Maart 2016

Paul Pelckmans

Dokter voor de geneeskunde


Enkele jaren geleden besloten twee pas gepensioneerde geschiedenisleraressen, Lien Meulenaere en Gil Tack van de nieuwe vrije tijd gebruik te maken om weer, zoals in hun studentenjaren, archiefonderzoek te gaan doen. Ze vonden in het dichtstbijzijnde stadsarchief – Turnhout, in de Belgische Noorderkempen – een uitvoerige verzameling documenten die teruggingen op hun negentiende-eeuwse stadsgenoot Jan Renier Snieders (1812-1888), die een halve eeuw lang actief was als huisarts, verloskundige, chirurg en wetsdokter en ook geregeld voor plaatselijke en/of provinciale overheden allerlei rapporten neerpende. Snieders vond daarnaast nog de tijd om een twintigtal romans te schrijven, die in de voorliggende publicatie nagenoeg buiten beeld blijven: de privédocumenten konden later worden aangevuld met allerlei huisarchief dat nog in het bezit was van een achterkleindochter en boden ruim voldoende stof voor een gedetailleerde reconstructie van een landelijke artsenpraktijk in de negentiende eeuw.

Lien Meulenaere moest omwille van haar taken als mantelzorger halverwege het onderzoek afhaken – Gil Tack voltooide ten slotte het boek. Het resultaat werd, zoals te verwachten viel, een kleurige lokale kroniek, maar ook veel meer dan dat. Het (meer dan) actieve leven van Jan Renier viel inderdaad samen met een cruciaal scharniermoment in de lange geschiedenis van zijn vak. Je zou met enige overdrijving kunnen zeggen dat de eerste inentingen tegen pokken, die kort voor 1800 populair werden, welbeschouwd de eerste substantiële medische ontdekking waren sinds de tijd van Hippokrates. Voorbij de eeuwwende werd de reeks enthousiast voortgezet: de penicilline, diverse pijnstillers en nieuwe observatie-instrumenten zoals de stethoscoop waren, allemaal voor 1850, op hun beurt revolutionaire nieuwigheden, die elkaar dus in snel tempo opvolgden. De dokters zouden in feite tot de dag van vandaag op dat élan verdergaan en werden zo een icoon van wat toen graag de Vooruitgang mocht heten; ze kregen des te meer applaus omdat de schaduwzijden van hun nieuwe kennen en kunnen, waar wij pakweg sinds Ivan Illich zo gevoelig voor zijn, in die heroïsche startdagen nog compleet achter de horizon lagen…

Op het platteland ziet een en ander er sowieso minder groots uit. Jan Renier Snieders studeerde in Leuven af met grootste onderscheiding en kreeg zelfs het aanbod om als hoogleraar aan te universiteit te blijven. Hij koos voor een praktijk in zijn geboortestreek, maar deed dat, gezien de overvloedige notities en rapporten die hij naliet, alleszins niet om een rustiger leven te leiden. Hij was eerder een ‘workaholic avant la lettre’ (blz. 37) en heeft ook in die zin het gedreven, energieke profiel dat je van een ondernemende negentiende-eeuwer verwacht.

Bij dat al valt het wel op dat Snieders weliswaar heel hard werkt, maar zelden scoort. Hij besteedt veel zorg en aandacht aan zijn diagnoses, maar grijpt voor zijn ordonnanties terug naar een beperkte set geneesmiddelen, die dus bij alle ziekten worden ingezet en die soms onschadelijk, maar soms ook ronduit ongezond zijn. Ook het eeuwenoude aderlaten blijft heel actuele praktijk. Dat de bloedafnames, vaak in hoeveelheden die geen enkel ziekenhuis vandaag de dag aan haar donoren zou vragen, de patiënt dreigen te verzwakken, lijkt Snieders te ontgaan. Hij geeft ook deskundige hulp bij moeilijke bevallingen. Het gaat dikwijls om doodgeboren kinderen, waarvan de dokter dan maar zorgvuldig noteert dat de foetus zo te zien al enkele weken dood was.

