September 2013

Gert Van Langendonck

Willem Vermandere

Voorbij de grenzen van de kleinkunst


In de woelige jaren zestig ontstond de kleinkunst in Vlaanderen. Het was een verfrissend nieuwe eigentijdse muziekstroming, waarbij uiteenlopende zangers en muziekgroepen liederen brachten in het Nederlands, ver voorbij de traditionele volksmuziek en het gebruikelijke, veel meer emotioneel geladen levenslied. De muziek of melodie was in de kleinkunst eerder ondergeschikt aan de Nederlandstalige tekst, die voor het eerst ook in de streektaal gezongen mocht worden en die geheel in de geest van de tijd, meestal intelligent, beschouwend of maatschappijkritisch was. Deze ontdekking van het intelligente Nederlandstalige lied veroverde vrijwel uit het niets de podia overal te lande. Podia die overigens, voor de tijd van de gesubsidieerde culturele centra, vaak niet meer waren dan wat geïmproviseerde constructies in de lokale parochiezaal. Kleinkunst, het kleine ambacht op het podium, bestond toen nog veel meer dan vandaag uit de directe en weinig bemiddelde, interactie tussen publiek en kunstenaar. Het was een harde leerschool waarbij de waardering van het edele en welgevormde publiek voor wat er op het podium gebeurde de voornaamste graadmeter was voor de kwaliteit van het optreden.

Van de brede generatie kleinkunstenaars uit die eerste gouden jaren zijn er vandaag slechts een handvol overgebleven. Verrassend veel van hen kozen voor vast werk en financiële zekerheid. Anderen raakten langzaam in de vergetelheid bij gebrek aan belangstelling of vernieuwing en de kleinkunst zelf kreeg een wat belegen, pejoratieve bijklank van amateurisme en al lang voorbijgestreefde idealen. De weinige kleinkunstenaars die de tand des tijds wel doorstonden, moesten niet enkel de moeilijke sprong wagen naar een bestaan als voltijds artiest op kleine podia, maar dienden zich steeds opnieuw te verbreden en zich te enten op de veranderende tijdsgeest, tot op het punt waarop van de kleinkunst slechts een herinnering overbleef en de naam van de kunstenaar een merk op zichzelf werd.

De zanger met de baard

In diezelfde jaren zestig ontdekte Vlaanderen Willem Vermandere (°1940) als de zonderlinge zanger met de baard, die in de kenmerkende West-Vlaamse streektaal liedjes bracht over zijn land en de mensen die daar woonden. De Vermandere uit de vroege kleinkunstjaren mat zichzelf bewust het relativerende imago aan van een wat zonderlinge figuur, een zelfverklaarde underdog, die schalks en ironisch, rijmend en zingend de draak stak met pastoor, boer en burgerij. Hoewel bij Vermandere deze karakteristieke kleinkunstkenmerken behouden bleven, maakte hij door de jaren toch een grote ontwikkeling door. De kleine podiumkunstenaar van weleer zocht, al dan niet noodgedwongen, nieuwe paden om zich creatief te uiten, die hem meer en meer buiten de grenzen van de enge kleinkunst brachten.

Zo was Vermandere al van bij het begin niet enkel een zonderlinge zanger maar ook een meesterlijk verteller. Net als in zijn meest bekende nummer ‘Blanche en zijn paard’ vormen heel wat van zijn liederen, zeker wanneer het gaat over portretten van mensen, eigenlijk breed uitgesponnen, gezongen verhalen. Deze vertellende en verhalende kern werd stelselmatig uitgebreid met gaandeweg langer wordende bindteksten tussen de liederen. Op de live cd ‘Een avond in Brussel’ (1990) werden de bindteksten voor het eerst integraal mee opgenomen en op de cd ‘Altijd iemands vader, altijd iemands kind’ (2006) staan de vijf vertellingen zelfs als afzonderlijke nummers geschreven. Het hoogtepunt van deze ontwikkeling vormt zonder twijfel het programma ‘De zeven laatste woorden’ (2013) waarin Vermandere zeven lange meditatieve teksten voorleest bij de laatste uitspraken die Jezus volgens de evangelies aan het kruis gedaan zou hebben. Deze teksten worden afgewisseld met liederen en half geïmproviseerde instrumentale stukjes.

