Mei 2016

Cees Zweistra

Menselijkheid en Tinder: een pleidooi voor digitale ascese


Rond Valentijnsdag zond de VPRO de documentaire Tinder Love en RTL de documentaire Liefde via een app uit. De RTL-documentaire laat vooral zien hoe Tinder en vergelijkbare apps worden gebruikt om instant seksbehoeften te bevredigen. De VPRO-documentaire laat zien dat Tinder deel uitmaakt van een bredere maatschappelijke ontwikkeling waarin traditionele ideeën over liefde gradueel aan het verschuiven zijn onder invloed van technologische mogelijkheden. Wat is de aard van deze verschuiving, en is het inderdaad niet meer dan een lichte verschuiving?

In de documentaires wordt herhaaldelijk de common-sense-benadering gegeven: technologie is een middel tot een doel, en de wijze waarop we dat middel gebruiken is ingebed in de tijd waarin het wordt gebruikt. Dit impliceert dat technologie niet beschikt over een eigenstandige, ahistorische werkwijze. De argumenten hiervoor liggen voor de hand. We keurden elkaars vlees in de kroeg en we doen hetzelfde nu op Tinder. We perfectioneerden ons ‘zelf’ in liefdesbrieven en we doen dat nu met onze aan Tinder gelinkte profielen. Tinder is de kroeg van nu en de berichtjes in je app zijn de liefdesbrieven van vroeger. Er is eigenlijk niet zoveel veranderd. Vroeger waren prostituees onze ‘seksrobots’, maar nu hebben we ‘echte’ seksrobots. Deze benadering noem ik de ‘instrumentele’ benadering van technologie – en zij is om tweede redenen niet houdbaar. Zoals ik zal proberen uit te leggen, zijn deze twee redenen aan elkaar gelinkt.

In de eerste plaats is de technologie, zoals Tinder, geen neutraal instrument, maar geeft zij op actieve wijze vorm aan de kwaliteit van de relatie tussen ons en onze omgeving. Dit gegeven maakt dat het nog maar de vraag is of er sprake is van een lichte verschuiving en ook of die verschuiving – overigens gaat die vraag ook op voor de vleeskeuring in de kroeg – wel ‘goed’ of ‘neutraal’ is. Die vraag wordt aan de orde gesteld in een debat, discussie of gesprek, door mij aangeduid onder de term ‘ethiek’. Aangezien ik betoog dat deze vorm van ethiek zich met name afspeelt in een face-to-face-relatie, stelt het verschijnsel ‘Tinder’ ons voor een klassieke catch-22. We hebben face-to-face-contact nodig om de kwaliteit van Tinder te beoordelen, maar tegelijk maakt Tinder onderdeel uit van een maatschappelijke trend die deze relatie juist mijdt. Hoe ontsnappen we uit deze ‘val’? In deze bijdrage probeer ik een aanzet te formuleren tot beantwoording van die vraag.

Eerst laat ik zien waarom technologie niet louter ‘instrumenteel’, maar ook vormend werkzaam is in ons wereldbeeld, en hoe dit uitwerkt in wat ik ‘ethische relaties’ noem. Vervolgens laat ik zien waarom dit een probleem is en op welke wijze we dit probleem tegemoet kunnen treden vanuit wat ik, naar Foucault, een ascetische benadering tot technologie zal noemen.

Dat technologie meer is dan zomaar een middel tot een doel, werd al gezien door Martin Heidegger in zijn veel besproken essay Die Frage nach der Technik (Heidegger, 1952). Natuurlijk, technologie is voor Heidegger een middel tot een doel, zoals zijn fameuze hamer ‘is’ om te timmeren. Die observatie is weliswaar juist, maar nog niet waar, stelt Heidegger in zijn essay. Want hoewel Technologie (hij schrijft het woord met een hoofdletter om het verschil met concrete artefacten aan te duiden) een middel is, ligt haar wezen niet in het middel-zijn. Het wezen van de Technologie is volgens Heidegger dat zij ons de werkelijkheid laat zien als ‘Bestand’, als iets dat nuttig is in een economische machinerie. Technologie bevestigt ons in een houding van dominantie over de werkelijkheid en laat ons daardoor blind zijn voor de mogelijkheid dat de werkelijkheid ons ‘iets te zeggen’ zou hebben. Hoewel deze visie op technologie niet langer voor aanvaardbaar wordt gehouden, hebben hedendaagse benaderingen van technologie van Heidegger de notie overgenomen dat technologie niet neutraal is. Technologie vormt het beeld van ons zelf, anderen en de wereld op een wijze die bemiddeling wordt genoemd.

