Maart 1998

Erik Faucompret

Saddam Hoessein wint op punten


Zeven jaar geleden kwam er een einde aan de Golfoorlog. Een coalitie van dertig landen onder leiding van de VS versloeg Irak. Voor de VS waren er drie doelstellingen: de bevrijding van Koeweit, de vernietiging van de atoom-, biologische en chemische wapens van Irak en de eliminatie van de Iraakse dictator, Saddam Hoessein. Binnen de coalitie was er alleen eensgezindheid over het eerste doel: de agressie tegen een VN-lidstaat moest ongedaan gemaakt worden, a fortiori wanneer er olie in de bodem van die lidstaat zat. In het vuur van de overwinning stuurde de VS een verkeerde boodschap naar de binnenlandse opposanten van Saddam. Bush gaf de indruk dat hij hun te hulp zou komen als ze de tiran ten val zouden brengen. Retoriek voor binnenlands gebruik, zo bleek later. Heimelijk hoopte Washington dat de Koerden en de sjiieten in opstand zouden komen of dat het leger de hoofdverantwoordelijke voor de bloedige nederlaag zou afzetten. Zelf interveniëren werd echter nooit in overweging genomen: de Arabische bondgenoten in de coalitie zouden dat nooit hebben toegestaan.

Oorspronkelijk was de VS er vrij gerust in. De Iraakse tiran mocht zelfs ongehinderd de Koerdische en sjiitische revoltes de kop indrukken. Hadden CIA-rapporten niet voorspeld dat Saddam zich hoogstens nog achttien maanden zou kunnen handhaven? Waren er geen resoluties van de Veiligheidsraad die Irak ontwapenden en zijn economie verlamden? Resolutie 661 (augustus 1990) verbood de invoer van alle Iraakse grondstoffen en afgewerkte producten, de overdracht van kapitaal van en naar Irak en het vervoer van Iraakse producten. Resolutie 687 (januari 1991) verlengde het embargo tot Irak zijn langeafstandsraketten van meer dan 150 km en zijn atoom-, biologische en chemische wapens zou hebben vernietigd. Resolutie 715 (oktober 1991) gelastte het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) en de Speciale Commissie van de VN (UNSCOM) gezamenlijk een controlemechanisme te ontwerpen dat het Irak onmogelijk zou maken nucleair materiaal of grondstoffen voor biologische en chemische wapens te kopen in andere landen. Resolutie 688 (april 1991) verbood Irak zijn eigen bevolking te verdrukken en verplichtte het samen te werken met de internationale hulpverleners. Van het oorspronkelijke Amerikaanse optimisme is niet veel overgebleven. Zeven jaar na het einde van de Golfoorlog is Saddam Hoessein nog altijd aan de macht. Hij chanteert de VN, met als inzet het lijden van zijn volk. Een volk dat al zwaar heeft betaald voor een oorlog die zijn leider eigenhandig heeft gestart, en dat al duchtig geleden heeft onder de geallieerde bombardementen, die veel zwaarder waren dan het militaire doel van de operatie vereiste. De krachtproef tussen Irak en de VS gaat verder. Voorlopig wint Irak op punten: de gevaarlijke wapens zijn er nog altijd, het economisch embargo werd versoepeld, de oppositie is zwak en de coalitie staat op barsten.

Iraks geheime wapens

De kernproeven van Irak dateren van vóór Saddam Hoessein. Irak tekent weliswaar als een van de eerste landen het non-proliferatieverdrag en bevestigt, als lid van het IAEA, het uitsluitend vreedzaam karakter van kernenergie. Weldra wordt echter de eerste kernreactor geplaatst in Tuwaitha, ten zuiden van Bagdad. Nieuwe reactoren worden geleverd door Frankrijk en Italië. Uitsluitend voor vreedzaam gebruik, zeggen de Iraki's. Het Westen heeft vertrouwen in Saddam Hoessein. Is hij niet de stevige bondgenoot tegen het revolutionair-islamitische Iran? Israël vertrouwt het niet: de Mossad is op de hoogte van Saddams geheime wapens. Op 7 juni 1981 wordt Tuwaitha platgebombardeerd. Er komt een voorlopig einde aan Iraks nucleaire ambities. Saddam geeft echter niet op. In het grootste geheim begint Irak met de aanmaak van nieuwe en nog gevaarlijkere kernwapens. Dit keer wordt geen enkele informatie verstrekt aan het IAEA.