Inhoudelijk vormen deze kruiswoorden overigens het eindpunt van een lange religieuze ontwikkeling. Het is een gekend verhaal dat de jonge Willem Vermandere even is ingetreden in het seminarie om priester te worden. En hoewel hij vrij snel daarna reeds terug de wereld is ingetrokken, blijkt het religieuze in zijn werk nooit veraf te zijn. Maar Vermandere doet wel alle moeite van de wereld om de gevestigde religie met haar wetten en structuren, zoals hij die leerde kennen in het seminarie, duidelijk te onderscheiden van zijn eigen open beleving van religie die verbanden legt en op zoek gaat naar verwondering. De tirannie van het letterlijke en de dodelijke ernst van de godsdiensten plaatst hij tegenover de oude overgeleverde mythes met hun verhalende waarachtigheid die hij steeds is blijven vertellen tot ze uiteindelijk voor hem en voor zijn publiek tot leven kwamen. Vermandere stelt graag wat uitdagend dat elke kunstenaar schepper moet zijn van zijn eigen religie waarvan hij zelf de hogepriester is, en dat in elke pastoor een beetje een kunstenaar moet zitten. De kunst is voor hem een leugen die mensen dichter bij de waarheid brengt en de waarheid is een woord waar priesters te veel en kunstenaars te weinig eerbied voor hebben. Net daarom heeft hij in zijn liederen, verhalen en beelden nooit een moment geaarzeld om te preken en te zegenen, te bidden en te mediteren. In zekere zin is hij, meer dan heel wat van zijn wel tot priester gewijde confraters, steeds opnieuw naar echt en authentiek doorleefd geloof op zoek blijven gaan en vormt de beeldenstormer van enkele decennia geleden, ironisch genoeg vandaag nog een van de meest toegankelijke wegen naar eigentijds geloof. Terwijl de kerken leeglopen trekt Willem Vermandere met de ‘kruiswoorden’ ieder jaar rond Pasen weer volle kerken.

Hoewel hij in zijn liederen en verhalen gevoelens nauwelijks expliciet beschrijft, slaagt Willem Vermandere er door de jaren ook steeds beter in om mensen te raken. De al te voor de hand liggende sentimentaliteit van de vroege kleinkunstjaren heeft langzaam plaats gemaakt voor authentiek vertolkte weemoed, die met grote vaardigheid gebracht wordt en vervat zit in vaak terugkerende thema’s als ‘de Grooten Oorlog’ (de Eerste Wereldoorlog) die in zijn Westhoek zo onbarmhartig werd uitgevochten, in tedere, gezongen portretten van al lang gestorven mensen die ooit zijn weg hebben gekruist of de schrijnende armoede en eenvoud van zijn streekgenoten bij het begin van de vorige eeuw. In instrumentale stukken als ‘Diepen adem’ of ‘Donker land’ blaast hij zachtjes de melancholie aan op zijn klarinet.

Ook op muzikaal vlak heeft Willem Vermandere een grote evolutie doorgemaakt. Onder invloed van andere muzikanten, zoals de Tunesiër Anouar Brahem, heeft de eenvoudige begeleiding van liedjes en vertellingen van de eerste jaren, plaatsgemaakt voor complexe melodieën met een brede variatie aan instrumenten. ‘Soms zijn de woorden moe en de rijmen uitgeput, in die dagen speel ik klarinet, mijn heviger adem’, zegt Willem Vermandere zelf en na enkele voorzichtige aanzetten, resulteerde dit uiteindelijk in het indrukwekkende instrumentale album ‘Omzwervingen: liedjes zonder woorden’. Overigens worden de meeste van deze instrumentale stukken op het podium deels geïmproviseerd gebracht. Er speelt zich weinig af op de partituren en erg veel in het hoofd van de trouwe en getalenteerde muzikanten, Freddy Desmedt en Pol Depoorter, die Vermandere al enkele decennia begeleiden.

