig op te noemen2:

Disfunctionele groepen Functionele groepen
niet spreken als regel open communicatie
verinnerlijkte gevoelens  uitdrukking geven aan gevoelens
onuitgesproken verwachtingen uitdrukkelijke regels
verwarde verhoudingen respect voor onderscheid
manipulatie en controle respect voor vrijheid
chaotisch systeem van waarden     samenhangend systeem van waarden
star gedrag open geest
vereren van verleden tradities scheppen van nieuwe tradities
afhankelijkheidsrelaties onafhankelijkheid en groei
jaloezie en wantrouwen vertrouwen en liefde

Het is duidelijk niet zo, dat alle kenmerken van disfunctionele groepen van toepassing zijn op alle aspecten van de kerk – maar er kan worden gesteld dat er genoeg zozeer van toepassing zijn dat we er ons zorgen over moeten maken. De National Review Board die door de Amerikaanse bisschoppenconferentie in het leven werd geroepen om het misbruik van kinderen te onderzoeken, merkte in zijn rapport, gepubliceerd in 2004, dit op:

Sommige getuigen vergeleken de kerkelijke cultuur met een feodale of militaire cultuur, en merkten op dat priesters die opschudding veroorzaakten minder kans hadden hogerop te komen. Het klerikalisme droeg bij aan een cultuur van geheimhouding. In veel gevallen hechtten leiders van de kerk meer waarde aan vertrouwelijkheid en het recht op privacy van de priester dan aan het voorkomen van verdere schade bij de slachtoffers en van een inbreuk op hun rechten.

Volgens veel mensen die met de Board spraken werden priesters met uitgesproken opvattingen zelden uitgekozen om bisschop te worden, en bisschoppen met uitgesproken opvattingen werden zelden verkozen als aartsbisschoppen en kardinalen. Het voorspelbare resultaat was dat priesters en bisschoppen zich niet uitspraken, wanneer een situatie dat juist wel van hen vroeg.

Medeverantwoordelijkheid en samenspanning

Nu moeten we onszelf herinneren aan een ongemakkelijk feit: in iedere organisatie, de kerk daarbij inbegrepen, zijn het niet alleen degenen die leidende posities bekleden die de cultuur van de organisatie in stand houden. Wil welke cultuur ook voortbestaan binnen een organisatie, dan moet zij worden gesteund door een groot deel van de leden van die organisatie, uitdrukkelijk of impliciet, actief of passief. Dat een klerikale en conformistische cultuur in de kerk kon blijven voortbestaan is een gedeelde verantwoordelijkheid van ons allen. Culturen worden in stand gehouden door degenen die baat hebben bij hun bestaan, dus dragen in de kerk niet alleen degenen die overduidelijk baat hebben bij deze cultuur, maar ook degenen die er minder duidelijk baat bij hebben een zekere mate van verantwoordelijkheid.

De psycholoog Erich Fromm wijst erop dat we leven met twee tegenstrijdige neigingen: ons ‘bewegen uit de baarmoeder’ naar vrijheid en verantwoordelijkheid, en ‘terugkeren naar de baarmoeder’ naar zekerheid en veiligheid. Organisaties vertonen dezelfde spanning, en de kerk is niet anders. De grote meerderheid van degenen die de kerk vormen zijn begaan met het opbouwen van het Koninkrijk en het verspreiden van het Evangelie, en tonen dit door goed en toegewijd te leven, of zij nu zijn gewijd of niet. Maar de aantrekkingskracht van zekerheid en veiligheid blijft bestaan, en de uitwerking ervan kan worden gezien in wat ‘baten’ lijken te zijn voor zowel de clerus als leken. In hun meer extreme verschijningsvormen zijn deze ‘baten’ voor de clerus onder meer een hoge levensstandaard, status, privileges en macht, het slechts in beperkte mate verschuldigd zijn van verantwoording alsook het vrij zijn van de verplichtingen en verantwoordelijkheden van relaties. Maar er kunnen ook ‘baten’ zijn voor leken: het vermijden van persoonlijke verantwoordelijkheid, een nauw omschreven rol, het vermijden van de kosten van een volwassen geloof, en de veiligheid en ‘afgespiegelde eer’ die voortkomen uit het afhankelijk zijn van anderen.

