Februari 2014

Erik De Bom

Professoren in de politiek


Politiek en professoren: het lijkt een combinatie te zijn die niet goed samengaat. Nog niet zo lang geleden gooiden zowel Rik Torfs als Eva Brems na een korte periode in de politiek – met de nobele bedoeling ‘iets te doen’ – de handdoek in de ring. Allebei waren ze verkozen bij de vervroegde federale verkiezingen van 2010. Maar drie jaar later geven ze er de brui aan. Torfs bekent dat zijn jaren in de politiek ‘zeker niet de beste uit zijn leven’ waren. Zijn terugtrekking moet een kandidatuur als rector van de KU Leuven mogelijk maken, maar dat neemt niet weg dat hij het moeilijk had met ‘het trage tempo van de politiek en het vele tijdverlies’. Brems geeft grif toe dat ze ‘het niet zo graag doet’ en stelt zich niet opnieuw kandidaat voor de verkiezingen van 2014. Het verschil tussen de academische wereld en het politieke leven was te groot. ‘Als academicus kom je met een standpunt naar buiten na een grondige studie’, zo verklaart ze. ‘De discussies verlopen erg sereen. In de politiek draait een debat niet alleen om argumenten. Ook de ideologie, de strategie en de perceptie spelen een grote rol’.

Vuur en as

Succes in de universitaire wereld vertaalt zich niet automatisch in politiek succes. Het zijn twee verschillende vakmanschappen die elk andere kwaliteiten vereisen. En daar zijn academici zich aanvankelijk niet meteen van bewust. Dat wordt op prachtige wijze geïllustreerd in de analytische memoires van de Canadees Michael Ignatieff die recent verschenen onder de titel Vuur en as. Succes en falen in de politiek. Ignatieff is een intellectueel van formaat die jaren ervaring heeft als docent mensenrechten en internationale politiek aan de universiteit van Harvard. Hij volgt de politiek op de voet en publiceert regelmatig scherpe analyses in vooraanstaande kranten als The New York Times, The Observer en The New Yorker. Eind 2004 werd hem gevraagd naar Canada terug te keren en zich kandidaat te stellen voor het leiderschap van de Liberal Party. Hij zegde toe. Maar een succes werd het allerminst. In 2008 werd hij verkozen als leider van de Liberale Partij. Dat maakte hem meteen tot hoofd van de Canadese oppositie. Toen er in 2011 door zijn toedoen vervroegde verkiezingen werden uitgeschreven, liep het desastreus af. De partij werd gehalveerd en Ignatieff zelf verloor zijn eigen zetel.

In Vuur en as neemt Ignatieff zijn parcours onder de loep. Een van zijn grootste lessen wordt het aanvaarden dat je standing moet verwerven. Met deze verwijzing naar een term uit de juridische wereld doelt hij op het recht om te mogen spreken. Het duidt op een vorm van respect die maakt dat je gehoord wordt. Het heeft niets te maken met de inhoud van je betoog of je ideeën, maar draait simpelweg om wie je bent. Al snel leerde Ignatieff dat een academische titel niet automatisch recht geeft op standing. ‘De reden daarvoor is eenvoudig: hoogopgeleid zijn wordt gezien als denken dat je ergens recht op hebt en daar hebben kiezers net zo’n hekel aan als aan privileges’ (blz. 163). Hij moet het afleren slim te zijn en het tot hem laten doordringen dat de kiezer niet zit te wachten op een socratische dialoog. De balans aan het einde van het boek is duidelijk: politiek vereist een eigensoortig talent. De theoreticus laat zich leiden door oprechtheid en grondigheid en is bereid zijn gedachte te volgen waar die hem ook maar brengt. De succesvolle man van de actie – om zo te zeggen – moet beschikken over onder meer aanpassingsvermogen, sluwheid, het vermogen om Fortuna vliegensvlug te herkennen en hij kan leiden, charmeren en inspireren.

