November 2016

Harold Polis

De grote verwarring


Haar kinderen had ze albums van Suske en Wiske gegeven – in het Frans – om hen duidelijk te maken waar ze vandaan kwam. Maar in het land van herkomst bleef het stil toen schrijfster Françoise Mallet-Joris op 13 augustus van dit jaar stierf nabij Parijs. Er verscheen in De Standaard een bescheiden overlijdensbericht. Guy Duplat, die gelukkig al eens een boek heeft gelezen, was zowat de enige journalist die zich niet uitsluitend tot clichés beperkte, uitgerekend in La Libre Belgique. Of beter: uiteraard in La Libre Belgique, een Franstalige krant die nog rekening houdt met Franstalige Antwerpse lezers. Die zijn niet allemaal in rook opgegaan. Op haar manier leek de overleden Mallet-Joris netjes te bevestigen wat onze officieuze ‘roman national’ voorschrijft: dat er in ons land twee volledig gescheiden, fundamenteel verschillende culturen bestaan. Zo hebben we onze instellingen ook ontworpen. Het is een interpretatie van de werkelijkheid die ruimte biedt aan de ideologie achter de vele vormen van de Vlaamse emancipatiestrijd en de al even talrijke vormen van Franstalig verzet. In een extreem geval werd de culturele, politieke, esthetische, geestelijke en etnische onverenigbaarheid van de Germaanse en Romaanse ziel erbij gesleurd, zoals die onder meer is beschreven door Urbain Van de Voorde in het mythologische essay Frankrijk’s dubbele ziel (1944). Voor elke Urbain Van de Voorde was er dan weer een Roger Nols, archetypisch Vlamingenhater en racistisch burgemeester van Schaarbeek in de jaren zeventig en tachtig. Uitersten zijn in dit verhaal verlokkelijk. Maar wie eenduidigheid verwacht in de complexe taalstrijd komt bedrogen uit.

Is het slim om Françoise Mallet-Joris uitsluitend te bekijken als een reliek uit het verleden dat we achter ons hebben gelaten? Een verleden dat ooit, tijdens de strijd om de vernederlandsing van Vlaanderen, militant werd bekampt en dat, nu het uitgedoofd is als een nachtkaars, achtergelaten moet worden, ontkend of afgezworen – hoewel dat nog te veel emotie veronderstelt. We zijn het gewoon vergeten. Ergens tussen de staatshervormingen door heeft iedereen zijn flauwekul van vroeger bij het groot huisvuil gezet: de grote verhalen, de gemeenschapsbepalende idealen, de levensbeschouwelijke ijkpunten. De onttakeling is niet sneller of dramatischer verlopen dan in onze buurlanden, maar wel omfloerst, omdat de knarsende raderen van de communautaire machine bij momenten veel lawaai maakten. In Vlaanderen is een deel van de talige dubbelzinnigheid verdwenen, of beter: veranderd. Het Frans en de tweetaligheid zijn weggesmolten. Maar de hardnekkige dialecten en de overal aanwezige tussentaal zorgen er wel voor dat velen van ons Standaardnederlands als een vreemde taal ervaren. Tegelijkertijd zijn er andere vormen van meertaligheid ontstaan, is het Engels een olievlek en kan het Nederlands in Vlaanderen, door haar officiële status en aanzien, voor het eerst in haar geschiedenis ook discriminerend werken. Nieuwe sociale, culturele en taalkundige breuklijnen vergroten het belang van een pragmatische eenheidstaal om communautarisme en achterstelling te bestrijden. In het grensland dat wij zijn, valt taal niet altijd en overal op dezelfde manier samen met het gevoel tot een gemeenschap te behoren. Taal is hier niet het resultaat van een blinde teleologie, maar van een historisch proces dat onlosmakelijk is verbonden met concrete mensen.

