Oktober 2017

Eric Vanhaute

Migratie onder controle?

Migranten tussen vrijheid en dwang


Mensen zijn migranten


In 2015 ontdekt de wereld een nieuwe crisis, de vluchtelingencrisis. Volgens de UN Refugee Agency zijn er voor het eerst meer dan zestig miljoen mensen ontheemd als gevolg van oorlogen, conflicten en vervolging. Dit betekent dat wereldwijd bijna één op de 120 mensen op de vlucht is, een verhouding die blijft stijgen. Sinds enkele jaren is Syrië ‘s werelds grootste producent van binnenlandse ontheemden (bijna 8 miljoen) en vluchtelingen (bijna 4 miljoen). Turkije, Libanon en Jordanië vangen de meeste vluchtelingen op. Intussen klopten bijna een miljoen Syriërs aan de Europese poort, meestal via de gevaarlijke oversteek van de Middellandse Zee. Een externe humanitaire crisis werd zo ook een Europese politieke crisis met een discours van angst en paniek, een divergerend nationaal opvangbeleid, falende internationale afspraken en lange hekwerken aan de zuidergrenzen. De menselijke mobiliteit vormt en hervormt de wereld van vandaag, net zoals dat in het verleden was en in de toekomst zal zijn.


Mensen maken de wereld. Veel mensen maken een grote wereld. Een grote wereld die ook een meer vervlochten wereld wordt. 12.000 jaar geleden, voor de grote landbouwrevoluties, bevolkten we met maximaal 10 miljoen soortgenoten onze wereld. Vandaag doen we dat met bijna 7,5 miljard mensen, morgen negen tot tien miljard. Deze immense groei heeft onze wereld volledig veranderd. Dit was maar mogelijk door onze grote mobiliteit en ons unieke aanpassingsvermogen. Onze voorouders trokken in de loop van tienduizenden jaren naar alle uithoeken van de aarde. Ze pasten zich aan, ontwikkelden uiteenlopende levensgewoonten en een ander fysiek uiterlijk. Ze bouwden de meest inventieve, maar ook de meest destructieve beschavingen, culturen en economieën. De wereld werd zo het menselijke schouwtoneel, het theater van een nooit stoppende uitwisseling en confrontatie van belangen en gedachten, van kunde en technieken, van hoop en van vrees. De wereld van vandaag is gebouwd op migratie. Elke jaar migreren meer dan 200 miljoen mensen naar andere landen. De meesten zijn op zoek naar een zekerder bestaan. Nog eens viermaal meer mensen verhuizen jaarlijks in eigen land, veelal naar de snelgroeiende steden. Zo telt China momenteel 250 miljoen rurale emigranten. De trek naar de stad van honderden miljoenen Chinezen sinds de jaren 1980 is veruit de grootse migratiebeweging die de wereld tot nu toe heeft gekend. Daarbij maken we tezamen jaarlijks meer dan een miljard internationale trips. De uitgaven voor reizen lopen nu op tot bijna 10% van het globale BNP. Deze mobiliteit is echter niet onbegrensd. Natuurlijke en menselijke obstakels belemmeren de vrijheid van beweging. Deze eisen soms een dodelijke tol. Sinds 2000 stierven meer dan 25.000 mensen bij hun poging om Europa te bereiken, op zoek naar een beter leven. Het overgrote deel van die slachtoffers viel op de Middellandse Zee, aan de grens met Europa.


Migratie heeft de wereld groter gemaakt, meer verstrengeld, maar ook meer verkaveld en meer divers. Deze ogenschijnlijke tegenspraak vinden we terug in het alomtegenwoordig begrip ‘migrant’, een term dat vele ladingen dekt. Daarbij wordt het met allerlei – vooral negatieve – adjectieven gebruikt en misbruikt in tal van intellectuele en publieke debatten. De veelduidige betekenis kan verwijzen naar groei of crisis, naar verrijking of bedreiging. Het begrip ‘migrant’ stelt een van de meest centrale vraagstukken in onze wereld scherp: wie behoort tot onze samenleving, wie staat erbuiten, wie beweegt ertussen? Het stelt de vraag naar het globale karakter van die wereld, een wereld die tevens steeds diverser wordt. In toenemende mate bestaat de bevolking, in de eerste plaats in de grootsteden, uit migranten en hun nakomelingen. De groeiende cultureel-etnische verscheidenheid is de nieuwe norm en zet bestaande gemeenschaps- en solidariteitsmodellen die steunen op meer homogene bevolkingsgroepen onder druk. De integratie van ‘vreemdelingen’ in de ‘eigen’ cultuur staat zo als fundament van het vigerende migratiebeleid steeds meer ter discussie.

