Mei 2012

Moshgan Wahedi

God als uitweg


‘Het leven is adembenemend. De bevrijdende lentebries, de verwarmende zonnestralen, de vogels die symfonieën dichten schoner dan de rietfluit... De roos bloeit in schoonheid, zonder kommer om haar bestaan. Totdat roekeloze handen de roos uit de grond rukken, waardoor ze afhankelijk wordt. Ze vereist zorg en geborgenheid van de vaas waarmee ze wordt verenigd. “Zalig was het vrije bestaan”, klaagt de roos bitterzoet.’

‘Als de roos niet geplukt wordt, zal zij verwelken’, merk ik op na de plechtige voordracht van moederlief. Wederom zitten we aan de keukentafel; alweer heb ik haar gevoelige snaar geraakt. ‘Neen dochterlief’, vervolgt ze bedaard, ‘de roos die op deugdelijke wijze bloeit, loopt minder het risico geplukt te worden door baldadige handen.’

‘Wat kwalificeer je als deugdelijk? Alle rozen in de rozentuin groeien vanuit dezelfde aarde en worden belicht door dezelfde zon. Is er verschil in het water? Wordt de ene roos besproeid met bronwater uit de Hindukush, de andere met verkalkt regenwater en weer een andere, de deugdelijke roos, met zamzam-water?’ [1] Moederlief raakt geërgerd, maar antwoordt met het serene gezicht dat enkel moeders siert: ‘Je weet goed dat het hier niet om een roos gaat. En je weet maar al te goed dat jouw overbodige feministische gedachtegoed je geest bezoedelt, waardoor de vrouwelijke eigenschappen die een jongedame van jouw klasse in acht dient te nemen, worden verwaarloosd’.

‘Ik geloof niet in klassen, mama, noch ben ik geboeid door die vrouwelijke eigenschappen. Ik ben een moslima die zich dient te ontwikkelen om een erkende maatschappelijke positie te verkrijgen. Iqra [2] is het eerste woord dat aan de profeet is geopenbaard!’, merk ik fel op. Haar ogen vlammen en nog voordat ze de woorden uitspreekt die onze discussie ten einde brengen, krijg ik spijt van mijn onnodige offensief. ‘Die parelwitte tanden zullen je speelse tong eens bijten’, besluit ze.

Het lijkt wel een passage uit een roman van Nancy Mitford. Maar helaas is het een van de talloze gesprekken die ik tegenwoordig met mijn moeder voer. De reden voor deze gesprekken is dat het botst tussen ons. Dat er een botsing bestaat tussen de culturele normen binnenshuis en die buitenshuis, waarbij er vanuit wordt gegaan dat de wereld binnenshuis samenvalt met de islam. Het is echter van vitaal belang dat er tussen cultuur en religie een onderscheid wordt gemaakt.

Er bestaan grote verschillen tussen de moderne wereld buitenshuis en de traditionele wereld binnenshuis. De wereld buitenshuis kan in drie sferen worden ingedeeld: de studieomgeving, de werkvloer en het sociale netwerk van vrienden. In alle drie de sferen bestaat er een verantwoordelijkheid jegens anderen, maar in de eerste twee is die sterker doordat zij verplicht is.

Primair heeft een studie tot doel: het behalen van goede tentamenresultaten. Van secundair belang is het opdoen van diverse maatschappelijke vaardigheden, bijvoorbeeld door extra tijd te steken in stages of in activiteiten van studieverenigingen. Door bezuinigingen in het onderwijs is de tijd die hiervoor beschikbaar is, ontzaglijk ingedamd. Hetzelfde geldt op de werkvloer. Een glansrijke carrière wordt niemand op een zilveren bordje voorgeschoteld. Bovendien wordt sociaal contact en politieke deelneming als vanzelfsprekend beschouwd binnen onze open samenleving. Als je van een jonge burger verwacht dat hij of zij zich gaat gedragen als een verantwoordelijk burger, dan zal die eerst die vaardigheden ergens moeten opdoen. Als tegen een jonge moslima wordt gezegd dat zij niet bepaalde stages mag lopen of bepaalde functies niet mag uitoefenen (bijvoorbeeld functies waarvoor je veel moet reizen, die erg tijdrovend zijn, functies waardoor je weinig aandacht aan je familie kunt schenken of die je doen besluiten om te wachten met kinderen krijgen), kan zij niet optimaal als burger functioneren.

