Honderdvijfentwintig, tweeënzestig, zestig of twee jaar?

Hoe oud of jong is Streven?

Otto S. Lankhorst

Tachtig jaar geleden schreef Bonaventura Kruitwagen o.f.m. het nog altijd lezenswaardige artikel Iets over bibliografie1. Hierin behandelt hij de lasten en lusten van het bibliografische ambacht en hij zet uiteen over welke vaardigheden een bibliograaf moet beschikken. Het 'zesde zintuig, een soort bibliografische voelhorens', zo noemde Kruitwagen het scherpe oog waarmee de bibliograaf zijn materiaal moet bekijken, of het nu boeken of pamfletten, kranten of tijdschriften zijn.

Was het dat zesde zintuig dat mijn oog liet vallen op de aanduiding 'III. Nr. 1 October 1933' (zestig jaar geleden dus) in de linkeronderhoek op de omslag van wat voor het eerste nummer van het Belgische Streven moest doorgaan? Dat gebeurde in de Universiteitsbibliotheek van Maastricht, want daar moest ik zijn om die eerste jaargang in te zien. In geen enkele andere Nederlandse bibliotheek was een exemplaar te lokaliseren. Aanvankelijk was ik nog bang dat het ook in Maastricht niet zou lukken, want de banden bleken verdwenen uit de collectie van de verschillende jezuïetenbibliotheken. Ze waren echter overgebracht naar de algemene collectie en daar kreeg ik dan de eerste jaargangen van Streven ter inzage, nadat eerst nog abusievelijk de jaren 1933 en 1934 van het Nederlandse jezuïetenblad Studiën uit het magazijn waren gehaald.

Zestig of tweeënzestig?

Toen de eerste jaargang voor mij op tafel lag, bleek deze blijkens het stempel 'Bibliotheca Collegii Maximi SJ Traiectensis' afkomstig uit het Maastrichtse Canisianum. Gelukkig hadden de bibliotheekmedewerkers daar de moeite genomen om de omslagen en enkele inlegvellen mee te laten inbinden. Daardoor kon ik achterhalen waarom die 'III' op de omslag van het zogenaamde eerste nummer was afgedrukt. Een inlegvel dat blijkbaar bij het eerste nummer was meegestuurd, opent met het volgende 'Aan den lezer':

'Zooals blijkt uit de lijst der medewerkers, in dit nummer medegedeeld, uit de grootere omvang van het tijdschrift, heeft Streven eene belangrijke omvorming ondergaan. De Studenten van Sint Ignatius Hooger Handelsinstituut hebben Streven ook als hun orgaan aangenomen. (...) De verscheidenheid en het gezag van Streven zullen er in alle geval bij winnen, en meer dan ooit zullen de oud-studenten van het O.L.V. College fier mogen gaan op hun werk dat nederig begonnen een grootere toekomst te gemoet gaat. Want deze gebeurtenis brengt Streven op een gewichtig keerpunt van zijn bestaan'.

Hieruit viel af te lezen dat er dus vóór oktober 1933 reeds een blad met de naam Streven bestond en, gelet op de 'III', al gedurende twee jaar. En inderdaad, van de huidige redactie in Antwerpen vernam ik dat het allereerste nummer van Streven (Tweemaandelijksch Tijdschrift, uitgegeven door de oud-leerlingen van het O.L.V. college Antwerpen, 1e Jaargang, Nr. 1), verscheen in december 1931. Dat opende met het volgende 'Aan onze lezers':

'Het stijgend getal abonnés aan Collegiana laat ons toe het "Bijblad der Oud-Leerlingen" afzonderlijk uit te geven (...) onder de titel Streven. (...) Hoofdzakelijk blijft ons blad wat het was: eerst en vooral een band tusschen het College en al diegenen die er hunne opvoeding genoten (...) Streven biedt verder aan de oud-studenten, die zich door studie tot een zeker intellectueel peil verheven hebben, de gelegenheid hunne eerste "essais" in het licht te geven. Eene aanmoediging voor wie later in breederen kring de katholieke levensopvatting verspreiden wil, een eerste ontmoeting met een tamelijk uitgebreid publiek, een toetssteen voor talenten die zich ontwikkelen: ziedaar wat ons blad wil zijn. Dienen is onze leus. En wij staan eerst en vooral ten dienste van hen "die iets te zeggen hebben"'.