Migratie houdt de belofte in van meer toenadering, een grotere vervlechting van gemeenschappen. In deze bijdrage vraag ik mij af hoe in de voorbije twee eeuwen menselijke migratie heeft bijgedragen aan de paradox van de hedendaagse globalisering; namelijk een meer geglobaliseerde, maar ook een meer ongelijke en verkavelde wereld. Ik betoog dat het migratiebeleid in de voorbije twee eeuwen vooral gekenmerkt werd door toenemende reguleringen en restricties, wat haaks lijkt te staan op de evolutie naar een superdiverse samenleving. Deze contradictie komt voort uit het spanningsveld tussen de sterkere nationale logica waarbinnen de beleidslijnen worden uitgestippeld enerzijds en het internationale karakter van migratiestromen, gestuurd door globale processen, anderzijds. Politieke besluitvorming met vaak een kortetermijnblik botst op migratiepatronen met een eigen langetermijndynamiek. Hoe hebben migratiepatronen binnen dit spanningsveld vorm gekregen, en hoe sturen ze zo de hedendaagse globalisering mee aan?

De vele gezichten van migratie


Migratie staat centraal in de menselijke geschiedenis, in het verhaal van de immer veranderende menselijke reisweg. Ze lag aan de basis van de succesvolle kolonisering van grote delen van de aardoppervlakte en van technologische, economische en culturele vooruitgang. Met de groei van landbouwsamenlevingen ontstonden uitgebreide handelsnetwerken, die steeds meer gebieden met elkaar verknoopten. De expansie van grote rijken stimuleerde de verspreiding over grote afstanden van mensen, goederen, kennis en techniek. Deze verbreiding was vaak ook destructief, getuige de lange lijst van oorlogen, verovering, uitbuiting en verspreiding van voorheen onbekende ziektes. De expansie van het Europese handelskapitaal vanaf de zestiende eeuw forceerde een directe toegang tot de Amerikaanse bodemschatten, de Afrikaanse arbeidsvoorraden en de bloeiende Aziatische economieën. Dit leidde niet alleen tot een toename van de handel en de verspreiding van nieuwe producten op mondiale schaal, het trok tevens nieuwe en massale migratiestromen tussen de continenten op gang. Hierbij gaat het zowel om gedwongen als om vrije migratie. De bekendste en meest omvangrijke gedwongen migratiestroom is het transport van de miljoenen slaven vanuit West-Afrika naar de Caraïben, Brazilië en het zuiden van (de latere) Verenigde Staten.

Pas na 1830 namen de bewegingen van vrije migratie de overhand, toen tientallen miljoenen Europeanen de Atlantische oceaan overstaken om zich in Noord- en Zuid-Amerika te vestigen. Vergelijkbare aantallen Chinezen en Indiërs vonden werk in Noord- en Zuidoost-Azië. De oorzaken van deze groei in de wereldwijde lange-afstandsmobiliteit zijn de transport- (stoomschip) en communicatie- (telegraaf, telefoon, post, pers) revoluties, de expansie van koloniale rijken, met voorop het Britse imperium, en de totstandkoming van een geïntegreerde wereldmarkt. Het gevolg is dat kapitaal en arbeid op een ongeëvenaarde schaal konden worden gemobiliseerd. Migratie liep terug door de wereldoorlogen en vooral door de mondiale economische crisis tijdens het Interbellum. Pas in de jaren 1960 tekende zich een nieuwe periode van toenemende internationale migratie af. Deze nieuwe golf vond plaats in een andere wereld, met meer mensen, met meer algemene welvaart, maar ook met meer welvaartsverschillen. Daarbij ontbeert de huidige globalisering de welhaast ongelimiteerde vrijheid van beweging die zich in de periode 1830-1914 ontplooide en opeenvolgende golven van massamigratie stimuleerde. De capaciteit van de twintigste-eeuwse staat om menselijke mobiliteit te controleren is een nieuw fenomeen in de wereldgeschiedenis. Staten eigenden zich na 1914 veel meer macht toe om migratie te reguleren en te bepalen of en op welke voorwaarden migranten op hun territorium werden toegelaten. Veel meer dan vroeger werden migratiestromen ‘illegaal’, want niet door een staat erkend. Daar waar de migratiegolf tussen 1830 en 1914 een belangrijke motor was van economische groei en toenemende convergentie, lijken de migratiepatronen van vandaag eerder de verschillen en de divergentie te versterken. Niettemin blijft de nieuwe golf van economische globalisering nieuwe migratiestromen genereren. Nieuwe vormen van regulering en repressie lijken deze beweging nog moeilijk te kunnen stoppen.

