Januari 2010

Bart Loos

Berg en Dal

Het reliëf van de Amerikaanse ziel


In de zomer van 2008 stonden in het Mile High stadion van Denver, tussen duizenden uitzinnige Amerikanen, enkele verdwaalde Belgische politici. Neen, ze waren niet op een baseballwedstrijd of op een popconcert, maar op een politieke bijeenkomst: de democratische Conventie waarop Barack Obama werd aangeduid als presidentskandidaat. Obama beweerde dat niet rijkdom, militaire kracht of kennis Amerika groot maakte, maar de Amerikaanse Belofte, waarover hij zijn kinderen ’s avonds vertelde als hij ze instopte voor het slapengaan. Die Belofte was de ‘Amerikaanse geest, die ons voorwaarts duwt ook al is de weg onzeker, […] die onze ogen richt, niet op wat is te zien, maar op wat nog niet is te zien, die betere plaats om de hoek’. Obama leidde zijn volk, als een nieuwe Mozes, uit het morele dal naar het beloofde land, een beter Amerika. Terwijl de camera inzoomde op ontroerde mensen uit het publiek – beelden die in het stadion op reusachtige schermen werden geprojecteerd – werkte hij naar een hoogtepunt toe. Hij prees migranten, pioniers, arbeiders, leraars en verpleegsters, de echte helden van Amerika die zich door de Belofte hadden laten leiden. Hij verwees naar de Droom van Martin Luther King, hij riep op tot eenheid en eindigde met een Bijbelse boodschap van hoop, hét kernwoord van zijn campagne: ‘Laten we, in de woorden van de Bijbel, zonder aarzeling vasthouden aan de hoop die we belijden! God bless the United States of America!’ [1]

Onze politici hadden veel bewondering voor zoveel retorisch talent, maar tegelijk wisten ze dat ze met zulke beloftes in België niet zouden moeten aankomen. Ziet u het onze Herman Van Rompuy al doen, nochtans een notoir bewonderaar van de betere retoriek, in die mate zelfs dat hij de Gettysburg Address van Abraham Lincoln vanbuiten kent? En wat moeten die verdwaalde Belgische politici hebben gedacht toen gillende meisjes ‘Ain’t no mountain high enough to keep us from Obama’ aanhieven? Zo’n beate bewondering zal hun nooit te beurt vallen, maar ook het tegendeel blijft hun hoogstwaarschijnlijk bespaard; denk aan de publieke hellevaart van die andere grote democraat met een naar Amerikaanse normen iets te gezond libido, nu meer dan tien jaar geleden: ‘I have sinned.’ [2]

Het lied ‘Ain’t no mountain high enough’ van Marvin Gaye en Tammy Terrell, dat de gillende meisjes parafraseerden en waarop Barack en Michelle op de inauguratiebals in januari nog zouden dansen, lijkt daarmee een metafoor voor de Amerikaanse politiek: geen berg te hoog, geen dal te diep.

Uiteraard is het retoriek, maar is het ook niet meer dan dat? Bestaat er zoiets als een fenomenologie van berg-en-dal, een Amerikaanse ervaring van het leven dat fundamenteel meer reliëf kent dan het onze? Wonen Amerikanen dichter bij hel en hemel dan Europeanen? En hoe is het mogelijk dat een man tot president wordt verkozen met een boodschap van hoop, dromen en weidse beloften, toch een duizelingwekkend perspectief op het moment dat miljoenen Amerikanen worden getroffen door de zwaarste economische crisis sinds de jaren dertig?

Op en Neer: Verhaal en Werkelijkheid?

Volgens Montesquieu wordt de volksaard en het bestuur van een land door verschillende factoren bepaald, zoals klimaat, godsdienst, zeden en gewoonten. Nu is dat zeker niet zijn meest onbetwiste theorie, maar ze biedt een interessant analysekader voor Amerika, waar in de meest verscheiden domeinen van het leven de voorkeur uitgaat naar extremen, zoals berg en dal, warmte en koude, succes en verlies.