Het moge duidelijk zijn, dat dergelijke ‘baten’ in werkelijkheid verliezen zijn als we spreken in termen van menselijke groei en een vervuld leven, maar het handhaven van priesters en bisschoppen ‘als geestelijkheid’ kwam (en komt wellicht nog steeds) tegemoet aan de oprecht ervaren behoeftes van velen in de kerk. Deze behoeftes zijn niet altijd gezonde behoeftes geweest, en juist dit is wat niet werd ingezien door degenen die geen andere manieren van kerk-zijn kunnen zien.

Celibaat en transparantie

In november 1993 verklaarde de toenmalige aartsbisschop van Chicago, kardinaal Joseph Bernardin, als reactie op later ingetrokken beschuldigingen van misbruik: ‘Ik kan u verzekeren dat ik mijn hele leven een kuis, celibatair leven heb geleid’. Voor een goed begrip van de manier waarop de kerk omgaat met zaken in de sfeer van seksualiteit is het van belang twee feiten onder ogen te zien:

  • De publieke praktijk en regels van de kerk veronderstellen dat iedere gewijde celibatair een kuis en celibatair leven leidt;
  • Bestaand onderzoek wijst uit dat deze veronderstelling niet steunt op bewijs; hoewel schattingen sterk uiteenlopen, is een wezenlijk deel van degenen die als celibatair zijn gewijd niet in staat de verklaring van kardinaal Bernardin na te zeggen.3

Dit is niet hetzelfde als individuen beschuldigen van hypocrisie. Celibataire kuisheid is, als iedere vorm van volwassen seksualiteit, een proces van groei en integratie. De Amerikaanse psychotherapeut Richard Sipe, een voormalige Benedictijner monnik en ex-priester die veel onderzoek deed naar geestelijke problemen onder priesters, vervat dit in een werkdefinitie, uit een boek dat in 2003 verscheen:

    Het celibaat is een vrijwillig gekozen dynamische toestand, gewoonlijk bevestigd door het afleggen van geloften, die een eerlijke en aanhoudende poging inhoudt te leven zonder directe seksuele bevrediging, teneinde anderen productief te dienen vanuit een spiritueel motief.

Het probleem is niet dat van geprofeste celibatairen die moeten ingroeien in een volledige uitdrukking van wat zij hebben beloofd en proberen na te leven, maar van een cultuur waarin enerzijds worstelingen, problemen en mislukkingen bijna onmogelijk anders dan in de biechtstoel kunnen worden toegegeven, en waarin anderzijds bewijs bestaat voor sommige gevallen van actieve seksuele relaties tussen bisschoppen en hun clerus, en tussen religieuze oversten en hun ondergeschikten.4 Richard Sipe haalt het verslag aan dat door een jonge priester werd gedaan van het afwijzen van de seksuele avances van een bisschop van een ander diocees, waarbij hem werd gezegd: ‘Weet wel, pater, als je hogerop wilt komen in deze organisatie heb je vrienden nodig’.5

Het is niet moeilijk in te zien hoe een cultuur van conformisme en stilzwijgen een bijna volmaakte omgeving biedt voor disfunctioneren op dit niveau, hoe deze cultuur het mogelijk maakte dat niet alleen ongepaste seksualiteit niet werd bestreden, maar ook seksueel misbruik niet.

Dat de katholieke kerk, zoals alle Christelijke kerken, nog altijd worstelt om te komen tot een samenhangende leer over menselijke seksualiteit is tegelijk een product van deze cultuur en een factor in het voortbestaan ervan. Veel leden van de kerk, gewijden en leken, vertrouwen op hun doorleefde ervaring van genade, en verwerpen wat kunnen worden opgevat als belangrijke aspecten van de formele leer van de kerk over dit wezenlijke aspect van de menselijke ervaring.