De triomf en de neergang van de vrije arbeidsmigratie


In de eerste fase van kapitalistische expansie werd migratie gedomineerd door soldaten, zeelui, handelaars, ambtenaren en – vooral – slaven. Nieuwe werelden en hun bevolking werden veelal met geweld onderworpen en ingeschakeld in de nieuwe globale arbeidsverdeling. Na 1800 werd de plaats ingenomen door vrije arbeidsmigranten die wereldwijd op zoek gingen naar een beter leven. Dit is een gevolg van het geleidelijk terugdringen van gedwongen migratie. Internationale druk leidde tot de wereldwijde afschaffing van de slavenhandel maar stimuleerde tegelijkertijd de verspreiding van het, vooral in Azië gangbare ‘koeliesysteem’. Hierbij gingen ongeschoolde arbeiders (koelies) een schuld aan bij werkgevers om de verplaatsing naar regio’s met groeiende arbeidsmogelijkheden te bekostigen. De werkkrachten losten hun schuld af met arbeid en bonden zich hiervoor via langdurige contracten aan hun broodheren. Dit leidde tot vele misbruiken. De vergelijking met slavernij lag nooit veraf. Na 1860 werd het koeliesysteem geleidelijk onder internationale druk aan banden gelegd, en maakte zo plaats voor vrijere vormen van arbeidsmigratie.


De verschuiving ging gepaard met de doorbraak van de natiestaat als dominante politieke en maatschappelijke organisatievorm. In de eerste helft van de negentiende eeuw domineerde de idee van het economisch liberalisme en aarzelden staten om eenzijdig in te grijpen. Het vrije verkeer van mensen was gekoppeld aan het vrije verkeer van goederen en gebaseerd op het principe van wederkerigheid tussen landen. Die aarzeling ebde weg naarmate na 1850 het migratiebeleid onder druk van de economische globalisering uitgroeide tot een van de centrale pijlers onder de nationale soevereiniteit. Overheden trachtten met sturing en regulering hun greep op migratiestromen te versterken, niet om de stromen af te remmen of droog te leggen, wel om ze beter te controleren. Arbeidsmigranten trokken zo niet enkel meer van gemeenschap tot gemeenschap, maar steeds meer van staat tot staat. Het nationale beleid boetseerde mee de globale kapitalistische wereldorde. Kernlanden zoals de Verenigde Staten versterkten met een actieve sturing van internationale migratie hun positie tegenover meer perifere gebieden.


De Eerste Wereldoorlog maakte een definitief einde aan het globale liberale migratieregime. Een wereldwijde muur werd opgetrokken om de westerse naties te behoeden voor een toevloed aan migranten uit armere regio’s. Een lange reeks fysieke en administratieve barrières, waarmee vóór de oorlog werd geëxperimenteerd, werd nu algemeen ingevoerd. Paspoorten en visums werden geïntroduceerd om de internationale mobiliteit te controleren. Zo ontstond een onderscheid tussen erkende, legale en niet-legale migratie, de oorsprong van een immer gevoelig politiek thema. Op grote schaal werden deportatieprogramma’s ontwikkeld. Aan de landsgrenzen ontplooide zich een bureaucratisch apparaat om de verstrengde migratiewetgeving uit te voeren. Pogingen om in de jaren 1920 een internationaal migratiebeleid uit te stippelen - met conferenties in Rome (1924) en Havana (1928) - falen. Het migratiebeleid groeide zo tot een steunpilaar onder de nationale en nationalistische politiek in een wereld van toenemende spanning en conflict. De wereldwijde economische crisis van de jaren 1930 versterkte deze ontwikkeling. De wereldhandel kromp met twee derde en migratiestromen verminderden spectaculair.


Het nationale beleid dat de controle van migratiebewegingen afstemde op economische fluctuaties werd na de Tweede Wereldoorlog globaal verspreid. Het werd onderdeel van een internationaal politiek programma dat de vroegere fouten van economisch nationalisme wilde vermijden. In plaats van zich te isoleren namen de Verenigde Staten nu een sturende rol op. De VS promootte internationale organisaties en samenwerking, ten dele om de politieke en economische stabiliteit te verhogen en ten dele om de eigen hegemonie te bestendigen.


Is de doorbraak van het neoliberalisme en de ideologie van de vrije markt in de jaren 1980 de aanzet voor een nieuw, vrijer migratieregime met minder staatsinmenging? Er is weinig dat hierop wijst. De vrijheid van kapitaal en in mindere mate van goederen zorgt niet voor de beloofde groei op wereldschaal. Falende ontwikkeling, toenemende ongelijkheid en nieuwe conflicten sturen nieuwe migratiestromen aan, die beantwoord worden met nieuwe vormen van regulering en repressie.