In letterlijke zin is Amerika uiteraard een land van uitersten, dat zowel het ijskoude Alaska als het subtropische Florida of het kurkdroge Arizona in zich verenigt. Klimaat en geografie zijn er echter veel meer dan natuurlijke gegevens; de schier eindeloze vlakten, gebergten, woestijnen en wouden vormden een immense uitdaging voor de miljoenen frontiers die er een nieuw leven en een nieuwe beschaving wensten te vestigen. Gaandeweg kreeg het landschap zelf mythische allures. Denk aan Jack Kerouacs On the Road, aan Route 66 of aan de geromantiseerde visie van Hollywood, die Amerikaanse woestijnen of prairies grootser, indrukwekkender en mysterieuzer voorstelt dan eender welk natuurlandschap ter wereld. Ook de geografische benaming van bijzondere plaatsen heeft een mythologiserend effect. Op de heetste en laagst gelegen plek van de Verenigde Staten, Death Valley, heeft men vanaf de heuveltop Dante’s View een prachtig uitzicht op Badwater en Devil’s Golf Course. Alleen het beroemde opschrift uit de Divina Commedia ontbreekt nog: ‘Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.’

Als Death Valley de hel moet voorstellen, dan is de hemel – de Amerikaanse Droom – vooral op hoger gelegen plekken gesitueerd. Dat geldt evenzeer voor Mount Rushmore, de reusachtige, uit graniet gebeeldhouwde sculpturen van Amerika’s grootste presidenten George Washington, Thomas Jefferson, Theodore Roosevelt en Abraham Lincoln op een berg in de Black Hills van South-Dakota, als voor Top of the World, het panoramisch uitzicht op de 107de verdieping van de zuidelijke WTC-toren in New York (wat mede verklaart waarom de aanslagen van 9/11 niet alleen Amerikaans vlees en beton troffen, maar ook de dromen waarop de natie is gebouwd). Dezelfde symboliek vinden we terug in de stedenbouwkundige ligging van droomfabriek Hollywood en de gated communities van Beverly Hills. De graad van beroemdheid bepaalt er hoe hoog je op de heuvels mag wonen, met het smogvrije privédomein van Madonna op de top. Zij en de lachende letters van HOLLYWOOD voorspellen de droom die alleen voor de uitverkorenen zal uitkomen. Het lijkt wel de ironische verwerkelijking van de beroemde preek van John Winthrop, de puriteinse kolonist die reeds in 1630 verkondigde dat Amerika het nieuwe Beloofde Land zou worden, een voorbeeld voor de wereld: ‘For we must consider that we shall be as a city upon a hill. The eyes of all people are upon us.’ [3]

Met Winthrop en Hollywood komen we bij een meer figuurlijke interpretatie van berg en dal in de Amerikaanse cultuur: de narratieve structuur van Amerika’s Grote Verhalen. Aan de basis ligt de oudtestamentische geschiedenis van het Joodse volk, dat na de vlucht uit Egypte veertig jaar lang door de woestijn moest trekken om het Beloofde Land te bereiken. Winthrop en miljoenen kolonisten na hem spiegelden zich aan dat Bijbelse verhaal, omdat ook zij het oude continent uit materiële of spirituele noodzaak hadden moeten verlaten om, na een lange en onzekere tocht, een nieuw leven van vrijheid en geloof te beginnen in Amerika. De talrijke overgeleverde verhalen over die grote overtocht delen vaak de diepe miserie in het land van herkomst, de angst en hoop onderweg en de uiteindelijke verwezenlijking van de droom in het nieuwe vaderland, vaak overdreven rooskleurig voorgesteld in brieven aan Europese achterblijvers. De dramatische structuur, dat men vanuit het diepste dal is opgeklommen tot op de beloofde berg – from zero to hero – zit in al die overleveringen ingebakken en ligt, als een soort archetype, ten grondslag aan Amerika’s vertelkunst. De gewone Amerikaan meet succes of falen af aan de mate waarin zijn leven overeenstemt met die structuur, terwijl Hollywood ze heeft omgebouwd tot een methode om herkenbare films te maken, die de Amerikaanse Droom telkens weer recycleren. Hoe krachtig die droom nog is, zelfs in crisistijden, bleek onlangs uit een opiniepeiling van CBS en The New York Times, volgens welke maar liefst 72 procent van de Amerikanen gelooft dat je in Amerika rijk kunt worden door hard te werken, ook al ben je arm geboren [4] . Een meer kritische stem weerklinkt in de documentairereeks The Interview Project van cultregisseur David Lynch, die momenteel alleen via internet te zien is. De filmploeg van Lynch reisde Amerika af en plukte, min of meer willekeurig, gewone en minder gewone Amerikanen van de straat die in enkele minuten tijd hun levensverhaal voor de camera wilden vertellen. Ze vertelden over hun afkomst, hun schoolcarrière, hun professionele en persoonlijke verwezenlijkingen, hun vreugden en verdriet, enzovoort. Bij sommigen werd het een illustratie van de Amerikaanse Droom, terwijl voor anderen het leven meer een inferno was geweest. Toch leek in al die levensverhalen de Amerikaanse Droom het ijkpunt waaraan mensen hun eigen levensloop afmaten, ten goede of ten kwade [5] .