Would-be politici

Is het dan wel mogelijk dat de professor vervelt tot raspoliticus? Maar niet alleen dat. Kan de professor überhaupt wel over politiek schrijven als hij nooit heeft meegedraaid in het politieke bedrijf? In 2004 stelde toenmalig hoofdredacteur van Res Publica Marc Hooghe nog dat het bon ton was onder politici om zich schamper uit te laten over politieke wetenschappers, omdat zij niets meer zouden zijn dan gefrustreerde would-be politici. Het is een problematiek die ook aan de orde was in de vroegmoderne tijd. Neem nu Justus Lipsius (1547-1606). Hij wordt na Erasmus terecht gezien als de grootste humanist uit de Lage Landen. Het is zelfs niet overdreven te stellen dat hij een van de grootste Europese geleerden van zijn tijd was. Die faam dankte Lipsius niet in het laatst aan de populariteit van zijn politieke werken. In 1589 publiceerde hij zijn politiek handboek, de Politica, dat over heel Europa zou worden gelezen. Er verschenen meer dan vijftig edities van dit werk en reeds tijdens zijn leven was het vertaald in alle belangrijke Europese talen.

Toch schreef een collega van Lipsius over hem: ‘Lipsius is geen politicus en hij vermag ook niets in de politiek. Pedante mensen kunnen niets in die zaken. Noch ik noch een andere geleerde zou iets kunnen schrijven over politiek’. Nu kan die collega van enige afgunst beticht worden, toch schuilt er een kern van waarheid in zijn woorden. Lipsius heeft zich inderdaad niet direct met politiek ingelaten. Hij heeft geen ‘mandaten’ opgenomen. Zelfs toen aartshertog Albrecht hem in 1605 als blijk van erkentelijkheid benoemde tot lid van de Raad van State, veranderde zijn houding niet. Aan een van zijn correspondenten laat hij weten dat hij opgelucht was dat ziekte hem verhinderde naar Brussel te gaan om zich met netelige politieke kwesties in te laten. De reden voor zijn terughoudendheid was dat hij zich niet bekwaam achtte om een zinvolle bijdrage te leveren, omdat hij te ver verwijderd was van de dagelijkse politieke scène om te kunnen doordringen tot de ‘interiora’ van de politiek. Deze ‘interiora’ zijn de staatsgeheimen die slechts voor een select publiek van ingewijden toegankelijk waren. Lipsius schreef in de tijd van het opkomend absolutisme!

Over die staatszaken was heel wat te doen. Sommige auteurs wijdden er hele traktaten aan. Typisch voor Lipsius was dat hij geen concrete politieke gebeurtenissen besprak. Hij tilde zijn betoog naar een hoger, abstracter niveau. Dat moest zijn uiteenzetting een grotere universaliteit verschaffen. Maar dat had ook enkele consequenties. Een daarvan was dat de Politica een moeilijk boek was. Lipsius had ervoor gekozen zijn eigen betoog op te bouwen met citaten uit klassieke en, in mindere mate ook, middeleeuwse en contemporaine auteurs. Daardoor was de boodschap niet altijd eenduidig, kon ze in verschillende contexten gelezen worden (de oorspronkelijke of de door Lipsius gecreëerde) en kon ze ook gemanipuleerd worden. Een ander gevolg was dat de Politica, zoals Lipsius het trouwens zelf wilde, alleen toegankelijk was voor een klein select groepje van intellectuele bollebozen. Je moest behoorlijk wat geestelijke bagage hebben om een oordeel te vormen over zijn tekst. Maar tegelijkertijd was door deze veeleer abstracte en meer universele benadering niet altijd duidelijk wat in concrete beleidsdomeinen gedaan moest worden. Het ging eerder om stof tot nadenken, een aanzet tot verdere reflectie.

