Juni 1998

Stefan Késenne

De aangekondigde dood van het Belgisch voetbal

In 1995 werd de voetbalwereld door het arrest van het Europese Hof in de zaak-Bosman pijnlijk getroffen. Toen de Schot David Will, ondervoorzitter van de FIFA, eind 1997, op een internationaal congres aan de Universiteit van Neuchâtel in Zwitserland, de algemene gevoelens van onrust verwoordde, wisselden Roger Noll en Gerald Scully, twee vooraanstaande Amerikaanse sporteconomen, veelbetekenende blikken van verstandhouding. Scully vroeg het woord, prees Will voor zijn warm pleidooi, maar voegde er meteen aan toe dat hij nog nooit tevoren zo'n sterke indruk van 'déjà vu' had gekregen. Meer dan twintig jaar geleden, op een congres in de VS, werden bijna woordelijk dezelfde klachten uitgesproken door de toenmalige Baseball Commissioner. In de jaren zeventig werd in de VS de zgn. reserve clause, die de sportclubs verregaande eigendomsrechten op de diensten van hun spelers verleende, vervangen door het zgn. free agency. De Amerikaanse regeling van de reserve clause was in grote lijnen vergelijkbaar met het Europese transfersysteem, waardoor een profspeler aan het einde van zijn contract alleen maar van club (werkgever) mocht veranderen als de club die hij verliet en de club die hem opnam het met elkaar eens waren over de verschuldigde transfersom. Het opgeven van de reserve clause lokte toen in de VS dezelfde klaagzangen en doemvoorspellingen uit als nu het Bosman-arrest in Europa, m.b.t. de toekomst van het voetbal. Scully betoogde dat de afschaffing van het transfersysteem de professionele sport in de VS alleen maar te baat is gekomen. Dat blijkt uit zowat alle Amerikaanse theoretische en empirische studies. Zoals er in de jaren zeventig niets van de voorspellingen van de Baseball Commissioner is uitgekomen, zo slaat volgens Scully en Noll ook het doemdenken van de FIFA in de jaren negentig nergens op.

In deze korte bijdrage wil ik de recente turbulente evolutie van de professionele voetbalsport in België en Europa belichten vanuit een economische hoek. In de eerste plaats heb je de uitspraak van 1995 in de zaak-Bosman, en dat arrest betreft zowel het opheffen van het transfersysteem als het onbeperkt vrije verkeer van spelers in Europa. Vervolgens heb je het nieuwe Vlaamse decreet van 1996 op de niet-professionele sportbeoefenaar, dat zich heeft geïnspireerd op de Europese uitspraak. Onmiddellijk daarop volgde een juridische betwisting over de interpretatie van een passage van de wet van 1978 op de betaalde sportbeoefenaar. Ten slotte (althans voorlopig) heb je het Vlaamse decreet op de vrije nieuwsgaring en de exclusiviteitscontracten met de televisiezenders. Hoe beïnvloeden die maatregelen de financiële positie van de Belgische voetbalclubs? Wat zijn er de gevolgen van op het evenwicht in de competitie tussen grote en kleine clubs, en op de lonen van de spelers? Komt de jeugdopleiding niet in het gedrang door het afgedwongen vrije verkeer van spelers? Gaat de antimonopoliefilosofie die aan het Bosman-arrest ten grondslag ligt, voortaan ook de relaties tussen clubs en televisiezenders bepalen?