Ook in de politieke communicatie speelt de Amerikaanse Droom een fundamentele rol. Wie de top wil bereiken, doet er dan ook goed aan de lange, moeizame weg te beklemtonen die hij of zij al heeft afgelegd. Niet elke presidentskandidaat kan prat gaan op het diepe dal waaruit hij is opgeklommen, maar wie kan verwijzen naar een arme of bescheiden afkomst mag zich verzekerd weten van de sympathie van miljoenen kiezers. Zo vallen de grote gelijkenissen op tussen de levensverhalen van Bill Clinton en Barack Obama, althans de kenmerken ervan die door de campagneteams werden aangewend om van hun kandidaten waarlijk epische figuren te maken, real life heroes. Hun levens begonnen weinig hoopgevend, in een bescheiden milieu, zonder vaderfiguur, maar allebei werkten ze keihard om uit dat dal te geraken: ze stonden vroeg op, ze deden hun best op school en moesten allerlei deeltijdjobs aanvaarden om hun hogere studies te kunnen betalen. Clinton werd geboren in het stadje Hope, wat hij strategisch uitspeelde in televisiespots, en Obama noemde zijn boek The Audacity of Hope: Thoughts on Reclaiming the American Dream. Dankzij die hoop, dankzij hun eigen inspanningen én dankzij de mogelijkheden die het beloofde land Amerika hun had geboden, bereikten ze de allerhoogste top: president van de Verenigde Staten. Diezelfde verhaalstructuur gebruikte republikeins presidentskandidaat John McCain, maar dan in een militaire context. Zijn dal speelde zich af in de hel van Vietnam, waar hij als Amerikaans gevechtspiloot krijgsgevangene was van de Vietcong. Hij keerde terug als nationale held. Later werd hij politicus en senator. Dal en berg.

Presidentszoon George W. Bush kon uiteraard geen gewag maken van een bescheiden afkomst, noch van militaire heldenverhalen, maar hij kon zijn conservatief-religieuze achterban wel een morele versie van de Amerikaanse Droom verkopen. Tijdens de verkiezingscampagne van 2000 verscheen op Fox TV het wonderbaarlijke verhaal van Bush’ bekering tot Born Again Christian. Op veertigjarige leeftijd ging het de verkeerde kant uit met Bush. Hij rookte, hij dronk te veel en zijn vrouw Laura dreigde hem te verlaten: ‘Ik of de fles.’ Plotseling, de ochtend na een zwaar drankgelag, stopte Bush met roken en drinken en bekeerde hij zich. Vanaf dan ging het steil bergop met hem, tot hij in 2000 president werd van de Verenigde Staten. Dal en berg.

