Oktober 2012

Johan de Boose

Pelgrimage naar Krakow

In memoriam Wislawa Szymborska (1923-2012)


Half januari nodigde de Poolse dichter Adam Zagajewski me uit voor een etentje in zijn huis in Krakow.

Ik was in die stad om twee van mijn dode meesters te bezoeken. De eerste was Tadeusz Kantor, theatermaker, beeldend kunstenaar en dichter (1915-1990) bij wie ik de laatste jaren van zijn leven een soort levensstage had gelopen. De tweede was Czeslaw Milosz (1911-2004), dichter en Nobelprijswinnaar, die ik al mijn leven lang las en herlas en die ik twee jaar voor zijn dood mocht ontmoeten. Bij elk bezoek aan Krakow, gemiddeld één keer per jaar, ga ik hen groeten.

Nadat ik met het echtpaar Zagajewski het aperitief had gebruikt in hun salon, waar we het niet over poëzie hadden maar over katten en Parijs, gingen we eten, naar goede Poolse gewoonte in de keuken, aan een vierkante grenenhouten tafel. De echtelieden namen hun gebruikelijke plaats in en boden mij de gastenplaats aan, bij het raam naast de kast waarin, zo zou ik later ontdekken, de spiritus stond.

‘Als Wislawa op bezoek komt,’ zei Adam, ‘gaat zij ook daar zitten’.

Hoewel het natuurlijk onzinnig is om aan dit voorrecht maar de geringste reden tot onbescheidenheid te ontlenen – wat is een stoel aan een Poolse keukentafel? – toch gaat er een gloed door mijn lichaam, telkens wanneer ik dit vertel. We aten baars, door de vrouw des huizes voor mij gefileerd, en zelfbereide tiramisu, en omdat de vis moet zwemmen, zegende Adam mijn glas met voortreffelijke Italiaanse wijn en later met Servische brandewijn.

‘Hoe maakt mevrouw Szymborska het?’, vroeg ik.

Ik moest terugdenken aan die hete meimiddag, toen ik bij haar op visite ging, bijna twaalf jaar geleden, om haar te interviewen voor een radioprogramma. Twee jaar lang had ik geprobeerd haar te spreken te krijgen, maar ze stuurde me een handgeschreven fax: Het spijt me zeer, maar ik heb het te druk om u te ontvangen. De Nobelprijs die haar in 1996 was toegekend was een kiss of death. Voortaan kon ze niet meer in haar geliefde kelderkroeg onder het Stary Theater gaan zitten met een glas wijn en een appelgebakje. Ze kon haar appartement aan de rand van de stad niet meer verlaten zonder herkend, aangeklampt, ondervraagd of tenminste aangegaapt te worden. Ze moest een mening hebben over alle leed in de wereld, de fratsen van de politiek en de honger in Afrika. Iedereen zocht haar: reporters, televisiemakers, hoogleraren, grote en minder grote tijdschriftredacteuren, en verder collega-dichters, would be-dichters, bakvissen en doctoraalstudenten. Daarom zei ze: Het spijt me zeer, maar het is te druk. Twee jaar lang had ik het tevergeefs geprobeerd, en ik wilde het opgeven omdat ik begon te begrijpen dat mevrouw Szymborska vooral uit was op rust en privacy, maar ik wilde een laatste poging wagen. Ik schreef haar: Ik publiceerde enkele dichtbundels en zou graag uw mening daarover willen horen. Zonder de geringste hoop op antwoord verzond ik mijn vraag. Enkele weken later nodigde ze me uit.

Aan de keukentafel bij de Zagajewski’s, waar ik de stoel van Szymborska bezet, trekt Adam een zorgelijk gezicht.

‘Niet goed’, zegt hij.

‘Hoezo?’, vraag ik.

Adam schudt het hoofd. ‘Echt niet goed’. Daarna knikt hij. Hij ziet dat ik het begrepen heb. ‘Het is geen kwestie van maanden, maar van dagen’.

Die middag in mei, twaalf jaar geleden, was voorafgegaan door een hele nacht piekeren en dubben over wat ik haar zoal zou vragen. Al met al bleek dat een moeilijke zaak, want haar gedichten spreken voor zich, zij spreken uit wat zij zeggen wil. Wil ze iets kwijt over de politiek, dan schrijft ze een gedicht. Is ze bedroefd of boos of verliefd of verbaasd, dan dicht ze. Ik beklom de trap naar haar appartement op de eerste verdieping van een vieretageflat en belde aan. Een doodgewone bel, een naamkaartje Wislawa Szymborska. Bij de buren blafte een hond.

