Februari 2013

Herbert De Vriese

De bekoring van de onttovering


Een eminent Brits historicus vat samen hoe het er, tijdens de Late Middeleeuwen, in een kerkdienst in Engeland aan toeging:

Als mensen uit het gewone volk naar de kerk kwamen, dan gebeurde dat meestal met grote tegenzin. Vaak werden ze ertoe gedwongen, met het gevolg dat ze de eredienst veranderden in een complete parodie op wat beoogd werd. Ze vochten voor de schaarse zitbanken en zaten hun buren voortdurend te porren. Ze schraapten hun keel en spuwden op de grond. Vrouwen zaten te breien, mannen maakten grove opmerkingen of zaten moppen te tappen. Sommigen vielen in slaap. Ook gebeurde het wel eens dat er een geweerschot afging.[1]

Een probleem met het concept ‘onttovering’ is dat het impliciet verwijst naar een wereld die we verloren hebben en die bovendien – daarom wordt dit verlies zo betreurenswaardig geacht – nog doordesemd zou zijn geweest van ‘tover’, ‘magie’, van een wondervolle dimensie van het bestaan die aan alles waarde en glans verleende. Het is zinvol om erop te wijzen dat de betovering van een wereld uit het verleden ook het effect kan zijn van nostalgie en romantiek. Volgens mij is het belangrijk om na te gaan of de feeërieke aanvangssituatie van een discours over onttovering niet zélf enige onttovering behoeft. Die eerbiedwaardige religieuze betekenissen waar in vroegere tijden zo’n allesdoordringende rol aan wordt toegeschreven, blijken soms ook op de premoderne mens verbazend weinig vat te hebben gehad. In ieder geval blijkt die greep vaak minder sterk en minder oriënterend te zijn geweest dan men in een discours over onttovering graag zou veronderstellen.

De bedoeling van deze tekst is om wat weerwerk te bieden aan de typische dramatiek van het spreken over onttovering. Ik zal dat niet doen door de mythes over het verleden te ontkrachten: dat laat ik over aan de historici. Mijn strategie bestaat erin om de onttovering te thematiseren als een nieuw principe van zingeving dat op de moderne mens een ongemeen grote aantrekkingskracht uitoefent. Niet langer gaat het dan om een ingrijpende en ontwrichtende ervaring van verlies, maar om een betekenisvolle onderneming waarvoor men actief en bewust kan kiezen.

Ik verduidelijk mijn punt. In navolging van Weber wordt het concept ‘onttovering’ doorgaans gebruikt om te verwijzen naar een diepgaand veranderingsproces van de moderne, westerse cultuur, een proces waardoor bovennatuurlijke krachten, wezens en werkingen in de wereld een steeds minder dominante rol beginnen te spelen. Deze ontwikkeling wordt bovendien begrepen en voorgesteld als een cultuurhistorisch ‘Geschick’ van de moderne tijd, een noodlotsgebeuren dat zich met onverbiddelijke wetmatigheid ontspint en waaraan door ons, arme stervelingen, niet te tornen valt. Men beschouwt de onttovering immers als het noodlottige resultaat van een voortschrijdend proces van rationalisering: wordt de wereld in toenemende mate het voorwerp van beheersing en berekening, dan vinden hogere krachten en mysterieuze gebeurtenissen daarin geen onderkomen meer. De moderne wetenschap en techniek lijken er op een objectieve en onafwendbare wijze toe te leiden dat een oorspronkelijk wondervol mens- en wereldbeeld geleidelijk van al zijn diepe betekenissen wordt ontdaan. Als door een tragische dialectiek van de moderne tijd blijkt het streven van de mens om zich uit zijn onmondigheid en onderworpenheid te bevrijden, hem net datgene te ontnemen wat hem het meest dierbaar is: zijn God, zijn hemel, zijn onsterfelijkheid, zijn morele en maatschappelijke zekerheden, zijn betrokkenheid op een traditie, zijn situering in een symbolisch gestructureerde kosmos.

Mijn analyse van de bekoring van de onttovering laat echter toe om hier een alternatieve interpretatie te formuleren. Daarbij leg ik de nadruk niet op het passieve gebeuren van onttoverd worden, maar op de activiteit van het onttoveren. Mijn these is dat de onttovering van de wereld ons niet alleen overkomt, maar eveneens bewust en actief wordt nagestreefd – dat ze dus niet alleen het gevolg is van wetenschappelijke inzichten of een alles doordringende utilitaire logica, maar tevens van een ingrijpende, destructieve dynamiek die door de aantrekkingskracht van het onttoveren wordt verklaard. Met andere woorden: niet alleen de ontluisterende waarheid of realiteit, maar ook het genoegen in de ontluistering zou verantwoordelijk zijn voor de teloorgang van onze premoderne tovertuin.