De narratieve structuur van de Amerikaanse Droom, die door Hollywood en politici wordt uitgebuit, is misschien wel de meest opvallende, maar zeker niet de meest tastbare of ingrijpende manifestatie van berg en dal in een Amerikaans leven. De obsessie met het verwezenlijken van de Amerikaanse Droom bepaalt immers ook de sociaaleconomische levensomstandigheden van miljoenen Amerikanen. Heel de Amerikaanse samenleving is gericht op het bereiken van de top, op het verwezenlijken van die Droom, veel meer dan op het verzekeren van een minimale levenskwaliteit voor eenieder, wat in onze West-Europese sociale welvaartsstaten centraal staat. De verschillen tussen die twee doelstellingen komen overal in het beleid tot uiting. Kijk naar het beleid van de Amerikaanse en Europese centrale bank: de Amerikaanse Federal Reserve (FED) houdt het geld doorgaans goedkoop omdat ze vooral de economische groei wil stimuleren, terwijl de Europese Centrale Bank als eerste doelstelling heeft de inflatie zo laag mogelijk te houden. Zulke financiële strategieën zijn op het eerste gezicht misschien weinig relevant voor niet-economisten, maar uiteindelijk sluiten ze wel perfect aan bij de verschillende marsrichtingen die Europa en de Verenigde Staten uitgaan. Goedkoop geld betekent immers dat veel mensen aan zeer lage interestvoeten grote sommen kunnen lenen om hun dromen te verwezenlijken, uiteraard met het risico dat mensen onvoorzichtig worden, dat ze te veel lenen en failliet gaan. De subprime leningen, die mee aan de basis liggen van de huidige economische crisis, zijn daarvan een goed voorbeeld: doordat de rentetarieven zo laag waren, konden mensen leningen sluiten voor de aankoop van woningen die ze zich in normale omstandigheden nooit hadden kunnen veroorloven, wat ook pijnlijk duidelijk werd zodra de rente begon te stijgen. De Europese Centrale Bank krijgt daarentegen soms het verwijt dat ze de economische groei te veel afremt. Zij wil echter bovenal voorkomen dat de prijzen te veel stijgen, waardoor mensen hun koopkracht en levensstandaard zouden verliezen en de sociale welvaartstaten onder druk zouden komen te staan.

In het fiscaal beleid zien we een zelfde verschil. In de Verenigde Staten worden winsten en inkomsten zo weinig mogelijk afgeroomd, terwijl in Europa een groot gedeelte van de welvaart naar de staatskas en de sociale zekerheid vloeit. Ook dat draagt bij tot een vlakker verloop van het economische leven in Europa en meer pieken en dalen in Amerika. Belastingen, vervangingsinkomens en allerlei uitkeringen hebben immers een stabiliserende werking op de economie. Ze toppen de groei af in goede tijden, maar ze dempen ook het dal in slechte tijden, doordat mensen dankzij al die uitkeringen ook bij ziekte of werkloosheid nog in beperkte mate kunnen blijven consumeren. Californië, niet alleen geografisch maar ook qua economisch beleid het verst verwijderd van Europa, biedt het extreemste tegenvoorbeeld. Zoals het sterren past betaamt, staan de heuvelbewoners van droomfabriek Hollywood onverschillig tegenover het ondermaanse leven in de lagere delen van de stad. Ze weigeren resoluut elke belastingverhoging, waardoor de overheid zelfs geen geld meer heeft voor basisvoorzieningen, zoals goed onderwijs, openbaar vervoer of een ziekteverzekering voor arme kinderen. Die fiscale politiek heeft tot gevolg dat het leven voor het individu in Amerika veel onzekerder is. Wie succesvol is, kan in de Verenigde Staten een fortuin verdienen, maar wie zijn werk verliest of ziek wordt, kan alles meteen verliezen, niet alleen zijn job of zijn gezondheid, maar ook zijn dak, zijn verzekering, zijn waardigheid. Dat is een bewuste politiek, zeker bij de republikeinen. Voor hen is sociale zekerheid immers geen vangnet, maar een hangmat, die mensen de motivatie ontneemt om te werken en om hun dromen waar te maken.

