Juli-Augustus 2010

Piet Devos

Schrijven voor het vaderland

Op zoek naar José Martí


Onderweg van Trinidad naar de oostelijke stad Santiago, het eindpunt van onze rondreis op Cuba, doen we het plaatsje Sancti Spiritus aan. Nu ik deze drie toponiemen neergeschreven op een rijtje zie valt het me des te sterker op hoeveel christelijke mythologie ze meetorsen: behalve de drie-eenheid en de Heilige Geest is ook Sint-Jacob de Morendoder (Santiago Matamoros) van de partij, de in Compostela vereerde koene strijder die op zijn vurige ros de Arabieren bevocht. Was hij een moslim geweest, dan hadden we hem tegenwoordig een terrorist of een jihadist genoemd. Deze Spaanse en Latijnse plaatsnamen vertellen een oud verhaal over onderdrukking, over het culturele geweld dat in het benoemen van het andere of het onbekende schuilt, maar misschien zeggen ze nog meer over de angsten en verlangens van de eerste kolonisten.

Dit was de Nieuwe Wereld, en het moest daarom een nieuw begin worden; hier diende men de fundamenten te leggen voor een zuiver christelijke samenleving die, anders dan in Europa, niet ‘verziekt’ mocht worden door Arabische of Joodse elementen. Wie naar de overzeese gebieden wilde vertrekken moest kunnen bewijzen, soms tot ettelijke generaties terug, dat er zich onder zijn voorouders geen Joden of Moren bevonden. Dit is overigens ook de voornaamste redenen waarom Miguel de Cervantes zijn droom om naar Amerika te emigreren niet kon waarmaken.

Cuba’s koloniale steden: dierentuin van het socialisme

Door koloniale steden zulke vrome namen te geven leken de stichters het gevaar om door het ‘vreemde’ besmet te raken bij voorbaat te bezweren, het heidense op een veilige afstand te houden. Het heidense, dat stond in de zestiende-eeuwse verbeelding voornamelijk gelijk met de islam; we mogen niet vergeten dat het laatste moslimbolwerk Granada pas in 1492 gevallen was. Bernal Díaz del Castillo, Cortés’ secretaris tijdens diens verovering van Mexico in 1519, noemt in zijn reisverslag de Azteekse tempels niet voor niets ‘mezquitas’, moskeeën dus. Bijgevolg hoeft het nauwelijks verbazing te wekken dat Santiago, in de naam van de stad, ook hier op Cuba zijn vlammend zwaard boven de hoofden van een Moors fantoomleger zwaait. De taal fungeert daarbij als wapen van de spreker tegenover een bedreigende buitenwereld, als ordenend mechanisme waarmee de conquistadores in hun pas verworven trans-Atlantische bezittingen hun waardesysteem definitief beoogden te vestigen.

Maar in weerwil van zijn hoogdravende benaming heeft Sancti Spiritus weinig te bieden. Het middeleeuws aandoende stenen bruggetje dat de gids ons wil laten zien – een van de zeldzame exemplaren in zijn soort op Cuba – vermag het hoofdzakelijk Nederlandse reisgezelschap niet bijster te bekoren. Zulke bruggetjes vind je in West-Europa bij de vleet; daarvoor zijn we niet zo ver gekomen. Waarvoor dan wel eigenlijk? Deze vraag laat me niet los, al vanaf de eerste dag in Havana toen het me vrij snel duidelijk werd dat je hier in het gareel van het uitgestippelde toeristische traject moet lopen. Deze opgelegde rol van de rijke westerse vertierjager werkt beknellend, zelfs vervreemdend in de zin dat het je dwingt naar een weinig flatteus spiegelbeeld te staren waarvoor je meestal halsstarrig je ogen sluit.

Hier moet je echter wel de dure hotels en all-inclusive resorts zien die alleen voor jou zijn gebouwd, waar jouw niet-Cubaanse nationaliteit je het recht verleent onbeperkt te eten, te drinken, gebruik te maken van de sportaccommodatie en je aan goedkope avondprogramma’s te vergapen – om van de rest maar te zwijgen. Hier kan het je niet ontgaan dat de uitgestrekte stranden op de souvenirverkopers na aan buitenlanders zoals jij zijn voorbehouden, dat de vaak halflege toeristenbussen de enige zijn die niet mogen stoppen om lokale lifters op te pikken, dat folkloristische dansspektakels worden opgevoerd om jou te vermaken en jou de gelegenheid te geven het ‘authentieke’ Cuba op film en in je herinnering vast te leggen; je weet ook dat te jouwer ere zelfs een aparte munteenheid in het leven is geroepen, de CUC waarmee je overal geacht wordt te betalen omdat die zo’n slordige 24 keer meer waard is dan de gewone Cubaanse peso...

