December 2015

Aleid Truijens

Joost Zwagerman, hartstochtelijk pleitbezorger van het leven


Soms komt de dood bruut je huiskamer binnen. Ik lag op de bank, verdiept in een boek, op die avond van de 8ste september. Mijn telefoon gaf twee korte pingeltjes, aan de andere kant van de kamer – ik sta liever niet 24/7 in direct contact met de onophoudelijke stroom berichten en apps. Met tegenzin liep ik er naartoe. Op het scherm lichtten twee berichten op, van mijn beide kinderen: ‘Mam! Joost Zwagerman heeft zelfmoord gepleegd!’ Een mokerslag. Joost. Zelfmoord. Dus toch. Hij had het tóch gedaan.

Op die gehate telefoon, brenger van het slechte nieuws, heb ik toch maar meteen het nieuws opgezocht. Online nieuwssites en websites van kranten meldden het onomwonden: ‘Schrijver Joost Zwagerman pleegt zelfmoord’, ‘Schrijver Joost Zwagerman maakt een einde aan zijn leven’. Het stond er, in al z’n botheid. Niet ‘is overleden’, of ‘door een noodlottig ongeval…’, waarna je doorklikt om de toedracht te vernemen, maar nee, meteen, páts, zelfmoord. Zo gaat dat tegenwoordig met hot news. Het stond er, vele malen, dus het kon niet meer niet waar zijn. Zwagerman werd niet ouder dan 51. Drie kinderen liet hij na, tieners nog, en een vriendin.

Al snel belde de redactie van de Volkskrant om te vragen of ik een bijdrage kon leveren aan de bijlage V, die donderdag 10 september geheel gewijd zou zijn aan de schrijver en Volkskrant-columnist. De volgende ochtend zat ik om half negen bij een kop koffie verdwaasd een necrologie te tikken. Eigenlijk had ik geen tijd gehad om bij zijn dood stil te staan. De krant gaat altijd voor, de deadline dwingt.

Zwagerman was geen intieme vriend van mij, maar wel al zo’n twintig jaar een gewaardeerde collega, met wie ik regelmatig contact had, vooral schriftelijk. Ik reageerde op zijn stukken en hij op de mijne, in lange, vlammende e-mails. Hij was jarenlang media-columnist bij de Volkskrant, schreef regelmatig essays over Amerikaanse schrijvers en kunstenaars, en over euthanasie, depressie en zelfmoord. Over zijn vriend Herman Brood, bijvoorbeeld, de schilder, zanger en drugsverslaafde die zelfmoord pleegde.

De laatste jaren had Zwagerman een rubriek in de krant waarin hij bevlogen en enthousiast schreef over beeldende kunst. Hij verplaatste zich volkomen in het hoofd en hart van collega-kunstenaars. Dat kunnen weinigen. Hij, zoon van twee schoolmeesters, legde ook graag uit hoe het zat, wat de kunstenaar had bedoeld en hoe hij het had aangepakt – die didactische toon zat in zijn stukken en in zijn ‘colleges’ voor het populaire televisieprogramma in De Wereld Draait Door. Vaak koos hij voor kunstenaars die zelfmoord hadden gepleegd, zoals Vincent van Gogh en Mark Rothko.

Om voor te blijven leven

Ruim een half jaar voor zijn dood had Zwagerman zijn literair archief geschonken aan het Letterkundig Museum in Den Haag. Vreemd. Waarom deed een schrijver van 51, druk aan het werk en vol plannen, zoiets?

Zwagermans interesse in zelfdoding, die een obsessieve indruk maakte, had in elk geval één reden. Zijn vader had ooit een zelfmoordpoging gedaan. Die gebeurtenis inspireerde hem tot de roman Zes sterren (2002), een verhaal over de zelfmoord van een oom van de ik-figuur, de gewiekste praatjesmaker oom Siem. Ik interviewde de schrijver in 2002 over dat boek. Zwagermans vader had de zelfmoordpoging overleefd, vertelde hij, maar zijn vaders daad had zijn kijk op het leven, op zijn jeugd, op het ouderschap, op trouw, verraad en liefde compleet veranderd. Hij, de zoon, was kennelijk niet belangrijk genoeg geweest om voor te blijven leven. Een diepe ontgoocheling. Maar dat mocht hij niet denken van zichzelf, dat was egoïstisch. Zijn vader moest door een hel zijn gegaan. Toch dacht hij het.