In de deuropening verscheen een niet al te grote dame, levendig, lachend, nieuwsgierig, voortreffelijk gekleed en geurend naar een zacht parfum. Ze had me verwacht. Op de salontafel stond wit servies. We namen plaats op de bank tegenover elkaar. Naast me verrees haar boekenkast. Honderd boeken? Niet meer. Ze schonk me heet water in en reikte me een bokaaltje Nescafé aan. Poolse dichters drinken oploskoffie, dat verraste me niet. Ze hield niet op met lachen en vroeg waarover we het zoal zouden hebben. Ik dacht aan mijn vragenlijstje. Tenslotte moest ik – ondanks mijn smoes – met een interview naar huis terugkeren. De openbare omroep sponsorde deze uitstap – zo lang is het inmiddels geleden: toen kon dat nog.

Adam kijkt me bedroefd aan. Hij is een man van weinig woorden, vooral als hij bedroefd is. Op vrolijke momenten maakt hij grapjes en woordspelingen, of vertelt hij in een van de vele talen die hij machtig is een verhaal over zijn lievelingskat, daarbij zoekend naar de juiste woorden. Maar als het over mevrouw Wislawa gaat, zwijgt hij. We drinken. Hij zal erover schrijven, bedenk ik, over deze stilte. Ik weet dat hij een bijzondere, naar eigen zeggen ‘luie’ manier van werken heeft. Hij trekt zich gedurende enkele uren terug in zijn werkkamer, die zo rommelig is dat alleen hij er nog naar binnen kan, warmt zijn geest op met muziek, lectuur, gepeins, en vlak voor etenstijd – het echtpaar Zagajewski eet laat, want mevrouw heeft een praktijk als psychiater in een belendend kabinet – vertrouwt hij enige regels toe aan het papier, soms een volledig gedicht.

‘Waarover we het zouden hebben, mevrouw Szymborska?’ herhaal ik in gedachten. Ik probeerde haar te zien als jonge vrouw, zoals op foto’s op het kantoor van het tijdschrift waar ze lang werkte. Ik dacht aan de collages die ze maakte en die werden gepubliceerd in prachtige, geurige hardcover kijkboeken. In mijn hoofd verschenen haar opvallend eenvoudige verzen, die alles behalve eenvoudig waren, maar die haar wel erg toegankelijk maakten, ook voor minder geoefende poëzielezers – wellicht een van de redenen van haar wereldwijd succes. Ik dacht natuurlijk ook aan haar prozastukjes die ze jarenlang schreef, recensies van zogezegd onbelangrijke of vergeten boeken (gebundeld in Onverplichte lectuur), en aan haar volstrekt unieke talent om in één stuk, soms in één zin, het belang van de uitvinding van luiers te verbinden aan de ondergang van het mensdom, of de lieflijkheid van een rood spinnetje met de holocaust. Ik vertelde het haar. Ze kwam meteen op dreef, en ik begreep dat dit haar manier van denken en kijken was. In elk gedicht wordt de lezer onweerstaanbaar aangetrokken door een bepaalde charme, maar zodra hij zich als het ware in de tekst bevindt en volstrekt geen reden heeft om hem weer te verlaten – poëzie verleidt –, gaat het valluik open en wordt hij geconfronteerd met wat de dichteres echt wil zeggen – de verleiding is immers genadeloos. Ze haalt het voorbeeld aan van een prachtige weide, waar ze ooit met een vriendin aan het wandelen was. Het was een zonnige lente, alle clichés van de lieflijkheid waren aanwezig, de natuur liet zich van haar mooiste en vruchtbaarste kant zien. Toen vertelde de vriendin dat zich daar tijdens de oorlog een nazikamp bevond, waarin gevangenen werden opgesloten en vervolgens aan hun lot overgelaten. Ze kwamen allen om in vreselijke omstandigheden, van uitputting, kou en honger. De natuur bleef even bucolisch, die herinnerde het zich niet. De wandeling was een afdaling in de hel geweest. Ik was zo onder de indruk van haar verhaal dat ik de volgende dag met het gedicht ‘Hongerkamp’ in de hand naar die weide ben gegaan. De regen hoosde uit de hemel en de weg naar de weide was bezaaid met slakken, waarover ik voortdurend uitgleed. Bizar genoeg was de regen een soort metaforische tranenvloed, door de natuur gestort nu haar geheugenverlies aan het licht was gekomen. Vlak bij die plaats waren nog meer sporen van de oorlog en van de gruwelijke daden die de nazi’s daar hadden gepleegd nadat ze Polen hadden geannexeerd en, in naam van een zuiverder continent, voor hun verwoestingsdrift hadden ingezet. Overigens maakte Steven Spielberg in die wijk delen van zijn film Schindler’s List, een film die trouwens op feiten is gebaseerd. Nu kun je met een toeristenbusje de Schindler’s List-route volgen, maar toen, twaalf jaar geleden, was ik daar helemaal alleen.