Jouw privileges zijn stuk voor stuk net iets te nadrukkelijk aanwezig om zelf geen parodie te schijnen op George Orwells satirische wettekst ‘All animals are equal, but some are more equal than others’. Hoewel hij niet expliciet aan Animal Farm refereerde was het misschien ook wel de gedachte aan dit klassieke spotschrift tegen het stalinisme, die de Braziliaanse literatuurwetenschapper Raúl Antelo, tijdens een lezing die ik enkele maanden na ons bezoek aan Cuba bijwoonde, ertoe bracht Fidels paradijs ‘de dierentuin van het socialisme’ te noemen. In ieder geval zijn de sfeer en het decor op Cuba, eind 2007, nauwelijks nog treffender te omschrijven. Dit geldt met name voor een stad als Santa Clara waar in een imposant mausoleum Che Guevara begraven ligt of wat ze nog van hem hebben teruggevonden, volgens Herman Portocarero in Cubaanse nachten niet meer dan een hoopje botten dat in een babykistje paste, en waar brokstukken te bewonderen zijn van de trein die de guerrillero’s in 1959 hebben opgeblazen. Maar het geldt net zozeer voor het vroegere hart van de suikerteelt Trinidad, waarvan het door de UNESCO beschermde historische centrum, nadat de eigenlijke bewoners naar de armetierige buitenwijken zijn verdreven, nagenoeg ‘Cubaan-luw’ is gemaakt – andermaal de zwermen sigarenslijters, entertainers en handelaren in snuisterijen niet meegerekend.

Het draagt er allemaal toe bij dat je je een voyeur voelt, een flaneur in een rariteitenkabinet of de zoöloog van de uitstervende diersoort der communisten, een ongewenste indringer wiens al te vrijpostige optreden men met lede ogen aanziet maar niettemin tolereert, weliswaar met een ironisch lachje om de mond, uit ontzag voor een overvoede geldbuidel.

Na de Spanjaarden was het de beurt aan Castro en zijn kliek om de geschiedenis naar hun ideologische hand te zetten, hun versie ervan te ensceneren. Maar anders dan een paar eeuwen geleden toen de machthebbers nauwelijks iets van pottenkijkers te duchten hadden en de vertoning hoofdzakelijk nog voor de eigen onderdanen was bestemd, lijkt de show tegenwoordig bovenal ter verpozing van buitenlandse vakantiegangers te dienen. De sociale revolutie is een goed verkoopbaar merk gebleken, waarvoor op elke straathoek reclame wordt gemaakt in zoetgevooisde traditionals over ‘el comandante’ Che Guevara. Wie of wat vermag iets tegenover dit zwart-witverhaal stellen? Een meer menselijke, aarzelende, ironische, van twijfel vervulde zucht te slaken die dit koor van instemming verstoort?

In de ban van José Martí

Op onze wandeling door de winkelstraatjes van Sancti Spiritus botsen we op de enige boekhandel die we op deze reis zullen tegenkomen. Nu ja, boekhandel, een librería zoals je je die moet voorstellen in een land waar boeken uiterst schaarse luxegoederen zijn: een ruim vertrek waar in de rekken langs de muren en op de tafels in het midden wat beduimelde zoveelstehands paperbacks liggen uitgestald. Niet rug aan rug, zoals ze uit plaatsgebrek in een Europese boekwinkel of bibliotheek staan opgesteld, maar zij aan zij liggen de boeken in rijtjes, hoogstens vijf per plank, daarbij dusdanig neergelegd dat de winkel globaal genomen niet dramatisch leeg zou ogen. Het oor weet echter wel beter: hier geen warme, gedempte akoestiek als gevolg van metershoog opgetast papier, maar een hol, kil geluid waardoor de stemmen van de twee toeschietelijke verkoopsters in de ruimte verstrooid raken en hun Spaans nog moeilijker te verstaan is dan hier doorgaans op Cuba al het geval is, vanwege de gutturale uitspraak en het systematische inslikken van eindklanken. Het kan met het vroege hete middaguur te maken hebben dat er behalve wij geen andere klanten in de winkel te bekennen zijn, maar het valt te betwijfelen of de dames het ooit razend druk krijgen. ‘Iedereen had een baan onder het communisme’, heb ik in Polen wel eens horen beweren. Men vergat er dan echter bij te vertellen dat, bijvoorbeeld, voor een klein winkelcentrum minstens zes parkeerwachters werden aangeworven.