Het Bosman-arrest van het Europese Hof in Luxemburg

Op 15 december 1995 oordeelde het Europese Hof in Luxemburg, na advies van advocaat-generaal Otto Lenz, dat het Europese transfersysteem illegaal is en dat de beperking op het aantal (Europese) buitenlanders dat een club mag opstellen, de zgn. '3+2'-regel, strijdig is met de Europese wetgeving. Met deze uitspraak viel het doek over een vijf jaar aanslepende zaak, aanvankelijk aangespannen tegen F.C. Luik en de Belgische Voetbalbond door de bescheiden Belgische voetballer Jean-Marc Bosman. De toen 26-jarige Bosman mocht, aan het eind van zijn contract bij F.C. Luik, niet naar een andere club overstappen. Hij werd gedwongen bij Luik verder te spelen voor het minimumloon, zowat één derde van wat hij vroeger verdiende en wat hij, volgens ingewijden, ook waard was. Gesteund door de Belgische Voetbalbond, misbruikte de Luikse club haar machtspositie. Ze profiteerde van het Belgische 'most victorian transfersystem in the world' (naar de woorden van een boze Britse UEFA-raadsman). Het verdict van het Hof was strenger dan Lenz en de advocaten van Bosman, die hadden gepleit voor een overgangsperiode om de clubs de kans te geven zich aan de nieuwe regelgeving aan te passen. Het boze Hof eiste echter de onmiddellijke afschaffing van het transfersysteem, naar verluidt omdat er in de periode tussen het advies van de advocaat-generaal en het arrest, op de meest schaamteloze wijze politiek lobbywerk werd verricht om het tij vooralsnog te keren. Men kon verwachten dat die manoeuvres tijdens de overgangsperiode nog zouden toenemen.

Het hoeft echter geen betoog dat heel wat clubs hierdoor in ernstige moeilijkheden dreigden te raken. Clubs zonder enig vast kapitaal (het stadion en de gronden zijn immers vaak eigendom van de stad of de gemeente) hadden grote leningen lopen bij de banken, met als enige bankgarantie de waarde van hun spelers op de transfermarkt. De spelers stonden in de boekhouding opgetekend als 'activa', als bezittingen van de club. Hun transferwaarde werd van de ene dag op de andere herleid tot bijna nul. Andere clubs die de storm ook niet hadden zien aankomen, kochten op de transfermarkt net vóór het arrest dure spelers aan, met een contract van twee of drie jaar, en zagen die zonder enige vergoeding naar het buitenland vertrekken aan het eind van hun contract. Niettemin zijn dat maar kortetermijnproblemen, waarvan de gevolgen na enkele jaren uitsterven. De vraag is of het Bosman-arrest ook blijvende schade toebrengt aan de betaalde sport in Europa. Met de Amerikaanse sporteconomen, die kunnen terugblikken op meer dan twintig jaar ervaring met hun vrije spelersmarkt, denk ik dat de afschaffing van het transfersysteem voor de sport een goede zaak is.

Wetenschappelijk onderzoek heeft reeds ten overvloede aangetoond dat er geen verband kan worden gelegd tussen de beperking van de spelersmobiliteit en een evenwichtige organisatie van de sportcompetitie. Ook de empirische verificatie van deze theoretisch afgeleide stelling is zonder meer overweldigend1. De overtuiging dat men via een transfersysteem een gelijkmatige verdeling van het spelerstalent over de clubs kon bereiken, of al was het maar kon bevorderen, is een illusie gebleken.

De verwachte en economisch perfect voorspelbare explosie van de spelerswedden, die de VS heeft gekend na de afschaffing van hun reservation system, zal zich in Europa niet herhalen. In de VS zijn de sportclubs immers commerciëler ingestelde organisaties, met een duidelijk winstoogmerk. De machtspositie over de spelers, die het transfersysteem aan de eigenaars van de clubs verleende, maakte het hun mogelijk de spelers uit te buiten, d.w.z. een wedde te betalen die niet overeenstemde met hun productiviteit, noch met hun bijdrage tot de clubontvangsten2. Dat is echter niet het geval bij de Belgische clubs, die veeleer non-profitorganisaties zijn en die hun inkomsten bijna integraal besteden aan de aankoop en betaling van spelerstalent. De afschaffing van het transfersysteem hoeft dus geen enkel effect te hebben op het gemiddelde niveau van de spelerslonen in België. Als de lonen na het Bosman-arrest toch naar omhoog zijn gegaan, dan is dat te wijten aan andere factoren, zoals de extra middelen die hogere tv-rechten en merchandising voor de sport hebben opgeleverd, of het verdwijnen van de '3+2'-regel - daar kom ik zo meteen op terug B, waardoor de internationale vraag naar Belgisch spelerstalent groter is geworden. De voornaamste oorzaak van de recent vastgestelde verhoging van de lonen van professionele voetballers in België is m.i. veeleer te zoeken in het weinig professionele management van de clubs: kortzichtige clubbestuurders denken dat ze de spelers hogere lonen mogen aanbieden, omdat het nu niet langer nodig is geld klaar te houden voor transfers. Zij vergeten daarbij dat ze later ook geen transfersom zullen ontvangen als de spelers na afloop van hun contract vertrekken. Het geld dat op die manier uit de clubkassen verdwijnt, komt terecht in de handen van de spelers. Daardoor geraken de clubs na enkele jaren in financiële moeilijkheden.