Een oud-leerling, medewerker aan dit 'officieuze' eerste nummer, die in 1928 (!) met een cargo van Antwerpen naar Sovjet-Rusland was gevaren, opent zijn reisverslag met de kreet:

'Streven' is heden geboren. 't Kindje loopt nog maar zijn eerste stappen, maar wij zijn ervan overtuigd dat het zich weldra met mannenschreden zal vooruitwerken in de wereld der tijdschriften'.

In het tweede nummer, februari 1932, verschijnt een redactioneel 'Ons standpunt', dat de bedoelingen van het blad nader motiveert:

'Er wordt dikwijls, en niet ten onrechte, geklaagd over de godsdienstige en maatschappelijke onvruchtbaarheid van het middelbaar katholiek onderwijs. (...) Hoe komt het dat zoovelen tusschen hunne rhetorica en hunne veertig, vijftig jaar aan allen katholieken invloed, aan elken leidenden rol hebben verzaakt, en de verantwoordelijke plaatsen overlaten aan hen die geen katholieke opvoeding genoten? (...) Eene van (de oorzaken) is toch het gemis aan intellectueel leven en belangstelling bij de oud-studenten onzer vrije gestichten. Aan dat gemis willen en zullen wij verhelpen, Streven moet worden het brandpunt van een nieuw, jong en sterk kultuurleven bij onze oud-studenten'.

Wie schreef deze programmaverklaringen? Wie stond er aan de oorsprong van Streven? Daarvoor moeten we nog enkele jaartjes verder terug dan 1931. Eind jaren '20 richtte pater Frans De Raedemaeker, leraar aan het jezuïetencollege in Antwerpen, een collegeblad op, het hierboven vernoemde Collegiana, eerst voor de leerlingen, al spoedig voor de oud-leerlingen. Aanvankelijk tweetalig: de school heette toen immers nog 'Onze Lieve-Vrouw College Antwerpen - Collège Notre-Dame Anvers' ('Prijsvermindering voor kinderen van kroostrijke gezinnen - Réductions pour les enfants des familles nombreuses'). Het duurde niet lang of De Raedemaeker maakte er een Vlaams blad van. In 1931 maakte hij er Streven van, nog altijd 'uitgegeven door de oud-leerlingen' van het college. In 1933 kon hij melden: 'De Studenten van Sint Ignatius Handelsinstituut hebben Streven ook als hun orgaan aangenomen'. Hij is de stichter van Streven. Hij neemt Streven overal met zich mee naar waar hij zelf verhuist: naar Sint-Ignatius Antwerpen2, naar de opleidingshuizen in Drongen en Leuven. Eenentwintig jaar, tot in 1953, blijft hij hoofdredacteur. In oktober 1947 bracht hij met pater J. van Heugten, de hoofdredacteur van het Nederlandse Katholiek Cultureel Tijdschrift, de fusie tussen dit KCT en Streven tot stand. Bij zijn dood wijdde Streven, januari 1961, een uitvoerig 'In Memoriam' aan hem, waaraan ik hier een en ander ontleen. Typisch voor dit ontstaan van Streven vanuit het middelbaar onderwijs is de gestencilde 'systematische inhoudsopgave' die de redactie in 1955 uitgaf onder de titel: Streven 1939-1954. Artikelen die met het collegewerk en het middelbaar onderwijs verband houden, geordend naar de rubrieken: godsdienst, literatuur, kunst, geschiedenis, pedagogie, wetenschappen, menselijke aardrijkskunde. Een mijn voor wie zich interesseert voor het katholieke intellectuele landschap in die jaren.

Honderdvijfentwintig jaar?

'Zestig jaar is voor een tijdschrift een eerbiedwaardige leeftijd', stelde de huidige hoofdredacteur Hugo Roeffaers in de redactionele opening van deze zestigste jaargang, maar in feite is de oorsprong van Streven dus al iets verder te zoeken dan zestig jaar geleden. Het Nederlandse aandeel in Streven kan op een nog respectabeler levensduur bogen. Het was in 1868, honderdvijfentwintig jaar geleden, dat de voorloper Studiën begon te verschijnen.

Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied luidde de volledige titel van een serie brochures die door de Nederlandse jezuïeten werden geschreven en door de Bossche uitgever W. van Gulick gedrukt. Een echt tijdschrift was het nog niet. Met onregelmatige tussenpozen verschenen zelfstandige studies, die onder de gezamenlijke noemer van Studiën werden samengebracht. De eerste jaargang, 1868-1869, bestond uit vijf brochures, de auteurs waren allemaal jezuïeten: H.J. Allard schreef over Vondels gedichten op de Sociëteit van Jezus, S. van den Anker over de opheffing der Tempeliers en een tweede bijdrage over de harmonie tussen geloof en rede, A. van Gestel over het Handelsblad en het mandement der bisschoppen en tenslotte B. van Meurs over de roman.

De katholieken in Nederland hadden op dat ogenblik nog slechts één dagblad, De Tijd, en één algemeen tijdschrift, De Katholiek. Verwonderlijk is dat niet, als men rekening houdt met de omstandigheid dat de bisschoppen lezen eerder als gevaarlijk beschouwden dan bevorderden. Zo was bijvoorbeeld de vastenbrief van mgr. J. Zwijsen van 1867 geheel gewijd aan het lezen van slechte boeken en bladen, waartegen streng werd gewaarschuwd. Oproepen om de katholieke pers te lezen en te ondersteunen ontbraken nog; de bisschoppen gaven er de voorkeur aan dat er niet werd gelezen. Mede daardoor vonden zij dat er geen plaats was voor verschillende bladen naast elkaar. Joachim George Le Sage ten Broek, de pionier van de Nederlandse katholieke pers, die in de eerste helft van de 19e eeuw het initiatief had genomen tot de uitgave van de eerste katholieke tijdschriften en de eerste katholieke krant, de Roomsch catholijke courant, kwam dan ook onmiddellijk in verweer, toen in 1837 de boekverkopers Ten Hagen in Den Haag het plan hadden opgevat om een nieuw tijdschrift voor katholieken uit te geven. Aan de vice-superior Antonio Antonucci schreef hij dat een nieuw tijdschrift zeer nadelig zou zijn voor het door hem uitgegeven blad De Godsdienstvriend, 'car notre Pays n'est pas assez grand pour pouvoir espérer un succès convenable à l'un et à l'autre'3. Zijn protest kon het verschijnen van het nieuwe blad, het Godsdienstig, geschied- en letterkundig tijdschrift voor roomsch-katholieken (voorloper van De Katholiek) echter niet tegenhouden. En toen in 1868 in Rotterdam De Maasbode als weekblad begon, probeerde het dagblad De Tijd bij het episcopaat te bewerkstelligen dat deze nieuwkomer nooit toestemming zou krijgen om dagelijks te verschijnen. In de ogen van De Tijd was er geen plaats voor een tweede landelijk katholiek dagblad.

Te zelfder tijd werd er echter binnen de katholieke kerk ook voor gepleit om geloof en kerk in geschrift te verdedigen tegen de steeds fellere aanvallen van liberalisme, rationalisme en socialisme. Toen paus Pius IX in 1867 daartoe opriep, werd dat in Nederland onder meer beantwoord door het driemanschap van H.J.A.M. Schaepman, W.J.M. Nuijens en E.P.J. van der Hurk. Zij richtten de Katholieke Nederlandsche Brochuren-Vereeniging op en gaven vanaf 1868 een reeks brochures uit. De serie werd geopend door De geest der eeuw en de geest der waarheid van Nuijens. Onder de Nederlandse jezuïeten, die buiten de redactie van De Katholiek waren gebleven, leefde hetzelfde plan en zij begonnen een half jaar later met de uitgave van Studiën.

Tot in 1941 werd Studiën voortgezet. In totaal 73 jaargangen verschenen dankzij de zorg van de achtereenvolgende redactiesecretarissen S. van den Anker (1868-1894), G. van Heyst (1894-1915), I. Vogels (1915-1920), G. Gorris (1920-1921), H. Duurkens (1921-1938) en L. de Jonge (1938-1941)4. Langzaam aan kreeg het blad duidelijker het karakter van een tijdschrift. Vanaf 1875 verschenen naast de afzonderlijke Studiën ook kleinere actuele bijdragen onder de titel Losse bladen. Na enkele jaren werden deze Losse bladen samengevoegd met Studiën, die voortaan doorlopend gepagineerd werden en uiterlijk meer en meer het aanzien van een tijdschrift kregen. Het redactiearchief is tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nijmegen verloren gegaan. Bij het voltooien van het honderdste deel in 1924 gaf H. Duurkens een terugblik en hij vertelde dat op de redactievergaderingen en op de bijeenkomsten van de medewerkers voortdurend stemmen opgingen die op kortere, meer bevattelijk geschreven en meer actueel gehouden bijdragen aandrongen. Het aantal ontwikkelde katholieken nam toe en daarmee de behoefte aan een tijdschrift waarmee zij zich op de hoogte konden houden van ontwikkelingen in wetenschap en samenleving. Aan die wens probeerde Studiën te voldoen.