Had Lipsius dan wel iets te vertellen aan politici? Kon hij aartshertog Albrecht bijstaan met echte raad? Want dat was een taak die de humanist zichzelf wel had gesteld: met zijn politieke geschriften de vorst van toen een helpende, adviserende hand reiken. Kon Lipsius op basis van een ingenieus web van citaten en referenties naar vooral antieke auteurs iets onthullen over de ‘interiora’ van de politiek? Het antwoord lijkt op het eerste gezicht positief. Notoir zijn de hoofdstukken over religieuze tolerantie en politieke oprechtheid. Hij was een van de eersten die een lans brak voor religieuze tolerantie, zo lang ze de openbare orde niet verstoorde. Wie publiekelijk de staatsgodsdienst volgde, maar privé een andere godsdienst aanhing zonder anderen daartoe aan te zetten, moest volgens hem niet vervolgd worden. En wat het tweede betreft – politieke oprechtheid – durfde hij het aan om in de voetsporen van Machiavelli lichte vormen van bedrog toe te staan om het welzijn van de staat te dienen. Dat waren zonder meer gedurfde uitspraken – uitspraken die getuigden van een visie.

Steriel vakmanschap?

En toch. Lipsius had zijn enorme kwaliteiten bewezen als een zeer belezen intellectueel met enorme filologische vaardigheden. Een handboek politiek samenstellen op basis van wat er in de Oudheid en later over geschreven was: het was een staaltje vakmanschap waar velen hem om beneden. Het was het vakmanschap dat hem een grote Europese uitstraling bezorgde. Maar dit vakmanschap draagt in zich ook al de kiemen van het lot dat Lipsius later beschoren zou zijn. Zijn politiek handboek bleef men lezen, maar dan vooral als een soort compendium dat een stand-van-zaken bood van het denken over (monarchale) politiek. Het was een schatkamer aan informatie, maar dat betekende niet dat je er onmiddellijk mee aan de slag kon. Ja, Lipsius werd gelezen, maar niet zozeer als een politiek orakel (zoals in zijn eigen tijd) dan wel als een professor met een formidabele antiquarische kennis.

Vergelijken we dat even met het werk van een tijdgenoot van hem: Leonardus Lessius (1554-1623). Van hem hebben we geen bellettrie, maar onder meer een dik handboek waarin hij binnen een thomistisch kader zeer concrete politieke problemen behandelde en analyseerde. Geen verheven, literaire stijl, maar een zakelijk betoog waarin hij minutieus de pro’s en contra’s van standpunten tegen elkaar afwoog en besloot met concrete beleidsadviezen. Als jezuïtische biechtvader stond hij met zijn twee voeten in de realiteit en was hij gepokt en gemazeld in het ‘echte’ leven. Is het verwonderlijk dat de legende wil dat aartshertog Albrecht Lessius’ handboek op zijn tafel had liggen? Over Lipsius geen woord.

Lessius was zeker zo belezen als Lipsius. Allebei hebben ze het grootste deel van hun leven met de neus in de boeken doorgebracht. Maar in tegenstelling tot Lipsius had Lessius zijn oor veelvuldig te luisteren gelegd bij handelaren en beleidsmakers die hem concrete problemen voorlegden. En dat geeft hem misschien een streepje voor. Het theoretische kader van Lessius’ handboek is zo mogelijk nog abstracter dan dat van Lipsius en zal hedendaagse lezers zwaarder op de hand liggen dan Lipsius’ bespiegelingen. Maar tegelijkertijd wist Lessius ook hoe hij binnen dat kader particuliere problemen kon analyseren om uiteindelijk te komen tot een doordachte oplossing. Hij wist een brug te slaan tussen het universele en particuliere.

Het spreekt voor zich dat de vroegmoderne politiek danig verschilt van de hedendaagse. Maar voor professoren en politici uit beide tijdvakken blijft het een uitdaging om theoretische beschouwingen over de ideale samenleving te vertalen in politieke actie. Dat laatste veronderstelt een kennis van de ‘interiora’ van de politiek – en die zijn, zoals het woord zelf suggereert, alleen van binnenuit te kennen.

Literatuur

Erik De Bom, Geleerden en politiek. De politieke ideeën van Justus Lipsius in de vroegmoderne Nederlanden, Hilversum, 2011.

Michael Ignatieff, Vuur en as. Succes en falen in de politiek, Cossee, 2013. (Engelstalige uitgave: Fire and Ashes. Success and Failure in Politics, Harvard, 2013).

Toon Van Houdt en Wim Decock, Leonardus Lessius: traditie en vernieuwing, Antwerpen, 2005.




© S T R E V E N