Het valt nauwelijks te ontkennen dat het verdwijnen van het transfersysteem een financiële klap is geweest voor de kleinere clubs. Het transfersysteem functioneerde immers min of meer als een herverdelingssysteem. De kleinere clubs bleken 'netto-verkopers' van spelerstalent te zijn op de transfermarkt: zij verkochten meer spelerstalent (vooral jonge talentrijke spelers) dan zij aankochten. Er bestaan evenwel alternatieve en legale reguleringsmechanismen, zoals het systeem van revenue sharing, dat de ontvangsten van de clubs via een door de bond bepaalde verdeelsleutel herverdeelt onder de grote en de kleine clubs. Dergelijke systemen bestaan al lang in de American Football en Baseball Leagues. In een aantal Europese landen worden de tv-rechten verdeeld onder de clubs. Ook de European Champions League kent een systeem van herverdeling van sponsorgelden en tv-rechten. Economisch onderzoek heeft aangetoond dat revenue sharing wel een positief effect heeft op de verdeling van spelerstalent onder de clubs3.

Intussen blijkt het einde van de zgn. '3+2'-regel, zoals bepaald in het Bosman-arrest, de Belgische voetbalbond meer problemen te bezorgen dan het opheffen van de transfermarkt. Als er zich al één duidelijk proces heeft afgetekend sinds december 1995, dan is het wel de exodus van Belgische topspelers naar het buitenland. Volgens de '3+2'-regel mocht een club nooit meer dan drie buitenlanders en twee 'quasi-buitenlanders'4 opstellen in een team. Die protectionistische maatregel, die wel het voetbal in de kleine landen beschermde tegen het grote geld van de rijke buitenlandse clubs, paste echter niet langer in de filosofie van een verenigd Europa. Geen rozen zonder doornen: als de voetbalwereld met grof geld wil spelen, moeten ook de harde wetten van het internationaal zakenwezen erbij worden genomen.

Het Vlaamse decreet op de niet-professionele sportbeoefenaar

Over de vrijheid van de amateur-voetballer, die op jeugdige leeftijd een verbintenis aangaat met een club, wordt in Vlaanderen al lang geredetwist. Zowel binnen als buiten de sportwereld heeft men zich zorgen gemaakt over de misbruiken van sommige voetbalclubs die de fundamentele rechten van de spelers met de voeten traden. Heel wat clubbestuurders meenden eigenmachtig over toekomst en loopbaan van jonge talentrijke spelers te mogen beslissen, zodra die een aansluitingskaart hadden getekend. Ten gevolge van dergelijke ongeoorloofde praktijken heeft de overheid geoordeeld in deze zaak te moeten optreden. Daaruit is in 1975 het statuut van de niet-betaalde sportbeoefenaar ontstaan. Mede o.i.v. de Europese uitspraak in de zaak-Bosman heeft de Vlaamse regering het initiatief genomen het bestaande decreet drastisch te wijzigen en bij te sturen. Het nieuwe decreet op de niet-professionele sportbeoefenaar van 12 september 1996, dat in voege trad op 1 januari 1997, bepaalt dat elke niet-professionele sportbeoefenaar vrij is om elk jaar van club te veranderen zonder enige transfervergoeding. Als niet-professionele sportbeoefenaar wordt voortaan beschouwd elke speler die minder verdient dan het wettelijk minimumloon, ongeveer 520.000 frank (omgerekend zo'n 28.000 gulden) per jaar. Het decreet verbiedt het betalen van enige vergoeding bij een regelmatige beëindiging van een overeenkomst tussen een niet-professionele sportbeoefenaar en zijn sportvereniging, en verbindt duidelijke strafmaatregelen aan de niet-naleving van alle bepalingen.