Kernwapens zijn voor Saddam niet voldoende. Irak start tegelijkertijd met de productie van biologische en chemische wapens. Dankzij de genereuze westerse financiële steun in de oorlog tegen Iran kan Bagdad zijn nieuwe wapens bekostigen. Het slaagt erin Duitse, Zwitserse en Italiaanse ondernemingen te misleiden. Iraakse bedrijven kopen via derden zogezegd grondstoffen voor meststoffen en pesticiden. Irak zet zelf fictieve bedrijven in het buitenland op, die onder een dekmantel voor rekening van de regering aankopen (bijvoorbeeld de Technology and Development Group met zetel in Londen). Op die manier omzeilt het de strikte bepalingen m.b.t. de westerse export van technologisch gevoelige producten. Een aantal westerse bedrijven speelt het (lucratieve) spel mee. Als ze eenmaal een exportvergunning gekregen hebben, is hun geheugen bijzonder kort. Ze dragen bij tot de ontwikkeling van een van de omvangrijkste en gevaarlijkste wapenarsenalen ooit door een ontwikkelingsland aangelegd.

In juli 1991 wordt Irak door het IAEA veroordeeld voor het niet nakomen van zijn verplichtingen. Het is de eerste keer dat zoiets gebeurt. Dankzij de nederlaag in de oorlog komt de reële draagwijdte van het bewapeningsprogramma aan het licht: 'Irak stond op het punt uranium te verrijken. Het project boekte snelle vooruitgang. Binnen afzienbare tijd had Irak kunnen beginnen met de industriële productie' (The Middle East, december 1991, blz. 6). Het VN-inspectieteam komt tot de conclusie dat Irak binnen de 18 tot 36 maanden zou hebben kunnen beschikken over nucleaire wapens. Ook levert UNSCOM het onomstootbare bewijs dat Irak omvangrijke voorraden bacteriologische wapens bezit (antrax, aflatoxine, e.d.). Saddam speelt de vermoorde onschuld. De beste verdediging is de aanval. Begin 1993 verbindt Irak voorwaarden aan de uitvoering van resolutie 715: opheffing van de geallieerde luchtbescherming van de sjiitische en Koerdische gebieden en vrije verkoop van ruwe aardolie. Irak weigert informatie te verschaffen over buitenlandse ondernemingen en regeringen die hebben geholpen bij zijn bewapening. Pas wanneer de VS dreigt met nieuwe gewapende acties geeft Bagdad toe. Wapeninspectieteams van de VN worden toegelaten. Irak geeft de identiteit vrij van 800 buitenlandse leveranciers, op voorwaarde dat zij niet strafrechtelijk worden vervolgd.

Sinds 1994 probeert UNSCOM te controleren of Irak geen massavernietigingswapens meer heeft of kan maken. Irak probeert de werkzaamheden van de inspecteurs zoveel mogelijk te hinderen. Het verzet zich ook tegen VN-inspectievluchten met Amerikaanse U-2's. De VN-commissie zou te veel onder Amerikaanse en Britse invloed staan. De wapeninspecties worden eindeloos gerekt om het land onder de duim te houden. Maar de VS zegt dat Irak geen eisen mag stellen over de samenstelling van de onderzoeksteams. Controleurs moeten ongehinderd toegang krijgen tot alle verdachte plaatsen. Naarmate binnen de coalitie de verdeeldheid groeit over het nog langer aanhouden van de sancties, neemt de Iraakse onwil toe. Saddam gaat door met de uitbouw van zijn conventieel wapenarsenaal en probeert zoveel mogelijk van zijn geheime wapens te redden door ze te verspreiden over het hele land of ze te begraven in de woestijn. De grootste bedreiging gaat uit van Iraks nucleaire en biologische expertise. Saddam beschikt over 10.000 wetenschappers en technici die in het grootste geheim aan een nieuw programma werken. Volgens een rapport van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken kan Irak na opheffing van de UNSCOM-controle binnen een jaar weer langeafstandsraketten bouwen, binnen twee jaar beginnen met de productie van chemische wapens en binnen vijf jaar met de aanmaak van een atoombom. Irak-VS: 1-0.