Al voor de zelfmoordpoging van zijn vader hield het onderwerp de schrijver bezig. Ja, zei hij, hijzelf kende de aantrekkingskracht van het verdwijnen in het totale niets ook. Die neiging zat nu eenmaal in zijn familie, ook in hem. Maar er was geen denken aan, verzekerde hij me, dat hij zoiets zou doen. ‘Ik zou nooit mijn omgeving kunnen opzadelen met datgene waarmee ik nu ben opgezadeld. Mijn vrouw, mijn twee zonen, het derde kind dat op komst is: nooit’.

Datzelfde herhaalde Zwagerman in het laatste interview voor zijn dood, in HP/De Tijd, met Tom Kellerhuis: ook al kampte hij regelmatig met depressies, zelfmoord was voor hem beslist ‘taboe’. Dat zei hij ook in het tv-programma De kist, een half jaar voor zijn dood. Zwagerman schrok bij het zien van de kist die – vaste gimmick van het programma – voor hem was getimmerd. Hij zei: ‘Ik wil nog graag een heleboel jaren mee’. Hij was, na zijn echtscheiding in 2011, een tijdlang depressief geweest, maar nu had hij een nieuwe liefde met wie hij oud wilde worden. Hij was ‘blijer dan ooit met elke nieuwe dag’. Zijn kinderen waren voor hem ‘motivatie nummer één in het leven’.

Een hartstochtelijk bestrijder van de heroïek van de zelfmoord, zo kende ik Zwagerman, en ik niet alleen: hij raakte er niet over uitgeschreven. Van frases als ‘zelfmoord is het laatste grootste kunstwerk’, die opklonken bij de dood van Herman Brood in 2001, moest hij niets hebben, dat vond hij ‘kitsch’, ‘valse romantiek’. Aan zelfmoord was niets romantisch, vond hij, het was een gruwelijke, agressieve, verwoestende daad.

Een zieke stem

Zwagerman vertelde graag het verhaal van zijn beste vriend, dichter en schrijver Rogi Wieg, die zwaar depressief was. Toch was het hem gelukt, met de hulp van psychiater Bram Bakker, om in leven te blijven. Elke keer leefde hij weer op. Samen met Bakker trok Wieg in 2003 door het land om volle zalen te overtuigen van het nut van zelfmoordpreventie.

Ik interviewde in 2003 Rogi Wieg over zijn roman Kameraad scheermes. ‘De stem die de zelfmoordenaar hoort spreken in zijn hoofd, is een zieke stem’, waarschuwde Wieg toen. ‘Die stem moet je wantrouwen’. Zwagerman beaamde het in zijn stukken over zelfmoord hartstochtelijk. Het werd voor hem bijna een mantra: luister niet naar de zelfmoordenaar. Geloof hem niet, help hem niet, ook al smeekt hij je dat. Keur zelfmoordplannen nóóit goed. De meeste zelfmoordenaars willen niet dood, ze willen een ander leven.

Nu zijn ze allebei dood, Rogi Wieg en Joost Zwagerman, pleitbezorgers van het leven. De eerste door euthanasie, de tweede door zelfmoord.

De euthanasie van zijn vriend, afgelopen zomer, had Zwagerman diep geschokt. Hij was er niet van overtuigd geweest dat Wieg ‘uitbehandeld’ was. Ook Bram Bakker vond het nog te vroeg voor euthanasie voor de al jarenlang depressieve Wieg, en dat schreef hij ook. Het kwam beiden op forse kritiek te staan. Wie waren zij om de zelfgekozen dood van hun vriend te kritiseren?