Uit de verraste toon van de verkoopster meen ik hoe dan ook te kunnen afleiden dat hier slechts zelden toeristen over de vloer komen; al helemaal geen witte raaf die blijkbaar werkelijk iets wil kopen en naar de poëzie van José Martí vraagt. Een veilige want politiek hypercorrecte keuze, zo meende ik, terugdenkend aan het tientallen meters boven de verkeersstromen uittorende standbeeld van Martí naast Castro’s ambtswoning op de Plaza de la Revolución in Havana. De grootsheid en alomtegenwoordigheid van de aan hem gewijde monumenten bewijzen wel hoezeer de huidige bewindvoerders de negentiende-eeuwse vrijheidsstrijder aan hun tere hart hebben gedrukt. En laten we eerlijk zijn, zelfs de meest hardvochtige bruut moet toch week worden bij zoveel romantiek: de dichter die wegens zijn rotsvaste geloof in de vrijheid en zijn patriottistische teksten van zijn geboortegrond wordt verdreven door de vreemde overheersers, en vervolgens, na jarenlang rond te hebben gezwalkt, naar zijn vaderland terugkeert om er voor zijn idealen te sterven...

Geboren in Havana in 1853 als zoon van weinig bemiddelde Spanjaarden raakte Martí al vroeg actief betrokken bij groeperingen die voor Cuba’s onafhankelijkheid ijverden. Hij schreef spoedig daarop zijn eerste nationalistische gedichten, waarvoor de koloniale autoriteiten hem, nauwelijks zeventien, tot zes jaar dwangarbeid veroordeelden. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij evenwel naar Spanje overgebracht, waar hij Rechten en Letteren ging studeren, maar er ondertussen niet voor terugschrok te blijven publiceren over het wangedrag van het moederland in de nog resterende koloniën. Na de langdurige omzwervingen door Europa en Amerika die daarop volgden vestigde hij zich uiteindelijk vanaf 1880 als balling in New York, waar hij niet alleen in literair opzicht zijn productiefste periode beleefde – behalve poëzie schreef hij journalistieke stukken en werkte hij als vertaler – maar bovendien voorbereidingen trof voor de volgende bevrijdingsoorlog, tegelijk agerend tegen het Spaanse gezag en de plannen van de Verenigde Staten om Cuba te annexeren. In Nuestra América uit 1891 riep hij dan ook alle mogelijke medestanders op de wapens op te nemen tegen ‘de despotische, boosaardige kolonisator’:

‘Tot en met het laatste gehucht in Latijns-Amerika dient te ontwaken. Dit is geen moment om met je hoofd onder een doek te slapen, wel om wapens als hoofdkussen te gebruiken [...] de wapens des oordeels, die de andere zullen verslaan. [...] We mogen niet langer een volk van bladeren zijn, dat in de lucht woont, met de kruin in volle bloei, die knapt en ruist al naargelang of het grillige licht hem streelt of stormen hem geselen en vellen. De bomen moeten de rangen sluiten, opdat de reus met de zevenmijlslaarzen niet kan passeren!’

Mede dankzij zijn contacten met de leiders van de opstandelingen, de generaals Máximo Gómez en Maceo, wist Martí in april 1895 samen met een klein groepje ballingen Cuba te bereiken om zich in het strijdgewoel te mengen. Amper een maand later, op 19 mei, vond hij de dood in de slag bij Dos Ríos. Toen de onervaren militair Martí, zo melden sommige bronnen met gevoel voor dramatiek, Gómez’ bevel tot terugtrekken negeerde en een jonge strijdmakker ertoe aanzette met z’n tweeën in de tegenaanval te gaan, vormde hij in zijn zwarte jas op een wit paard gezeten een al te gemakkelijke schietschijf voor de vijand.