Economische puinhoop

Het VN-embargo trof een open economie. De olie had Irak rijk gemaakt: met de verdiende deviezen kon ongeveer alles worden ingevoerd. Van de voedingswaren bv. werd zestig procent aangeschaft in het buitenland. Saddam ging ervan uit dat het embargo niet lang zou duren. Daarom opteerde hij voor een kortetermijnstrategie die Irak onafhankelijker zou maken van het buitenland. De maximumprijzen op landbouwproducten werden afgeschaft. Landbouwers werden ertoe aangezet te voorzien in de eigen behoeften. De, grotendeels door de oorlog vernietigde industriële infrastructuur, werd zoveel mogelijk hersteld. De Iraki's werden aangemoedigd nieuwe ambachtelijke bedrijven op te richten. Voedsel werd gerantsoeneerd. De regering controleerde de (schaarse) invoer. De verdere uitbouw van het leger, alsook voor een buitenstaander onzinnige prestigeprojecten moesten het vertrouwen van de bevolking opvijzelen. Zo bouwde Irak de grootste moskee ter wereld (naast de luchthaven van Bagdad), een luxueus hotel in Babylon, een nieuw museum in Bagdad en... 39 nieuwe presidentiële paleizen.

Liever dan te bezuinigen en de inflatie te bestrijden koos Saddam voor heropbouw en tewerkstelling. De staat zou ervoor zorgen dat ongeveer de helft van de economisch actieve bevolking werk kreeg. Het gevolg van deze regeringspolitiek was op korte termijn minder voelbaar voor de Iraki's. De stelselmatige verarming als gevolg van inflatie en muntontwaarding wordt minder vlug gevoeld dan de abrupte armoede die zou voortvloeien uit werkloosheid. Op lange termijn zijn de effecten van dit beleid echter nefast gebleken. Saddam misrekende zich wat betreft de beslistheid waarmee de VS probeerde zijn regime op de knieën te krijgen. Pas in 1996 - veel te laat - werd overgeschakeld op een anti-inflatiepolitiek (verhoging van de belastingen, verkoop van openbare eigendommen, verbod op de verkoop van luxegoederen, e.d.). In 1997 bedraagt de inflatie op jaarbasis meer dan 6000%. De dinar heeft meer dan 500% van zijn waarde verloren tegenover de dollar. Het gemiddelde maandsalaris bedraagt 7 dollar, tegenover 300 dollar vóór de oorlog. Zelfs wie een opleiding genoot ziet zijn financiële reserves smelten als sneeuw voor de zon. Alleen een kleine groep heeft zich dankzij het embargo verrijkt. De georganiseerde misdaad slaat toe. De voorspoedige Iraki's (ongeveer 800.000) verlieten het land. Hoe langer het embargo aansleept, hoe catastrofaler de situatie wordt. Bedrijven sluiten wegens gebrek aan grondstoffen of machineonderdelen. De waterzuivering ligt stil omdat Irak geen chloor mag importeren. De bevoorrading in drinkwater en elektrische stroom wordt geregeld onderbroken. Dertig procent van de inwoners is ondervoed. Ook weegt het embargo zwaar op de ziekenhuizen. Volgens een rapport van de Iraakse regering is het sterftecijfer van kinderen (onder de vijf jaar) meer dan vijftien keer groter dan vóór augustus 1990. De armoede is ongelijk gepreid over het land. Vooral het sjiitische zuiden heeft onder het embargo te lijden. In het centrum en het noorden is de situatie minder dramatisch. De Iraakse christenen zijn vooral actief in de handel en worden gesteund door hun overzeese geloofsgenoten. De soennieten doen aan collectieve landbouw en produceren genoeg voedsel om in eigen behoeften te voorzien. Volgens de VN-coördinator voor humanitaire hulp, Denis Halliday, zal de Iraakse economie minstens twintig jaar nodig hebben om te herstellen. Als er geen grootschalige hulp komt, waarschuwt het VN-Wereldvoedselprogramma, dan zal er zich in Zuid- en Centraal-Irak een catastrofe voordoen als die van Somalië enkele jaren geleden.

