Maart 1999

Gie van den Berghe

Het einde van een tijdperk

De affaire-Mortara

Op 23 juni 1858 viel de pauselijke militaire politie binnen bij het joodse gezin Mortara in Bologna. Ze kwamen de zesjarige Edgardo halen. Die zou stiekem gedoopt zijn. Volgens het kanonieke recht heeft een gedoopte recht op een katholieke opvoeding; om het risico op afvalligheid te beperken moet hij uit zijn joodse milieu verwijderd worden. Edgardo's ouders begrepen er niets van, hun vragen naar de omstandigheden van het doopsel bleven onbeantwoord. Ze hoefden zich evenwel geen zorgen te maken, alles was zorgvuldig onderzocht en hun zoontje zou onder de hoge bescherming van paus Pius IX staan.

Edgardo was als éénjarige gedoopt door Anna Morisi, een katholieke dienstbode van de Mortara's, die voor zijn leven vreesde toen het jongetje ziek was. Enkele jaren later vertelde ze dit aan een andere dienstbode. Het gerucht kwam de Romeinse inquisitie ter ore. Na het gebruikelijk onderzoek had de Romeinse Congregatie der Inquisitie (vanaf 1908 het Heilig Officie, vanaf 1965 de Congregatie voor de Geloofsleer), die sinds de Contrareformatie waakt over de zuiverheid van de geloofsleer, de toestemming verleend om Edgardo op te halen. Hij werd overgebracht naar Rome om opgeleid te worden in een Casa dei catecumeni, een huis voor catechumenen of doopleerlingen. Zulke huizen waren er al in de derde eeuw, maar Edgardo kwam terecht in het eerste van de moderne huizen, opgericht door de stichter van de jezuïeten, Ignatius van Loyola, met het oog op de bekering van joden en moslims. De bekering van ongelovigen zou Gods glorie meer kracht bijzetten en de Wederkomst van Christus bespoedigen. Kort na zijn aankomst in Rome ontmoette Edgardo de paus. Die zei hem dat hij nu opgenomen was in de grande famiglia cattolica, met de paus als vader en de Heilige Maagd als moeder.

De Mortara's stelden alles in het werk om hun zoon terug te krijgen. Ze riepen de hulp van hun geloofsgenoten in. Franse, Engelse en Amerikaanse joden oefenden druk uit op hun regeringen. Protest en verontwaardiging zwollen almaar aan, het hele Westen stond op stelten. Deze beroering zorgde ervoor dat het verzoek van vader Mortara (die ten einde raad naar Rome was gereisd) om zijn zoon te mogen bezoeken, werd ingewilligd. Dat was ongezien, doopleerlingen werden normaliter zorgvuldig afgeschermd tegen alles wat hun bekering kon belemmeren. En joden werden als de incarnatie van het kwaad gezien, men was er heilig van overtuigd dat joodse ouders hun kinderen nog liever doodden dan ze als katholiek te laten opgroeien.

Van teruggave van Edgardo kon geen sprake meer zijn. Ontvoerd twee maanden voor zijn zevende verjaardag had hij ondertussen de 'jaren van verstand' bereikt. Daarenboven zou hij volgens de kerkelijke autoriteiten zijn nieuw leven en geloof met beide armen omhelsd hebben. In het jaar van de eerste verschijning van de Maagd aan Bernadette Soubirous te Lourdes, had God ook Edgardo, bij zijn eerste bezoek aan een kerk op weg naar Rome, verlicht. Overigens beschikten de ouders volgens de kerkelijke autoriteiten over een probaat middel om hun zoon terug te krijgen; het volstond dat ook zij zich tot het ware geloof bekenden.

Deze geruchtmakende zaak was sedert lang in de vergetelheid geraakt. David Kertzer, een Amerikaans-joods sociaal antropoloog, heeft tijd noch moeite gespaard om ze eraan te ontrukken. In The Kidnapping of Edgardo1 gebruikt hij de affaire om de botsing tussen twee werelden te belichten, traditioneel absoluut, kerkelijk gezag tegen moderniteit. De zaak-Mortara als een evenement dat een uitzicht biedt op een aantal cruciale ontwikkelingen in de negentiende eeuw: de veranderende relatie tussen kerk en staat, de Italiaanse eenmaking en de houding van de kerk tegenover de joden.