De moderniteit waarin we leven is altijd woest geweest en bij momenten extreem gewelddadig. Als de globalisering, zoals we die na de Val van de Muur hebben meegemaakt, ons confronteert met vervreemding op alle fronten, dan is dat zeker geen vernieuwende ervaring. Een van de meest fascinerende teksten over de onbetrouwbare verhouding tussen onszelf en de moderniteit is in 1943 in Londen geschreven door Simone Weil en postuum uitgegeven door Albert Camus: L’enracinement. In dit geestelijke testament, meditatief en meanderend van toon, stelt Weil rechten voor als een resultaat van humanistische verplichtingen tegenover elkaar en de gemeenschap. In haar eigen versie van gehechtheid legt ze ook de nadruk op de kwetsbaarheid van de samenleving, van cultuur en van de Franse natie. Verwijzend naar een apocriefe uitspraak van Jeanne d’Arc, die medelijden had met het koninkrijk Frankrijk, beschrijft ze haar patriottisme: ‘un patriotisme inspiré par la compassion'. Het gaat zeker niet om nostalgie. In Weils compassie moet je evenveel ontroering en medeleven als barmhartigheid en mededogen lezen, aangezien de mens in de ogen van Simone Weil ook nood heeft aan goddelijke genade om aan zijn verplichtingen te voldoen. Die religieuze inspiratie draagt ertoe bij dat ze in een ander, ook door Camus postuum samengesteld boek, Écrits historiques et politiques, een zeer indringend beeld geeft van de vooruitgang en van onze fascinatie voor het verleden. ‘Niets haalt het bij de devotie jegens dode vaderlanden’, schrijft Weil, niet zonder wanhoop en vermoeidheid – het is oorlog op dat moment. ‘We kunnen onszelf niet verbeteren, tenzij door de invloed op ons van wat beter is dan wij.’ Weil zoekt dat niet in de toekomst (die we vullen met onze verbeelding), of in het heden (dat vermengd is met middelmaat en slechte dingen), maar wel in een verleden dat afgewogen is en uitgezuiverd. Er zijn uiteraard vele andere contemporaine bronnen waaruit je een gelijkaardig inzicht zou kunnen putten, maar Weil onderscheidt zich door compassie in de plaats te stellen van passie bij het denken over identiteit, natie en gehechtheid. In een samenleving die keer op keer nieuwe mensen uitvindt en de flauwekul van vroeger door het raam smijt om zich te bevrijden van taboes en historische zonden, is dat een welkome tegendraadse benadering.

In de grote verwarring van het moment, waarbij een volledig continent driftig op zoek is naar een bevestiging van haar boventijdelijke normen en universele waarden (nader in te vullen), verliezen we wellicht iets te vlotjes uit het oog dat we ook een geschiedenis hebben. Op keerpunten, zoals vandaag, wanneer we opnieuw moeten leren samenwerken voor vrijheid, sociale rechtvaardigheid en een betere toekomst, kun je dat historisch bewustzijn goed gebruiken. ‘De geschiedenis van de mensheid is geen hotel waar iemand naar believen een kamer kan huren’, schreef Hannah Arendt.

Behalve de ontplooiing van wetenschappelijke waarheid en het succes van onze gemengde economie is de secularisering een van de meer spectaculaire symptomen van onze moderniteit. In vele opzichten gaat het om een vredesdividend van een bittere culturele oorlog. De geproduceerde hoeveelheid persoonlijke autonomie en vrijheid oogt indrukwekkend en is, samen met de herverdeelde welvaart, hoofdzakelijk geïnvesteerd in consumptie en comfort. Niet alleen bij religie, maar ook bij vrijzinnigheid en politieke overtuigingen is de maatschappelijke invloed fel afgenomen. In de eerste plaats zijn we vandaag consumenten die elk onderdeel van het leven benaderen vanuit een voorkeursutilisme. Omdat iedereen een andere invulling geeft aan geluk, gaan we bij de maximalisatie ervan uit van de voorkeuren die we hebben. De mogelijkheden zijn eindeloos. En hoewel de welvaartsstaat permanent wordt bestookt met nachtmerries en ondergangsfantasieën zouden we niet willen ruilen met het leven van onze voorouders.