Het Amerikaans justitie- en gevangenisbeleid is een totaal ander domein, maar ook daar speelt dezelfde dynamiek. Amerika geeft alle kansen aan de dromers, met veel minder regels en wetten die privé-initiatieven aan banden leggen dan in Europa. Wie een misstap begaat, wordt echter veel sneller en voor langere tijd uit de samenleving verwijderd. In het slechtste geval wachten hun de vergeetputten van Death Row.

Zulke onzekere levensomstandigheden – het grillig reliëf van een leven in Amerika – verklaren ook de sterk emotionele geladenheid van het politieke debat in de Verenigde Staten. Wie iets redelijk wil beoordelen, moet immers al te concrete voorbeelden kunnen abstraheren en afstand kunnen nemen van zijn eigen situatie. Iemand die vandaag de hemel ziet gloren, maar morgen alles dreigt te verliezen, kan geen koel, afstandelijk en rationeel debat voeren. Dat wist de Schotse filosoof David Hume al in de zeventiende eeuw: ‘Wanneer de uitkomst van goed of kwaad onzeker is, veroorzaakt deze onzekerheid vrees of hoop, naar de mate van onzekerheid of de uitkomst goed of kwaad is.’ [6] Het is dan ook niet verwonderlijk dat een man met een emotioneel discours de presidentsverkiezingen van 2008 heeft gewonnen. Het enige wat verbaast, is dat juist op het moment dat de beurskoersen in elkaar stortten en steeds meer mensen uit hun huizen werden gedreven, de peilingen begonnen te stijgen voor een presidentskandidaat die niet de angst, maar de hoop predikte, althans op het eerste gezicht. Hoe dieper het land wegzakte in de crisis, hoe sterker het geloof en de hoop werd dat Obama het tij zou kunnen keren.

Obama en het Europasyndroom

De bekendste, ook in Europa populaire interpretatie van Obama’s verkiezingsoverwinning klinkt vrij eenvoudig. De Verenigde Staten was na acht jaar Bush in een moreel, juridisch, militair en economisch dal geraakt: de oorlogen in Irak en Afghanistan verliepen niet zoals gepland, de vastgoedbom was gebarsten en in Guantánamo zondigde Amerika tegen de meest fundamentele mensenrechten, zoals het recht op een eerlijk proces en het verbod op marteling. Bovendien had Bush zijn macht uitgebreid door een bewuste angstpolitiek te voeren. Hij stimuleerde de angst voor schurkenstaten en terroristen, om zo zijn geldverslindende oorlogen en vrijheidsbeperkende wetten aan de burgers te kunnen verkopen. Obama doorbrak dat angstopbod, door opnieuw een optimistisch verhaal te brengen en de hoop te creëren dat Amerika onder zijn leiding weer uit dat dal zou kunnen opklimmen. Zijn eerste beleidsdaad was de beslissing de gevangenis op Guantánamo te sluiten, zodat Amerika opnieuw een moreel voorbeeld voor de wereld zou kunnen worden, in de geest van John Winthrops City upon a hill.

Dat is het krantenverhaal, maar de realiteit is misschien complexer.