Kinderroof

Onvrijwillige doopsels en inbeslagneming van joodse kinderen waren in het Italië van de negentiende eeuw geen uitstervend overblijfsel uit de donkere tijd van de Contrareformatie, maar relatief gewone gebeurtenissen. In 1851 kwamen ze zo frequent voor, dat de joodse gemeenschappen van Reggio en Modena zich in een petitie tot de hertog van Modena richtten om tussenbeide te komen. In het geboortejaar van Edgardo was een anderhalf jaar oud meisje opgepakt, haar ouders zouden haar pas als volwassene terugzien. In 1858, net voor Edgardo's ontvoering, had een lid van het Piëmontese parlement fel protest aangetekend tegen 'het dopen van kinderen om redenen van vendetta, uit stommigheid of door het fanatisme van een of andere dienares'. Kertzer beschrijft onvoorstelbare gevallen van zulke kinderroof. In 1783 bijvoorbeeld kwam de pauselijke politie twee weeskinderen ophalen die bij hun grootmoeder leefden in het getto van Rome. Een groottante van de kinderen was lang geleden met een katholiek gehuwd, haar volwassen zoon wou de kinderen redden en had de autoriteiten gevraagd hun doopsel te regelen. De kinderen werden in het getto verborgen, waarop de politie andere kinderen gijzelde. Uiteindelijk werden de twee uitgeleverd, men zag ze nooit meer terug. Als straf voor het verzet werden zestig jonge joden gevangen gezet; het duurde maanden voor de joodse gemeenschap het vereiste losgeld bij elkaar kreeg.

Het doopsel, die andere verlichting

Volgens het canonieke recht mogen kinderen beneden de zeven niet gedoopt worden zonder toestemming van de ouders, behalve als ze in levensgevaar verkeren. Dan krijgt het belang van de ziel voorrang op de ouderlijke zeggenschap. Maar in de praktijk werden doopsels van minderjarigen oogluikend geduld. Ook als het zonder ouderlijke toestemming werd toegediend, is het sacrament geldig, als voor de rest alles maar correct gebeurde, door gebruikmaking van de juiste formule. In noodsituaties mag iedereen dopen, zelfs ketters, zolang het met de juiste ingesteldheid gebeurt. Ook als naderhand, zoals bij Edgardo, blijkt dat het kind niet in levensgevaar verkeerde, blijft het doopsel geldig.

Wie de ziel van een ongelovige hielp redden, kon rekenen op Gods zegen. Adellijke families kampten om de eer om peetvader of -moeder te mogen zijn. Joden keken daar uiteraard heel anders tegen aan. In hun ogen waren de bekeerlingen verraders die omwille van materieel gewin het geloof van hun voorvaderen de rug toekeerden. Een jood bij zijn volle verstand kón het christendom niet superieur vinden. Omdat er inderdaad vaak materiële voordelen mee gemoeid waren, probeerden kerkelijke gezagsdragers na te gaan of de kandidaten oprecht waren, maar echt aandringen deden ze niet. Daarvoor was de christelijke superioriteit té vanzelfsprekend en het gevoel van triomf te groot.

Deze praktijk bracht talloze sociale drama's teweeg. Neem dat meisje van zes dat eens een arts een stervend kind had zien dopen, 'de weg naar de hemel openen' zoals hij zei. Kort nadien doopte het meisje haar driejarig joods vriendinnetje, dat ook liever naar de hemel dan naar de hel wou. Jaren later bracht zij, gekweld door gewetenswroeging, verslag uit aan de kerkelijke autoriteiten. Alleen het feit dat de gedoopte ondertussen de echtgenote was van een van de rijkste en invloedrijkste joden van Ferrara, redde haar. Of die recent gedoopte jood die beweerde dat een bepaalde jodin hem tot vrouw was beloofd en dat ze zijn voorbeeld direct zou volgen als haar familie haar maar niet tegenhield. De vrouw werd ondanks fel protest opgepakt en naar de Casa dei catecumeni overgebracht. Daar werd stevig op haar ingepraat door priesters, nonnen en joodse bekeerlingen. Toen ze na twaalf dagen nog niet van gedacht was veranderd, werd ze vrijgelaten.