Snieders had overigens de nodige expertise vanuit zijn werk als wetsdokter, waar hij zich geregeld moest uitspreken over verdachte kinderlijkjes. Als de uitleg van de in die gevallen doorgaans ongehuwde moeder verward klonk, loog ze misschien over een kindermoord en was het dus een cruciale vraag of haar baby al dan niet levend ter wereld was gekomen.

Het succesverhaal van de moderne geneeskunde speelde zich vooral af in hogere regionen en drong niet meteen door tot in de dagelijkse praktijk op een afgelegen werkvloer. Snieders praktiseert in een omgeving waar sterftecijfers en levensverwachting nog archaïsch blijven; zelf haalt hij ‘de voor die tijd gezegende leeftijd van 75 jaar’ (blz. 20), maar hij heeft dan wel vijf van zijn zes kinderen overleefd. Het lag in die context voor de hand dat hij veel patiënten niet echt en zeker niet blijvend kon helpen. Het belet hem niet zijn adviezen assertief en met de nodige autoriteit te verstrekken: Snieders is niet gediend van tegenspraak en staat erop dat zijn voorschriften, hoe onderling verwisselbaar ook, stipt worden uitgevoerd. De reumalijdende pastoor van Tessenderlo krijgt ze per brief en mag, als ze niet meteen helpen, vooral niet opgeven:

Er is nog weinig of geen verbetering. Dit verwondert me niet, want het betreft een ingewortelde kwaal. De goede uitslag laat lang op zich wachten. Men houdt daarom moed en gaat steeds met goed vertrouwen op de ingeslagen weg voort. Zelfs dan nog wanneer er zich gedurende een zeker tijdsverloop van verscheidene weken geen de minste verbetering zou opdoen. [sic, red.] (blz. 66)

Omdat de archiefstukken vooral werkaantekeningen en verslagen zijn, vernemen we zelden zo’n directe echo van de dialogen met de patiënten. Het lijkt wel duidelijk dat de feitelijke onmacht het gezag van de dokter niet ondermijnt en dat zowel hijzelf als zijn patiënten aan zijn mening en zijn adviezen extreem veel belang hechten. De omstandige rapporten waar hij – doorgaans op verzoek – voor tekent, bewijzen op hun manier zijn autoriteit: het wordt in de negentiende eeuw belangrijk dat allerlei euvels, ook als is men niet meteen van plan of zelfs maar in staat er veel aan te doen, uitvoerig medisch worden geconstateerd. Snieders noteert in een late aantekening dat de ongezonde plekken in zijn stad – arbeiderswijken, de blekerij of straten met open riolen – er nog altijd even stinkend bij liggen als toen hij als jonge debutant aantrad. Hij heeft intussen paar keer uitvoerig betoogd waarom die plekken zo ongezond waren; de analyses klinken, bij gebrek aan concrete gevolgen, bijna als een soort bezweringen, die moesten aantonen dat de betrokken pijnpunten minstens de gepaste aandacht kregen. De rapporten zijn anderhalve eeuw later documentaire goudmijnen; we herkennen er, op die afstand, ook enkele quasi-onvermijdelijke vooroordelen. Snieders stelt vast dat de arbeidersklasse de minst gezonde bevolkingsgroep vormt en wijt dat aan liederlijk drankmisbruik en gebrek aan hygiëne; hij spreekt soms verrassend direct van de ‘vuile stand’ (blz. 36) en lijkt niet te beseffen dat de eerste fabrieksarbeiders vooral verzwakt waren door een lage levensstandaard, die voortdurend flirtte met de armoedegrens en na de lange werkdag weinig tijd en energie overliet voor uitvoerige was- en schrobbeurten. Het leven in de omringende dorpen heet dan weer gezonder: de mensen blijven er niet alleen trouw aan heilzame voorvaderlijke zede, maar wonen er minder op elkaar gepakt in huizen die ver genoeg uit elkaar staan zodat de wind overal bij kan en, zeker in dit vlakke land, alles ongehinderd kan schoonblazen. Omgekeerd laten de dorpsscholen en ook sommige kerken en kerkhoven zwaar te wensen over. Of de provinciegouverneur die pijnpunten doorspeelde naar de betrokken gemeentebesturen of kerkfabrieken is niet helemaal duidelijk; Snieders zal alleszins geoordeeld hebben dat hij zijn belangrijke plicht had gedaan door ze eens te meer onder de aandacht te brengen.