Het nederlands-katholieke tijdschriftenlandschap

Studiën stond daarin niet alleen. Het oudste algemeen-cultureel orgaan voor katholiek Nederland, De Godsdienstvriend van Le Sage te Broek, was in 1869 ter ziele gegaan. De Katholiek, merendeels volgeschreven door de professoren van het seminarie Warmond, bleef tot 1924 bestaan.

Voor de jongere generatie waren deze bladen te klerikaal en te godsdienstig. J.A. Alberdingk Thijm had in 1855 De Dietsche Warande opgericht: een cultuurhistorisch en literair blad, waarvan de ondertitel de eerste jaren luidde 'Tijdschrift voor Nederlandsche oudheden, en nieuwere kunst en letteren' en na 1876 'Nederlandsch tijdschrift voor aesthetische beschaving'. Het blad was zeker niet klerikaal te noemen en stond ook open voor niet-katholieken. Toen de redactie in 1887 echter overging naar Paul Alberdingk Thijm en de uitgave ervan naar Alfons Siffer in Gent, werd het blad meer en meer een Vlaamse aangelegenheid en bevatte nog slechts incidenteel bijdragen van Noord-Nederlanders.

Er was ruimte voor een nieuw katholiek cultureel blad in Nederland. In het jaar van de eeuwwende begon Van onzen tijd te verschijnen. Het eerste nummer bevatte een artikel van C.R. de Klerk, Een eigen literatuur, dat De Katholiek enkele maanden eerder geweigerd had. Van onzen tijd was aanvankelijk vooral een literair maandblad, maar het kreeg vanaf 1905 een meer algemeen-culturele inhoud. Vanaf 1910 verscheen het blad wekelijks en bevatte voortaan ook geregeld artikelen betreffende politiek en samenleving. Als literair tijdschrift werd Van onzen tijd door de katholieke jongeren minder interessant bevonden en er kwam ruimte voor een nieuw blad, De Beiaard, waarvan de redactiesecretaris Gerard Brom de drijvende kracht was. Het initiatief van de uitgave lag echter bij de romanschrijfster Marie Koenen, zoals recentelijk nog door P. Geurts is uiteengezet5. De Beiaard was niet een uitsluitend literair tijdschrift. Volgens een telling gemaakt door Th. Reul was in de tien jaargangen die er zijn verschenen 41,4 % van de inhoud gewijd aan letterkunde (proza, poëzie en toneel) en bijna 60% handelde over andere onderwerpen: godsdienst, wetenschap, beeldende kunst en samenleving6.

Toen in 1925, mede door moeilijkheden binnen de redactie, aan De Beiaard een einde kwam, waren er al weer twee nieuwe katholieke culturele tijdschriften verschenen: Roeping en De Gemeenschap. Beide waren vooral literair gericht. Roeping richtte zich onder leiding van H.W.E. Moller vooral op de katholieke jongeren in Zuid-Nederland. Omdat Mollers opvattingen als te streng werden ervaren en er in Roeping te weinig aandacht aan de esthetische opvattingen van kunst werd besteed, stapte een aantal medewerkers van Roeping over naar De Gemeenschap. Aandacht voor actuele zaken, voor politieke kwesties en wetenschap kwamen aan bod in de weekbladen, waarvan in de jaren van het interbellum De Nieuwe Eeuw voor de katholieken in Nederland het belangrijkste was. In zijn beginperiode nam De Nieuwe Eeuw met Max van Poll als belangrijkste redacteur een onafhankelijke en kritische houding aan. Dat gold zowel op het gebied van de katholieke politiek als op dat van de katholieke letterkunde. Vanaf 1921 bevatte het blad de rubriek 'Kunst en letteren' onder redactie van Pieter van der Meer de Walcheren. In 1924 kwam er echter een koerswijziging, toen een aantal professoren van de jonge Katholieke Universiteit te Nijmegen onder leiding van Jac. van Ginneken s.j. tot de redactieraad toetrad. De politieke rubrieken verdwenen en de eenheid binnen de katholieke zuil mocht in de visie van Van Ginneken niet in gevaar worden gebracht door te kritische artikelen. Korte tijd bestond er een concurrerend weekblad, Nieuw Nederland (1924-1925), dat door De Tijd met waarderende woorden werd besproken: 'Elk nummer van dit interessante weekblad is een kleine R.K. Volksuniversiteit, waar onze beste denkers, kunstenaars, schrijvers en volksleiders het edelste van hun wetenschap op boeiende wijze mededeelen'. Aanvankelijk hadden de Nijmeegse hoogleraren toegezegd hun medewerking te verlenen aan Nieuw Nederland, maar in plaats daarvan sloten zij een overeenkomst met De Nieuwe Eeuw, en Nieuw Nederland ging weldra ter ziele.