Voerde Bush wel bewust een beleid van de angst, zoals in onder andere Fahrenheit 9/11 van Michael Moore wordt beweerd? Laten we beginnen met enkele citaten: ‘De weg van de minste weerstand loopt altijd neerwaarts, maar Amerika’s weg gaat omhoog’; ‘Het enige dat mijn tegenstander heeft te bieden is angst’; ‘Nu is de tijd gekomen voor republikeinen en democraten om de angstpolitiek te stoppen en de sociale zekerheid te redden’ [7] . Dat zijn geen uitspraken van Obama, maar van presidentskandidaat George W. Bush, op de Nationale Conventie van de republikeinen in 2000. Hoop en optimisme blijken het dus niet alleen bij Obama goed te doen als verkooptechniek in verkiezingsdebatten. Bovendien zijn de sporen van dat optimisme, zelfs overdreven optimisme, ook in het latere beleid van president Bush terug te vinden. Zo steunde zijn economisch beleid op het geloof dat de financiële markten altijd perfect de economische toestand weerspiegelen. Dat geloof, in combinatie met het stimulerend rentebeleid van de Amerikaanse Centrale Bank, Bush’ voortdurende oproepen om te blijven consumeren en zijn politiek om alle Amerikanen een eigen huis aan te praten, ook diegenen die het zich eigenlijk niet konden veroorloven, heeft uiteindelijk tot de vastgoedbubble en de financiële crisis geleid. Obama was in dat geval niet de man van de hoop, maar juist degene die dat optimisme doorbrak door de ernst van de economische situatie te erkennen, in die mate zelfs dat volgens sommige republikeinen niet Bush, maar Obama een politiek van de angst voert, door drastische economische of sociale maatregelen te verantwoorden met het argument dat er anders een catastrofe zou plaatsvinden.

Ook het buitenlands beleid van Bush was heel ambitieus en lag, in zekere zin, veel meer in lijn met het puriteinse ideaal van de City upon a hill dan Obama’s visie; de neoconservatieve ideologen uit de regering-Bush wilden op actieve wijze de morele waarden van Amerika over de wereld verspreiden, in de eerste plaats vrijheid en democratie. Daarom wou de regering-Bush in Irak niet alleen het terrorisme of het vermeende kernwapenarsenaal van Saddam Hoessein uitschakelen, maar wou ze er een echte, democratische regimeverandering teweegbrengen. Obama’s aanpak is veel bescheidener. Zo sprak hij in zijn speech in Cairo tot de moslimwereld wel zijn voorkeur en steun uit voor democratische regimes, maar beklemtoonde hij tegelijk dat de regeringsvorm van een natie nooit door een andere natie kan worden opgelegd, een duidelijke vingerwijzing naar de politiek van zijn voorganger om gewapenderhand regimewissels door te voeren. In een toespraak in Rusland was hij nog duidelijker: ‘Ik denk dat het belangrijk is dat ik voor jullie (de Russen) verschijn met nederigheid. In het verleden was er een tendens waarin de Verenigde Staten eerst de les spelden, voor te luisteren.’ [8]

Kortom, voor zover het zijn economisch en buitenlands beleid betreft, lijkt Obama de overdreven ambities van zijn voorganger veeleer te temperen dan zelf grootste projecten op te starten, wat ook beter past bij de crisissfeer waarin de Verenigde Staten en de wereld momenteel verkeren. In die zin is Obama niet zozeer een man van hoop, maar een man die, als gewezen sociaal werker, de miserie van de gewone Amerikaan opnieuw ernstig neemt. ‘No, we can’t’ had die aspecten van zijn beleid zelfs beter weergegeven dat het voluntaristische ‘Yes, we can’. Neen, Amerika kan de wereld niet op unilaterale wijze overheersen. Neen, de economische crisis zal niet zomaar overwaaien.

Was zijn belofte van hoop dan niet meer dan retoriek? Niet helemaal. Zowel Bush als Obama gelooft in het geweldig potentieel en de voorbeeldrol van Amerika, Winthrops schitterende stad op de heuvel, alleen ziet Obama’s stad er helemaal anders uit dan die van Bush. De stad van Bush was een versterkte burcht, gevestigd op een berg van economische groei, waarboven Christus uittroonde om de Goeden en Kwaden van elkaar te scheiden. Obama’s Amerika is het Amerika van de Volkenbond en de Verenigde Naties, een Amerika dat minder vertrouwen heeft in de toverkracht van de financiële markten en de slagkracht van zijn leger, maar dat wel de oprechte hoop koestert dat het door samenwerking en overleg zijn problemen en conflicten kan oplossen, met naleving van internationale verdragen en mensenrechten. De neoconservatief Robert Kagan beschreef in 2002 de zogeheten hobbesiaanse wereldvisie van de Verenigde Staten, waarin waarden zoals vrijheid en democratie alleen met brute macht kunnen worden verdedigd en in stand gehouden, terwijl Europa – volgens Kagan – geloofde in het kantiaans tijdperk van de eeuwige vrede te zijn beland [9]. Obama is meer opgeschoven in de richting van de Europeanen, met een meer kantiaanse aanpak, getuige zijn geloof in de dialoog en de rechtsstaat.

