Februari 2010

Jasper Vervaeke

‘Peru produceert verhalen’

Alonso Cueto over Peruaanse literatuur, maatschappij en politiek


Een gemoedelijk gesprek dat ik in de herfst van 2009 had met de Peruaanse schrijver Alonso Cueto (°1954, Lima) ligt aan de basis van dit artikel. Cueto was toen in Antwerpen om zijn roman Het blauwe uur voor te stellen. Dat boek brengt het conflict tussen de rebellen van het Lichtend Pad en de regeringstroepen in herinnering, een erg gruwelijke burgeroorlog die twee decennia geleden tienduizenden slachtoffers maakte in Peru. Het blauwe uur bevestigt nog maar eens dat literatuur in Latijns-Amerika zelden ver van de sociale realiteit staat.

Cueto is een van de weinige Spaans-Amerikaanse auteurs die erin geslaagd is om vanuit zijn geboorteland een internationaal succesvolle carrière uit te bouwen. Met z’n 55 jaar valt hij een beetje tussen twee generaties. Enerzijds die van de boom van de Spaans-Amerikaanse literatuur in de jaren zestig, die iconen als Mario Vargas Llosa (Peru), Carlos Fuentes (Mexico), Gabriel García Márquez (Colombia) en Julio Cortázar (Argentinië) voortbracht. En anderzijds die van de jonge garde dertigers, onder wie Santiago Roncagliolo (Peru) en Juan Gabriel Vásquez (Colombia). Die vestigen zich nu doelbewust in Barcelona of Madrid, waar de meest invloedrijke uitgeverijen zijn. ‘Maar de verhalen bevinden zich in Peru’, meent Cueto. Hij benadrukt dat precies dát een van de redenen was waarom hij, na een studieverblijf in Spanje (1977) en een doctoraat in de Latijns-Amerikaanse letteren aan de University of Texas (1979-1984), naar Lima was teruggekeerd. ‘De permanente spanning die typisch is voor de Peruaanse maatschappij maakt dat je er als schrijver in een bevoorrechte situatie zit, want conflicten brengen verhalen voort’.

Je kunt Cueto gerust een veelschrijver noemen: naast romans, kortverhalen en essays schrijft hij regelmatig columns over de politieke actualiteit van zijn land. Hij ontving reeds verschillende literaire prijzen. Zo werd zijn oeuvre in 2000 in Berlijn bekroond met de Anna Seghers-prijs en kreeg hij voor zijn roman La hora azul in 2005 in Barcelona de prestigieuze Premio Herralde. Na verscheidene andere talen volgde onlangs dus een Nederlandse vertaling van dat boek. En hoewel ook in Het blauwe uur liefdesrelaties (waarrond Cueto’s fictie meestal draait) nog een belangrijke rol spelen, bevestigt de roman de groeiende interesse van de schrijver in de Peruaanse maatschappelijke en politieke realiteit, een tendens die hij in 2003 had ingezet met Grandes miradas.

Wreedheid en medelijden

Toen Cueto zich in 1984 weer in Peru vestigde, werd het land verscheurd door het misschien wel meest bloedige conflict van haar sowieso al turbulente geschiedenis. Van begin jaren tachtig tot begin jaren negentig woedde er een extreem gewelddadige oorlog tussen overheidstroepen en de maoïstische guerrillabeweging het Lichtend Pad (Sendero Luminoso). Na die oorlog bleef de Peruaanse samenleving niet alleen met diepe wonden, maar ook met veel vragen zitten. De heftigste confrontaties hadden zich in het Andesgebergte voorgedaan, ver weg van kuststeden als Lima. De historicus Alberto Flores Galindo toonde aan dat de ‘stille’ aard van de oorlog zowel door het zwijgzame karakter van de rebellen als door de beperkte berichtgeving in de hand gewerkt werd. Na de moord op acht journalisten in Uchuraccay in 1983 waagden nog slechts weinig reporters zich in de Andes. Een commissie voorgezeten door Mario Vargas Llosa onderzocht die slachtpartij en besloot dat de regeringstroepen geen verantwoordelijkheid trof. Het incident in Uchuraccay kwam de regering in zekere zin goed uit, want sindsdien was hun officiële informatie zowat de enige beschikbare. Daardoor werden weinig van de talloze schendingen van de mensenrechten opgehelderd en bestraft. Ook de regeringstroepen hadden zich immers schuldig gemaakt aan bloedbaden, verkrachtingen en martelpraktijken.