De kern van deze interpretatie is het inzicht dat er van het waardevolle ook een negatieve beleving mogelijk is. In die optiek zou men onttovering een negatief principe van zingeving kunnen noemen. Als een eerste stap om tot dit inzicht door te dringen, wil ik vertrekken bij de gedachte dat onttoverende praktijken vaak gepaard gaan met een gevoel van persoonlijke voldoening. Als filosoof denk ik daarbij aan theoretische activiteiten van ontmaskering en ontkenning, belichaamd in het schrijven of uitspreken van radicaal kritische betogen. We kunnen begrijpen waar dit gevoel van voldoening, dit plezier in de ontluistering vandaan komt: dat de kritische denker de aanspraken van de objectiviteit opheft en zich meester maakt van datgene waardoor hij voorheen werd gedomineerd, komt de facto neer op een ervaring van bevrijding en zelfverheffing. De ontmaskeraar heeft de heteronome en mysterieuze machten waardoor hij vroeger werd bespeeld en beheerst, in zichzelf teruggenomen. Daardoor weet hij zich niet alleen bevrijd van tal van beperkingen en begoochelingen, maar erft hij bovendien het gezag en de status die voorheen aan hogere geesten en bovennatuurlijke fenomenen toekwamen.

Dezelfde verhouding kan op intersubjectief vlak worden uitgetekend. Vaak schuilt er een pervers genoegen in het wegnemen van wat voor anderen hun kostbaarste illusies zijn, omdat diegene die dat onderneemt, zich tegenover de kleingeestige mentaliteit van anderen kan bewijzen als een superieure geest: als iemand die zowel de praktische maturiteit heeft om het zonder die illusies te stellen als het theoretische vernuft om ze te doorprikken. Hij voelt zich niet meer gebonden door wat de anderen – onterecht, volgens zijn analyse – sacrosanct achten en aarzelt niet om daar uiting aan te geven.

Het algemene mechanisme dat ik hier onder de aandacht breng, is dat van een negatieve beleving van het waardevolle. Genoegen scheppen in het neerhalen van denkbeelden en praktijken is namelijk maar mogelijk voor zover ze door anderen nog worden ‘opgehouden’, in ere gehouden. Dat principe kunnen we uitbreiden tot de schaal van een gegeven culturele context. Het is maar omdat in deze context iets geïnvesteerd is met betekenis, dat de negatie ervan een (heimelijk) genoegen met zich kan meebrengen. Of juister, de mate waarin iets in een bepaalde culturele context voor kostbaar, eerbiedwaardig of onaantastbaar doorgaat, bepaalt de intensiteit van het mogelijke genoegen in de desacralisering ervan. Dat verklaart trouwens waarom de kritiek van de religie, die zich meet met het allerhoogste en het allerheiligste, een eminente plaats inneemt in het verhaal over de aantrekkingskracht van het onttoveren. Van alle lasteringen is de blasfemie de meest intense; zo ook belooft de profanering van het goddelijke een uitzonderlijke en onvergelijkbare ervaring van bevrijding en zelfverheffing. Uiteraard gaat dat alleen op voor de verhouding tot een goddelijke macht die nog oprecht en daadwerkelijk wordt geëerd en gediend. We kunnen aanvoelen dat een radicale kritiek op de Egyptische godenwereld niet dezelfde subjectieve geladenheid zou hebben als een kritiek op een vitale en diep in het persoonlijke en maatschappelijke leven gewortelde geloofstraditie. De voorwaarde voor een plezier in de vernietiging is een bestaande verering en waardering; de subversieve denker is niet blind voor de grote waarden en betekenissen van zijn culturele omgeving, maar beseft dat een positieve verhouding daartoe voor hem volstrekt onmogelijk is geworden.

Maar dit is ook het punt waarop ik aan mijn uiteenzetting een andere wending kan geven. Als we de laatste gedachte verder ontwikkelen, moeten we constateren dat de activiteit van onttoveren in essentie iets helemaal anders is dan een zelfgenoegzame, hedonistische praktijk. Achter de oppervlakte van het verborgen of onverholen plezier zit namelijk iets onontkoombaars, een noodlottige verleiding waaraan men zich niet meteen en met volle instemming overgeeft, maar een beetje onwillig en pas nadat men heeft ingezien dat er geen enkel evenwaardig alternatief is. De ware aantrekkingskracht van de negativiteit ligt niet in het directe, persoonlijke genoegen dat ze oplevert, maar in het failliet van het positieve, in het besef dat iedere trouwhartige omarming van de reële en ideële werkelijkheid wezenlijk en permanent bedreigd is.