Onze Europese moderniteit wordt vandaag vooral bepaald door innovatieve disruptie – die is agressief, maar er vloeit geen bloed zoals bij de revoluties van weleer. Nadelen zijn er zeker ook als negatieve vrijheid zwaarder weegt dan positieve vrijheid. De bevrijding van oude vormen, ideeën en verhalen neemt soms dogmatische vormen aan, met massaal betekenisverlies en vervreemding tot gevolg. Die aandacht voor het verdwijnen van een langetermijnvisie werd in onze nabije omgeving gethematiseerd door de historici rond het tijdschrift Annales. Al in 1978 merkte Pierre Nora in La nouvelle histoire op dat ‘de geschiedenis zich nu laat schrijven onder druk van collectieve herinneringen’. Het is een manier om ‘de historische ontworteling van het sociale en de angst voor de toekomst te compenseren door een verleden te valoriseren dat tot dan toe niet als zodanig werd ervaren’. Jacques Le Goff zag er dan weer een kans in om ‘het collectieve geheugen van de mensen een metamorfose te doen ondergaan en om alle wetenschappen te verplichten zich tegenover een andere tijdhorizon te plaatsen, volgens een andere conceptie van de wereld en haar ontwikkeling’. Dat laatste is een verwijzing naar de drie vormen van tijd waarmee Fernand Braudel, de centrale figuur rond Annales, werkte: de lange termijn (de geografische tijd), de sociale tijd (de conjunctuur), en de korte termijn (individuen of evenementen). Deze inzichten vormen ook de basis van het eerste deel van het door Nora samengestelde Les Lieux de Mémoire (1984), een boek waarin je tussen de regels een ongemakkelijke weemoed leest. Die zat ook in de buitenlandse varianten van het project. Over België verschenen er in 2008 twee delen die eerder snel in de ramsj terechtkwamen – daar was de toenmalige politieke depressie van het land niet vreemd aan.

Françoise Mallet-Joris is haar uitgebreide voetnoot waard omdat ze aan het eind komt van een ontwikkeling die eigenlijk begon met Belgische, Franstalige Vlaamse schrijvers, hoofdzakelijk uit de entourage van La Jeune Belgique. Op dat moment behoren ze tot de bekendste Franse schrijvers tout court, Maurice Maeterlinck op kop. Dat zijn we vergeten. De Romeinen maakten het overwonnen Carthago met de grond gelijk, ploegden het om en strooiden zout in de voren. Maar wij zijn de Romeinen niet, of beter gezegd: niet meer, want ook de band met dat verleden proberen we enthousiast door te knippen. Onder het plaveisel van de vooruitgang hoef je niet lang te zoeken naar de restanten van ons lokale Carthago: Antwerpen. Georges Eekhoud beschrijft haar in de roman La nouvelle Carthage als een stad ‘naar het hart van Darwins wet’. Eekhoud stapelt de tegenstellingen op om Antwerpen in woorden te vatten: een vruchtbare en slechte moeder, een rijke en egoïstische stad, een bron van welvaart en haat voor de armen, vrijmoedig en corrupt. Hij schetst een episch beeld van een samenleving die kreunt onder het gewicht van een verandering die we vandaag onomwonden als globalisering zouden bestempelen. De roman speelt zich af in het Antwerpen van de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw, toen een groot deel van het historische centrum werd platgelegd om de uitbreiding van de haven mogelijk te maken. Handel en industrie floreerden, net als de sociale ongelijkheid. Vanop een afstand bekeken was dat net een periode waarin de welvaart gemiddeld fors toenam, maar onder het vergrootglas van Eekhoud werden de barsten en gebroken levens zichtbaar. La nouvelle Carthage is een cruciale roman die, ondanks grote lof, marginaal bleef. Eekhoud liep als homofiele en anarchistische agnost toch een beetje verloren in de met bladgoud beklede salons van de belle époque. Om het nog erger te maken was hij tegen de oorlog, schreef hij in het Frans en was hij allesbehalve een franskiljon.