Zoals vaker gebeurt in Latijns-Amerika kwamen er vanuit literaire hoek reacties op de stilte. Van de vele romans die het nog steeds erg gevoelige thema behandelen, zijn er enkele in het Nederlands vertaald. In De geesten van de Andes (1993) van Vargas Llosa wordt de korporaal Lituma van de kust naar de door de terreur bedreigde Andes gestuurd om drie geheimzinnige verdwijningen te onderzoeken. Geleidelijk groeit Lituma’s vermoeden dat niet het Lichtend Pad, maar de atavistische gewoonten van de bergbewoners er voor iets tussenzitten. In de literaire thriller Aprilrood (2006) van Santiago Roncagliolo zoekt de adjunct-districtsofficier van justitie Félix Chacaltana Saldívar de waarheid achter een aantal gruwelijke moorden in Ayacucho, de stad waar de guerrilla ontstond.

En nu is er dus Het blauwe uur (2005) van Cueto. ‘Ten tijde van het Lichtend Pad had ik natuurlijk wel veel horen vertellen, maar ik vond toen niet het geschikte uitgangspunt om het onderwerp aan te snijden. Het idee voor mijn roman ontstond toen een vriend me het verhaal deed van een generaal die verliefd werd op een meisje dat door zijn troepen gevangengenomen was. In plaats van haar te laten martelen en verkrachten door zijn ondergeschikten, hield hij haar bij zich. Die mengeling van wreedheid en affectie leek me interessant.’ De schijnbaar tegenstrijdige relatie tussen liefde en geweld komt vaker aan bod in de Latijns-Amerikaanse literatuur. Ze doet onder andere denken aan Wisseling van wapens (1982) van de Argentijnse Luisa Valenzuela. In het titelverhaal van die bundel wordt een vrouw uit het verzet de vriendin-slavin van de kolonel die haar martelde toen ze was opgesloten.

Cueto’s roman begint wanneer de generaal op zijn sterfbed aan zijn zoon Adrián vraagt om Miriam, zijn ontsnapte minnares, op te sporen. De onverwachte confrontatie met de gruwelijke kant van zijn vaders verleden zet het zorgeloze leven van Adrián op losse schroeven. ‘Vaak laten we pas in onvoorziene omstandigheden zien wie we echt zijn. Tot aan die onthulling leeft Adrián in een soort fantasie, een door de grenzen van zijn hogere sociale klasse beschermde luchtbel. Ineens ontdekt hij dat er niet alleen rondom, maar ook binnen in hem een onbekende werkelijkheid bestaat.’

Herinneren of verdringen

Het blauwe uur toont een maatschappij die een generatie na het nationale conflict worstelt met vragen over hoe je met de horror van het verleden omgaat. Onthouden of onderdrukken? En wat met de nabestaanden van de slachtoffers en de beulen? Moeten zij het trauma of de schuld van hun ouders met zich meedragen? Cueto’s roman roept alleszins duidelijk op om de oorlog niet te vergeten.