Anders denken

Onbegrip en intolerantie tegenover andersdenkenden alom. Joden waren in de traditionele interpretatie van de evangelieverhalen godsmoordenaars, zij hadden Jezus, de Zoon van God, vermoord. Ze werden maar binnen strikte grenzen getolereerd, omdat Jezus nu eenmaal zelf een jood was, en de joodse Bijbel een van de eigen heilige boeken. Aanvankelijk bleef de discriminatie binnen de perken, verwacht werd dat het joodse volk uiteindelijk het ware geloof zou omhelzen. In het midden van de zestiende eeuw veranderde dat. Joden werden in getto's gedreven, hun bekering moest actief nagestreefd worden. In Bologna, waar van oudsher een bloeiende joodse gemeenschap leefde, werden in 1553 op bevel van paus Julius III alle Hebreeuwse geschriften openbaar verbrand, met inbegrip van honderden kopieën van de Talmud. In 1569 werden de joden uit de stad verbannen. De joodse begraafplaats deed Pius V cadeau aan de nonnen van het klooster van Sint-Petrus de Martelaar, met als opdracht 'alle joodse graven, alle inscripties, herdenkingstekens en grafstenen volledig te vernietigen... kadavers, beenderen en andere restanten van de doden op te graven'. In 1586 mochten de joden terugkeren, zeven jaar later werden ze opnieuw verjaagd. En zo ging dat maar door.

Buiten de pauselijke staat voerde de hertog van Modena in 1814 een aantal veranderingen door. Voortaan mochten joden tijdens vastenperiodes en met carnaval niet meer gepest of uitgelachen worden. Het verplichte herkenningsteken voor joden (in Modena een rood lint op de hoed, in Rome een gele hoed) werd afgeschaft. In ruil daarvoor moesten ze jaarlijks een bijkomende belasting betalen. In vergelijking met de pauselijke joden toch een hele verbetering. Zij werden in het getto teruggedreven en met carnaval moesten hun rabbijnen opnieuw allerhande publieke vernederingen ondergaan.

Toen Pius IX in 1846 aantrad, leek zich een lotsverbetering aan te kondigen. Anders dan zijn voorganger, die zelfs in een inenting tegen mazelen een afwijking van Gods wegen zag, kantte Pio Nono zich niet van meet af aan tegen de moderniteit; straatverlichting en spoorwegen mochten. De poorten van het getto werden neergehaald en de predica coatta werd afgeschaft, de eeuwenoude verplichting voor joden om op sabbat in de kerk naar een anti-joods sermoen te luisteren. Daarbij werden de heilige joodse riten op hun kop gezet en bekeerde joden ingeschakeld. Vervuld van afkeer moesten de joden aanhoren hoe de afvallige de valsheid van hun geloof verkondigde. Het salaris van de bekeerde jood en ook dat van de politie die bij de ingang van de kerk controleerde of niemand wasbolletjes in de oren had, was voor rekening van de joodse gemeenschap (zoals ook de kosten voor de huizen van de catechumenen).

Toen in 1848 Europa werd opgeschrikt door revolutionaire bewegingen, sloeg de houding van Pius IX om. Hij veroordeelde het Risorgimento, het Italiaanse streven naar politieke eenwording, en dreigde ermee al wie zich tegen zijn Pauselijke Staat en zijn wereldlijke macht keerde, te excommuniceren. De publieke opinie keerde zich tegen hem. Eind 1848 werd zijn eerste minister vermoord en de paus nam de benen, vermomd als priester met gekleurde brilglazen. De maand daarop marcheerde Garibaldi de Eeuwige Stad binnen. In februari 1849 werd de Romeinse Republiek uitgeroepen. Pius IX deed een beroep op de katholieke mogendheden om hem in zijn macht te herstellen. Midden 1849 heroverden Franse troepen Rome. Een jaar later keerde de paus terug. Alle voorrechten werden afgeschaft en Pio Nono bleef voor de rest van zijn leven een gezworen tegenstander van moderniteit, liberalisme en joden.