En ten slotte is ook het voor de kleinkunst typerende maatschappelijk engagement van de zanger van weleer, meegegroeid met de tijd. Het eenvoudig en voor de hand liggend schofferen van gevestigde maatschappelijke structuren heeft vandaag zijn relevantie verloren en in plaats daarvan is een geëngageerde en heel herkenbare oproep gekomen tot een vorm van creativiteit die de wereld opentrekt en plaats biedt voor vreemdelingen en kwetsbare mensen. ‘Je begint in je tuin en je ontdekt de wereld’, zegt Willem Vermandere hierover, en het is net deze reflex die hem als volkszanger buiten het voor de hand liggende nationalisme plaatste. In zijn maatschappelijk meest geëngageerde lied, ‘Bange Blankeman’, rekent hij definitief af met dit soort gesloten wereldbeelden. Dat is overigens voor Vermandere op zichzelf ruim voldoende. Zijn creativiteit die zich uit in liederen en verhalen is een duidelijk engagement, maar plaatst hem zeker niet aan de voorhoede van een nieuw soort protestbeweging.

En zo staat de eenvoudige volkszanger, kind van de kleinkunst, niet meer midden in de massa zangers en liedjesboeren waarin hij groot is geworden. Zijn lange carrière, waarin hij zichzelf een aantal keer heeft moeten heruitvinden, zijn omslag tot verteller en muzikant, zijn evolutie van sentiment naar melancholie en van voor de hand liggende maatschappijkritiek naar doorleefd wereldburgerschap, doen hem uit het zicht van zijn achtervolgers verdwijnen. Vermandere is al lang niet meer de laatste nog overblijvende kleinkunstenaar, maar is een begrip op zichzelf geworden. Het feit dat hij nog bestaat, vormt in zekere zin de ultieme wraak op de kleinkunst die hem groot maakte maar die hem ook klein dreigde te houden.

De beeldhouwer

Veel meer echter dan een eenvoudige liedjeszanger, al dan niet met een boodschap, ziet Willem Vermandere zichzelf als een volbloed kunstenaar die op verschillende terreinen actief is. ‘Er zitten “van soorten” zielen in mijn vel’ zo zegt hij zelf, ‘De zanger kan zijn mond niet houden en rijmt er maar op los, dat is de onrustigaard, de onruststoker, de provocateur’, maar ‘de beeldhouwer is een zwijger, een ambachtsman die op de wereld is om de mensen te gerieven, zo schoon, zo kloek, zo proper en profijtelijk mogelijk’.

In die zin sluit hij overigens naadloos aan bij heel wat van zijn artistiek begaafde generatiegenoten die uit de enge grenzen van de kleinkunst zijn gebroken. Bekende voorbeelden zijn Wannes Van de Velde of Ferre Grignard die beiden de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen doorliepen en Jan de Wilde die een kunstopleiding in Gent volgde. Maar ook architect Zjef Vanuytsel, en zelfs Urbain Servranckx die onder het pseudoniem Urbanus niet enkel comedy bracht, maar als acteur, striptekenaar en ingetogen kleinkunstenaar carrière maakte. De lijst van deze kleine maar brede podiumkunstenaars, van namen die begrippen zijn geworden, is nog heel wat langer en loopt door tot en met moderne kleinkunstenaar en artistieke duizendpoot Bart Peeters. In zijn boek Thuis en nog veel verder stelt Willem Vermandere hierover: ‘Kunst plegen is in feite een kwestie van groot geloof… het is een kwestie van overschot, van teveel aan energie, waar je anders ongelukken mee begaat, kunst is het glas dat overloopt’.