‘We moeten ons de gruwel blijven herinneren, er ontzet over blijven en proberen de oorzaken ervan te begrijpen. Alleen zo kunnen we lessen trekken uit het verleden.’ Onder het motto ‘een land dat zijn geschiedenis vergeet, is gedoemd om die te herhalen’ werd in 2001 een commissie aangesteld om de mensenrechtenschendingen ten tijde van de oorlog te onderzoeken. In talrijke andere Latijns-Amerikaanse landen (waaronder Argentinië, Chili en Guatemala) waren vroeger al gelijkaardige commissies in het leven geroepen met het doel misdrijven tijdens nationale conflicten te bestraffen. Het rapport van de Peruaanse Comisión de la Verdad y Reconciliación (Commissie van de Waarheid en Verzoening) verscheen uiteindelijk in 2003.

‘Het rapport lijkt me de goede richting aan te wijzen. Het duidt de leden van het Lichtend Pad aan als de belangrijkste schenders van de mensenrechten, maar signaleert ook veel misbruiken door de regeringstroepen. Met de onthutsende foto’s die deel uitmaakten van het rapport werd een tentoonstelling opgezet. Ze kreeg de naam Yuyanapaq, wat “om te herinneren” betekent in het Quechua [de belangrijkste taal van het Inca-rijk, die nog steeds door miljoenen afstammelingen gesproken wordt, JV]. Toen ik mijn roman aan het schrijven was, ging ik bijna elke dag naar die expositie. Ze heeft een voorlopige plek gevonden op de hoogste verdieping van het Nationaal Museum. Toen Angela Merkel enkele jaren geleden in Lima was, ging ze er ook naartoe. Ze was zo onder de indruk dat ze zei “hier moet een museum voor gemaakt worden”. Eerst wilde de Peruaanse regering de twee miljoen euro die Duitsland ervoor wilde schenken niet aannemen. Uiteindelijk deed ze het toch. Op dit moment buigt een commissie, met als voorzitter Vargas Llosa, zich over de concrete realisatie van het Museo de la Memoria. De affaire veroorzaakt nog steeds heel wat controverse. Veel militairen willen niet dat het museum er komt, omdat de foto’s ook veel van de slachtoffers die zij maakten tonen. Diegenen die aan de zijde van de militairen staan zeggen “het is voorbij, we moeten het vergeten”.’

Socioculturele contrasten

In Het blauwe uur leidt de zoektocht naar zijn vaders minnares en geschiedenis de succesvolle blanke advocaat Adrián naar de arme buurten van Lima en naar het in de Andes gelegen Ayacucho. Op die manier komt in de roman ook de in Peru zeer sterk verbonden sociale en etnische ongelijkheid op de voorgrond. In de jaren van de guerrilla van het Lichtend Pad speelde met name het eeuwenoude conflict tussen de westerse en de inheemse cultuur een belangrijke rol. De meeste slachtoffers vielen onder de arme en voornamelijk indiaanse bevolkingsgroepen van de Andes, die door beide partijen vaak in de vuurlinie gezet werden.

Hoewel het personage Miriam van indiaanse oorsprong is, valt het op dat Het blauwe uur niet echt ingaat op de culturele botsingen die aan de basis liggen van de Peruaanse maatschappij en literatuur. Dit in tegenstelling tot Vargas Llosa, die in de roman De geesten van de Andes en het essay La utopía arcaica (1996) het culturele conflict op de voorgrond plaatst. Beide boeken suggereren dat de verwestersing van de indiaanse bevolking niet alleen wenselijk, maar ook onvermijdelijk is. In La utopía arcaica analyseert Vargas Llosa het werk en het tragische leven van de schrijver en antropoloog José María Arguedas (1911-1969), wiens roman De diepe rivieren (1956) als een klassieker van de Latijns-Amerikaanse letteren geldt. De opwaardering van de culturen van de Andes en de zoektocht naar manieren om die op een evenwichtige manier te laten versmelten met de westerse cultuur stonden centraal in de fictie van Arguedas. Vargas Llosa’s verhandeling eindigt met een reflectie over de volgens hem onmogelijke verzoening tussen de ‘archaïsche’ autochtone gewoonten en het verstedelijkte, postmoderne Peru.