Er zijn nog meer voorbeelden. De beschrijving van een kat die ‘in alle kasten kijkt, alle planken afrent, onder het kleed kruipt’ en ‘zelfs het verbod trotseert en papieren rondstrooit’ gaat eigenlijk over de dood van Szymborska’s levenspartner. Een gedicht over het opruimen van rommel gaat over de ruïnes van een oorlog. De catastrofe van 9/11 beschreef ze aan de hand van sleutels en kleingeld die uit de zakken vielen van wie uit de brandende etages naar beneden sprongen.

‘Ja’, zegt Adam aan zijn keukentafel, ‘dat is precies de methode die Wislawa hanteert’. Zonder het te willen, gaan we over op politiek – want zo’n gedicht van Szymborska is volgens mij een politiek gedicht – maar we moeten het woord politiek eerst herijken omdat het is verdoezeld door de journalistieke dagverhalen, het kortetermijndenken en het scorend vermogen van politicasters. Zou politiek geen constructieve visie moeten zijn, in plaats van een strijd tussen ideologieën? En hoe waardevol is politiek zolang we verzuimen het individu centraal te stellen? We moeten het over de samenleving hebben, en wel zó, dat het individu de hoofdrol speelt, niets anders. Hongerkamp diende dit doel.

De prachtige, bejaarde, kwieke dichteres die tegenover me zat in dat Krakowse appartement, lachte hartelijk toen ik het woord politiek gebruikte. Ze rookte onophoudelijk dunne sigaretjes en hield haar hoofd een beetje schuin tijdens het spreken. ‘Aan politiek’, grinnikte ze, ‘had ik een broertje dood’. Ik moest denken aan haar literaire generatiegenoten, meesters en nazaten. Haar meester Czeslaw Milosz, die twaalf jaar ouder was dan zij, trachtte tijdens de oorlog met een boek van T.S. Eliot onder de arm de bommenregen te ontvluchten, slaagde daarin en werd later diplomaat op de Poolse ambassade in Parijs in dienst van de nieuwe, communistische regering. Hij geloofde in een bepaalde vorm van utopisme, en het communisme was geen ideale staatsvorm, maar in ieder geval beter dan niks. Zijn poëzie uit die dagen getuigt zelfs van engagement. Hij vertelde me dat hij zich daar makkelijk in had kunnen nestelen: het betekende comfort, kameraadschap, geld en roem, althans zolang het systeem overeind bleef. Later keerde hij er zich radicaal van af en tijdens de opkomst van de anticommunistische vakbeweging van de jaren tachtig, die met de steun van de Poolse paus Karol Wojtyla alias Johannes-Paulus II en de CIA uiteindelijk de betonkoppen van het sovjetgeleide establishment op de knieën zou krijgen, werden zijn verzen op de poorten van stakende scheepswerven gekalkt. Ook dat was engagement en politiek.

Adam knikt aan zijn keukentafel. ‘Ontkomt een Poolse dichter daaraan?’ Wellicht niet, wil zijn retorische vraag zeggen, want ook hij – 22 jaar jonger dan Szymborska – heeft zich, toen hij twijfelde in wat voor genre hij zich het best kon uitdrukken, beziggehouden met geëngageerde, politieke poëzie, die gretig aftrek vond bij de tegenstanders van de militaire dictatuur, en die hem zelfs – naar eigen zeggen – ‘een comfortabele positie verschafte binnen de verzetsbeweging, met een grote onderlinge bijna avontuurlijke solidariteit’. Later distantieerde hij zich ervan.