Als beeldhouwer en grafisch kunstenaar is Vermandere de schepper van vreemde creaturen met uitgerekte gelaten en machtige handen, zoals ook Constant Permeke ze gaf aan zijn boerenmensen. Thema’s die vaak terugkeren zijn omhelzingen, en chaotische, abstracte maar vrijwel steeds afgeronde oervormen. Vaak put hij voor zijn werk uit de mythologie en uit de overgeleverde Bijbelse verhalen die hem als religieuze zoeker zo vertrouwd zijn. Vooral het beeldhouwen blijkt een voor de hand liggende manier om zich uit te drukken. Creativiteit heeft voor hem veel te maken met erotiek, met het gevecht van de levenskracht tegen de dood, en de steen werkt daarbij voor hem als verdichte, gestolde aarde. Het is funerair materiaal waar de dood in zit, maar waar de kunstenaar ook vorm en leven aan kan geven. Net daarom kan een beeldhouwwerk troostend en koesterend zijn. Niet toevallig zijn heel wat van de beeldhouwwerken van Willem Vermandere terug te vinden op graven.

De voor de hand liggende vraag is natuurlijk of Willem Vermandere op deze manier wel echte kunst maakt zoals die door kenners en critici wordt erkend. Hij vertelt graag over zijn tochten naar de steengroeven in Bourgondië om de rotsblokken te selecteren waaruit later zijn beelden zullen ontstaan. Over het laten rusten van de steen tot het gevoel juist zit, maar ook over het bewerken van de steen, het gereedschap dat daarbij gebruikt wordt en de weerstand die de steen biedt tegen wat de kunstenaar erin wil leggen. Zijn ruwe beelden zijn evenzeer getuigenissen van een ambacht dan dat het afgewerkte kunstwerken zijn. En bovendien lijken ze, net als de kunstenaar zelf, eerder verhalen te vertellen dan de realiteit open te breken. ‘Grote kunst moet verwijzen’, zegt Vermandere, en zijn beelden vormen een soort van machtige vingerwijzingen naar dingen die mensen ver overstijgen. Hij stelt dat hij als beeldhouwer graag zou hebben meegewerkt met de kathedraalbouwers van vroeger, aan een groot artistiek verhaal – en misschien is hij als beeldhouwer inderdaad wel eeuwen te laat geboren.

Want hedendaagse kunst moet tegenwoordig natuurlijk niets meer. De verwijzing naar grote verhalen is voor moderne critici een vorm van capitulatie aan de realiteit. Hedendaagse kunst wil niet behagen, vertellen of verwijzen en heeft al helemaal geen agogische ambitie. Dat is censuur, verraad aan de rauwe, ongecensureerde oerdrift van elke creatie. Net daarom wordt de liedjeszingende beeldhouwer doorgaans weinig serieus genomen en net daarom heeft ook Vermandere zelf een wat moeizame relatie met hedendaagse kunst die weinig ambacht van de kunstenaar vergt en enkel expressie of idee is, eerder dan te verwijzen en te vertellen.

Hoewel zijn liedjesteksten recent definitief en volledig gebundeld werden en ook ‘De zeven laatste woorden’ ondertussen zwart op wit gedrukt staan, moge bij dit alles duidelijk zijn dat Willem Vermandere, inmiddels al 73 jaar oud, op het podium zal staan zolang zijn stem niet breekt en dat hij zal beeldhouwen tot zijn versleten handen geen beitel meer kunnen vasthouden. De grenzen van de kleinkunst uit de beginjaren werden door hem al lang geleden doorbroken en de kunst van het glas dat overloopt groeide onvermijdelijk uit tot een zaak van leven en dood.

Gert Van Langendonck

Boeken

Willem Vermandere, Thuis en nog veel verder, Globe, Gent, 2000, 224 blz., ISBN 905-31-2154-4.

Willem Vermandere, De Liedjesteksten, Lannoo, Tielt, 2012, 206 blz., ISBN 978-94-0140-542-3.

Willem Vermandere, De zeven laatste woorden, Lannoo, Tielt, 2013, 71 blz., ISBN 978-94-0140-683-3.

Cd’s

‘Een avond in Brussel (Live opname)’, 1990, Philips, 846 697-2.

‘Omzwervingen, liedjes zonder woorden, 2002, Mercury, 017 193-2.

‘Altijd iemands vader, altijd iemands kind’, 2006, Universal Music, 170 569-8.

© S T R E V E N