Ook al spelen ze in zijn roman een minder grote rol, de culturele confrontaties houden Cueto wel degelijk bezig. ‘Om me te documenteren voor Het blauwe uur ging ik terug naar Ayacucho, waar ik als kind al regelmatig geweest was. We reisden toen vaak door Peru. Het racisme en de ongelijkheid wekten uiteraard mijn ongenoegen op. Mijn ouders waren ook erg goed bevriend met Arguedas, die zelfs peter van mijn broer was. In die tijd, toen de culturele verschillen in Lima zo mogelijk nog dramatischer waren, nam Arguedas ons mee naar de coliseos [arena’s, JV], waar de muziek uit de Andes gespeeld werd.’ Toen, in de jaren zestig, was de migratie vanuit de bergen naar de kust op volle gang gekomen, een tendens die versterkt zou worden door de terreur van de jaren tachtig. Zo groeiden de pueblos jóvenes (jonge dorpen) rond Lima, sloppenwijken waarnaar soms hele bergdorpen zich verplaatsten. Zoals de wijk Huanta Dos in de roman van Cueto, worden die geïmproviseerde buurten vaak genoemd naar de plaats van herkomst van de inwoners.

In Het blauwe uur wordt Adrián zich bewust van de culturele barrières. Tijdens zijn verblijf in Ayacucho woont hij onder andere een traditionele dansvoorstelling bij. De dans intrigeert hem, maar hij begrijpt de diepere betekenis ervan niet. Het gaat niet toevallig om de danza de tijeras (scharendans), waarnaar Arguedas antropologisch onderzoek had verricht en die ook regelmatig voorkomt in zijn verhalen. Tijdens zijn reis vraagt Adrián zich af of hij zich schuldig moet voelen over het feit dat hij niets van zijn indiaanse landgenoten afweet. Aangezien de roman geen duidelijk antwoord geeft op die vraag, legde ik ze aan Cueto voor. ‘Natuurlijk moet elke Peruaan zich interesseren voor de cultuur van de Andes. Die is de ruggengraat van het land. De dag dat we dat erkennen, en die cultuur oprecht waarderen, zullen we een hechte maatschappij zijn.’

Hoewel de indiaanse volkeren van Latijns-Amerika ook voordien altijd gestreden hadden voor het behoud van hun identiteit, kregen ze pas in de jaren negentig echt gehoor. In verschillende landen begonnen toen bewegingen op te komen voor de verdediging van de politieke en etnische rechten van de inheemse volkeren. De opstand van de Zapatisten in Mexico in 1994 is daar een goed voorbeeld van. Dat alles zorgde ook voor een bewustwording op internationaal niveau, getuige de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede in 1992 aan de Guatemalteekse Maya-indiaanse Rigoberta Menchú en de afkondiging van het ‘indiaans decennium’ door de Verenigde Naties in 1994. Deze tendensen weerspiegelden zich onder andere in de verkiezing (december 2005) en herverkiezing (december 2009) van de Boliviaanse president Evo Morales, zelf van Aymara-indiaanse origine, en in de onlangs vernieuwde grondwetten van Ecuador en Bolivia. Dat de Peruaanse indianen niet zo veel van zich lieten en laten horen, heeft veel te maken met de oorlog van de jaren tachtig en de schrik die sindsdien diep in hen geworteld zit.

Etnische mozaïek

De tegenstelling tussen de occidentale en de indiaanse manier van denken mag misschien de meest fundamentele in Peru zijn, het is zeker niet de enige. ‘De aanwezigheid, doorheen de geschiedenis, van de oorspronkelijke indiaanse bevolking, de Spanjaarden, de Afrikaanse slaven en een groot aantal Chinese en Japanse immigranten maakt van de Peruaanse maatschappij een echte mozaïek van onderling erg verschillende etnieën. Het is onvermijdelijk dat die culturele rijkdom geschillen met zich meebrengt. Au fond is het probleem dus niet politiek noch economisch, maar wel cultureel en sociaal.’