Als je het perspectief neemt van de politieke ontwikkeling die België heeft doorgemaakt, is Eekhoud bijna onbegrijpelijk. Hij lijkt even ver van ons af te staan als Jan van Boendaele. Maar als je wat breder kijkt, dan wordt Eekhoud een authentieke kunstenaar die als weinig anderen bij ons de diepgaande verandering van de moderniteit heeft weergegeven. Bovendien past hij ook niet in het scenario van de culturele boedelscheiding die zich in de loop van de twintigste eeuw in België heeft voltrokken. Als je Eekhoud verkeerd leest, lijk je te maken te hebben met een typische unitaire Belgicist die via de omweg van ‘Belgisch patriottisme’ toch weer de onvermijdelijke Vlaamse natievorming tegenhoudt en dankzij een handig vermomd neokoloniaal paternalisme actief meewerkt aan de verdrukking van de Vlamingen. Want ja, Eekhoud schreef dan wel wellustig over het wilde Vlaamse volksleven van zijn tijd, maar dat schilderachtige gewoel was vooral charmant op voorwaarde dat je die schoonheid kon savoureren in het Frans. Bovendien was Eekhoud afkomstig uit de gegoede Franstalige Antwerpse burgerij, zodat zijn sympathie voor een volk van nobele wilden die koeterwaals bralden twijfels oproept. Een even oppervlakkige lezing van Eekhoud kan ertoe leiden dat je in hem de onvermijdelijke belgicist herkent die de onverzoenbare Belgische tegenstijdigheden overstijgt in een verlossende vorm van belgitude. Maar Eekhoud is geen Jules Destrée, geen aangepaste versie van kardinaal Mercier en al zeker geen voorloper van Vincent Kompany of Helmut Lotti. Hij is zijn dwarse zelf.

‘Vroeger, hoewel ik onze provincies Antwerpen, Brabant en Vlaanderen beminde, neigde ik naar een soort internationalisme’, schrijft Eekhoud in 1902 in Mercure de France in zijn ‘Chronique de Bruxelles’ – hij was in 1880 naar Brussel verhuisd, een stad die hij vol bewondering zag moderniseren. ‘Vandaag ben ik volledig teruggekomen van die kosmopolitische bekommernis en opwinding, van die platonische humanitairerie, van die broederlijkheid in het ijle. Ik schaar me volledig achter de ideeën van Edmond Picard die in zijn Confiteor bewonderenswaardige bladzijden heeft geschreven over het welbegrepen patriottisme, over de cultus van een tastbaar, consistent en essentieel vaderland (Eekhoud gebruikt hier het woord médullaire, mergachtig, nvdr). Ik hou tegenwoordig zo van mijn land en mijn broeders dat ik hen zal blijven koesteren ondanks henzelf en, desnoods, niettegenstaande hun miskenning.’

Meer nog dan bij Eekhoud schemert bij de Brusselse advocaat, socialist en vrijmetselaar Edmond Picard de schaduw van Maurice Barrès door. Picard had Eekhoud verdedigd op een assisenproces in Brugge waar die laatste, samen met Camille Lemonnier, terechtstond voor zedenschennis zedenschennis (een drukpersmisdrijf). De milde homo-erotische sfeer in Eekhouds roman Escal-Vigor had een behoudsgezinde katholieke advocaat ertoe verleid een klacht in te dienen. Ja, Eekhoud volgde het Belgische patriottisme, maar in de interpretatie die Edmond Picard eraan gaf: als een cultuur die nog aan het ontstaan was, een cultuur die grote toekomstkansen bood en die, bijvoorbeeld, ook aan Vlaamse rechtseisen tegemoet kon komen. Picard zou die ideeën uitwerken in Confiteor: er was eigenlijk een Belgisch imperialisme nodig. En hij voegde er nog een flinke dosis antisemitisme aan toe, Arthur de Gobineau achterna – maar dat is nog een ander verhaal.