Hoewel deze laatste episode iets te sterk naar donquichotterie ruikt om nog geloofwaardig te klinken, lijkt het aannemelijk dat deze man van de letteren zich niet als bij toverslag tot een man van de wapenen vermocht om te smeden. Zijn onbezonnenheid was zonder twijfel debet aan het vroegtijdige einde van diens chevalereske carrière. Overigens, uit onder meer het door de antropoloog Miguel Barnet opgetekende relaas van Esteban Montejo, een ‘cimarrón’ oftewel een weggelopen slaaf die onder Maceo had meegevochten, blijkt wel hoe bloedig dit conflict moet zijn geweest. Niet alleen kostte het aan honderdduizenden Cubanen het leven, ook de gebruikte middelen en tactieken waren van een ongekende wreedheid. De Spaanse bevelhebber Valeriano ‘de slager’ Weyler komt bijvoorbeeld de dubieuze eer toe in deze oorlog de concentratiekampen te hebben uitgevonden. Ofschoon nog geen massavernietigingswapens zoals de nazi’s die zullen introduceren waren dit wel de eerste kampen waar grote groepen gevangenen, onder wie burgers, voor lange tijd geïnterneerd werden; bovendien in dermate erbarmelijke omstandigheden dat ze er al gauw door ziekte en uitputting met bosjes tegelijk bezweken.

Martí apostel van de revolutie

Martí’s teleurstellende veldtocht heeft zijn latere heiligverklaring onder het Castro-regime kennelijk geenszins belemmerd. Geheel in overeenstemming met de religieuze terminologie die de communistische partij hier hanteert, waardoor het revolutiejaar 1959 als het nieuwe ‘jaar nul’ wordt herdacht, staat de dichter thans te boek als ‘een apostel van de Revolutie’. Hoewel dit messianistische discours bevreemding kan wekken in de context van een politiek systeem dat religie in eerste instantie naar de illegaliteit had verwezen en pas het laatste decennium weer oogluikend gedoogt, is het natuurlijk een beproefde retorische truc die misschien wel zo oud is als de mens zelf. Zo is eenzelfde hernieuwde jaartelling na de Franse Revolutie ingevoerd door de Nationale Conventie van 1792, en nam ironisch genoeg Cuba’s aartsrivaal Bush met evenveel genoegen formules in de mond als ‘de kruistocht tegen het kwaad’ of ‘onze missies in Afghanistan en Irak’.

Zou er in de geschiedenis überhaupt één oorlog zijn uitgevochten waar men (de) god(en) niet aan ‘onze kant’ wist? Hemelse bescherming, of beter gezegd, het taalgebruik dat hiervan de schijn creëert, verheft ‘onze zaak’ immers gevoelsmatig tot de rechtvaardige, de ware, de goede, en omkleedt haar met onontkoombaarheid, de bittere maar licht te dragen noodzaak van het offer, op weg naar de Verlossing. Martí krijgt op die manier de rol toebedeeld van de echte profeet aan wie van oudsher de toegang tot het beloofde land is ontzegd; hij is ook de heraut die het blijde nieuws over de komst van de heiland heeft verkondigd en er, zoals de eerste volgelingen van Christus, zonder aarzelen zijn hachje voor in de waagschaal wilde stellen. Hoewel Fidel te langen leste een gunstiger lot bleek te zijn beschoren dan de onfortuinlijke dichter, moet diens ‘apostolaat’ wellicht ook enige parallellen tussen beider levenslopen aan het licht brengen: hun onvoorwaardelijke idealisme, hun ballingschap, en hun uiteindelijke landing op Cuba met een handjevol kameraden in een lekke schuit...

Het denkbeeld dat de geschiedenis een teleologische ontwikkeling kent, naar een soort ultieme vervulling voert, ligt behalve aan de drie grote mediterrane godsdiensten ook aan ieder totalitair fantasma ten grondslag. Vooral in affectief opzicht spreekt het ons aan, waardoor het in propaganda des te doeltreffender kan worden aangewend. De vermeende voorafschaduwing van Castro in Martí bekoort doordat zij ons esthetisch gevoel voor proportie beroert. Hier speelt onze hang naar orde weer op – het zwart-witverhaal van daarnet, de tweedeling tussen christendom en heidenen, communisten en imperialisten – maar thans op een tijdsband geprojecteerd: het actuele lijden en het verzet daartegen als een vooruitwijzing naar de universele gelijkheid brengende wederopstanding of revolutie.

