Maart 2017

Frederik Polfliet

Navid Kermani's kunstzinnige apologie van het christendom


Apologetiek wordt niet meer uitsluitend bedreven door christelijke intellectuelen. Van tijd tot tijd wordt de loftrompet over het christendom ook gestoken van buitenaf, door atheïsten of moslims zoals Navid Kermani (*1967). In Duitsland behoeft Kermani al lang geen introductie meer. De daar geboren zoon van Iraanse immigranten geldt er als een gezaghebbend intellectueel, van het kaliber van Jürgen Habermas, Hans Magnus Enzensberger en wijlen Günter Grass. Ter ere van de 65ste verjaardag van de Duitse grondwet hield de schrijver, journalist en hoogleraar oriëntalistiek in de Bondsdag een veel besproken redevoering, in 2015 mocht hij de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse Boekwinkels in ontvangst nemen en zijn naam circuleerde een periode als presidentskandidaat. In onze contreien verscheen van zijn hand eerder bij uitgeverij Cossee Overvallen door de werkelijkheid. Met de vluchtelingenstroom mee door Europa en eind 2016 Goddelijke kunst – een eigenzinnige en prikkelende reflectie op het christendom en haar kunst. Op dat christendom werd hij naar eigen zeggen jaloers tijdens een onderzoeksverblijf in Rome. Daar, in de zetel van de katholieke traditie, ervoer Kermani door zoveel zinnelijke rijkdom waarom het christendom een optie kan zijn. Religie is voor Kermani dan ook veeleer een zintuiglijke dan een verstandelijke kwestie. Zo belichtte hij eerder de esthetische dimensie van de Koran in Gott ist schön. Das ästhetische Erleben des Koran (1999).

Goddelijke kunst is geen uitgekiende bloemlezing van christelijke kunst en must-sees geworden. Het boek bundelt teksten over kunstwerken, voornamelijk schilderijen, die de auteur veelal toevalligerwijs ontdekte, hem intrigeerden en als opstapjes dienden voor overpeinzingen en gedachtesprongen omtrent ‘zijn christendom’ en ‘zijn islam’, die zoals zal blijken, elkaar erg nastaan. Dit mondt uit in zowel anekdotische en luchtige stukjes als ronduit fascinerende en voor sommigen misschien wel aantstootgevende interpretaties.

De kunst van het kijken

In De ongelovige Thomas (ca. 1603) van Caravaggio (1571-1610) komt apostel Thomas volgens Kermani niet naar voren als de ongelovige – zoals het evangelie van Johannes wil – maar als een gelovige die door Christus wordt overtuigd van de aanwezigheid van God in onszelf. Deze lezing van dit schilderij ziet Kermani bevestigd in het apocriefe Thomasevangelie, waarin gewag wordt gemaakt van het goddelijke licht in elke mens. Mocht dit evangelie de overhand hebben gekregen op dat van Johannes, schrijft Kermani op dreef, dan zou er nog weinig overblijven van het beslissend onderscheid tussen de Bijbel en de Koran. Bij het aanschouwen van mozaïeken met vroegchristelijke beeltenissen in Ravenna vraagt Kermani zich zelfs af of de islam überhaupt zou hebben bestaan mocht het arianisme met haar verzet tegen de christelijke Drieëenheid het pleit hebben gewonnen: ‘Niet dat de Koranische christologie identiek zou zijn aan het arianisme, dat immers vasthield aan het vaderschap van God en de zoon weliswaar niet als God beschouwde, maar wel als godgelijk; niettemin haakt de islam aan bij een beeld van Jezus dat in het christendom zojuist was overstemd, overdekt zoals sommige mozaïeken in Ravenna.’

Uiteindelijk is het de beeldende kunst die Kermani zelf kan verzoenen met het voor hem lichaamsvijandige, godslasterlijke en afgodische kruis. Oog in oog met de Kruisiging (ca. 1635-1638) van Guido Reni (1575-1642) op het hoogaltaar van de San Lorenzo in Lucina beziet Kermani de stervende christus als plaatsvervanger voor alle mensen. En een hedendaags stalen kruisbeeld van Karl Schlamminger (*1935) mag op zijn werktafel staan te prijken omdat deze voor de incarnatie als principe staat. Kunst impliceert de kunst van het kijken, en kijken doet Kermani bijzonder goed. In het Städel Museum in Frankfurt bemerkt hij dat de zwaar beproefde Bijbelfiguur in Job op de mesthoop (ca. 1503/1505) van Albrecht Dürer (1471-1528) door zijn vrouw niet wordt overgoten met vloeibare mest, maar door haar toegewijd wordt voorzien van verkwikkend water. Wat Kermani aan het einde van zijn overpeinzingen doet besluiten met een ontroerende boodschap: ‘Al heeft God ons dan verlaten – verloren is de mens niet zolang hij nog een ander mens heeft’. In Parijs dan weer wordt de Jezus op Kruisdraging van Sandro Botticelli (1445-1510) almaar vrouwelijker als Kermani afstand neemt. Zijn gedachten springen hierbij naar Perzische miniaturen en de grote soefi-meester Ibn Arabi (1165-1240) die beweerde dat de aanschouwing van God in de vrouw de meest volmaakte is, en Jezus beschouwde als de ultieme belichaming van de goddelijke schoonheid in de mens.