Wereldlijke macht van de paus

Dat de ontvoering van Edgardo, anders dan eerdere gevallen van kinderroof, een internationaal schandaal werd, is te verklaren door twee elkaar beïnvloedende factoren: het toenemend verzet tegen de wereldlijke macht van de paus en de toenemende macht van de pers, die tot een massamedium begon uit te groeien.

Wereldlijke machthebbers zagen allang met lede ogen aan hoe de kerk, een vreemde staat, zich niet aan de soevereiniteitsregel stoorde en zich schaamteloos mengde in interne aangelegenheden van religieuze aard. Vooral de jezuïeten moesten het ontgelden. Volgens hen was het seculiere gezag ondergeschikt aan het woord Gods (zoals door Rome geïnterpreteerd); zij belichaamden de Kerk als buitenlandse macht. In 1759 waren ze uit Portugal verjaagd, vijf jaar later uit Frankrijk, kort nadien ook uit Spanje en Napels. (In 1773 werd de orde opgeheven; in 1814 werd ze door Pius VII hersteld.) Volgens de ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie was het voortbestaan van een theocratische staat in Europa een schandelijk anachronisme. In 1856 kwamen in Parijs vertegenwoordigers van de grootste Europese mogendheden samen om de klachten van inwoners van de Pauselijke Staat te aanhoren, klachten over rechteloosheid, administratief en financieel wanbeheer.

Voor de tegenstanders van de Kerkelijke Staat viel de kidnapping van Edgardo Mortara als manna uit de hemel. Volgens Kertzer luidde ze het einde van de wereldlijke macht van de paus in. Napoleon III raakte in ieder geval buiten zichzelf. Wat hem vooral stak was het feit dat de paus het kind maar kon vasthouden omdat Franse troepen zijn gezag in Rome waarborgden. Enkele maanden na de ontvoering zegde de Franse regering militaire steun toe aan het koninkrijk Sardinië om de Oostenrijkse troepen uit Noord-Italië te verdrijven en de door hen bezette gebieden in te lijven, driekwart van de Pauselijke Staat inbegrepen. Zo begon de Italiaanse eenmaking. De nieuwe heersers schaften de Italiaanse inquisitie af als zijnde 'onverenigbaar met de beschaving en de basisprincipes van publiek en burgerlijk recht'. Twee jaar later was het koninkrijk Italië een feit. Graaf Camillo Cavour, meesterbrein achter de eenmaking en eerste minister van de nieuwe staat, verklaarde dat de natie pas helemaal één zou zijn als Rome was bevrijd.

De paus klampte zich vast aan zijn wereldlijke macht. In 1862 verklaarde hij in een toespraak, Maxima quidem laetitia, dat hij zonder die macht zijn geestelijke taak niet kon volbrengen. Eind 1864 vaardigde hij een van de beruchtste encyclieken van de moderne tijd uit, Quanta Cura, met zijn Syllabus van dwalingen. Daarin werden tachtig misvattingen veroordeeld: pantheïsme, naturalisme, rationalisme, socialisme, communisme, liberalisme, vooruitgang, moderniteit, geheime genootschappen, democratie, religieuze en politieke vrijheid, meningsvrijheid ('indifferentisme'), elke beperking van de geestelijke of wereldlijke macht van de kerk... De revolutionaire notie dat mensen hun regeerders zelf mogen kiezen, dat ze vrij zouden zijn om te denken wat ze willen, te geloven wat ze geloven, werd in de staat waar Gods vertegenwoordiger de scepter zwaaide, als een ketterij beschouwd.