De literatuur heeft echter herhaaldelijk gewaarschuwd beducht te zijn voor zo’n verleidelijke, want pathetische fundering van het historische bewustzijn; zo ook ‘Tema del traidor y del héroe’ (Thema van verrader en held), een van de kortverhalen uit het fameuze spiegelpaleis Ficciones van Jorge Luis Borges. Hierin tracht een biograaf een eeuw na dato de verraderlijke moord op de Ierse opstandeling Fergus Kilpatrick op te helderen, die in 1824 tijdens een theatervoorstelling werd neergeschoten. Al gauw rijpt bij hem het besef dat de analogie met de dood van Julius Caesar, ook in het openbaar op het forum aan het mes geregen, niet op zuiver toeval kan berusten: precies zoals Caesar was Kilpatrick op de dag van de aanslag ingelicht over de samenzwering in een brief die hij niet tijdig had kunnen lezen. Ogenschijnlijk betreft het hier dus een reïncarnatie van de Romeinse imperator.

Borges zou evenwel Borges niet zijn, mocht hij het vraagstuk niet verder compliceren. De biograaf ontdekt namelijk dat de analogie tussen Caesars en Kilpatricks einde van de eerste figurant tot en met het laatste schot geënsceneerd was. Nadat het geheime genootschap waartoe hij behoorde Kilpatrick ervan had beticht met de vijand te heulen, zocht men naar een manier om hem terecht te stellen zonder daarbij de grote populariteit van de veroordeelde en dus van de republikeinse zaak in gevaar te brengen. Met medeweten van het ‘slachtoffer’ werd daarom besloten zijn executie op Shakespeares Julius Caesar te baseren, hetgeen niet alleen het dramatische effect ervan zou verhogen maar het bovendien zou vergemakkelijken om deze ‘laffe daad’ in de schoenen van de Engelsen te schuiven. Desondanks ziet de biograaf ervan af zijn ontdekkingen wereldkundig te maken, zodat ook zijn boek de mythe rond Kilpatrick intact laat en zodoende deel wordt van dezelfde tragikomedie. Geschiedenis blijft een eindeloos barslecht stuk, maar wie het spuugzat is om naar acteurs en decors te kijken – die op Cuba wel erg opzichtig zijn opgesierd – en verongelijkt op zoek gaat naar de uitgang om zijn geld terug te eisen, komt er gauw genoeg achter dat dit theater er geen heeft...

De andere stem van Martí

Tegen alle verwachtingen in kunnen de dames in de boekhandel me niet verder helpen: van de Dichter des Vaderlands hebben ze momenteel geen poëzie in ‘voorraad’. Dat is jammer, want juist uit zijn verzen hoopte ik de dissonant te horen opklinken die mij even zou kunnen losrukken uit alle partijretoriek. Ik meende me die nog te herinneren uit zijn Versos sencillos (Eenvoudige verzen), waarover ik een paar jaar terug nog college had gevolgd aan de universiteit van Alicante. Wat me van die colleges allereerst is bijgebleven, zijn de onopgesmukte dictie, wereldse thematiek en toegankelijke beeldspraak van Martí. Deze eenvoud, altijd erg relatief in een periode waarin dichters woorden als ‘rubí’ (robijn), ‘alma’ (ziel) en ‘universo’ (universum) kwistig rondstrooien, beviel me wel. Naast de alexandrijnen van de Nicaraguaan Rubén Dario die bijna onder de mythologische ballast bezweken of anders in een wolk van etherisch gefonkel schenen op te lossen, boden Versos sencillos een ietwat aardser aanblik. Dat merk je al gelijk in de openingsregels van dit boek, die niet voor niets later ook de eerste strofe van Cuba’s populairste volkswijsje ‘La guantánamera’ zouden vormen:

Yo soy un hombre sincero
De donde crece la palma,
Y antes de morirme quiero
Echar mis versos del alma.