Ik confronteerde mevrouw Szymborska twaalf jaar voor mijn gesprek in Adams keuken met haar eigen politieke engagement in de jaren vijftig, toen ook zij vond dat het uit Moskou geïmporteerde communisme, mits enige correcties en zonder de dictatoriale verpakking, waarschijnlijk de beste oplossing was voor de wederopbouw van het door de oorlog verwoeste Polen. Ze schreef enthousiaste, jubelende verzen hierover. Later – u raadt het al – nam ook zij hier afstand van.

Ik hoor het haar nog steeds zeggen, daar in haar appartementje bij de oploskoffie: ‘Ik heb genoeg gezien hoe mensen die aldoor “ik weet hoe het moet” zeggen, het leven, de mens, het individu vernielen. Daarom kies ik ervoor om te zeggen: “ik weet het niet”. Kan dat een motto zijn?’ Het antwoord is haar werk. Ze zuigt op haar dunne sigaretje en heft een lofzang aan op het individu en op de volstrekte uniciteit van ieder mens en van alles wat er gebeurt. Haar devies was een universeel agnosticisme: “ik weet het niet” als basishouding, als poëticaal adagium, als wapen tegen de dictatuur van de zekerheid, want – zoals ze zei – alle ellende en alle oorlogen komen voort uit strijdende zekerheden. ‘In elk gedicht’, voegt ze eraan toe, ‘begin ik helemaal opnieuw’. In elk gedicht schept ze de wereld opnieuw, en telkens beweegt ze zich tussen die twee polen die ze ooit zelf heeft genoemd: ‘wanhoop en verrukking’. Wie dat engagement wil noemen, of politiek, wordt op Szymborska’s lieve hoongelach onthaald.

Tijdens het gesprek met Szymborska en het gesprek met Zagajewski denk ik aan Milosz’ verhaal over de berg en de rivier. De berg biedt uitzicht en overzicht, maar hij staat altijd op een hoogte, op een afstand. De rivier slingert zich een weg naar beneden en engageert zich. De dichter, zei Milosz, voelt zich gefrustreerd omdat hij niet tegelijkertijd berg en rivier kan zijn. De Ierse dichter Seamus Heaney (zoals Milosz en Szymborska ook een Nobelprijswinnaar) citeert graag deze quote van Milosz over dit dilemma: ‘Ik bevond mij dus in een spagaat tussen twee polen: de contemplatie van het bewegingloze punt en de roep om actief aan de geschiedenis deel te nemen; in andere woorden: tussen transcendentie en ontwikkeling’. Heaney voegde hier ooit aan toe (in het Ierse tijdschrift The Crane Bag): ‘Een geest die zich zo moet overstrekken tussen transcendentie en politiek, produceert precies het soort vezel waarvan het visnet van de geest opnieuw moet worden geknoopt’.

‘Met andere woorden’, besluit ik aan tafel bij de Zagajewski’s, ‘de spanning tussen die twee polen, de frustratie om niet tegelijk berg en rivier te kunnen zijn, het dilemma transcendentie-engagement of zelfs transcendentie-politiek, is noodzakelijk voor het dichterschap, want de dichter die zich politiek engageert verliest zijn overzicht, en de dichter die alleen maar op zijn berg blijft, wordt wereldvreemd’.

Mevrouw Szymborska haalde een goudgele fles Griekse Metaxa tevoorschijn en stelde me voor om samen enkele glaasjes te nuttigen. Milosz hield van ijsgekoelde wodka. Zagajewski houdt het op een glas wijn, maar later gaat de provisiekast open en ledigen we samen een Servisch brandewijntje. Met Adam drink ik op de gezondheid van mevrouw Wislawa, ook al weten we dat het tevergeefs is.

Twee weken later meldt het ochtendnieuws dat Szymborska is overleden. Ik hoor haar weer even lachen zoals toen we klonken met onze gouden glazen naast haar honderd boeken. Adam schreef me: ‘Dierbare vriend, de begrafenis was mooi, het was heel koud en Ella Fitzgerald zong tussen bomen bedekt met sneeuw’.

Bij mijn volgende bezoek aan Krakow is er nieuwe statie aan mijn pelgrimage toegevoegd.



© S T R E V E N