Zes jaar na de ontvoering van de jonge Mortara, in 1864, speelde de kidnapping van een ander joods jongetje, Giuseppe Coen, een belangrijke rol in de beslissing van Napoleon III om zijn troepen uit Italië terug te trekken. Zes jaar daarna werd de pauselijke garde onder de voet gelopen door Italiaanse troepen. De paus vluchtte het Vaticaan in. De bezetting van het territorium van de Heilige Stoel veroordeelde hij als 'onrechtvaardig, gewelddadig, zonder betekenis en ongeldig'. Al wie bij de usurpatie betrokken was, ook koning Victor Emmanuel II, werd in de ban gedaan. Op het Eerste Vaticaans concilie (1869-70) vaardigde Pius IX het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid uit.

De vierde macht: de pers

De liberale pers greep de zaak-Mortara aan als een typisch voorbeeld van het barbaarse karakter van het pauselijk gezag. De katholieke pers reageerde furieus, de Civiltà Cattolica zette de toon. Deze spreekbuis van het Vaticaan was opgericht vanuit het besef van de groeiende macht van de pers. In 1850 teruggekeerd uit zijn ballingschap, had Pius IX zich tot de jezuïeten gewend om ook ideologisch orde op zaken te stellen. Het idee van een jonge jezuïet om als tegengewicht tegen de liberale pers om de twee maanden commentaar te leveren op actuele politieke en religieuze kwesties, leek hem wel wat. De affaire- Mortara en de ermee verbonden theologische vraagstukken werden in de Civiltà Cattolica breed uitgemeten. Teruggave van een gedoopte jood zou onmenselijk zijn. Schrijft ook het burgerlijk recht niet voor dat een kind uit de greep moet worden gehouden van een wrede vader die zijn kind naar het leven staat? Waarom zou dat ook niet gelden waar het om iemands eeuwig leven gaat?

In feite ontging de hele heisa de kerkelijke autoriteiten. Inbeslagneming van gedoopte joodse kinderen was niet ongewoon, nooit eerder was er enig protest tegen gerezen tenzij dat van enkele angstige joden. De storm die nu was losgebroken, moest een opgezette zaak zijn, een anti-katholieke campagne, logisch uitvloeisel van de om zich heen grijpende secularisatie, goddeloosheid en materialisme. Dat de pers er zoveel aandacht aan besteedde 'bewees hoeveel macht de joden bezaten'. De Heilige Vader, die 'de vrijheid van een kind waarborgde om christen te blijven, niet gedwongen te worden jood te zijn', bood daarentegen een 'zeldzaam moreel spektakel'.

Steeds weer dook het verwijt op dat de Mortara's het aan zichzelf te wijten hadden, ze hadden maar geen katholieke meid in dienst moeten nemen. Dat was sinds de vijfde eeuw verboden. Maar Italiaanse joden bleven katholieke meisjes in dienst nemen: die mochten immers wel werken op sabbatsdag, vuur aansteken voor verwarming, etensbereiding of verlichting. Joden zonder katholieke meid leidden op de sabbat een weinig comfortabel leven. In het Bologna van 1858 hadden bijna alle joodse families een katholieke dienstbode en knepen de kerkelijke autoriteiten een oogje dicht. In joodse kringen was men zich wel bewust van het gevaar dat men liep. Sommige gezinnen lieten ontslagnemend personeel een notariële akte ondertekenen waarin ze verklaarden geen van hun kinderen gedoopt te hebben.

Liberale en katholieke pers schuwden geen middel om de tegenpartij in een kwaad daglicht te stellen. In 1859 plaatsten sommige katholieke kranten de weldaden waarmee de paus Edgardo had overladen tegenover een zogenaamde rituele joodse moord op een jonge Poolse katholiek. Het eeuwenoude anti-joodse bijgeloof dat joden met Pesah (Pasen) christelijk bloed nodig hebben om hun matse te bereiden, stak nog maar eens de kop op. Het gruwelverhaal werd in heel Europa door de katholieke pers uitgemolken, zonder erbij te vermelden dat uit politieonderzoek gebleken was dat de jongen door zijn oom was vermoord en dat de plaatselijke bevolking volkomen ten onrechte joden had gemolesteerd en gedood. Ook in de vrije pers deden de wildste geruchten de ronde. In 1860 bijvoorbeeld verscheen het bericht dat Edgardo was gecastreerd, om een vacature in de Sixtijnse kapel te vervullen.

