December 2011

Stijn Vanclooster

Nescio en het verlangen


‘Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten’, zei Bavink en keek naar de lucht. ‘Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten te verlangen zonder te weten waarnaar.’ En hij stopte een versche pijp.

Aan deze zinsnede uit ‘Titaantjes’ (1914) ontleende oud-redacteur van De Parelduiker Maurits Verhoeff de titel voor een boek over Nescio. Verlangen zonder te weten waarnaar bundelt een kleine twintig artikelen over de auteur met het opvallende pseudoniem – Latijn voor ‘ik weet het niet’ en schrijversnaam van Jan Hendrik Frederik Grönloh (1882-1961). De onthulling van dit pseudoniem vormt een vermakelijke geschiedenis, die het onderwerp is van een van de opstellen. Deze werden soms eerder gepubliceerd maar zijn veelal nieuw en bestrijken uiteenlopende facetten van Nescio’s bestaan: zijn dagelijkse handel en wandel, zijn mentale wereld en idealen, zijn professionele loopbaan, de thema’s en personages in zijn verhalen, zijn typische spelling, zijn correspondenties en vriendschappen, zijn Natuurdagboek en inzet voor natuurbehoud, zijn critici en uitgevers.

In literatuurgeschiedenissen over de Lage Landen staat Nescio vaak op dezelfde bladzijde als Willem Elsschot. Hun proza wordt als ‘nieuw-zakelijk’ getypeerd: bondig en direct, spreektaalachtig, wars van elke mooischrijverij. Met deze stijl waren de auteurs in hun tijd zeer origineel. Heel opvallend in het werk van de twee is daarnaast de ironie, die evenwel verschillend van aard is: Elsschot neigt vaak naar het cynische, terwijl de ironie bij Nescio niet zo zwaar op de hand ligt, vaak doet glimlachen en, althans op het eerste gezicht, gewoon zorgt voor een komische en relativerende toets. Zo bijvoorbeeld in het openingscitaat in deze bespreking, of, wanneer Koekebakker in ‘Titaantjes’ de tram neemt: ‘Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de tram, niets was ik daarbij’ (blz. 13). Geeft Elsschots werk vaak het gevoel dat achter alles iets zwaars en ernstigs schuilt, dan roept dat van Nescio eerder een gevoel van lichtheid op (maar of de ene auteur nu werkelijk minder ernstig tegen de dingen aankeek dan de andere, is een andere vraag).

Wat Nescio en Elsschot biografisch óók verbindt, is een aanvankelijk hooggestemd idealisme. Beiden waren op jonge leeftijd aanhangers van een anarchistisch-bohemienachtige beweging: Elsschot van ‘De Kapel’ in Antwerpen, Nescio van de kolonie ‘Tames’ in Huizen – twee kringen die zich lieten inspireren door Van Eedens commune ‘Walden’. Toen onder invloed van ‘Walden’ in 1901 een nationale vereniging voor Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB) werd opgericht, hoorde Nescio tot de oprichters. In diverse functies zette hij zich lange tijd ten volle in voor het communistische avontuur, hoewel de strijd voor de vrijheid niet gemakkelijk was, zoals een verslag uit die tijd aantoont: ‘[…] ‘t is wel een bewijs hoe moeilijk een ernstige poging tot vrijmaking is en bij het ondergaan ondervindt men meer en meer dat geen stap rechts of links gedaan kan worden zonder in contact te komen met dat hatelijke beursvolk dat in Amsterdam zijn kantoren heeft […]’ (blz. 28). Omstreeks die tijd begint Nescio ook te publiceren. In een parodiёrend verhaal voorspelt hij al vroeg de ondergang van de GGB: ‘De naam Gemeenschappelijk Grondbezit was feitelijk geheel ontoepasselijk daar de bond zich noch met grond, noch met bezit, noch met gemeenschappelijkheid vermeldenswaard heeft opgehouden’ (Nescio gecit. op blz. 43). Badinerend, jawel, maar op tevredenheid wijzen zulke woorden niet. Wanneer hij de GGB verlaat, voelt Nescio zich min of meer bevrijd.