Opnieuw werd de dood van het voetbal in België voorspeld. Met name de jeugdopleiding zou ernstig worden bedreigd door het wegvallen van de transfersommen. Jonge spelers in wie een club veel geld heeft geïnvesteerd, kunnen nu zonder enige vergoeding naar een andere club overstappen, zodat de jeugdopleiding onbetaalbaar wordt, tenzij het lidmaatschap ondemocratisch duur wordt.

In dat verband wil ik toch opmerken dat een transfersysteem iets totaal anders is dan een systeem van opleidingsvergoeding, ook al heeft het bestaan van het transfersysteem als neveneffect gehad dat vooral kleinere clubs de mogelijkheid zagen geld te verdienen met het verkopen van talentrijke spelers. Ook hier geldt dat er andere en legale vergoedingssystemen kunnen worden bedacht voor de opleiding van de jongeren. Waarom kan in de Belgische voetbalbond niet wat bv. wel kan in de basketbalbond, met zijn collectief licentiesysteem? Men zou ook kunnen aanvoeren dat de overheid hierin een taak te vervullen heeft. Als het beroepsonderwijs in België gesubsidieerd wordt, en voetbal voor vele spelers een beroep is geworden, mag dan van de overheid ook geen inspanning worden verwacht voor de opleiding van jonge voetballers?

Ondertussen zijn er met het decreet nieuwe problemen gerezen, eigen aan ons complexe landje van twee gemeenschappen en drie gewesten. Aangezien het gaat om een Vlaams decreet en Wallonië niet dezelfde overgangsregeling voor amateurspelers kent, doen er zich soms moeilijk op te lossen problemen voor bij de overgang van Waalse jeugdspelers naar Vlaanderen, zeker als de Vlaamse Gemeenschap een veel te strakke interpretatie geeft aan haar verbod op transfervergoedingen. Vlaanderen drijft het zo ver dat het een Vlaamse club niet toestaat een transfervergoeding te betalen aan een Waalse club die er overeenkomstig de Waalse reglementering om vraagt. Volgens mij zou de toepassing van het decreet alleen mogen inhouden dat het eisen van transfervergoedingen door een Vlaamse club verboden is. Pas dan zouden Waalse spelers er niet van worden weerhouden voor een Vlaamse club te spelen. En dan is er ook nog het probleem 'Brussel'. Daar zijn namelijk de hoofdzetels van de meeste sportfederaties gevestigd, zodat er een juridische betwisting ontstaat over welke wetgeving van toepassing is bij een geschil tussen sportverenigingen in België.

In het kielzog van de vele discussies rond de affaire-Bosman stak ook plots een nieuwe interpretatie van een oude wet van februari 1978 de kop op. Die wet regelde de arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaars. Zoals men kon verwachten reageerden veel clubs op het Bosman-arrest met het verlengen van de duur van de spelerscontracten, zodat ze tijdens de looptijd van het contract toch nog transfervergoedingen konden vragen. Nu luidde de nieuwe interpretatie van de wet van 1978 dat een professionele sportbeoefenaar onder contract, te allen tijde zijn contract kan verbreken tegen betaling van een schadevergoeding gelijk aan zes maanden loon. Voldoende reden voor een nieuwe aankondiging van de dood van het professionele voetbal in België! Er volgden meteen drukke onderhandelingen, die resulteerden in een nieuw Koninklijk Besluit van 22 januari 1997, dat de bedragen van de schadevergoeding (vooral naar boven) aanpaste, afhankelijk van de resterende looptijd van het contract. Volgens de Leuvense hoogleraar Blanpain, een specialist in het arbeidsrecht, is dat Koninklijk Besluit echter ongrondwettelijk en in strijd met de arbeidswetgeving. Anderzijds geldt evengoed dat een contract ook door de speler moet worden nageleefd, net zoals het einde van een contract door de club moet worden gerespecteerd en de speler ongehinderd een nieuwe club moet kunnen kiezen. Contracten zouden enkel mogen worden verbroken als er ernstige redenen voor zijn, of als beide partijen er wederzijds mee instemmen. De vorming van een coherent team in een sportclub vereist nu eenmaal een langetermijnperspectief.