Ten slotte is Obama ook in zijn sociaaleconomische politiek meer in de richting van Europa opgeschoven, en juist in de kritiek die daarop vanuit Republikeinse en neoconservatieve hoek wordt gegeven, licht opnieuw de eigenheid van de Amerikaanse ziel op, die ik hierboven heb trachten toe te lichten.

Obama’s pleidooi voor een betere ziekteverzekering voor alle Amerikanen of zijn actiever ingrijpen in de economie maken van hem uiteraard nog geen sociaaldemocraat, zoals we die in Europa kennen, maar volgens neoconservatief Charles Murray dreigt hij Amerika daarmee wel het slachtoffer te maken van het Europasyndroom, dat ‘te veel leven uit het leven wegzuigt’ [10]. De oorzaak daarvan zijn de Europese socialezekerheidssystemen. Volgens Murray beantwoorden sociale zekerheid, een zekere mate van materiële welvaart en genot immers niet aan de fundamentele doelstelling van de Founding Fathers van de Verenigde Staten om het ‘nastreven van geluk’ te bevorderen. Integendeel, geluk is een vorm van diepe voldoening, die alleen geput kan worden uit écht belangrijke zaken, zoals het ouderschap, het huwelijk, de job, het buurtleven of het geloof. Het is daarbij essentieel, volgens Murray, dat mensen hun geluk zelf kunnen bewerkstelligen, zonder helpend handje van Vadertje Staat. Alleen als mensen zelf verantwoordelijk zijn voor de verwezenlijkingen in hun leven, kunnen ze daarop trots terugblikken. Die argumentatie tegen de Europese socialezekerheidssystemen illustreert de gehechtheid van Amerika aan de berg-en-dalervaringen van het leven. Veel Amerikanen blijven het avontuurlijk bloed koesteren van hun voorouders, de immigranten uit Europa of de moedige frontiers die naar het ongetemde Westen trokken. Dat is het ideaal van de selfmade man. Het risico van de afgrond weegt niet op tegen het groot geluk dat het bereiken van de top, het verwezenlijken van de droom, kan schenken. Liever de hel dan het vagevuur van de sociale zekerheid. Dat is een boodschap waarmee ook Obama zal moeten rekening houden, net zoals elke Europeaan die iets van Amerika wil begrijpen. Geen berg te hoog, geen dal te diep. Alles beter dan een vlak leven.



[1] Barack Obama, ‘The American Promise. Acceptance Speech at the Democratic Convention’, Mile High Stadium, Denver Colorado, 28 augustus 2008.
[2] Bill Clinton, ‘I have sinned. Speech at the Annual White House Prayer Breakfast’, Washington, 11 september 1998.
[3] John Winthrop, ‘We shall be as a city upon a hill’, The Penguin Book of Historic Speeches, Londen, 1996.
[4] Katharine Q. Seelye, ‘What happens to the American Dream in a recession?’, The New York Times, 7 mei 2009.
[5] www.interviewproject.davidlynch.com
[6] David Hume, Traktaat over de menselijke natuur, Amsterdam, 2007, blz. 418.
[7] George W. Bush, ‘Republican Convention Acceptance Speech 2000’.
[8] Barack Obama, ‘Remarks by the president at the New Economic School Graduation’, Moskou, 7 juli 2009.
[9] Robert Kagan, Of Paradise and Power. America and Europe in the New World Order, New York, 2003.
[10] Charles Murray, The Happiness of the People. The 2009 Irving Kristol Lecture, American Enterprise Institute Annual Dinner, 11 maart 2009.


© S T R E V E N