Dit besef, deze diepe argwaan tegenover het positieve, is een wezenskenmerk en zelfs een constitutieve factor van het geestesleven van de moderne tijd. Leven in een moderne cultuur betekent leven in een cultuur waarin het naïeve vertrouwen in wat gegeven is, de onkritische omhelzing van wat de traditie en andere autoriteiten aanreiken, voortdurend onder druk staat. Vanuit dat perspectief blijkt het subjectieve motief om actief aan het werk van de onttovering bij te dragen, niet zozeer verband te houden met het genot dat eraan te beleven valt, maar veeleer met een aanvankelijke desillusie en met het verlangen om daar voortaan voor gespaard te blijven: omdat de moderne mens weet dat de ontmaskering van alles waaraan hij waarde zou kunnen hechten, onontkoombaar is, omdat hij beseft dat er op zijn innigste overtuigingen en diepste zekerheden vroeg of laat hoe dan ook een aanslag wordt gepleegd, beslist hij om deel te nemen aan de universele afbraak van het waardevolle. De enige manier om niet meer ontgoocheld te worden, zo gaat de redenering, is zich actief toeleggen op de praktijk die de ontgoocheling voortbrengt. De enige manier om niet ten prooi te vallen aan een sfeer van systematische achterdocht, is zelf een meester van de verdenking worden. Deze keuze is dus geen spontane en lichtzinnige beslissing, maar gebeurt tegen de horizon van een fataliteit. De moderne mens voelt zich in zekere zin gedwongen om deel te nemen aan een spel van eindeloze ontkenning en ontmaskering: het alternatief van een bevestiging van het positieve heeft voor hem namelijk alle glans en bekoring verloren.

Hoe rebels en spotlustig de ontmaskeraar ook voor de dag mag komen, zijn overgave aan een dynamiek van onttovering wordt ingegeven door een diepe wens om voor haar ontwrichtende en desoriënterende inwerking behoed te blijven. Deze motivering verschilt grondig van een puur genot in de destructie. Wat hier verschijnt, is een veel gecompliceerder motief dat ook existentieel relevant is: we ontdekken een bittere en tegelijk gepassioneerde zoektocht naar waarheid en betekenis, die echter moet optornen tegen de onvermijdelijkheid van de desillusie. Daarom leidt deze zoektocht tot het inzicht dat alleen in de negativiteit nog een ultieme zin en waarheid ligt, dat alleen de afbraak van alles wat in het leven houvast en zekerheid wil bieden, een gelegenheid vormt om blijvend met zichzelf in het reine te komen. Het enige wat nog waarde heeft, zo luidt de paradoxale conclusie, is de ontwaarding van alles wat waarde heeft. Want dat is de enige levensvervulling die kan verhinderen dat men opnieuw teleurgesteld wordt in de absolute belangen, de onomstotelijke waarheden, de verheven idealen en de onaantastbare betekenissen die de wereld aanbiedt. Zich bekennen tot de rusteloze beweging van de ontluistering blijkt de enige consequente levenshouding te zijn die men nooit als een illusie zal kunnen ontmaskeren: wil men gevrijwaard blijven voor het leed en de vervreemding die de onttovering noodzakelijk teweegbrengt, dan kan men zich maar beter vereenzelvigen met haar werk en er actief en onvervaard aan bijdragen.

Achter het zogenaamd gratuite geweld van de ontmaskering schuilt dus een diep menselijk verlangen: het verlangen om in waarheid te leven. Achter de systematische onderneming om oude en nieuwe dogma’s te demystificeren, diepgewortelde leef- en denkpatronen te ontwrichten, gezaghebbende instellingen omver te werpen, goede bedoelingen onder verdenking te stellen, verheven ideeën en idealen neer te halen, verbergt zich de wens van een kwetsbaar individu om zelf nooit met onwaarheid te worden geconfronteerd, om zelf niet onderuitgehaald en verpletterd te worden. De kritische praxis van onttovering belichaamt een manier van leven die immuun lijkt voor desillusie.

Aan de negativiteit kan dus niet alleen plezier beleefd, maar ook zin en betekenis worden onttrokken. Ik roep tot slot enkele vragen op, opdat tegen deze achtergrond de plausibiliteit van mijn stelling beter zou uitkomen. Waarom zijn velen van ons bereid om geloof te hechten aan datgene wat ons reduceert, decentreert, naturaliseert? Om net het ergste omtrent onszelf als iets waarachtigs te beschouwen? Ik meen dat een genuanceerd antwoord op deze vragen er nooit in zal slagen om het volledige raadsel te ontsluieren, zolang het in zijn analyse van de moderne tijd blind blijft voor de aantrekkingskracht die van de praktijk van het onttoveren uitgaat. Het is omdat de negativiteit als zodanig voldoening met zich meebrengt en zelfs een waardevolle belofte in zich draagt, dat de moderne mens uiteindelijk bereid wordt om zelfs datgene wat hem vernedert in zijn zelfverstaan, als waarheid te accepteren.



Deze tekst is gebaseerd op een lezing die door de auteur werd gegeven in het kader van de ANWG-conferentie Maakbaarheid en Onttovering, Universiteit Antwerpen, 24-25 mei 2012.

[1] Keith Thomas, Religion and the Decline of Magic, geciteerd in Rodney Stark, ‘Secularization, R.I.P.’, Sociology of Religion, nr. 60, nr. 3, 1999, blz. 258 (mijn vertaling).


© S T R E V E N