(Ik ben een eerlijk mens
Van de plek waar de palmboom groeit,
En eer ik sterf wil ik
De verzen uit mijn ziel spuien.)

Hoewel Martí’s woorden oorspronkelijk helemaal geen betrekking hebben op enige ‘Guajira Guantánamera’, een boerenmeisje uit Guantánamo, heeft dit liedje – met name de vertolking van Buena Vista Social Club – ervoor gezorgd dat ze voorgoed aan deze plaatsnaam verbonden schijnen. Een nieuwe betekenislaag heeft er zich op vastgezet, als klonk uit deze breekbare lyriek een hedendaags protest op tegen de barbarij die daar, in Guantánamo Bay, een vrijhaven heeft gevonden. Behalve de eenvoud van zijn poëtisch werk had iets anders me misschien nog wel dieper getroffen: het onstilbare verlangen naar een onbereikbare plaats. Voor Martí was de plaats ‘waar de palmboom groeit’ immers het verloren Cuba van de emigrant:

Cuba nos une en extranjero suelo,
Auras de Cuba nuestro amor desea:
Cuba es tu corazón, Cuba es mi cielo,
Cuba en tu libro mi palabra sea.


(Cuba verenigt ons op vreemde bodem,
Cubaanse briesjes is waar onze liefde naar verlangt:
Cuba is jouw hart, Cuba is mijn hemel,
Laat mijn woord in jouw boek Cuba zijn.)

In dit gedicht geen heilsbelofte van de PCC (Partido Comunista de Cuba) maar slechts een niet te temperen hunkering naar een idyllisch oord; hier geen marketing voor het socialistische paradijs op aarde maar een woekerend gemis dat het schrijven voortstuwt: ‘Laat mijn woord in jouw boek Cuba zijn’. Dat de mens Martí voor dit magische ‘woord’ ten slotte zijn leven veil zou hebben, is op de keper beschouwd van ondergeschikt belang. Waar het om gaat is dat hij als dichter een knagend verlangen weet te ‘verwoorden’ zonder het noodzakelijk gerealiseerd te willen zien. Dit is dan ook de dissonant waaraan ik zo-even refereerde, want zo’n ideëel smachten kan binnen de retoriek van een dictatoriaal bewind nooit bestaansrecht worden verleend. Voor totalitaire denkers was nu eenmaal, zoals Leon Trotski schreef, ‘in den beginne niet het woord maar de daad’. Voor de spreker in dit gedicht daarentegen blijft ‘el cielo’ (hemel) rijmend met ‘suelo’ (bodem, aarde) buiten ieders bereik, want onlosmakelijk met zijn huidige aardse standpunt verbonden. Dat wil zeggen, hij kan slechts naar de Hof van Eden, Cuba, terugverlangen zolang hij er zich uit verdreven weet, ‘op vreemde bodem’ dus. ‘Cielo’ kan bovendien niet in het gedicht worden opgenomen zonder ‘suelo’, omdat anders het rijmschema niet zou kloppen. Zodoende relativeert de klank van de woorden hun betekenis, of houden beide elkaar minstens in spanning en evenwicht.

Zulke ambigue betekenissen, waarvan de heren en dames van de PCC in hun waarheidscultus danig zullen ijzen, zijn inderdaad kenmerkend voor het taalspel dat poëzie heet. Terwijl ik deze laatste regels vertaalde, kwam ik er bijvoorbeeld achter dat ‘aura’, hier weergegeven met het meest voor de hand liggende ‘briesje’, ook naar de ‘Cathartes Aura’ kan verwijzen, de afzichtelijke kalkoengier die we meermaals op onze reis hebben ontmoet. (De voor andere giersoorten typische lange nek schijnt bij deze knapperd evolutionair weg te zijn geselecteerd, doordat op een eiland als Cuba geen grote zoogdieren voorkomen en er dus ook niet diep in kadavers hoeft te worden gewroet, aldus onze natuurdeskundige reisleidster.) Opmerkelijk dat één woord tezelfdertijd lieflijke verfrissing en meedogenloze lijkenpikkerij kan huisvesten. Nu is het moeilijk voorstelbaar dat de dichter ooit reikhalzend naar de kalkoengier heeft uitgezien, maar daarom kan hij nog niet verhinderen dat deze zijn tekst binnenglipt.