Hoezeer alle partijen elkaar ook van corruptie, onoprechtheid en kwaadaardigheid beschuldigden, achteraf is zonneklaar dat iedereen met de beste bedoelingen bezield was. Maar joden en katholieken keken door zulke verschillende brillen dat ze een andere wereld beleefden. De botsing van die werelden leverde twee totaal verschillende verhalen op. Enerzijds een verbolgen relaas over een door religieus fanatisme geruïneerd liefdevol gezin, anderzijds een bezielend betoog over de wonderbaarlijke redding van een jongetje dat anders naar de hel zou zijn gegaan. Kertzer geeft die conflicterende wereld- en mensbeelden goed weer, zonder moralisering, zonder partij te kiezen. Hij laat de feiten voor zich spreken, de afgronddiepe haat en afkeer voor joden zijn meer dan duidelijk.

Padre Pio

Hoe verging het Edgardo verder? De paus bekostigde zijn opvoeding, ontmoette hem geregeld en wees hem er meermaals op hoeveel hij om hem geriskeerd en geleden had. 'Regeringen en volkeren, wereldse heersers en journalisten - de werkelijke machthebbers in onze tijd - hebben me de oorlog verklaard'. Rond zijn dertiende besloot Edgardo zijn leven aan de kerk te wijden. Hij werd monnik en om zijn nieuwe vader te eren, noemde hij zich voortaan Padre Pio. Toen in 1870 Rome werd ingenomen, sloeg de angst hem om het hart. Uit zijn acht jaar later geschreven memoires blijkt dat hij vreesde door joden ontvoerd te worden. Hij vluchtte in een Oostenrijks klooster. Na zijn priesterwijding in 1873 legde hij zich toe op het verspreiden van het katholieke geloof. Hij werd in heel Europa een gegeerd spreker, niet het minst omdat hij zijn jeugdervaringen zo prachtig in zijn sermoenen kon verweven. In 1878 woonde zijn moeder, die hem in geen twintig jaar had gezien, zo'n preek bij. Toen ze twaalf jaar later stierf, berichtten Franse kranten dat ze zich op haar sterfbed door hem had laten bekeren. Pater Pio haastte zich om dat in een lezersbrief te ontkennen. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog leefde hij in Bouhay (België), in een klooster van de Reguliere Kanunniken van Lateranen, de orde waar hij toe behoorde2. Hij wijdde zich aan studie, gebed en Mariaverering. Met het wonder in Lourdes, in het jaar van zijn redding, voelde hij een sterke band. Edgardo Mortara overleed op 11 maart 1940, net op tijd om aan de klauwen van de nazi's te ontkomen.

Schaamte

Gezien de internationale commotie rond deze affaire is het verwonderlijk dat er tot op heden zo goed als geen historisch onderzoek naar is verricht. Literaire aandacht was er van bij het begin, tot in de twintigste eeuw werden er romans en toneelstukken aan gewijd. Katholieken hadden weinig reden om de zaak in hun collectieve herinnering op te nemen. Ze heeft betrekking op een destijds belangrijk geloofspunt dat nu wordt afgekeurd, de behandeling van joden als godsmoordenaars. En men wordt ook niet graag herinnerd aan de religieuze intolerantie en het voortbestaan van de inquisitie. Na wat de nazi's met de joden hebben uitgericht vergeet men liever de stigmatisering en vervolging van joden, de kerkelijke getto's en boekverbrandingen.