Olie-voor-voedsel

Reeds einde 1991 verklaarde de Veiligheidsraad zich bereid de sancties tegen Irak te versoepelen. Het land zou voor een bepaald bedrag ruwe aardolie mogen verkopen, op voorwaarde dat het de opbrengst besteedt aan voedsel, geneesmiddelen en andere noodzakelijke goederen. Ook moet het de Koeweitse oorlogsschade vergoeden en de VN-operaties bekostigen. Aanvankelijk weigert Irak deze voorwaarden, die het beschouwt als een ongeoorloofde inmenging van de VN in de binnenlandse aangelegenheden van een lidstaat. Het duurt vijf jaar vooraleer Saddam van mening verandert. In mei 1996 wordt een overeenkomst bereikt: olie-voor-voedsel. Irak mag 700.000 vaten olie per dag verkopen; 30% van de opbrengst gaat naar herstelbetalingen en vergoeding van de VN-operaties. Een deel moet worden besteed aan de noodlijdenden in Koerdistan. In de Golfstaten wordt het akkoord positief onthaald. Volgens een krant in Qatar: 'Wij verwelkomen dit akkoord als Arabier en als mens. Maar het komt onvoldoende tegemoet aan datgene wat Irak en zijn volk verdienen. Zij hebben lang genoeg geleden onder het internationaal economisch embargo' (The Middle East, juli-augustus 1996, blz. 9). Voor Irak is het een diplomatieke overwinning, de eerste stap op weg naar de totale afschaffing van het embargo. Zoals een Iraakse krant het verwoordde: 'Today we made a crack in the wall of the embargo, and tomorrow we shall pull it down'.

Sinds december 1996 verkoopt Irak - om de zes maanden - voor een bedrag van 2 miljard dollar aan ruwe aardolie. Saddam wil die export zo beperkt mogelijk houden: beter de aardolie in de grond laten en wachten op betere tijden. Met de opbrengst van de verkoop (halfjaarlijks ongeveer 1,32 miljard $) probeert Irak zijn economie aan te zwengelen. Het ziet er niet naar uit dat het VN-embargo heeft gewerkt. Uit humanitaire overwegingen - de ellende van het Iraakse volk - heeft de VS gedeeltelijk toegegeven. Een gewetenloos dictator als Saddam ligt echter allerminst wakker van de ellende van zijn volk. Irak-VS: 2-0.

Sjiieten en Koerden

De oppositie in Irak is zwak. Ze komt van drie kanten: de minderheden, het buitenlands verzet en bepaalde fracties in het leger. De eerste minderheid is - puur demografisch beschouwd - een meerderheid: de sjiieten vertegenwoordigen 60% van de bevolking, maar zij nemen niet deel aan het bestuur van het land. De meeste sjiieten wonen ten zuiden van de 32ste breedtegraad in de zogenaamde no fly-zone, sinds augustus 1992 beschermd - maar alleen vanuit de lucht - door de Amerikanen en de Britten. Dit moerassig gebied - voorheen een schuilplaats voor 120.000 rebellen - ligt rond de samenvloeiing van de Tigris en de Eufraat en wordt begrensd door de steden Amara in het noorden, Nassiriya in het zuidwesten en Basra in het zuiden. In het oosten grenst het aan Iran. Om de sjiitische rebellen uit te schakelen heeft Saddam als een volleerd strateeg kanalen gegraven, moerassen drooggelegd, dorpen geëvacueerd, de belangrijkste steden bezet, gifgas gebruikt en de voedselbevoorrading geblokkeerd. Dertigduizend mensen zijn daarbij omgekomen, en de hulporganisaties konden niets meer verrichten. Ondanks de schending van VN-resoluties 661 en 688, liet de VS Saddam betijen. Zijn vliegtuigen werd de toegang tot het luchtruim ontzegd, maar zijn landmacht kon rustig haar gang gaan. In december 1994 stelde de VS weliswaar voor ten zuiden van de 32ste breedtegraad een veiligheidszone te creëren. Maar dat voorstel stootte op een Arabisch, Frans en Russisch veto. Een eventuele onafhankelijke staat in het zuiden zou - zo vreesden ze - snel in de Iraanse invloedssfeer belanden. Bevond het hoofdkwartier van de sjiitische rebellen - de Opperste Raad van de Islamitische Revolutie in Irak, waarvan Sayed al Hakim de leider is - zich niet in Teheran? Sinds 1993 werd de sjiitische rebellie de kop ingedrukt en 30.000 rebellen zijn gevlucht naar Iran.