De bemiddelende rol van technologie werkt ongeveer zoals Robert Pirsig (1928-) laat zien in zijn beroemde roman Zen and the Art of Motorcycle Maintenance (Pirsig, 1972). De auto, beschrijft Pirsig, laat ons een landschap ervaren als een schouwspel op televisie, terwijl de motorfiets ons in het landschap plaatst. De auto engageert ons als toeschouwer en nodigt uit tot reflectie op het landschap, terwijl de motorfiets ons betrekt in een fysiek, interactief spel tussen lichaam, motorfiets en omgeving. De boodschap van deze analyse is eenvoudig: het doet ertoe welke technologie we gebruiken om het contact tussen ons en onze omgeving te leggen. Dat is zo omdat de technologie die we tussen ons en onze omgeving plaatsen, ons en de wijze waarop we de omgeving ervaren, ingrijpend zal beïnvloeden.

Toegepast op Tinder: het scherm tussen ons en de ander maakt een veelheid aan nieuwe relaties mogelijk, maar het filtert ook ervaringen weg. Tinder brengt ons in contact met mensen met wie we zonder Tinder nooit contact gemaakt zouden hebben, maar het laat ook ervaringen weg die ‘risico’s’ genoemd zouden kunnen worden. Daar bedoel ik mee: de risico’s die verbonden zijn met lijfelijke aanwezigheid en liggen op het vlak van de mogelijkheid tot afwijzing door en kritiek van de ander. Het vermijden van dit type risico, dat is precies waar Tinder volgens diens CEO, Sean Rad, voor ontworpen is. Volgens hem moeten sociale relaties ‘fun’ zijn en de app helpt ons dat plezier te vinden. Hier begint het te wringen, want het sociale domein is niet alleen maar ‘leuk’. Het sociale is ook bij uitstek de plaats waar we leren leven met fricties, belichaamd in de ontmoeting met een ander, de ‘eigenheid’ tot wie we alleen kunnen doordringen via het gesprek.

Wat bedoel ik daarmee? Het sociale domein is een ‘plaats’ waar mensen elkaar ontmoeten. We ontmoeten mensen niet zoals we dingen ontmoeten. We ontmoeten anderen die zijn zoals wij zijn, maar die tegelijk van ons gescheiden blijven door dezelfde vermogens die ons het idee geven een individu te zijn. Dat is intuïtiever dan het wellicht lijkt. Hoe weten we wat het is voor een ander om geraakt te zijn door de dood van een geliefde? Hoe weten we wat het is voor een ander om te lijden onder een niet-beantwoorde liefde? Hoe weten we wat het is voor een ander om plezier te beleven aan de in aantocht zijnde lente, de geur van bloemen of de extase van drank of drugs? We weten het niet precies, maar uitsluitend bij benadering.

Hoe benaderen we de ander met inachtneming van diens eigenheid, dat wil zeggen: zonder dat we met ons perspectief dat van een ander uitwissen? Ik zou willen betogen dat de benadering die dat mogelijk maakt het gesprek is. Het gesprek, dat is een wederkerige aandacht via welke we respect betonen aan een ander om diens eigenheid. Het gesprek, dat is het medium waarmee we proberen de (inherente) subjectiviteit van ervaring in de openbaarheid te brengen en daarmee bloot te stellen aan de kritiek die er is wanneer een pluraliteit van ervaringen elkaar ontmoet. Het gesprek, dat is de mogelijkheid om individuele ervaringen te toetsen door ze te onderwerpen aan een objectieve maatstaf die door het gesprek ingesteld wordt. De zoektocht naar ‘waarheid’ als de klassieke motivatie om überhaupt naar ervaringen en kennis te streven, kan haar plaats krijgen bij de gratie van het sociale. Met deze visie op het gesprek begeef ik me op het terrein dat ‘ethiek’ wordt genoemd – in de heel specifieke betekenis die aan dit woord wordt gegeven in de benadering van de twintigste-eeuwse ethicus Emmanuel Levinas (1906-1995).