Bram Bakker kende Joost Zwagerman ook, via Wieg. Zij hadden, schreef Bakker kort na Zwagermans dood, op 12 september, in NRC Handelsblad, ‘een diep gevoeld, maar nooit expliciet uitgesproken verbond als strijders tegen zelfmoord. We wilden meer begrip, meer aandacht, betere behandelingen’. Het feit dat Zwagerman toch de dood had gekozen, was voor Bakker niet een bewijs dat hij zelfmoord als een geschikte uitweg voor een depressie zag.

Hoe vreemd dat ook klinkt, ik denk dat ook. Ik denk niet dat alles wat Zwagerman over het onderwerp heeft geschreven, nu met terugwerkende kracht louter als het overschreeuwen van zijn angsten, als bezweringen van een suïcidale drang te beschouwen is. Dat zou hem tekort doen, als schrijver. Die angsten speelden ongetwijfeld een rol, maar tegelijk meende hij wat hij schreef en nam hij zijn rol als ‘antizelfmoordpropagandist’ uiterst serieus.

In 2005 publiceerde Zwagerman twee boeken waarin zelfmoord een grote rol speelt.

Allereerst de bundel Door eigen hand, waarin hij interviews opnam met schrijvers die zelfmoord in hun familie hadden meegemaakt, zoals Wouter van Oorschot, Renate Dorrestein en Heleen van Royen. Hij schreef er een lange, deskundige inleiding bij. Zo wist hij dat kinderen van zelfmoordenaars een 17 keer grotere kans om door zelfdoding om het leven te komen dan anderen. Dichters, schreef hij, zijn van alle kunstenaars het meest vatbaar voor suïcidaliteit: de statistiek leert dat zij 35 keer zo vaak zichzelf doden als niet-schrijvers.

Zwagerman memoreert een scène uit Woody Allens film Hannah and her Sisters. De hoofdpersoon, scriptschrijver, heeft zelfmoordplannen. Op een dag ziet hij in de bioscoop een film van de Marx Brothers; hij komt verkwikt weer naar buiten. Ineens kan hij zich niet meer voorstellen dat hij ooit dood wilde. Niet dat Zwagerman met dit voorbeeld depressie en doodsdrift wilde afdoen als aanstellerij, maar hij wilde er wel op wijzen dat een zwartgallig bewustzijn tijdelijk kon zijn. Overlevenden van een zelfmoordpoging, benadrukt hij, zijn achteraf vaak blij dat ze nog leven.

In datzelfde jaar publiceerde hij ook het lange, verhalende gedicht Roeshoofd hemelt. In een explosie van beelden schijft hij vanuit het perspectief van een psychotische patiënt in een inrichting, die sterft. De grens tussen leven en dood, nachtmerrie en wensdroom, fictie en werkelijkheid is dun in deze poëzie. Bestaat Roeshoofd wel? Als hij iemand kan verzinnen, kan iemand hem ook verzonnen hebben… Wanneer ‘bestaat’ iemand eigenlijk? Over die draaikolk van gedachten gaat dit gedicht. Het is een van de minst gelezen boeken van Zwagerman, maar het typeert hem het best: zijn brille, zijn bezetenheid, maar vooral ook de obsessie met dood en verdwijning. Roeshoofd mijmert: ‘Ik bid voor het volmaakte zelfverlies / het herhaald gebed blijft onverhoord / ik weet niet welke manier ik verkies / uit zoveel verlokkingen van zelfmoord’.

Mogen we er wel een oordeel over hebben?

Nu ik dit schrijf is Joost Zwagerman een maand dood. Hij had veel lezers in Nederland, en nog meer mensen kenden hem van de televisie. Zijn onverwachte dood – daad – maakte veel emoties los; er ontstond een discussie in de media, en op Twitter en Facebook, over zelfmoord en over de mogelijkheid en de wenselijkheid van preventie. Ik heb veel geleerd van deze discussie.