Een meer afgeronde visie

In 1956 verscheen Heaven and Hell van Aldous Huxley. Een deel van dit boek gaat over de neurofysiologische uitwerkingen van de Vasten op veel aspecten van het leven van monniken in de middeleeuwen. Tegen de tijd dat Huxley is ingegaan op de gevolgen van karige voeding, de aanwezigheid van verschillende schimmels in het voedsel dat aan het einde van de winter nog beschikbaar was, het gif dat door geselingen vrijkwam, en van het onthouden van zuurstof door langdurig zingen, is het niet moeilijk in te stemmen met zijn openlijk uitgesproken verrassing, niet dat zo veel monniken verslag deden van visioenen, maar juist zo weinig.

Op dit punt van onze overwegingen, en in reactie op de bijna aanhoudende druk van de media in de afgelopen tijd, lijkt er voor velen van ons iets gelijkaardigs aan de hand met betrekking tot het pathologisch beleven van seksualiteit en misbruik door de celibataire katholieke clerus. Maar de werkelijkheid is wezenlijk anders. Als we verder kijken dan de krantenkoppen en ingaan op wat gepubliceerd onderzoek en persoonlijke waarneming aantonen, dan zien we dat de grote meerderheid van de gewijde celibatairen in de kerk een ‘eerlijke en aanhoudende’ poging onderneemt hun celibaat integer te beleven, en dit doen in onmiddellijke levensomstandigheden waarin vaak nauwelijks (zo er al iets is) menselijke ondersteuning bestaat, binnen het kader van een leer die op zijn best knarst en op zijn slechtst grote gaten vertoont, en in een binnenkerkelijke cultuur waarin persoonlijke eerlijkheid, laat staan zich openlijk uitspreken, iemand vaak zo duur kan komen te staan dat openheid en eerlijkheid vrijwel onmogelijk worden. En ook zien we degenen in posities van dienstbaarheid en leiderschap die als bisschop met dezelfde integriteit leven, in dezelfde moeilijke context.

De toekomst bezien

De brief van paus Benedictus aan de katholieken van Ierland was moedig en profetisch. Voor velen van degenen die zijn misbruikt was dit niet voldoende, maar geen enkele brief had voldoende kunnen zijn in verhouding tot het lijden dat hen is aangedaan. Noch zou, dunkt me, welk aantal ontslagen ook dit zijn: het lijden en het bedrog zijn te groot. Door niet te vermelden wat er aan het licht kwam over andere landen probeerde de paus naar mijn mening een eerdere belofte aan de plaatselijke kerk na te komen: dit was een reactie op een bepaalde situatie, gericht aan een bepaalde groep mensen, en ik denk dat zij op termijn zal worden gezien als een cruciaal moment in de geschiedenis van de kerk. (Het is verleidelijk te suggereren dat nogal veel van wat door verschillende andere bisschoppen en kardinalen is gezegd en geschreven na de brief van de paus maar beter kan worden vergeten, maar een meer gezonde benadering is te wijzen op toenemend zichtbare verschillen tussen degenen die een defensieve opstelling proberen vol te houden en degenen die willen luisteren naar wat de Heilige Geest de kerk zegt.)

Maar wanneer deze ene brief niet de aanhoudende pijn kan helen van degenen die zijn misbruikt, noch kan ingaan op alles wat is verschenen en nog verschijnt in de pers, dan kan deze ene brief ook niet worden opgevat alsof daarmee alles is gezegd wat moet worden gezegd, alsof daarmee alle maatregelen in gang zijn gezet die moeten worden genomen. Wat niet aan de orde kwam in de brief van paus Benedictus, zijn de wijzen waarop de gedeelde inzichten en organisatorische structuren van de hele kerkgemeenschap tekort zijn geschoten. Een aantal daarvan is in dit artikel onderzocht. 

(Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 15 april 2010 in Thinking Faith, het online tijdschrift van de Britse jezuïeten (http://www.thinkingfaith.org), waar het nog beschikbaar is. Het is met toestemming van de auteur uit het Engels vertaald en enigszins ingekort door Herman Simissen.)


© S T R E V E N