In joodse kringen vergat men de zaak niet. Voor het eerst was de wereld niet onverschillig blijven toekijken bij de discriminatie, en naar aanleiding van de affaire waren de eerste joodse zelfverdedigingsorganisaties opgericht. Toch gaven ook joden weinig of geen ruchtbaarheid aan de geschiedenis. Edgardo's religieuze keuze kon door de buitenwereld wel eens gezien worden als lakmoesproef voor de joodse godsdienst. En dat Edgardo, zoals zovele andere bekeerde joden het hele jodendom tot het katholicisme wou bekeren, maakte dat hij met afschuw werd herinnerd.

Nader onderzoek

Dat kennelijk nogal wat gedoopte joodse kinderen die in een streng katholiek milieu opgroeiden, vrij snel overtuigde katholieken werden, intrigeert. Hoevelen waren er dat en hoe verhouden ze zich tot degenen die wel naar hun joodse milieu terug wilden? In kringen van vrijdenkers was en is men er waarschijnlijk terecht van overtuigd dat de kinderen geïndoctrineerd werden, dat hun afschuw voor het jodendom werd bijgebracht3. Of de zaak-Mortara, zoals David Kertzer beweert, hét scharnierpunt was van de overgang van middeleeuws pausdom naar louter spiritueel leiderschap, daar valt over te discussiëren. Zeker is 'dat ze een bepaalde rol speelde in de propaganda tegen de wereldlijke macht van de paus'4. Maar deze cause célèbre is een uitstekend middel om dit einde van een tijdperk te benaderen.

The kidnapping of Edgardo Mortara is een waar huzarenstuk. De auteur heeft een indrukwekkende hoeveelheid eigentijdse bronnen geraadpleegd: getuigenissen van direct en indirect betrokkenen, briefwisseling, rapporten van militairen en religieuzen, tijdschriften en kranten. Hij analyseert de geruchtenstromen en de door joden, media en kerk gevolgde strategieën. Hij schrijft beeldend, sommige stukken lezen als een spannende roman. Alleen het overdreven streven naar volledigheid stoort een beetje. De auteur wil álle visies en interpretaties aan bod laten komen, álle details belichten. Dat levert enkele nodeloze herhalingen en langdradige passages op. Helaas kon Kertzer de kerkelijke archieven over Mortara en over de huizen van de catechumenen niet raadplegen. Bij het verschijnen van zijn boek waren de archieven van de Romeinse inquisitie niet toegankelijk. Begin 1998 stelde kardinaal Ratzinger, prefect van de Heilige Congregatie voor de Geloofsleer, de rijke archieven van de twee Romeinse congregaties (geloofsleer en index van verboden boeken, deze laatste afgeschaft in 1966) open. Onderzoekers weten niet waar eerst begonnen5.

Moderne tijden

Kertzer geeft verschillende voorbeelden van ontvoeringen voorafgaand aan die van Edgardo. Enige aandacht voor latere affaires rond joodse kinderen ware interessant geweest. De meest bekende is ongetwijfeld de zaak Finaly. Fritz Finaly, een joods arts, ontvluchtte Oostenrijk kort na de Anschluß. Met zijn echtgenote zocht hij een toevlucht in Frankrijk. Ze kregen twee zoontjes, die ze veiligheidshalve onderbrachten in een kinderhome in Grenoble, onder de hoede van ene Mademoiselle Brun. Het echtpaar werd begin 1944 gedeporteerd en vermoord. In februari 1945 eisten twee zusters van Fritz Finaly hun neefjes op. Maar Brun wou de kinderen houden en liet ze in 1948 dopen. In katholieke kringen werd ze door dik en dun gesteund. Toen midden 1952 het gerecht besliste dat de jongens aan hun familie moesten worden teruggegeven, liet men ze onderduiken. Onder een valse naam werden ze van het ene naar het andere oord overgebracht. Onder meer in kloosters van Onze-Lieve-Vrouw van Zion, een orde gericht op de bekering van joden. Frankrijk stond in rep en roer, liberale en katholieke pers vochten een verbeten strijd uit. De zaak nam tenslotte zulke proporties aan dat de kerkelijke autoriteiten zwichtten. Ze keerden zich af van Brun, knoopten onderhandelingen aan met de Finaly's; in 1953 werden de kinderen hun teruggegeven.