Internationale migratie en de paradox van globalisering


Mensen gebruiken twee basisstrategieën om hun sociale en economische positie te verbeteren. Ze werken zich op binnen de eigen maatschappij, of ze bouwen een nieuw bestaan op in een andere samenleving. De eerste strategie staat centraal in de doelstellingen van de sociale strijd en van de programma’s van nationale ontwikkeling en modernisering. De modellen van de welvaartsstaat uit de twintigste eeuw zijn gebouwd op de belofte van dergelijke groepsgebonden sociale promotie. Internationale migratie werd in dit nationale beleid echter steeds meer gezien als een bedreiging voor deze beloftes. Op de lange termijn en in een globaal perspectief is migratie echter de dominante strategie voor economische verbetering: migratie naar een stad, naar een andere regio, naar een ander land of een ander continent. In de negentiende eeuw werd langeafstandsmigratie een massafenomeen. De vrije beweging van arbeid stimuleerde economische groei zowel in immigratie- als emigratielanden. De globale doorbraak van het model van de natiestaat in de voorbije eeuw zorgde voor een toenemende restrictie van internationale arbeidsmigratie. Nationale moderniseringsprogramma’s zetten verbetering van welvaart en sociale promotie binnen de eigen grenzen centraal. Het wegvegen van deze ambities tijdens de neoliberale ommekeer sinds de jaren 1980 gaat echter niet samen met een opnieuw vrijmaken van de internationale arbeidsmarkt. Daar waar min of meer vrije migratieprocessen zoals in de negentiende eeuw grote bewegingen van convergentie hebben gepromoot, voornamelijk in de trans-Atlantische wereld, zijn de verscherpte, maar vaak ‘illegale’ migratiestromen vandaag een exponent van een grotere interregionale ongelijkheid. Met het terugdringen van de sociale ambities van de nationale staten worden nu ook de mogelijkheden van migratie-strategieën verder beperkt. Dit creëert een nieuwe en unieke spanning binnen het eenentwintigste-eeuwse globale kapitalisme.

Het ontstaan van het historisch kapitalisme en de groei van een nieuw, vanuit Europa aangestuurd wereldsysteem heeft het proces van globalisering in gang gezet. Met de woorden van Karl Marx:


De ontdekking van goud en zilver in Amerika, de uitroeiing van de inheemse bevolking in de mijnen, de aanvang van de verovering en plundering van Oost-Indië, de verandering van Afrika in een wildpark voor de commerciële jacht op zwarthuiden, betekenen de dageraad van het tijdperk van de kapitalistische productie. Deze idyllische processen zijn de belangrijkste fasen in de oorspronkelijke accumulatie. Direct daarop volgt de handelsoorlog tussen de Europese naties, met de aarde als schouwtoneel.


Globalisering is de uitkomst van een expansief maatschappelijk stelsel dat is gegroeid uit een unieke combinatie van economische competitie (de groei van het handelskapitalisme), politieke spanning (tussen oude en nieuwe staten) en territoriale strijd (voor nieuw land en nieuwe arbeidsreserves). De snelle veranderingsprocessen vanaf het midden van de negentiende eeuw worden vaak gezien als het momentum van de kapitalistische globalisering. Een nieuwe imperialistische expansie gaat samen met een buitenlandse investeringsgolf en het ontstaan van multinationale bedrijven, de verspreiding van technische innovaties in transport en communicatie, en de grootste golf van vrije arbeidsmigratie in de wereldgeschiedenis. Deze liberalisering werd door de kernmogendheden van toen gedoogd en gestuurd. Vanaf het einde van de negentiende eeuw eigenden de natiestaten in het Westen zich het recht toe om de internationale migratiestromen eenzijdig te corrigeren en af te stoppen. De migrant werd voorwerp van toegenomen controle, de migratie voorwerp van scherpe restricties. Migratiebeleid werd zo deel van programma’s van nationaal protectionisme.