Het Vlaamse decreet op de vrije nieuwsgaring

Kan een nationale sportfederatie een contract afsluiten met één tv-zender voor de exclusieve uitzendrechten van de Belgische competitiewedstrijden? De Vlaamse wetgever meent van niet. Op grond van het principe van de vrije nieuwsgaring werd gesleuteld aan een nieuw decreet dat aan alle tv-zenders het recht verleent een aantal minuten beeldmateriaal van de wedstrijden uit te zenden. Opnieuw werd de beproefde tactiek bovengehaald en de dood van het professionele voetbal voorspeld. De voetbalbond, die de riante bedragen van de uitzendrechten al zag wegsmelten, dreigde er zelfs mee de competitie stop te zetten. De competitie ging echter rustig door, en het decreet kwam er begin 1998. Toch blijven er m.i. ondertussen nog een aantal belangrijke vragen onbeantwoord.

Vooreerst is het volstrekt onduidelijk wat 'vrije nieuwsgaring' juist betekent. Op grond van de persvrijheid in België mag elke zender de voetbaluitslagen meedelen door de radio of de televisie. Niemand heeft dat recht ooit betwist, ook niet de voetbalbond. Betekent vrije nieuwsgaring in onze moderne beeldcultuur ook dat tv-beelden vrij mogen worden getoond? Gaat het hier niet eerder om amusement dan om informatie? Mogen deze beelden onbeperkt worden opgenomen, op een privé-terrein waar men alleen maar tegen betaling binnen mag, terwijl ze vervolgens door pakweg een miljoen televisiekijkers vrij kunnen worden gezien?

Een andere vraag is in andere landen al langer aan de orde: is de club of de bond eigenaar van de uitzendrechten van een voetbalwedstrijd in het stadion van de club? In Spanje voert de individuele club de onderhandelingen met tv-zenders over de uitzendrechten van de wedstrijden op eigen terrein. In Nederland en Duitsland zijn er recent duidelijke uitspraken geweest van rechtbanken die oordeelden dat niet de sportfederatie, maar de club eigenaar is van de uitzendrechten.

Uit strikt economisch oogpunt kan de monopoliepositie die de bond inneemt op de markt van de voetbalbeelden, inderdaad nadelig uitvallen voor het voetbalpubliek: het krijgt te weinig beelden te zien, tegen een te hoge prijs. Meer concurrentie tussen de aanbieders van voetbalbeelden, met name de clubs, zou de prijs, doorgerekend in de pay per view of in het kijk- en luistergeld, kunnen drukken. Nu kan de monopoliehouder die prijs opdrijven in functie van zijn eigenbelang.

Maar maakt de Belgische voetbalbond, als niet-commerciële organisatie, wel echt van zijn machtspositie als monopoliehouder ten volle gebruik om de uitzendrechten omhoog te duwen? Zo niet, zouden de uitzendrechten die de clubs voor hun wedstrijden bedingen door de diverse zenders tegen mekaar uit te spelen, wel eens hoger kunnen liggen. Volgens sommigen is België ten opzichte van de ons omringende landen nog aan een inhaalbeweging bezig, wat de prijs van voetbalbeelden betreft.