Binnen het sociale netwerk van vrienden dienen we over het oosterse matje het huis in te stappen. De cultuur van het land van herkomst kleurt de normen en waarden thuis. Vaak gaat het om landen die worden gekenmerkt door een patriarchale cultuur waarin machogedrag veel voorkomt en waarin de heersende normen een levenswijze voorschrijven die dogmatisch moet worden nageleefd. Maar de cultuur van het land van herkomst omvat ook vele positieve waarden: een sterke verantwoordelijkheidszin, zorgzaamheid en respect ten opzichte van ouders en ouderen in het algemeen, zijn de belangrijkste. Men zal geen dochter uit een vluchtelingengezin tegenkomen die de administratieve zaken binnenshuis niet kan dromen. De zorgzaamheid en het respect hebben tot gevolg dat ouders in iedere levensfase een grote rol spelen. Volgens de islam opent de poort van Eden haar deur immers enkel met de sleutel van vader in handen. Sterker: het paradijs is te vinden onder moeders voeten.

Maar het moge duidelijk zijn: allochtone jongeren bevinden zich in een pijnlijke spagaat tussen hun culturele achtergrond en de Nederlandse moderne samenleving.

Wat is de uitweg voor de existentiële crisis die de botsende normen en waarden binnen- en buitenshuis met zich meebrengt? Vanuit de buitenwereld wordt verwacht dat de allochtone jongere deelneemt aan de samenleving. Men verwacht dat zij verplichtingen nakomen, dat zij zich verantwoorden en dat zij zich kunnen laten vertegenwoordigen in de politieke ruimte. Om dit te verwezenlijken dienen zij te studeren, te werken en sociaal actief te zijn. Deze bezigheden brengen met zich mee dat zij te maken krijgen met een aantal nieuwe problemen. De belangrijkste daarvan zijn de sekseverhoudingen, de deugdelijkheid en de generatiekloof.

Het machogedrag heeft tot gevolg dat er een asymmetrische verhouding tussen de twee geslachten ontstaat. Dit verschijnt vooral bij de eergevoelige zaken. De man gedraagt zich als ‘beschermeling van de vrouw wegens haar handelen’. Maar deze ‘eergevoelige aspecten van haar handelen’ dienen verhelderd te worden. Om wiens eer gaat het in wezen? Is dat niet enkel de eer van de man? Doorgaans nuanceert men de kwestie door aan te kaarten dat het om de eer van de gehele familie zou gaan. Maar dezelfde handeling, verricht door een jongedame – bijvoorbeeld reizen naar het buitenland – wordt anders bekeken dan wanneer deze door een jongeman wordt verricht. Waarom zou dezelfde handeling de eer van de familie in het ene geval wel aantasten en in het andere geval niet? Gaat het om het gedrag van een jongeman, dan is de reactie vaak milder. Soms blijft een reactie dan zelfs volledig achterwege.

De logica van een paternalistische cultuur heeft tot gevolg dat vrouwen gauw benadeeld worden ten opzichte van mannen wanneer het om soortgelijke handelingen gaat. Hierdoor laten zij kansen onbenut, omdat het grijpen van die kansen vaak problematische gevolgen kan hebben. Er is dus sprake van een waardenafweging. Een tekenend voorbeeld is de vrije partnerkeuze. Jongedames wiens mogelijke huwelijkspartner afwijkt van de wensen van de familie – bijvoorbeeld omdat hij Berbers is en niet Arabisch, of omdat hij niet gestudeerd heeft – besluiten vaak af te zien van de relatie.