Zijn jeugdige idealisme liet Elsschot al gauw achter zich, niet alleen professioneel maar ook in zijn literaire werk, waar behalve in enkele jeugdverzen herinneringen aan de Kapel-tijd nauwelijks of geen neerslag vonden. Nescio daarentegen zal blijven verlangen naar de jaren rond 1900, toen de Titaantjes dat ‘hatelijke beursvolk’ wel eens zouden ‘laten zien hoe ‘t moest. We, dat waren wij, met z’n vijven. Alle andere mensen waren “ze”. “Ze”, die niets snapten en niets zagen’ (Nescio gecit. op blz. 28). De Titaantjes zijn diegenen van goede wil, een groep mensen waartussen – naar Jules Romains’ filosofie van het unanimisme, waar in dit boek een mooi stuk aan is gewijd – een geheime band bestaat. Ze blijven zich keren tegen de leugen en de tirannie, neigen naar waarlijke kameraadschap, naar een joie de vivre; ze zijn een schrikbeeld voor de domheid, het geweld en de collectieve misdaad.

Antiburgerlijkheid zal Nescio’s hele werk doortrekken. Als hij in 1912 aan de eerste versie van ‘Titaantjes’ werkt, noteert hij: ‘Nu ik hier zit en tracht te schrijven heb ik nog maar één wensch: te vertellen hoe het geweest is, dat alles nog eens te doorleven, het verhaal er van na te laten. [...] Wee hem die dit geluk nooit gekend heeft want daarna kan niets anders komen dan kwelling. En toch zou ik niet willen dat ‘t anders geweest was (blz. 51).’ Nescio hield z’n leven lang het verlangen levendig naar die idealistische tijd, waarin de figuur van Van Eeden toch een grote indruk moet hebben gemaakt, getuige het feit dat hij hem een plaats gaf in zijn drie grote verhalen. Verhoeff beschrijft de periode van Tames (1901-1903) en de GGB dan ook uitvoerig. Waar het kan, legt hij verbanden met Nescio’s literaire werk, behoedzaam, want ‘[k]araktertrekken, voorvallen en gebeurtenissen zijn [...] niet één op één tot deze of gene te herleiden’ (blz. 22). Uitdrukkelijk blijft in deze bundel opstellen echter het biografische centraal staan en blijft het werk op het tweede plan – hoezeer Nescio ook bijna als een adagium verkondigde: ‘“Verzinnen” kon ik nooit wat’. Alsof zijn verhalen geen verdichting van feiten of personages uit de realiteit zouden inhouden.

Net als zijn toentertijd veel beroemdere tijdgenoot uit Vlaanderen werd ook Nescio zakenman. Na een aantal kantoorbanen trad hij in 1904 in dienst van de Holland-Bombay Trading Company in Amsterdam, waar hij uiteindelijk mededirecteur zou worden. En net als bij Elsschot wordt ook die zakenwereld onderdeel van zijn literaire universum. Als antipool tegen de natuur. In die laatste kan de mens vrij bestaan, los van kapitalisme en betonnering, vrij van de ‘vreeselijk gewichtige heeren’. Nescio volbracht zijn taken als handelsambtenaar met grote ernst en uitstekend – waardoor hij snel promotie maakte – maar fier was hij niet op zijn werk. Vaak was zijn arbeid een middel om depressies te verdrijven, terwijl hij oordeelde dat hij zijn schrijven maar beter verborgen kon houden, wat hij, zo lang als mogelijk, ook deed: ‘[...] als ze in zulke kringen merken, dat je zulke neigingen hebt, denken ze alleen maar, dat je niet deugt voor je werk’ (aan Carmiggelt, blz. 210). ‘Een pure wilde’, noemde een criticus hem.