Van een heel ander kaliber is de Koerdische oppositie in het noorden. Daar bestaat sedert januari 1991 een beveiligde zone, ten noorden van de 36ste breedtegraad, beschermd door de VS, Frankrijk en Groot-Brittannië. De drie miljoen Iraakse Koerden riepen hun onafhankelijkheid uit en kozen in 1992 voor het eerst in hun geschiedenis een eigen parlement en een eigen regering. Het autonome Koerdistan beslaat een gebied van 75.000 km5 in Noord-Irak, met grote steden als Zakho, Dohok, Erbil en Suleimania. Veel Koerden willen echter meer: zij dromen luidop van een Groot-Koerdistan dat delen van Irak, Iran, Turkije, Syrië en de voormalige USSR moet omvatten. De situatie in Koerdistan is lang niet rooskleurig. Alleen voor verzetsstrijders (pershmagas) is er werk. De grootste twee Koerdische verzetsbewegingen zijn tot de tanden gewapend en elkaars rivalen. Ze controleren elk een deel van het gebied. De Koerdische Democratische Partij (KDP), van de relatief gematigde Massoed Barzani, is bereid met Saddam een compromis te sluiten. De zoon van de legendarische Moestafa Barzani wil van de zwakke positie van de Iraakse leider en van de gunstige wereldopinie profiteren om een deel van de Koerdische aspiraties te verwezenlijken. In 1991 onderhandelde hij met Saddam over een akkoord voor regionale autonomie. Koerdistan zou een beperkt zelfbestuur krijgen, terwijl Bagdad het laatste woord zou krijgen in een aantal belangrijke (o.a. fiscale) aangelegenheden. De olierijke gebieden van Kirkoek, Sinjar en Khanaqin zouden buiten Koerdistan vallen. Het akkoord werd verworpen door de andere grote verzetsbeweging, de door Iran gesteunde Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) van Jalal Talabani, en door kleinere verzetsgroepen die Saddam niet vertrouwen. De herinnering aan Halabja 1988 is nog levendig: toen gebruikte het Iraakse leger gifgas, omdat de bevolking van dat dorp met Iran had gecollaboreerd.

Terwijl de VS geen enkele sympathie koestert voor de Turkse Koerden, die het ongeluk hebben tegen een NAVO-bondgenoot te strijden, heeft Washington bemiddeld tussen Talabani en Barzani. Overigens zonder veel succes: op het moment van de onderhandelingen sloot Barzani met Saddam Hoessein een akkoord om Talabani te verdrijven. De rivaliteit tussen de verzetsbewegingen bereikte een hoogtepunt, toen in augustus-september 1996 het Iraakse leger - met 45.000 soldaten en honderden tanks - de KDP hielp in haar strijd tegen de PUK voor de recuperatie van Arbil, Talabani's bolwerk in het noorden. De basissen van de PUK werden vernietigd, en de overlevenden vluchtten naar Iran. De burgeroorlog heeft intussen het leven gekost aan minstens 2000 mensen. Tijdens de crisis kwam de VS niet rechtstreeks tussenbeide. Er werden meer dan 40 kruisraketten afgevuurd op Saddams tanks in Zuid-Irak, honderden kilometers verwijderd van het strijdtoneel! Ook hier ging Saddam schrander te werk. Hij heeft de KDP-guerrilla's ervan kunnen overtuigen dat ze er belang bij hebben dat hij de macht behoudt. Dan blijft Irak tenminste een seculiere staat. Een regime van de verenigde oppositie zou in fundamentalistisch-sjiitisch vaarwater terechtkomen. Dat zien de (soennietische) Koerden liever niet gebeuren. Turkije, Iran en Syrië zijn bovendien meer anti-Koerdisch dan Irak. Saddam profileert zich als de (tijdelijke) beschermer van de Koerden. Door Talabani, de meest militante van de twee leiders, uit te schakelen, en door de internationale reputatie van de Koerden te ondermijnen heeft hij opnieuw de controle over Noord-Irak in handen.