Martí de eeuwige balling

Wellicht wilde hij het mormel ook best dulden, omdat hier de ontheemde spreekt die het thuisland – inclusief al zijn minder fraaie kanten – verheerlijkt; dit ten koste van het ballingsoord, waarvan hij de lokale zeden en gewoonten verfoeit. Wat voor de Joden Babylon was, waar ‘goden […] een tong [hebben] die gepolijst is door een timmerman,’ zodat ‘het [...] allemaal bedrog [is]’ (Brief van Jeremia 7), voor Ovidius Tomis aan de Zwarte Zee (het huidige Constanta in Roemenië, waar hij nog slechts treurdichten en -brieven over Rome schreef), voor Dante het laakbare Italië toen hij zich uit Florence verbannen wist, was voor Martí het geïndustrialiseerde New York:

Un obrero tiznado, una enfermiza
Mujer, de faz enjuta y dedos gruesos:
Otra que al dar al sol los entumidos
Miembros en el taller, como una egipcia
Voluptuosa y feliz, la saya burda
Con las manos recoge, y canta, y danza:
Un niño que, sin miedo a la ventisca,
Como el soldado con el arma al hombro,
Va con sus libros a la escuela: el denso
Rebaño de hombres que en silencio triste
Sale a la aurora y con la noche vuelve
Del pan del dia en la dificil busca,—
Cual la luz a Memnón, mueven mi lira.


(Een zwarte arbeider, een ziekelijke
Vrouw, met een gerimpeld gelaat en opgezwollen vingers:
Een ander die, terwijl ze haar spieren stram
Van het werk koestert in de zon,
Zoals een Egyptische sensueel en blij, met beide handen
Haar grove rok optilt, en zingt, en danst:
Een kind dat, onbeducht voor de sneeuwstorm,
Zoals een soldaat het wapen over de schouder,
Met zijn boeken naar school gaat: de dichte
Kudde mensen die in droef stilzwijgen
Bij dageraad vertrekt en ’s nachts terugkeert
Van de zoektocht naar het dagelijks brood, even lastig
Als die van het licht naar Memnon, [zij allen] brengen mijn lier in beroering.)

Oog in oog met de anonieme massa van de Amerikaanse metropool beklaagt de spreker het tragische lot van deze moderne mens, door hard labeur lichamelijk ondermijnd, vervreemd van de ander en het natuurlijke daglicht. De obligatoire eerbied voor de antieke mythen (de rouw van de godin Aurora om het verlies van haar zoon Memnon, in de Trojaanse oorlog) en de fascinatie voor de exotische, ongerepte Oriënt (waartoe dus ook Egypte werd gerekend) die zijn Europese en Latijns-Amerikaanse collega-kunstenaars vaak deelden, worden daarbij op subtiele wijze op de hak genomen. Door deze verheven motieven in te zetten bij het beschrijven van de grootstedelijke ellende komen ze immers bloot te liggen als potsierlijke, nietszeggende gestes. Deze verzen dienen derhalve vooral om, impliciet in schril contrast met de gehekelde verbositeit van zijn vakgenoten, de sociale bewogenheid van de dichter uit te beelden ten overstaan van zeer concrete wantoestanden. Maar zoals in het geval van ‘cielo’ en ‘suelo’ uit het vorige citaat wordt daardoor wel andermaal de dialectiek voelbaar die Martí’s dichterschap schraagt: zonder het abjecte New York geen opgehemeld Cuba; zonder confrontatie met de laagste kasten van de maatschappij geen engagement.

In dit soort diepmenselijk meevoelen ontstijgt Martí louter nationale bekommernissen, en toont hij zich een waardig voorloper van de vroegtwintigste-eeuwse avant-gardisten met hun combattieve literatuuropvatting. Schrijven tegen het bestel in, of het liefst daar voorbij, hakend naar een beter, sociaal rechtvaardiger systeem. Hoewel tevens merkbaar in het latere werk van zijn generatiegenoot Darío, toen deze onder meer tegen de Amerikaanse inmenging in Panama fulmineerde, zou dit streven inderdaad pas in de volgende generaties, bij Nicolás Guillén, Vicente Huidobro, César Vallejo, Pablo Neruda en Octavio Paz, zijn utopische hoogtepunt beleven. Denken we maar aan het antifascistische schrijverscongres, dat ten tijde van de Spaanse burgeroorlog in 1937 in Madrid belegd werd, en waar alle voornoemde auteurs aan deelnamen. Velen onder hen waren toen ongetwijfeld communistisch geïnspireerd, Martí evenwel lang nog niet, ook al zouden sommigen dat graag willen geloven. Het is zeer de vraag of hij de beknotting van alle liberale vrijheden en politieke rechten van de Cubaanse bevolking zou hebben geaccepteerd. Misschien had hij al lang de oversteek naar Miami gewaagd.