Alhoewel Cueto beaamt dat er nog steeds een duidelijke relatie bestaat tussen sociale achterstelling en etnische achtergrond – sinds de kolonisatie is de hogere klasse in Peru voornamelijk blank – ziet hij een geleidelijke verandering. ‘Gedurende de afgelopen vijftig jaar is de discriminatie afgenomen en kun je tot op zekere hoogte van sociale mobiliteit spreken. Voor het eerst zijn mensen van bescheiden, provinciale afkomst erin geslaagd om de maatschappelijke ladder op te klimmen. Dat zou vroeger onmogelijk geweest zijn.’

De schrijver is duidelijk tegen assimilatie en pleit voor diversiteit. ‘Maar niet zonder ons deel te voelen van een zelfde samenleving. Enerzijds moeten we de verschillen respecteren, anderzijds moeten we gemeenschappelijke punten zoeken, om zo een gezamenlijk nationaal project op te stellen. Anders werken politieke en economische maatregelen simpelweg niet.’ Maar het is natuurlijk precies die etnische heterogeniteit die ervoor zorgt dat de ‘nationale identiteit’, waar in veel Latijns-Amerikaanse landen sinds de negentiende eeuw aan gebouwd is, vaak artificieel uit dreigt te vallen. Bovendien maken de huidige globalisering en interne en externe migratie de zaak er niet gemakkelijker op.

Literatuur en maatschappij

Cueto kreeg bij het verschijnen van Het blauwe uur behoorlijk wat kritiek uit linkse hoek, onder andere omdat zijn roman eerder lijkt te pleiten voor solidariteit tussen de sociale klassen dan voor revolutie. De reactie van Cueto op links is duidelijk: ‘Verzoening voorstellen in de plaats van sociale strijd, leek hun verschrikkelijk. Maar dat is hun interpretatie. Volgens mij is de uiteindelijke boodschap eerder ambigu. Ik schreef de roman ook zeker niet vanuit een ideologische overtuiging. Dat mag volgens mij noch het uitgangspunt, noch het doel van literatuur zijn.’

Vargas Llosa stelt in La utopía arcaica dat het voor Latijns-Amerikaanse romanciers lange tijd moeilijk was om niet te gehoorzamen aan de verwachting om geëngageerde boeken te schrijven. Pas na de boom van de jaren zestig werd die druk wat minder, hetgeen ook de onderwerpen diverser maakte. Cueto vindt dat een positieve evolutie. ‘Wat auteurs vroeger vooral bezighield was het maken van portretten van de Latijns-Amerikaanse samenleving. Hoewel veel Europese lezers nog steeds vooral daarin geïnteresseerd zijn, worden er nu veel romans geschreven die niets te maken hebben met de sociale realiteit van het continent. Je moet gewoon schrijven over wat je voelt, over de dingen die je bezighouden. Wat mij betreft is het wel zo dat de gebeurtenissen in Peru me blijven achtervolgen.’

Net als De geesten van de Andes van Vargas Llosa is Het blauwe uur duidelijk geworteld in een literaire traditie waarin de dialoog tussen literatuur, geschiedenis en maatschappij centraal staat. Die traditie typeert Latijns-Amerika in het algemeen en Peru in het bijzonder. Sinds de kolonisatie voelen veel Peruaanse schrijvers de drang om het alsmaar complexere socioculturele vraagstuk aan te kaarten. Ideologische interpretaties van hun romans blijven dan ook zelden uit. Het is in die zin onvermijdelijk dat Het blauwe uur eveneens op zo’n manier – als een antwoord op de vraag waar het met de nationale samenleving en identiteit naartoe moet – gelezen wordt.