Anders dan Elsschot, die in enkele verhalen twee alter ego’s van zichzelf opvoert – Laarmans versus de harde zakenman Boorman – en daarbij vrij neutraal blijft, kiest Nescio uitdrukkelijk partij. De wereld van de volwassenen vond hij eigenlijk maar niets; zijn bekoring ging uit naar de Titaantjes, zoals bij het begin van dat verhaal al ironisch blijkt: ‘We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we […]’ (geciteerd naar de Grote Lijsters-uitgave, 1991). Nescio’s voorkeur ging niet uit naar de sfeer van kantoor, arbeid of stad: ‘Wij liepen van de stad af’, staat in het verhaal ‘Buiten-IJ’, ‘Wij waren blij en uitbundig om niets, om ‘t mooie weer, om den zonneschijn, om de lucht om ons heen, die wij ademden en om de lucht boven ons, die wij zagen’ (blz. 9).

Partij kiest Nescio ook in het ‘echte’ leven. Actief zette hij zich in voor de Bond Heemschut, de vereniging ter bescherming van het natuur- en stedeschoon. Hij ronselde leden en schreef vlammende brieven aan autoriteiten die verantwoordelijk waren voor het herscheppen van ‘zijn’ landschappen. Nescio kon niet goed overweg met veranderingen. ‘Er is wel geen schrijver, geen dichter te noemen die in onze taal zo het landschap heeft liefgehad, de polders, de dijken, de plassen, de bomen, het vergezicht. Uren van lopen, uren van kijken keren in zijn verhalen terug’ (blz. 185). In ‘De uitvreter’ brengt Japi zijn laatste maanden door in Amsterdam, ‘waar ze druk bezig geweest waren, mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten, al tobbende’ (blz. 13). (Vooral die kleine toevoeging, ‘al tobbende’, vind ik ijzersterk.) Bekend is de voetnoot in het verhaal ‘Kortenhoef’, bij de beschrijving van een brugje: ‘Dit aardige wipbruggetje bestaat ook al niet meer. De weg is over het water heen geplempt. God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ‘t kan een beetje hardhandig’ (blz. 189). Zijn ideaal omschreef Nescio op zijn 71ste in zijn dagboek: ‘gras, een watertje, een paar knotwilgen, een rijtje matig hooge populieren, een paar koeien en een paard, zon en schaduw en een zuchtje wind zoodat de bladen van de matig hooge wilgen zachtjes bewegen’. Vooral geen ‘litteratuur, kunst of diepzinnigheid’ (blz. 15-16).

Toch nam hij de literatuur ernstig. Daar was het waar zijn hart écht lag: ‘Als de duivel me zei dat ik een dingetje van 20 bladzijden zou schrijven dat ver boven mezelf uitging maar dat m’n kantoor failliet zou gaan, ‘k zou er niet aan denken meneer te vragen of we ‘t dingetje maar niet ongeschreven zouden laten’ (blz. 86). Wellicht heeft niemand de drijfveren van dat schrijverschap beter onder woorden gebracht dan hoogleraar Anthonie Donker in een rede op de Wereldomroep na het overlijden van Nescio. ‘Nescio was de schrijver van de mensen die het niet uithouden in de te nauwe ruimte, de engte van de maatschappij en leven. Kwellen bleef hem het raadsel van het leven dat onoplosbaar blijft, en het onvoorspelbare van de tijd die altijd eindigt en nooit eindigt, en de zon die blijft opgaan en ondergaan, altijd eender ten tijde van Ichnaton en nu, en dat daardoor alles te allen tijde is. Het doordenken op het raadselachtige van het bestaan dat een brein tot wanhoop en waanzin brengt, gek maakt van liefde en verdriet, van geluk omdat het er alles is, van verdriet omdat alles aan het eindigen is en van wanhoop omdat het niet te peilen en niet te omvamen [te vatten, SVC] valt. Daarom, daaruit schreef hij: mijn vele dagen willen niet zo maar vergaan. En het is niet enkel droefheid, het is altijd de droefheid gemengd met een begin van vreugde, de vreugde gemengd met een begin van droefheid’ (blz. 183-184).