Een tweede uitwerking van de patriarchale traditie vinden we bij de deugdelijkheid. Deze raakt tevens het eerste punt en uit zich in bijvoorbeeld de kleding, de vriendenkring, de deelname aan maatschappelijke activiteiten en zelfs de studiekeuze. Want binnen allochtone families is een vrouw in de zorg nog altijd vanzelfsprekender dan een vrouw in de vergaderzaal van een multinational. In de westerse samenleving ligt dit nu anders. Door de twee feministische golven en de seksuele revolutie van de jaren zestig in het Westen heeft de term ‘deugdelijkheid’ een betekenisverandering ondergaan. Onderwijs genieten paste voor een vrouw niet in het traditionele plaatje en werd als ondeugdelijk aangemerkt. Pas in 1871 kon de eerste vrouw in Nederland, Aletta Jacobs, studeren aan de universiteit. Nu wordt een universitaire studie voor een meisje in het voortgezet onderwijs gezien als de natuurlijke stap. Wat onder ‘deugdelijk’ wordt verstaan, zou ook in allochtone families niet als vaststaand moeten worden beschouwd.

Het grootste conflict ontstaat doordat de voorgaande generatie de verworven vrijheden van de huidige generatie niet begrijpt. Als men het eigen land heeft verlaten na de kindertijd of de adolescentie – in de ontwikkelingspsychologie gerekend tot de meest invloedrijke levensfases – is de identiteit reeds grotendeels gevormd en wordt het leven in een vreemde omgeving veel moeilijker. Vanzelfsprekend geurt het aanpassen aan een nieuwe samenleving naar nestbevuiling, wanneer de oude samenleving nog zo fel op het netvlies staat. Natuurlijk kan machteloosheid de mens verteren, waardoor verwaarlozing in de opvoeding stilaan doordringt. Maar juist om deze redenen is het van belang dat de voorgaande generatie haar ogen opent voor de nieuwe wereld waarin hun nakomelingen opgroeien. Dit zal twee positieve gevolgen hebben. Ten eerste zal de oude generatie een veilig portaal hebben als toegang tot de vreemde omgeving, namelijk hun eigen kinderen. Ten tweede zal de identiteitsvorming van de nieuwe generatie, wat een turbulent proces is, minder belemmeringen ondervinden door de generatiekloof. Van een jonge moslima verwachten dat zij kiest voor de culturele normen en waarden van het land van herkomst, is immers van haar vragen een helft van haarzelf te ontkennen.

De oplossing voor deze problemen is te vinden op een plek die wellicht niet meteen in de lijn der verwachting ligt. De oplossing ligt namelijk bij God. Waarom zou men zichzelf in het keurslijf dwingen van normen die zijn opgelegd door de medemens, wanneer God een uitweg biedt?