Waarom had Joost Zwagerman dit gedaan? Had hij het gewild? Voorbereid? Al snel ontstonden er twee kampen. Een dag na zijn dood wijdde De Wereld Draait Door een indrukwekkende uitzending aan de dood van hun betreurde vaste medewerker. Een wereldse eredienst. Presentator Matthijs van Nieuwkerk wilde het vooral hebben over zijn bevlogenheid, kennis, eruditie en enthousiasme, over de levende en levendige Joost, maar de vrienden van de schrijver die waren uitgenodigd deden daar niet aan mee. Ze waren lamgeslagen. Schrijfster Jessica Durlacher zei: ‘Het is niet zo dat hij ergens naartoe werkte’. Het was, dacht zij, een moment van ‘kortsluiting’ geweest. David Van Reybrouck zei: ‘Ik denk dat Joost zich nu al beklaagt’.

Ik was het uit de grond van mijn hart met hen eens, en ook met Bram Bakker. Dit kon Joost Zwagerman toch niet gewild hebben. Ik schreef in mijn column (de Volkskrant, 12 september 2015) dat ik dacht dat zijn dood ‘een verschrikkelijke vergissing’ was. En ik zette me af tegen degenen die riepen dat zelfmoord een vrije keuze is, een diep gewenste bevrijding. Woedend was ik, op mensen die vonden dat ‘het zo goed was’, die spraken van Zwagermans ‘voltooide leven’ en vonden dat je zijn daad ronduit moest ‘respecteren’. Ik vond die zienswijze vooral ontlastend voor ons, de omstanders, die zo de verantwoordelijkheid geheel bij de zelfmoordenaar leggen. Hoe vrij, schreef ik, is iemand op een moment dat zijn radeloze brein met hem op de loop gaat?

Dat denk ik nog steeds, maar tegelijk aarzel ik. Hoe zullen we ooit weten wat zich in het uur U afspeelde in het hoofd van een zelfmoordenaar? Mogen we er wel een oordeel over hebben?

Als samenleving zo gaan denken

Verhelderend vond ik de uitspraken van psychiater Jan Mokkenstorm in interviews in Vrij Nederland (10 september 2015) en NRC Handelsblad (12 september 2015). Op de door hem opgerichte zelfmoordpreventiesite 113online.nl was het die dagen erg druk; ook het aantal noodoproepen was hoger dan gewoonlijk. Mokkenstorm weet dat een zelfmoord van een bekende en geliefde persoon twee effecten kan hebben: zij kan anderen ervan weerhouden – het zogenaamde ‘Papageno-effect’ – maar kan ook een voorbeeld zijn dat navolging uitlokt, ook wel het ‘Werther-effect’ genoemd.

Om dat laatste effect te vermijden, zegt de psychiater, moet je in de media zelfmoord zeker niet verheerlijken, je kunt beter laten zien dat deze mensen ‘een fuik in lopen’. Hij weet dat nabestaanden zelfdoding vaak vergoelijken: ‘Veel mensen willen graag geloven dat zelfmoord een dappere keuze is, weloverwogen, een uiting van je autonomie en zelfbeschikking’. Mokkenstorm begrijpt dat veel nabestaanden zo denken, dat zij hun dode rust gunnen en wil daar niets aan afdoen. Maar, zegt hij ‘We moeten niet als samenleving zo gaan denken’. Dat lijkt mij een zinvol onderscheid, en een verstandige aanbeveling.

Iemand die er niet meer is, kan geen spijt hebben. Joost Zwagerman deed wat hij nooit had willen doen, wat hij niet mocht van zichzelf en wat hij iedereen met klem had afgeraden. De lokroep van de dood moet dan wel heel sterk zijn geweest. Misschien kun je zelfmoord tegelijktijdig beslist afwijzen en toch niet bestand zijn tegen die verleiding. Wat hem bezielde zullen we nooit weten. Het enige wat we kunnen doen om hem levend te houden is zijn boeken blijven lezen.



© S T R E V E N