Volgens een beroemde boutade van de Franse historicus Philippe Ariès was de moderne dokter er eerder dan de dito geneeskunde. Het quasi-onbetwiste gezag van de eerste was in die zin, voor wie de chronologie in acht neemt, geen gevolg van de nieuwe ontdekkingen, maar net een voorwaarde: in een vroegmoderne wereld waar velen vrij plots meer en meer van hun dokters en van een wetenschappelijke geneeskunde gingen verwachten, werden de artsen inventiever en deden ze kennelijk hun best om dat hoge vertrouwen naar best vermogen te honoreren. Dat is ze dan de voorbije twee eeuwen aardig gelukt: we kunnen ons, nu we ons vooral zorgen maken over medische almacht, nauwelijks voorstellen dat het hele medische bedrijf nog geen tien generaties geleden niet veel verder was dan in de prehistorie en ongeveer ongewapend tegenover alle ernstige ziekten stond. De moderne geneeskunde ontstaat wanneer die aloude onmacht, die eeuwenlang quasi-natuurlijk had geleken, tamelijk plots onaanvaardbaar wordt. De vraag om echt performante ingrepen richt zich dan onvermijdelijk eerst tot artsen die er vooralsnog niet aan kunnen voldoen, maar die wel meer en meer krediet krijgen en zich dus gaan uitsloven om dat te verdienen.

Jan Renier Snieders leverde geen grensverleggende bijdrage tot de ontwikkeling van zijn vakgebied. Hij ‘kon’ nog niet veel meer dan zijn voorgangers, greep dus in de praktijk vooral terug naar bekende huismiddelen, maar was tegelijk gevoelig genoeg voor de tijdsgeest om het nieuwe gezag van zijn vak met veel overtuiging op te nemen en het con brio, en zonder zijn werkuren te tellen, uit te oefenen. Omdat het archief vooral uit documenten van zijn hand bestaat, vernemen we weinig over de reacties van zijn patiënten: hij vermeldt soms, en zelden letterlijk, hun antwoorden op gerichte vragen en heeft voor zover we dat kunnen natrekken weinig oor voor wat ze min of meer spontaan kwamen vertellen. Waarschijnlijk werd dat ook niet echt verwacht; de zieken en de officials die hem consulteerden waren allicht ook hunnerzijds rijp voor zijn nieuwe gezag en verlangden dus meer orakels dan dialoog. De uitvaart van Snieders werd, naar goed negentiende-eeuws gebruik, een indrukwekkende hulde en zou later nog worden gevolgd door een standbeeld: de overledene was er, ook zonder echt sensationele prestaties, kennelijk briljant in geslaagd de moderne geneeskunde bij zijn medeburgers definitief op de kaart te zetten.

Literatuur

Gil Tack, Ziekte en zorg in de Kempen. Renier Snieders, geneesheer in de 19de eeuw, Brepols, Turnhout, 2015, 240 blz., 28,31 euro, ISBN 9782503565057.

Ivan Illich, Grenzen aan de geneeskunde. Het medisch bedrijf - een bedreiging voor de gezondheid?, vertaald door D.L. Uyt den Bogaard, Wereldvenster, Bussum, 1975 (diverse malen heruitgegeven).

De boutade van Philippe Ariès staat voor het eerst in een artikel uit 1949, dat nu het gemakkelijkst te vinden is in de verzamelbundelEssais de mémoire. 1943-1983, Seuil, Parijs, 1993, blz. 304.



© S T R E V E N