De periode voorafgaand aan islam wordt aangeduid als de ‘periode van onwetendheid’: jahiliya. In deze periode heerste het moerawa-ethos, waarbij trots en arrogantie centraal stonden. Wanneer de eer van de stam werd aangetast, diende dit gewroken te worden. Aangezien alle stammen in Arabië volgens het moerawa-ethos leefden, bestonden er geen belemmeringen voor de zogenaamde eerwraak. In de jahiliya had een vrouw binnen de samenleving vrij weinig te betekenen. Ze was het wezen dat kinderen baarde en wanneer het kind een meisje bleek te zijn, werd het vaak direct na de geboorte ter dood gebracht. Met de komst van islam veranderde de positie van de vrouw drastisch door verscheidene sociale hervormingen. Voor het eerst kreeg de vrouw een wettelijke status, iets dat in het Westen pas in de negentiende eeuw zou worden doorgevoerd. In het benadrukken van de eenheid binnen de monotheïstische godsdiensten werd de stammencultuur van ondergeschikt belang. Dit stimuleerde onder andere de vrije partnerkeuze. Bovendien waren het de echtgenotes van de profeet Mohammed (saws) die deze ontwikkeling vaak initieerden en bevorderden. Door hun mondigheid en opstandigheid bevorderden ze de deelname aan maatschappelijke ontwikkelingen. Kortom, het was de islam die feministische veranderingen doorvoerde, totdat in de vijftiende eeuw de soennitische oelama [3] verklaarden dat de poorten van de idjtihad, de interpretatie van de bronnen op basis van het gezonde verstand, waren gesloten [4] . Dit heeft een significante invloed gehad op de positie van de vrouw. Het is juist deze beschouwing van de religieuze bronnen die ertoe leidt dat het geschrevene uit de Koran binnen de context van de betreffende samenleving wordt geplaatst. De islam heeft weliswaar 1400 jaar geleden de positie van vrouwen verbeterd, maar alleen als de Koran sinds die tijd voortdurend zou zijn geïnterpreteerd, was de positie van de vrouw mee geëvolueerd. De Koran wordt beschouwd als een goddelijke tekst, wat impliceert dat de Koran te allen tijde geldig moet zijn. Islamoloog Abou Zaid verwoordt dit als volgt: ‘Het geloof in de goddelijkheid van de tekst wordt geen geweld aangedaan als we de tekst interpreteren [...]. Als we dat niet doen, dan bevriezen we de tekst. Dan verraad je niet alleen de tekst, maar ook de goddelijkheid.’

De conflicten rond sekseverhoudingen, deugdelijkheid en generatiekloof vinden hun oorsprong niet in islam; ze zijn het resultaat van een culturele erfenis. De Koran biedt juist oplossingen voor de geschetste conflicten. Vanuit islamitisch perspectief is de sekseverhouding niet gebaseerd op ongelijke rechten, maar op de aanvullende functie die mannen en vrouwen ten opzichte van elkaar hebben. Mannen hebben een even groot aandeel aan de eer en de goede naam van de familie als vrouwen. Sterker nog: de Koran duidt op de seksuele gelijkheid in soera 33:35: ‘De mannen en vrouwen die zich (aan God) hebben overgegeven, de gelovige mannen en vrouwen, de onderdanige mannen en vrouwen, de oprechte mannen en vrouwen, de geduldig volhardende mannen en vrouwen, de deemoedige mannen en vrouwen, de mannen en vrouwen die aalmoezen geven, de mannen en vrouwen die vasten, de mannen en vrouwen die hun schaamstreek kuis bewaren, de mannen en vrouwen die God veel gedenken, voor hen heeft God een geweldig loon klaargemaakt.’ Het is daarom van belang dat mannen en vrouwen op gelijke wijze op eergevoelige kwesties worden beoordeeld.

Van beide seksen wordt verwacht dat ze actief deelnemen aan de samenleving en zichzelf ontwikkelen. Immers: ‘het zoeken naar kennis is een verplichting voor iedere moslim en moslima’[5] . In het licht van islam is het van belang dat ieder mens, zowel man als vrouw, zichzelf ontwikkelt om de wereld beter te begrijpen. Op deze wijze verdwijnt de angst voor het onbekende en groeit de waardering voor God. Het is daarom ook tegenstrijdig om moslima’s te beperken in hun studiemogelijkheden, studiekeuze en het verdere verloop van hun loopbaan.