Daar komt nog een andere moeilijkheid bij. Het spreekt vanzelf dat de grote en rijke clubs voordeel zullen hebben bij het individueel onderhandelen over de uitzendrechten van hun wedstrijden. Zenders zijn vooral bereid veel geld op tafel te leggen voor wedstrijden van succesrijke clubs: die kunnen hun kijkcijfers opdrijven. De kleine clubs zullen met de kruimels tevreden moeten zijn. Daarom is de verdeelsleutel die de bond hanteert bij de verdeling van de gemonopoliseerde uitzendrechten, voor de kleine clubs interessanter. Een vrije markt van voetbalbeelden zal het bestaande onevenwicht in de competitie tussen grote en kleine clubs nog doen toenemen, zodat de publieke belangstelling mogelijk terugloopt. Sport moet immers spannend blijven. Als de clubs in een vrije markt de tv-rechten rechtstreeks binnenhalen, heeft de bond, in het algemeen belang van de voetbalsport, duidelijk een herverdelende opdracht. Ik ben bovendien van oordeel dat de uitzendrechten niet uitsluitend aan de clubs toekomen. Een individuele wedstrijd krijgt veel meer aantrekkingskracht en waarde als deel van een goed georganiseerde competitie, door toedoen van de bond. Daarom kan de bond aanspraak maken op een aanzienlijk deel van de uitzendrechten die de clubs op een vrije markt binnenrijven.

Besluit

Het voetbal in België maakt moeilijke tijden door. Met de regelmaat van een klok lees je in de pers berichten over rode cijfers, achterstallige betalingen, dreigende en feitelijke faillissementen van clubs, overbetaling van spelers, omkoperij van spelers en scheidsrechters, willekeurig ontslag van trainers, lichtzinnig aanwervingsbeleid, onfrisse praktijken van spelersmakelaars, mensenhandel in goedkope Afrikaanse spelers, zwak presteren van de Belgische clubs in Europees verband, enz. Al te graag wordt dat alles toegeschreven aan het Bosman-arrest, het dankbare schaamlapje dat het amateuristische beleid van federatie en clubs moet toedekken. Het arrest sloeg inderdaad in als een bom in de iets te zelfgenoegzame en eigenzinnige wereld van het Belgische voetbal. De zaak had nochtans meer dan vijf jaar aangesleept, en vanuit het wetenschappelijk onderzoek werd reeds meer dan twintig jaar geleden gewaarschuwd voor de juridische en economische problemen van het archaïsche transfersysteem, en werd er aangedrongen op de afschaffing ervan. Maar breken met vastgeroeste gewoontes uit het verleden is nu eenmaal moeilijk. Niettemin zijn steeds meer mensen ervan overtuigd dat de ontwikkelingen en aanpassingen waartoe het Bosman-arrest geleid heeft, de voetbalsport in Europa op termijn alleen maar ten goede zullen komen. In een interview heeft Burggraaf Etienne Davignon, het nieuwe lid van de Raad van Bestuur van voetbalclub Anderlecht, duidelijk gemaakt dat hij 'achter het Bosman-arrest staat en dat voor het voetbal in België de tijd van uitvluchten voorbij is'. Die wijze woorden wil ik graag onderschrijven. Waait er eindelijk een frisse wind door het gesloten en muffe voetbalwereldje? En als de aangekondigde dood van het professionele voetbal in België zich toch voltrekt, dan zal dat andere oorzaken hebben dan Bosman of de Vlaamse Gemeenschap. Ofwel is België te klein voor professioneel voetbal, ofwel is het voetbal er niet populair genoeg om aan zoveel professionele clubs levenskansen te bieden.


[1] Zie Quirk en Fort, 1995.
[2] Zie Scully, 1989.
[3] Zie Vrooman, 1995; Késenne, 1996.
[4] 'Quasi-buitenlanders': buitenlanders die al geruime tijd in België wonen en spelen.
Bibliografie

S. Késenne, 'League Management in Professional Team Sports with Win Maximizing Clubs', in European Journal for Sport Management, 1996, vol. 2, nr. 2.

R. Noll (red.), Government and the Sport Business, The Brookings Institution, Washington, 1973.

J. Quirk, R. Fort, Pay Dirt: The Business of Professional Team Sport, Princeton University Press, 1992.

G. Scully, The Business of Major League Baseball, University of Chicago Press, 1989.

J. Vrooman, 'A general Theory of Professional Sports Leagues', in Southern Economic Journal, 1995, nr. 61/4.


© S T R E V E N