Oppositie buiten en binnen Irak

De buitenlandse oppositie tegen Irak stelt niet veel voor. In 1991 creëerden zeventien organisaties in Damascus het Gemeenschappelijk Actiecomité (GAC) onder leiding van Saad Saleh Jabr. Het gaat om vogels van diverse pluimage, allemaal verwant met partijen die bestonden in het eertijds democratische Irak: Koerden, sjiieten, soennieten, Assyriërs, Turkomanen, communisten, Arabische nationalisten en dissidenten van de Baathpartij. Reflecteert deze oppositiegroep vrij goed de etnische, politieke en religieuze diversiteit van het Iraakse volk, dan bestaan er tegelijk diepgaande meningsverschillen. Alleen over volgende punten is men het eens: Saddam moet van het politiek toneel verdwijnen, Irak moet territoriaal één blijven, de Koerden hebben recht op zelfbestuur, en Irak moet opnieuw een parlementaire democratie worden. Wanneer het GAC in 1992 een internationaal congres plant, komt het tot een breuk. Een aantal dissidenten noemt zich Iraaks Nationaal Congres (INC, met als leider Ahmed Chalabi) en kiest als hoofdkwartier Londen. In tegenstelling tot zijn tegenhanger heeft het INC weinig voeling met de thuisbasis, met uitzondering van Koerdistan. Wel kan het genieten van omvangrijke Amerikaanse diplomatieke en financiële steun. Graag zou het INC een regering in ballingschap oprichten, maar het vindt daarvoor steun noch bij het GAC, noch bij de Koerden, noch bij de sjiieten. De groep kampt bovendien met interne meningsverschillen. De buitenlandse oppositie is duidelijk geen partij voor Saddam.

Resten nog de binnenlandse opposanten van het regime. De VS had gehoopt dat zij Saddam ten val zouden brengen, zeker na een nederlaag van formaat als in de Golfoorlog. Waarom gebeurde dat niet? Dat heeft te maken met de eigen aard van het regime. Irak wordt gedomineerd door de soennieten - 4 miljoen op een totale bevolking van 18 miljoen - en in mindere mate door de christenen. De Revolutionaire Commandoraad bestaat exclusief uit soennieten afkomstig uit Takrit, de geboortestad van Saddam Hoessein, die de verschillende soennietenclans onderling verzoent. De Majids, Duri's, Jaboers, Takriti's en andere clans staan met getrokken messen tegenover elkaar. Hun verdeeldheid weet Saddam meesterlijk uit te buiten. Hij schuift de schuld van alles wat er misgaat in Irak, op de VS: hoe ernstiger de diplomatieke conflicten met de VN, hoe sterker de interne cohesie wordt. Zelfs vooraanstaande intellectuelen als Ibrahim Jabra trappen in de val: 'Ze (het Westen) gaven ons militaire slagkracht door ons wapens en ongeveer alles te verkopen waarmee we wapens konden maken, en daarna vernietigden ze die wapens. Dan moedigde het Westen een rebellie aan in het zuiden en het noorden van het land, maar het steunde de rebellen onvoldoende. Die politiek is vals en hypocriet' (The Middle East, maart 1993, blz. 10). De soennieten zijn gehecht aan de eenheid van het land, en tot nader order is Saddam daarvoor de beste garantie. In 1996 werd hij dan ook herkozen voor een periode van 7 jaar met 99.96% van de stemmen. Er was geen tegenkandidaat.