Zoals reeds aangegeven, werden bloedbanden in het Arabië van vóór de islam van essentieel belang geacht. Het was niet tolerabel wanneer men iemand huwde uit een andere stam. Islam heeft dit volledig veranderd door te prediken dat de partnerkeuze vrij is zolang beiden islamitische gelovigen zijn. Vanuit het verleden worden culturele verschillen steeds aangehaald als een probleem voor een goed huwelijk. Voor vrouwen zou dit een groter struikelblok zijn, omdat traditioneel de vrouw na de bruiloft bij het gezin van haar echtgenoot intrekt – en dat zou ingewikkeld zijn als die familie andere culturele normen, herkomst of politieke standpunten heeft. Het is al helemaal een taboe wanneer de partner van een andere nationaliteit is. Gezien de gelijke rechten en de onafhankelijkheid van zowel mannen als vrouwen mist deze argumentatie haar doel. Een stel, getrouwd of niet, woont niet meer bij de (schoon)ouders in huis. Daarnaast is een vrouw niet afhankelijk van haar echtgenoot om degelijk te functioneren binnen de maatschappij. Zij heeft gestudeerd, haar eigen huis, haar eigen auto, zij kan kortom voor zichzelf zorgen. De familie mag dan wel verwachtingen hebben over de levenspartner op grond van culturele normen, vanuit islamitisch perspectief zijn die niet van toepassing. De islam biedt de jonge moslim(a) dus een grotere keuzevrijheid dan de culturele erfenis die is meegebracht uit het land van herkomst. Het woord van God is immers van hogere waarde in het leven van een moslim(a) dan culturele normen. Dit heeft tot gevolg dat de partnerkeuze gebonden is aan één voorwaarde, en dat is, zoals reeds genoemd, dat de partner tevens islamitisch is. Voor een moslim(a) is de keuze voor een islamitische levenspartner voor de hand liggend.

Het dichten van de gapende kloof tussen de generaties vereist individuele verandering. Men moet willen inzien, aanpassen en uiteindelijk veranderen. Ook dit is niet in tegenspraak met het woord van God. In de Koran staat immers: ‘God verandert niet wat er in een volk is zolang zij niet veranderen wat er in hun zielen is’ [6] . Hoe moeilijk dat ook is, de oudere generatie zou zich open moeten stellen voor de transformatie die hun kinderen doormaken, en dus met hen de dialoog aangaan. Dit vergt geduld en eerlijkheid, zowel van de jongere als van de ouder.

De moderniteit dient van thuis uit gestimuleerd te worden. Moslims moeten de normen buiten hun veilige zone omarmen en zich wellicht van enkele normen binnenshuis distantiëren. Wanneer de oudere generatie niet in staat is zichzelf als een deel van de samenleving te beschouwen, dan zal die zich afzonderen. Terwijl juist dit – de acceptatie nu eenmaal deel te zijn van die maatschappij – de eerste stap is naar samenleven in een pluralistische samenleving.

Daarnaast bieden tolerantie en kennis begrip voor andermans levenswijze, zelfs al zou deze niet stroken met eigen tradities. In dit proces is de islam een passender sleutel voor het openen van de deur naar de buitenwereld dan de cultuur. Een essentieel beginsel voor een harmonieuze samenleving binnen de islam is dat men zich dient aan te passen aan het vreemde. Sterker nog, de Koran leert ons: ‘Nodig uit tot de weg van jouw Heer, met wijsheid en goed onderricht en wissel met hen van gedachten op de beste wijze’ [7] . Uit goede wil dient niet enkel het onbekende aanvaard te worden, maar een goede moslim(a) dient haar eigen waarden ook te uiten opdat er sprake is van wederzijds respect. Dit is voor moslims in het Westen de uitdaging van de eenentwintigste eeuw.

[1] Het zamzam-water staat in verband met de legende van Hadjar en Ismael. Het water zou geneeskrachtige werking hebben.

[2] Iqra is een Arabisch woord en betekent letterlijk ‘lees’. Bij zijn eerste openbaring kreeg de profeet Mohammed het woord iqra te horen van de engel Gabriel. Algemeen wordt hiermee de nadruk op zelfontwikkeling met betrekking tot het vergaren van kennis gelegd.

[3] Geleerden op het gebied van islam.

[4] Hierbij dient vermeld te worden dat andere interpretatievormen nog wel toegestaan waren; vgl. taqlid en qiyas.

[5] Tariq Ramadan, Westerse moslims en de toekomst van de islam, Bulaaq, Amsterdam, 2005, blz. 192.

[6] Koran 13:11.

[7] Koran 16:25.

© S T R E V E N