Kermani’s onderdompeling in de christelijke beeldcultuur vormt ook vaak een aanleiding om zich te bezinnen over de (vaak ondergewaardeerde) plaats en functie van kunst in de islam. Zeer onderrichtend, omdat beschouwingen hierover doorgaans blijven steken bij de doctrine van het beeldverbod. Overtuigend legt hij hierbij verbanden met de moderne de hedendaagse kunst.
Zo expliceert hij naar aanleiding van de bezichtiging van Gerhard Richters (*1932) raampartij voor de Dom van Keulen hoe deze net als in een moskee esthetisch getuigt van de alomtegenwoordigheid van God.

En hoewel het gros van dit boek wel degelijk vertrekt vanuit de kunst, voelt Kermani zich niet louter aangetrokken door het christendom op esthetische gronden (In die zin dekt de oorspronkelijke Duitse titel, Ungläubiges Staunen Über das Christentum, de lading van het boek veel beter). In een tekst over de Paolo Dall’ Oglio, de Italiaanse jezuïet die in het Mar Musa-klooster in Syrië een oecumenische gemeenschap oprichtte en een religieus syncretisme bepleitte, schrijft hij daarover het volgende:

Als ik iets in het christendom bewonder, of misschien moet ik zeggen in
de christenen, wier geloof me niet alleen heeft overtuigd, maar ook overweldigd,
van alle tegenwerpingen beroofd, als ik maar één eigenschap tot voorbeeld
neem, tot leidraad ook voor mij, dan is het niet de zo geliefde kunst, niet de
cultuur met inbegrip van muziek en architectuur, niet een of ander ritueel,
hoe rijk ook. Het is de specifieke christelijke liefde, voor zover die niet alleen
betrekking heeft op de naaste. In andere religies wordt ook liefgehad, wordt
ook opgeroepen tot barmhartigheid, zorgzaamheid, mildheid. Maar de liefde
die ik bij veel christenen zie, en nog het meest bij degenen die hun leven geheel
aan Jezus hebben gewijd, de monniken en nonnen, die liefde stijgt uit boven
het niveau dat een mens ook zonder God kan bereiken: hun liefde maakt
geen onderscheid.


Liefde voor de ander

Her en der wordt het boek in de eerste plaats opgevoerd als het relaas van een belijdend moslim die onbevangen zijn licht zou laten schijnen op christelijke kunst. Toch is Kermani niet echt een buitenstaander. Want de in het protestantse Siegen opgegroeide en thans in het katholieke Keulen wonende moslim is wel degelijk goed vertrouwd met het christendom en legt hierover een brede belezenheid aan de dag. Meer dan waarschijnlijk is Kermani dan ook vertrouwder met het christendom dan de doorsnee christen. Echter als bemiddelaar tussen religies geeft de Duits-Iraanse auteur blijk van een open geest en een bijzonder inlevingsvermogen. Kermani wijst in zijn reflecties voortdurend op de innige relaties tussen het christendom en de (sjiitische) islam en het soefisme, de mystieke tak van de islam, in het bijzonder.

Daarnaast laat Kermani mooi zien hoezeer deze christelijke voorstellingen nog steeds direct tot ons spreken en hoe je geeneens (christelijk) gelovig hoeft te zijn om de universaliteit en de tragiek van bepaalde Bijbelse scenes te doorvoelen. Geen wonder dat Caravaggio met acht werken in dit boek vertegenwoordigd is.

Toch kon ik mij tijdens het lezen goed indenken dat sommige ongelovige én christelijke westerlingen Kermani’s lofuitingen als al te dweperig of al te lyrisch zouden wegzetten. Ja, Kermani staat in volle bewondering voor de christelijke ethiek, de rijkdom en de continuïteit van de (katholieke en de Oosters-orthodoxe) beeldtaal. Wie goed leest bespeurt echter ook zijn bezwaren tegen de doloristische trekjes, de idee van goddelijke incarnatie in slechts één mens, de hiërarchische structuur en het machtsvertoon van de katholieke kerk. Maar misschien is het voor een beter begrip goed om te eindigen met een fragment uit Kermani’s dankrede bij de acceptatie van de Vredesprijs in Frankfurt:

De liefde voor het eigene – zowel voor de eigen cultuur als het eigen land
en de eigen persoon – laat zich zien in de zelfkritiek. De liefde voor de ander –
een andere persoon, een andere cultuur en zelfs voor een andere religie –
kan veel enthousiaster, zonder terughouding zijn. Natuurlijk, de liefde voor de
ander veronderstelt de liefde voor zichzelf. Maar verliefd, zoals dat Pater Paolo
en Pater Jacques zijn in de islam, verliefd zijn kun je alleen op de ander. De
liefde tot zichzelf echter vergt aarzelen en twijfelen, vragen aan zichzelf om niet
het gevaar te lopen in narcisme, eigenwaan, zelfgenoegzaamheid te vervallen [1].



Navid Kermani, Goddelijke kunst, Cossee, Amsterdam, 2016, 352 blz., 29,99 euro, ISBN 9789059366886.

[1] Zie hiervoor : http://www.dominicusgent.be/2016/01/04/2783/, Dankrede Vredesprijs, vertaald door Yosé Höhne-Sparborth.


 

 

© S T R E V E N