Sinds een kwarteeuw wordt Irak geregeerd door de Baathpartij, een combinatie van socialisme en pan-Arabisme. Deze partij beheerst elk aspect van het sociale en economische leven. Ze beschikt over een trouwe schare van volgelingen, die bij de verwijdering van Saddam alle privileges zouden verliezen. De Baathpartij, die geen dissidentie duldt, wordt gerugsteund door een zeer gesofistikeerde inlichtingendienst en binnenlandse-veiligheidsdienst, die worden geleid door Qusai Hoessein, Saddams jongste zoon. De Baath is ook baas in het leger. Saddams oudste zoon, Udai, is minister van Defensie. Alle generaals zijn soenniet of christen. Er is een systeem van constante mutaties, zodat er binnen het leger geen alternatieve elite ontstaat. Zodra een gebrek aan loyaliteit vermoed wordt, wordt het leger gezuiverd van een clan. Zo bv. in 1990, toen de Jabbourclan (noordelijke soennieten) van samenzwering werd beschuldigd, of in 1995, toen fundamentalistische soennieten werden geëxecuteerd. Wanneer Saddam in oktober 1994 besluit een legermacht van 70.000 man samen te trekken aan de grens met Koeweit, zijn er generaals die protesteren. Zij worden ter dood veroordeeld. Deserteurs worden de oren afgesneden. In september 1995 vlucht Saddams schoonzoon, generaal Hoessein Kamel al Majid, naar Jordanië. Kamel wordt beladen met alle zonden van Israël. Enkele weken nadat hij in Irak is teruggekeerd, wordt hij beschuldigd van hoogverraad en ter dood veroordeeld. De daaropvolgende zuiveringen van het leger en de uitgevaardigde straffen ontnemen alle would-be samenzweerders (wellicht) de lust het ook eens te proberen. Volgens een rapport van de CIA heeft Saddam dankzij de soennieten, de Baathpartij en zijn 26.000 man sterke republikeinse garde het roer nog altijd stevig in handen. Irak-VS: 3-0.

Coalitie

De internationale coalitie die Koeweit heeft bevrijd, was een product van de Bush-diplomatie. Met een zwakke Amerikaanse president aan het hoofd, verloor ze geleidelijk aan slagkracht. Zowel militair als politiek. De Amerikaanse en Britse luchtmacht heeft basissen nodig om Irak te treffen. Turkije verbiedt het gebruik van zijn basis, tenzij om vluchten uit te voeren boven Koerdistan. (Daarvoor betaalt Amerika een prijs: het staat oogluikend toe dat het Turkse leger de PKK-guerrilla's achtervolgt op Iraaks grondgebied.) Saoedi-Arabië en de andere Golfstaten geven slechts heel uitzonderlijk toestemming voor controlevluchten. Niet alleen heeft de VS minder luchtmacht ter beschikking dan voorheen, ook het aantal doelwitten dat in Irak kan worden getroffen, is beperkt.

Ook politiek komen er barsten in de coalitie. Drie van de vier permanente leden van de Veiligheidsraad, China, Frankrijk en Rusland, pleiten ervoor het embargo binnen een redelijke termijn op te heffen. Irak heeft nog hoge schulden uitstaan in Frankrijk en Rusland, die het met oliegeld zou kunnen afbetalen. Die twee landen willen graag hun diplomatieke invloedssfeer in het Midden-Oosten uitbreiden, als compensatie voor het verlies van invloed in andere delen van de wereld: Afrika voor Frankrijk en Oost-Europa voor Rusland. Saddams strategie bestaat erin constant diplomatieke conflicten uit te lokken met de VS. Het Iraakse mes snijdt aan twee kanten. Reageren de Amerikanen niet, wegens de verdeeldheid binnen de Veiligheidsraad, dan heeft hij getoond dat hij hen durft uit te dagen. Reageren ze wel, bv. met raketaanvallen, dan komen er nieuwe spanningen in de coalitie. Irak kan zich dan ook profileren als een slachtoffer van het Amerikaanse imperialisme. Dat raakt een gevoelige snaar in de Arabische wereld. De Arabische leiders geloven niet langer in de verdwijning van Saddam. Dus is het beter een modus vivendi te zoeken. Met als bijkomend voordeel dat het revolutionaire Iran de pas wordt afgesneden. Deze bekommernis is een van de twee redenen waarom de buurlanden weer contact zoeken met Irak. De groeiende frustratie over het vredesproces tussen Israël en de PLO is de andere reden. Hanteren de Verenigde Staten geen dubbele standaard, als ze Irak willen dwingen de VN-resoluties na te leven, maar discreet de andere kant opkijken wanneer de Israëliërs met het grootste gemak het internationaal recht met de voeten treden? Irak-VS: 4-0.