In de jaren van economische hoogconjunctuur na 1945 internationaliseerde dit beleid, zonder te raken aan het primaat van de nationale besluitvorming. Schuchtere pogingen om migratie via internationale instellingen te sturen, kregen weinig kans. Migratiepolitiek was meer dan ooit onderdeel van een nationaal expansiebeleid, waarbij economische groei, modernisering en welvaartsverdeling centraal stonden. Arbeidsmigratie diende zo een aangestuurd conjunctuurbeleid. Met het ontmantelen van het ideaal van de sterke welvaartsstaat vanaf de jaren 1980 diende ook de rol van internationale arbeidsmigratie te worden herdacht. Enerzijds stuurt het verdwijnen van het perspectief van nationale ontwikkeling in het globale Zuiden nieuwe migratiestromen aan, anderzijds versterken processen van ongestuurde globalisering de roep om het sluiten van grenzen in westerse landen. Het historische migratieverhaal maakt nogmaals duidelijk dat globalisering niet gelijkstaat aan het terugtrekken van de staat. Het staat wel gelijk aan de verandering van de rol die de staat op het internationale veld speelt. Daar waar in de globaliseringsgolf na 1850 de overheden in de trans-Atlantische wereld arbeidsmigratie actief hebben mogelijk gemaakt, is deze rol in de huidige neoliberale golf geheel anders. Internationale arbeidsmigratie in de negentiende eeuw speelde een belangrijke rol in processen van internationale convergentie, althans binnen de trans-Atlantische wereld. Vandaag wordt die impact geminimaliseerd door het restrictieve beleid van de huidige kernlanden. Globalisering en migratie houden allebei de belofte in van een naar elkaar toe groeien, van een verkleinen van economische en culturele afstanden. Het is echter de staat die ten dele bepaalt of deze ambities kunnen worden waargemaakt. Laten staten in onderlinge afspraak toe dat internationale arbeidsmigratie kan werken als een systeem van communicerende vaten, zoals tot op zekere hoogte in de negentiende eeuw? Gebruiken ze het migratiebeleid als een instrument van nationaal protectionisme, zoals in de eerste helft van de twintigste eeuw? Wordt het een sturend deel van projecten van nationale ontwikkeling, zoals in de tweede helft van de twintigste eeuw? Of bouwen de kernlanden nieuwe muren tussen Noord en Zuid, zoals in de eenentwintigste eeuw? In elk geval verplicht de huidige ronde van globalisering tot het maken van nieuwe keuzes: aangaande de rol die arbeidsmigratie kan en moet spelen in internationale ontwikkeling; aangaande het vraagstuk van ongelijkheid en van arm en rijk; aangaande de betekenis van de migrant in onze huidige en toekomstige samenleving.

Literatuur

Christopher Chase-Dunn en Bruce Lerro, Social Change. Globalization from the Stone Age to the Present, Boulder, 2014.

Roger Daniels, Guarding the Golden Door. American Immigration Policy and Immigrants Since 1882, Hill & Wang, 2004.

Mike Davis, Planet of Slums, Verso, 2006.

Peter Dicken, Global Shift. Reshaping the Global Economic Map in the 21st Century, Sage, 2003.

Torsten Feys, The Battle for the Migrants. The Introduction of Steam-Shipping on the North-Atlantic and its Impact on the European Exodus 1840-1914, IMEHA, 2013.

Torsten Feys en Eric Vanhaute, ‘Internationale migratie, de nationale staat en de paradox van globalisering’, in Julie Carlier, Christopher Parker, Eric Vanhaute (red.), De Hermaakbare Wereld? Essays over Globalisering, Academia Press, 2016, blz. 25-39.

Colin Flint en Peter J. Taylor, Political Geography. World-Economy, Nation-State and Locality, zesde editie, Londen, 2011.

Dirk Geldof, Superdiversiteit. Hoe migratie onze maatschappij verandert, Acco, 2013.

Dirk Hoerder, Cultures in Contact. World Migrations in the Second Millennium, Duke University Press, 2002.

Jan Lucassen, Leo Lucassen en Patrick Manning (red.), Migration History in World History. Multidisciplinary Approaches, Brill, 2010.

Patrick Manning, Migration in World History, Routledge, 2013, tweede editie.

Adam McKeown, Melancholy Order. Asian Migration and the Globalization of Borders, New York, 2008.

Immanuel Ness (red.), The Encyclopedia of Global Human Migration, Wiley-Blackwell Publishing, volumes 1-5, 2013.

Kevin O’Rourke en Jeffrey Williamson, Globalization and History. The Evolution of a Nineteenth Century Atlantic Economy, MIT Press, 2001.

Jürgen Osterhammel en Nils P. Petersson, Globalization. A Short History, Princeton, 2009.

Eric Vanhaute, ‘Migratie: het grote menselijke verhaal’ in Bram Beelaert (red.), Red Star Line, 1873-1934, Davidsfonds, 2013, blz. 202–211.

Immanuel Wallerstein, Historical Capitalism, with Capitalist Civilization, Londen, 1995.

Aristide Zolberg, A Nation by Design. Immigration Policy in the Fashioning of America, Harvard University Press, 2006.



© S T R E V E N