Als je Cueto’s roman aan die traditie toetst, kun je alleen maar constateren dat hij meer aanleunt bij het christelijk conservatisme van de negentiende-eeuwse Clorinda Matto de Turner, dan bij de eerder revolutionaire Arguedas. In Aves sin nido (1889) van Matto de Turner worden de twee indiaanse meisjes Margarita en Rosalía – de ‘vogels zonder nest’ uit de titel – geadopteerd door een blanke familie, die hun onderwijs en bijgevolg een toekomst biedt. De roman wekt de indruk dat de inheemse bevolking ‘geciviliseerd’ (lees: verwesterd) moet worden en dat die ‘redding’ afhangt van het medelijden en de barmhartigheid van de hogere, blanke klasse.

In tegenstelling tot Aves sin nido focust Het blauwe uur eerder op de sociaaleconomische dan op de etnische verschillen. Maar de plot en teneur van Cueto’s roman doen wel sterk denken aan die van Matto de Turners boek. De visie van het hoofdpersonage Adrián, vanuit wiens standpunt het volledige verhaal verteld wordt, komt nogal paternalistisch over. De volgende uitspraak is bijvoorbeeld tekenend voor zijn houding tegenover de minder bedeelde medemens: ‘[I]n Peru zijn er veel sociale en economische verschillen en daarom hebben wij, de mensen die geluk hebben in het leven, een verplichting tegenover mensen met minder geluk.’ Wanneer zijn vaders minnares Miriam sterft, ontfermt Adrián zich over haar zoon Miguel en betaalt ook diens studies. Uiteraard blijkt Miguel Adriáns halfbroer te zijn, wat heel wat hineininterpretierung mogelijk maakt: als Miguels moeder Miriam indiaans was en zijn vader, de generaal, blank, dan is de jongen logischerwijs mesties. Op die manier komt een nieuwe parallel met Aves sin nido boven, want ook in die roman blijkt de geadopteerde Margarita uiteindelijk halfbloed te zijn. Hoewel het in het geval van Cueto eerder onbewust lijkt te zijn, eindigen beide boeken dus met jonge mestiezen. Zo suggereren ze dat de rassenvermenging – die in veel gevallen acculturatie met zich meebrengt – Peru’s onvermijdelijke toekomst is.

Samenzwering tegen de samenleving

Terwijl Peru in 1990 gebukt ging onder het geweld, won Alberto Fujimori onverwacht de presidentsverkiezingen van zijn grote tegenhanger Vargas Llosa. Als zoon van Japanse immigranten werd Fujimori ‘el chino’ genoemd. Onder zijn bewind werd in 1992 Abimael Guzmán, de leider van het Lichtend Pad, gevangengenomen. Nadien zou de guerrilla nog slechts sporadisch aanvallen plegen. Maar in hetzelfde jaar dat Fujimori erin slaagde om de rebellen onder controle te krijgen, voerde hij ook een ‘zelfcoup’ uit. De dictatuur van Fujimori en zijn handlanger Vladimiro Lenin Montesinos, hoofd van de inlichtingendienst, zou Peru gedurende de jaren negentig in een nieuwe fase van mensenrechtenschendingen en corruptie dompelen. Ook over die periode schreef Cueto een roman. Grandes miradas (2003) was commercieel gezien misschien een minder groot succes dan Het blauwe uur, maar oogstte meer bijval bij de critici. De titel verwijst naar de panoptische blik waarmee Fujimori en vooral Montesinos alle mogelijke weerstand tegen hun regime detecteerden. Het voorlopig nog niet vertaalde boek rekent op een vlijmscherpe manier af met de misdaden van het decennium-Fujimori.

‘Fujimori was een van de ergste, meest miserabele dictators. Hij slaagde erin om militairen, rechters en journalisten voor zijn kar te spannen en liet Montesinos maar moorden en martelen.’ In 2000 bracht het aan het licht komen van de zogeheten vladivideos het bewind van ‘de Chinees’ aan het wankelen. In die filmpjes was te zien hoe Montesinos politici, mediamagnaten en bedrijfsleiders omkocht. Hij liet de video’s maken om de omgekochte personen achteraf te kunnen chanteren. Zowel de dictator als zijn rechterhand vluchtte datzelfde jaar uit Peru. Nadien werden ze beiden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen.