Overigens riep uitgerekend Eekhoud jonge ‘Belgische’ schrijvers expliciet op om niet naar Parijs te verhuizen, zich volop lokaal te engageren, ‘kosmopolitische dilettanten’ te vermijden en, als ze Vlaming waren, in het Nederlands te schrijven. Hoewel er van een aparte, volwaardige Franstalige Vlaamse cultuur of literatuur nooit sprake is geweest, hebben heel wat mensen een schemerzone bevolkt tussen het Frans en het Vlaams. Zo ook Françoise Mallet-Joris die haar Antwerpse jeugd als inspiratie nam, te beginnen bij haar even succesvolle als aangebrande debuut La rempart des Béguines (1951). Het hoofdpersonage van die lezenswaardige roman is een vijftienjarig meisje dat de liefde ontdekt in de armen van de minnares van haar vader. Schandaal alom uiteraard. Zeker omdat Mallet-Joris de dochter was van die andere opmerkelijke Franstalige Vlaamse auteur, Suzanne Lilar, die in Une enfance gantoise (1976) zo secuur beschreef hoe het was om op te groeien in de Franstalige bourgeoisie van de eerste helft van de twintigste eeuw. Om het nog erger te maken bekeerde Françoise Mallet-Joris zich op 23-jarige leeftijd tot het rooms-katholieke geloof. Zij, de dochter van de grote Antwerpse liberale politicus Albert Lilar. En dan moest haar feministische periode nog aanbreken, waarbij ze ook opviel door haar veel te grote brilmonturen, haar drie huwelijken en de lesbische liefde. Om van haar linkse overtuigingen en haar band met François Mitterrand nog te zwijgen. De Vlaamse literatuur had zo’n temperamentvolle vrouw best wel kunnen gebruiken. Zij schreef echter in het Frans en dus werd het epicentrum van de carrière naar Parijs verlegd – tegen de wijze raad van Eekhoud in. Akkoord, dat is voor velen ver weg, maar eigenlijk toch ook weer veel te dichtbij om een figuur als Françoise Mallet-Joris zo hartsgrondig te vergeten?

Dat ‘zich toe-eigenen’ is altijd onze nationale sport geweest, wat ook talloze geweldige verhalen oplevert. Zoals kunsthistoricus-politicus Jules Destrée die Rogier van der Weijden naar Doornik transfereert. Want de grote Vlaamse primitief heette eigenlijk Roger de la Pasture en had zijn naam vervlaamst toen hij naar Brussel trok, in de schaduw van de Bourgondische hertogen.

Het kan allerminst kwaad de recente geschiedenis van het Nederlands goed te onthouden en oog te hebben voor wie zich op een of andere manier wel nauw verbonden voelde met deze plek, maar een andere taal sprak, zoals Francoise Mallet-Joris, of spreekt. Dat is geen capitulatie, postmoderne verdwazing of cultureel irredentisme, maar een teken van volwassen realiteitsbesef. Het is net de optelsom van tegenstrijdige verhalen en ervaringen die tot een beter begrip leidt van wie wij zijn en wat we van de toekomst kunnen maken.

 

Literatuur

 

Jacques Le Goff, La nouvelle histoire, Retz, 1978.

Georges Eekhoud, ‘Chronique de Bruxelles’, in Mercure de France, 1902 (jrg. 9), blz. 805-812.

Georges Eekhoud, La nouvelle Carthage, Labor, 2004.

Simone Weil, Oeuvres, Gallimard, 1999.

Hannah Arendt, L’Humaine Condition, Gallimard, 2012.

 

© S T R E V E N