De ‘cuentos’ (verhalen) waar de dames van de boekhandel plots mee komen aanzetten, vertellen inderdaad veeleer over Martí’s vertrouwen in de Verlichting, het liberalisme en de technologische vooruitgang. Zo bevindt zich onder de vier boekjes die men mij voorhoudt, eerder folders gedrukt op flinterdun onwelriekend papier, het verslag dat de dichter uitbracht van zijn bezoek aan de Parijse wereldtentoonstelling van 1889. Nadat hij de Franse Revolutie kort heeft geschetst vervolgt hij: ‘In Frankrijk noch in een ander land hebben de mensen nog in dezelfde mate in slavernij geleefd als voorheen. Om dat te vieren heeft Frankrijk ’s zomers, wanneer de zon het mooist schittert, alle volkeren van de wereld in Parijs samengeroepen.’ In ‘La exposición de París’ evenals in ‘Tres héroes’, een lofdicht op de ‘heilige bevrijders’ van Latijns-Amerika (Bolívar, San Martín en Hidalgo), is het al gelijkheid en broederschap dat de klok slaat. De simplistische, naïeve toon van deze stukken vloeit voort uit het feit dat ze, aanvankelijk gebundeld in La edad de oro, allereerst dienden ter stichting van de Cubaanse jeugd. Laat ze nu maar dit kind van een zogenaamd postmoderne tijd opvoeden, dat slechts het hoofd schudt om zoveel idealisme en zich tegelijk schaamt over zijn al te makkelijke cynisme. Per slot van rekening was Martí een veel bevlogener democraat dan ze hier op Cuba tegenwoordig willen weten. Ik besluit de ‘cuentos’ dan ook als curiositeit te kopen. Behalve enkele bananen op een lokale markt is dit ongeveer het enige dat ik met de monopolymuntjes van de peso mag betalen. zoveel is intussen duidelijk: toeristen worden niet verondersteld te lezen, zelfs niet de Dichter des Vaderlands!

Een paar dagen later staan we – zitten is er ten strengste verboden – aan het graf van Martí in de oostelijke stad Santiago. Op deze begraafplaats, waar onder andere Compay Segundo en vreemd genoeg Napoleons lijfarts rusten die na de verbannen keizer op Sint-Helena te hebben bijgestaan naar Cuba was uitgeweken, worden we rondgeleid door een markante goedlachse vrouw, fleurig uitgedost in een roze jurk met witte stippels, die met luide stem de gestorvenen systematisch in twee categorieën onderbrengt: of het zijn ‘verraders’ of het zijn ‘verdedigers van de Revolutie’. Voor wie de geschiedenis van de vooruitgang schrijft zijn zelfs de doden niet veilig, daar heeft Walter Benjamin reeds voor gewaarschuwd.

Trompetgeschal, roffelende laarzen op het plaveisel, soldaten marcheren af, anderen treden aan: ieder halfuur, van zonsopgang tot zonsondergang, wisselt de wacht bij het bombastische grafmonument dat aan Martí is gewijd. In dit bedevaartsoord van het Castro-regime speelt Martí ongewild voor Morendoder; de ambiguïteit van de poëzie legt het andermaal af tegen het ordenende geweld van de binaire tegenstelling. Hopelijk mag hier binnen afzienbare tijd, in plaats van dit militaire vertoon, een stille steen met zijn eenvoudige verzen erop voor de dichter spreken. Dat zou natuurlijk ook een soort retoriek zijn, maar dan tenminste van Martí zelf afkomstig. Nu wordt zijn weifelende roep om gelijkheid andermaal gesmoord onder het gestamp van gedrilde voeten. Het lijkt wel of de Spanjaarden nooit weg zijn geweest!



© S T R E V E N