Zich richten op Nescio’s verlangen naar de jeugd is slechts een poging om meer te zeggen over diens eeuwige melancholie – dat wat vreemde mengsel van droefheid en vreugde. Maar de focus op de jeugd biedt een ontoereikende verklaring van het heimwee dat de auteur doorlopend (dichterlijk) gestalte geeft. Die verklaring pretendeert het object te kennen van een dieper verlangen, van een verlangen naar iets dat het hier en nu overstijgt en dat wellicht fundamenteel onkenbaar is – Bavink die wil ‘verlangen, zonder te weten waarnaar’. In een van zijn opstellen gaat Verhoeff, die van opleiding theoloog is, na waar het Natuurdagboek het werk van een mysticus is. Maar niet alleen in dit dagboek reveleert zich Nescio’s aandacht voor het goddelijke, ook terloops komt zijn aandacht voor het religieuze vraagstuk naar voren. Zo bijvoorbeeld wanneer hij in een brief zijn liefde voor zijn kleinkinderen laat zien: die ‘zijn nog al eens met God bezig […]. Soms gelooven ze, soms kunnen ze er niet overheen dat God niet in de lucht kan wonen. […] Verleden week zegt ze: “Maakt God ook de ongelukken?” Direct daarop gaf ze zichzelf antwoord: “Nee, die maken wij.” De theologie schijnt den mensch aangeboren. Ze vindt daar in haar achtste jaar zelf het groote vraagstuk van de theologie weer’ (blz. 212). Meer dan de vraag of God bestaat of niet, boeide Nescio de vraag of deze mens zonder God kan.

De zoektocht van deze eenling naar publicatiemogelijkheden liep niet altijd van een leien dak. Toen hij bijvoorbeeld in het voorjaar van 1914 ‘Titaantjes’ naar De Gids stuurde, liet de redactie weten: ‘Hinderlijk, zeer zeker ook voor de meeste Gidslezers, zijn de goedkoope aardigheden, waarvan God het onderwerp of voorwerp is’ (blz. 76). Voorgesteld werd een en ander te schrappen. Nescio verzette zich en sneed daarmee een publicatiemogelijkheid af.

Toch gold zijn werk onder collega-schrijvers – en niet toevallig misschien vooral dichters: Bloem, Roland Holst, Nijhoff – algauw als een geheimtip, en zeer langzaam maar zeker vond het ook de weg naar het ruimere publiek. Vandaag wordt het nog steeds herdrukt en is Nescio al lang niet meer weg te denken uit de Nederlandse literatuur. Het boek van Verhoeff, dat Uitgeverij Bas Lubberhuizen publiceerde honderd jaar na het debuut De uitvreter, is een nieuwe aanvulling bij de stroom aan publicaties over Nescio die in de jaren zestig op gang is gekomen. Qua hoeveelheid overtreft de literatuur over hem al lang het oeuvre dat hij zelf bijeenschreef.

Nescio wist wel dat hij kon schrijven. ‘Ze kunnen het niet nadoen,’ zei hij wel eens tevreden, ‘ze hebben het vaak genoeg geprobeerd’.

En God, die in zijn werk zo vaak ‘onderwerp en voorwerp’ is van ‘goedkoope aardigheden’? Die stelt met genoegen vast dat de Titaantjes nog lang niet dood zijn:

‘Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren.’ (blz. 71). 




Maurits Verhoeff, Verlangen zonder te weten waarnaar. Over Nescio. Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 2011.

Nescio, De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, met illustraties door Johan Eshuis, Nijgh en Van Ditmar, Amsterdam, 2011.

© S T R E V E N