Deze notie van ethiek bestaat bij de gratie van frictie. Ethiek als kritiek is er omdat er mensen zijn die elkaar ontmoeten en elkaar leren respecteren als de eigenheden die ze onvervreemdbaar (ontologisch gezien) zijn. In situaties van oorlog, in situaties van radicaal racisme of juist radicale (politieke) correctheid vergeten we dat de basis van het samenzijn niet de eenheid maar juist het verschil is. Het verschil dat nodig is om ons bestaan en onze private opvattingen over ‘het goede leven’ via het gesprek te toetsen op het waarheidsgehalte. Wanneer we bezig zijn om die toets te ondergaan, dan bevinden we ons op het terrein van de ethiek. De nadruk op de ethische waarde van het verschil maakt de ethiek van Levinas relevanter dan ooit, nu de technologie ons belooft van frictie te ‘verlossen’.

Tinder en aanverwante apps geven ons wel de lusten van het sociale, maar niet de lasten. Tinder leert ons af met fricties om te gaan, en hoewel de sociale of intieme technologie is gekomen met de belofte de ‘kloof’ tot anderen te overbruggen, tonen onderzoeken juist een groeiende sociale vervreemding binnen de zogeheten ‘internetgeneratie’. Die wordt in de relevante literatuur aangeduid als de empathy gap. Tinder maakt deel uit van diezelfde technologische ontwikkeling; de ontwikkeling die de oorzaak is van een groeiend onvermogen om aan anderen te relateren vanuit het verlangen naar waarheid en daarvoor noodzakelijke kritiek. De hedendaagse reflex, ook wel bekend staand als de technology-fix-attitude, om juist meer technologie te gaan gebruiken om deze kloof te overbruggen, zal niet voldoen (de kloof is een ontologische noodzakelijkheid) en is bovendien overbodig.

Dat laatste is althans het geval in de visie van Sherry Turkle, een Amerikaanse techniek-filosoof/psycholoog van het eerste uur. We hebben het middel al om intermenselijke kloven te overbruggen, betoogt zij, en dat middel is de ‘kunst’ van het gesprek. Een kunst die we volgens haar in rap tempo aan het afleren zijn. Om tot herwaardering van die kunst bij te dragen, publiceerde ze onlangs een doorwrochte studie naar de waarde van het gesprek onder de titel Reclaiming Conversation: The Power of Talk in a Digital Age (2015). Wat kunnen we van deze benadering leren? Het is niet wenselijk en ook niet mogelijk om Tinder en aanverwante technologie te ontkennen. Wat wel mogelijk is, is het opnieuw onder de aandacht brengen van wat zij net als Levinas een ‘vergeten ervaring’ noemt. De ervaring dat het sociale domein met de inherente frictie, niet een ontkenning maar eerder een voorwaarde tot menselijkheid is. De menselijkheid die gevonden wordt in de ontmoeting tussen eigenheden die via het gesprek verwikkeld zijn in een wederkerige zoektocht naar het ware.

De lusten van Tinder moeten worden gecombineerd met de lasten van het sociale. In dat verband voer ik een pleidooi voor digitale ascese. Een pleidooi voor de moed om het ongemak van het sociale domein onder ogen te blijven zien. Een pleidooi voor de ‘fun’ van Tinder, gebalanceerd met praktijken waarin we ons tot het uiterste uitdagen en inspannen menselijk te zijn en te blijven. Die praktijken kunnen veelvoudig zijn maar in ieder geval impliceert het eenvoudigweg ‘in gesprek blijven’. Want wanneer we het afleren om elkaar via het gesprek te zien als menselijke eigenheden, dan zijn wij inderdaad mogelijks de Laatste Mensen. Hoewel dit perspectief voor een groep techno-utopisten aanlokkelijk is, zal een deel van de mensheid zich ertegen blijven verzetten met een beroep op de moraal.

We zijn het stadium van de mens niet voorbij, in tegendeel: we moeten nog altijd beter leren wat het wil zeggen, mens te zijn.

© S T R E V E N