Na Alejandro Toledo (2001-2006) werd in 2006 Alán García verkozen. García was van 1985 tot 1990 – tijdens de burgeroorlog en voor Fujimori dus – al eens president geweest, evenwel zonder al te fraaie resultaten: aan het eind van die eerste ambtstermijn was het Zuid-Amerikaanse land sociaal en economisch een ruïne. Ook nu zou García wel eens door een Fujimori opgevolgd kunnen worden, want Keiko, de dochter van de dictator, zal zich kandidaat stellen voor de presidentsverkiezingen van 2011. Keiko Fujimori zal onder andere campagne voeren voor de vrijlating van haar vader. Maakt ze kans op het presidentschap? ‘Dat is moeilijk te zeggen. Ze is een beginnelinge. Maar de politiek is een terrein vol onverwachte spelletjes, waar naast ervaring ook intuïtie erg belangrijk is. Ik heb de indruk dat ze niet verkozen zal worden. Maar eigenlijk weet ik niet of dat een indruk of een wens is (lacht).’

Keiko’s kandidatuur toont eens te meer hoe belangrijk familiebanden in Latijns-Amerika zijn. ‘Mijn volgende roman zal gaan over die familiale instelling. Alberto Moravia zei ooit dat families een soort samenzwering tegen de maatschappij zijn. In Latijns-Amerika lijkt het inderdaad vaak alsof ze een pact sluiten om te profiteren van de samenleving, toch zeker de van oudsher rijke en machtige families. Dikwijls bezitten die ook banken en bedrijven, zoals in mijn volgende boek, dat waarschijnlijk in 2010 zal uitkomen.’ En hoe zal die roman heten? ‘Dat weet ik nog niet. Ik leg mogelijke titels wel eens voor aan mijn vrouw of kinderen. Je moet er een vinden die de inhoud van het boek uitdrukt, maar niet op een te directe manier. Het gebeurt ook dat ik al een naam heb voor ik begin te schrijven. Soms is het een titel op zoek naar een roman, soms een roman op zoek naar een titel.’

Romans

José María Arguedas, De diepe rivieren, vertaling Mariolein Sabarte Belacortu, Meulenhoff, Amsterdam, 1987.

Alonso Cueto, Het blauwe uur, vertaling Arie van der Wal, Arbeiderspers, Amsterdam, 2009.

Alonso Cueto, Grandes miradas, Anagrama, Barcelona, 2005.

Clorinda Matto de Turner, Aves sin nido, Colofón, México, D.F., 2006.

Santiago Roncagliolo, Aprilrood, vertaling Klaas de Boer, Signatuur, Utrecht, 2007.

Luisa Valenzuela, Wisseling van wapens, vertaling Elisabeth van Elsen, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1988.

Mario Vargas Llosa, De geesten van de Andes, vertaling Mieke Westra, Meulenhoff, Amsterdam, 1995.

Essays

Alberto Flores Galindo, Buscando un inca: Identidad y utopía en los Andes, Grijalbo, México, D.F., 1993 [aan de hand van een geschiedenis van het eeuwenoude geloof in de terugkeer van het Inca-rijk, biedt dit gelauwerde essay een verhelderende inkijk in de sterk verbonden etnische, sociale en historische problemen van Peru. Niet vertaald.].

Mario Vargas Llosa, La utopía arcaica. José María Arguedas y las ficciones del indigenismo, Fondo de Cultura Económica, México, D.F., 1997 [Vertaald in het Frans : L’utopie archaïque. José María Arguedas et les fictions de l'indigénisme, Gallimard, Paris, 1999].

Websites

Alonso Cueto: http://www.alonsocueto.com.pe [enkel in het Spaans].

Comisión de la Verdad y Reconciliación: http://www.cverdad.org.pe [ook in het Engels].


© S T R E V E N