In Nederland bracht de internationale deining rond deze affaire de zaak Anneke Beekman en Rebecca Meljado in de publieke belangstelling. Beide joodse kinderen, in 1940 in Amsterdam geboren, waren bij katholieken ondergebracht. Beider ouders werden gedeporteerd en vermoord. Na de bevrijding brak een gevecht om de kinderen los. Anneke was bij twee fanatiek katholieke dames ondergebracht die haar onder geen beding wilden afstaan. Ze dook in 1947 onder. Op haar zesde al had ze besloten dat ze katholiek wilde worden, ze werd in 1949 gedoopt. De eveneens ondergedoken Rebecca werd in 1954 opgespoord. Zij had de hele tijd samen met Anneke in Belgische kloosters doorgebracht. Anneke Beekman dook pas op toen ze meerderjarig was in 1961. Centrale vraag in deze zaak was 'in hoeverre de katholieke gemeenschap in Nederland zich eigenlijk wel onderwierp aan het "wereldlijk" gezag'6.


[1] David I. Kertzer, The kidnapping of Edgardo Mortara, Picador, London, 1997, 350 blz., ISBN 0-330-348787. Het boek kreeg in de VS een prijs voor joods-christelijke relaties en is finalist voor de National Book Award.

[2] Kertzer schrijft dat in Bouhay het tweede grootste Mariabedevaartsoord ter wereld is gevestigd, terwijl ik nog nooit van deze plaats had gehoord. Ging het om een amerikanisering van Beauraing of Banneux? Tot Herman Simissen (een lid van de redactie van Streven) de plaatsnaam terugvond in het Modern woordenboek der Belgische gemeenten (Brussel, 1962). Dat prikkelde mijn nieuwsgierigheid nog meer. Een telefonische zoektocht in allerhande officiële diensten leverde niets op. Bouhay? nooit van gehoord. Uiteindelijk vond het Nationaal Geografisch Instituut een verband met Bressoux. In die gemeente kwam ik terecht bij dhr. Jean-Paul Williquet, een heemkundig geïnteresseerd politie-inspecteur, die me verwees naar de laatste Reguliere Kanunnik te Bouhay en pastoor van de parochie, Johannes Van Pinksteren. In Bouhay werd omstreeks 1900 een van de eerste exacte replieken van de grot van Lourdes gemaakt, vergelijkbaar met die in Oostakker. Vóór de Tweede Wereldoorlog was Bouhay een van de grootste buitenlandse bedevaartsoorden gewijd aan Onze- Lieve-Vrouw van Lourdes. In 1932/33 werd er een klooster gebouwd. Tot in de jaren vijftig haalden paters ieder jaar heilig water uit Lourdes dat in het Mariaoord via een kraantje werd bedeeld. Na de oorlog werd Bouhay als bedevaartsoord verdrongen door Banneux. De abdij is nu omgevormd tot een rusthuis voor ouden van dagen.

[3] 'Mortara' in Pierre Larousse, Dictionnaire Universel du XIX siècle, tome 11, 1874, blz. 593-594; André Lorulot, G. Liber et A. Moreau, Les voleurs d'enfants. Autour de l'affaire Finaly... et de quelques autres!, Editions de l'Idée Libre, Herblay, ca. 1953; 'Finaly' en 'Mortara', in Dictionnaire Rationaliste, Paris, 1964.

[4] 'Mortara', in Lexikon für Theologie und Kirche, Herder, Freiburg, 1962.

[5] Peter Godman, 'Inside the archives of the Inquisition', The Times Literary Supplement, January, 16, 1998, blz. 15; Rainer Decker, 'Mit merklichem Nachteil der Gerechtigkeit?', Frankfurter Allgemeine Zeitung, 2. März 1998, blz. 9.

[6] Elma Verhey, Om het joodse kind, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 1991, blz. 185.


© S T R E V E N