Toekomst

De krachtproef tussen Irak en de VS sleept nu al bijna acht jaar aan en het einde is niet in zicht. Irak vindt dat het zijn goodwill getoond heeft: het heeft de VN-inspecties toegelaten en is ingegaan op de olie-voor-voedsel-overeenkomst. Telkens als Irak toegevingen doet, komt de VS echter met nieuwe eisen die een flagrante inbreuk betekenen op zijn soevereiniteit: de behandeling van de sjiieten of de Koerden, herstelbetalingen aan Koeweit, enz. Officieel houdt de VS het been stijf. Maar over de wijsheid van het gevolgde beleid heerst er groeiende onzekerheid. Is de vijand Saddam Hoessein, of Irak als zodanig? M.a.w., zou eventueel een ander regime zoveel verschil uitmaken? Zou het de ambitie opgeven om van Irak een sterke regionale macht te maken? Zorgwekkend is het feit dat ook een groot deel van de oppositie Koeweit beschouwt als 'een integraal deel van Irak', al heeft Bagdad de grens met het buurland nu officieel erkend. Irak is een lappendeken van etnische en religieuze minderheden die in het verleden alleen met sterke hand konden worden samengehouden. Wellicht willen eventueel nieuwe leiders samenwerken met de buurlanden, maar net zo goed zullen ze - als Arabische nationalisten - de invloed van Irak over de Arabische wereld willen uitbreiden.

Ons internationaal systeem is niet voorbereid op een confrontatie met gewetenloze leiders als Saddam Hoessein, die van risico en geweld houden. De VN staat even machteloos tegenover hem als eertijds de Volkenbond tegenover Hitler. Als een collectief veiligheidssysteem niet werkt, dan moet men terugkeren naar het systeem van balance of power, dat gedurende een groot deel van de negentiende eeuw, Europa heeft behoed voor oorlog. In het geval van Irak - met of zonder Saddam Hoessein - zal de VS op zoek moeten gaan naar bondgenoten, in dat deel van de wereld, die een tegenwicht bieden: Egypte, Turkije, Israël en Iran. Egypte en Turkije kampen met zware interne problemen en met Iran is er amper een dialoog. En het blijft de vraag of niet-Arabische staten bondgenoten kunnen worden in een regionaal veiligheidssysteem dat moet vermijden dat Arabische landen andere Arabische landen aanvallen. Er zal heel wat diplomatieke schranderheid nodig zijn om de situatie in dat deel van de wereld te stabiliseren. Maar het zal de enige oplossing zijn om Irak in te tomen.


Literatuur

    'Back to Iraq', in US News and World Report, nr. 11, 1996, blz. 34-45.
    G. Baguet, 'The Ongoing Iraqi Embargo', in Esprit, mei 1997, blz. 165-170.
    P. Dupont, 'Armer maar niet slapper', in Rendez-vous in Bagdad, EPO, Berchem, 1994, blz. 87-97.
    W. Elali, 'The International Debt Crisis of Iraq', in Economia Internazionale, nr. 3, 1997, blz. 405-426.
    'Iraq, the Kurds and the Americans', in The Economist, nr. 7983, 1996, blz. 65.
    The Middle East, jaargangen 1991-1998.
    J.S. Nye, Understanding International Conflicts, Harper Collins, Harvard, 1993, 210 blz.
    E. Rouleau, 'Briser toute résistance au Proche-Orient', in Le Monde Diplomatique, nr. 488, 1994, blz. 10.
    G. Talhami, 'Crisis in the Arabian Gulf. An Independent Iraqi View', in Muslim World, januari 1997, nr. 1, blz. 82-83.
    E. Watkins, 'The Unfolding US Policy in the Middle East', in International Affairs, januari 1997, nr. 1, blz. 1-14.

© S T R E V E N