Om op de hoogte te blijven van de boekenproduktie en van de beoordelingen daarvan vanuit katholiek standpunt, bestond er vanaf 1906 Boekenschouw, dat onder hoofdredactie van A.B.H. Gielen s.j. een straf bewind voerde en harde oordelen uitsprak overal waar de katholieke opvattingen en vooral de katholieke zedenleer in het geding kwamen. De felheid van Gielen werd zelfs te bont voor G. Verbiest, de directeur van het Nederlandsche Boekhuis, de uitgever van Boekenschouw. Verbiest begon dan ook in 1925 een eigen blad, Boekzaal der geheele wereld, dat evenzeer beoogde de boekenproduktie voor katholieken te beoordelen.

Gielen werd in 1929 in Boekenschouw opgevolgd door J. van Heugten, de in de vorige edities van Van Dale vaak geciteerde taalautoriteit en van 1947 tot 1963 hoofdredacteur van de Nederlandse tak van Streven. Een artikel over hem, Pater van Heugten, van de hand van Anton van Duinkerken verscheen in Streven, maart 1963.

Terug naar zestig jaar geleden

Toen in 1933 in Vlaanderen Streven zich verbreedde tot een cultureel-wetenschappelijk tijdschrift, ging deze gebeurtenis vrijwel volstrekt aan de Nederlandse katholieken voorbij en het blad Studiën zag geen reden er melding van te maken. Het lag echter ook niet in de bedoeling van Streven om zich op Nederland te richten. Wel was er van meet af aan belangstelling voor wat er in de Nederlandse literaire tijdschriften gaande was. In de nummers 1 en 3 van de allereerste jaargang (1931-1932 dus) schreef de Nederlandse jezuïet P. van Woesik, op uitnodiging van De Raedemaeker, een tweedelige studie over De Jonge katholieke literatuur in Nederland, waarin Roeping, De Gemeenschap, Boekenschouw, Helman, Kuyle, de beide Brunings, Van Duinkerken, Wijdeveld en anderen besproken werden. Maar in de verdere jaargangen is er slechts incidenteel een bijdrage van een Nederlander te bespeuren: F. Schröder schreef over De economische politiek van Nederland, H. Robbers over Geloof en wijsbegeerte en over Wijsgerig leven in Nederland, J. van Heugten over Het avontuur van het christendom.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleven Streven en Studiën onafhankelijk van elkaar in Zuid en Noord verschijnen. Studiën probeerde in 1938 de inhoud actueler te maken door onder andere een nieuwe rubriek 'Van maand tot maand' met een overzicht van het voornaamste nieuws uit binnen- en buitenland. De wijziging van de ondertitel van 'Tijdschrift voor godsdienst, wetenschap en letteren' in 'Katholiek cultureel tijdschrift' moest uiting geven aan een meer eigentijdse, minder zware toonzetting. Het laatste nummer van Studiën verscheen in augustus 1941 met een artikel van W.G. Gilbert over 'Volkslied en volkszang in Nederland', dat eindigde met een zin die in de oorlog en de bezetting voor meer dan één uitleg vatbaar was: 'Het is gemakkelijk te zeggen: het volk heeft weer een lied noodig, maar de moeilijkheid schuilt in het feit, dat ons Nederlandsch lied eigenlijk... een volk noodig heeft'.

Zoals vele bladen mocht ook Studiën van de Duitsers niet langer verschijnen, zogenaamd 'wegens papierschaarste'. Het verschijningsverbod was opgelegd, zo kreeg de redactie later te horen 'ter verzekering van de rust van het land en de veiligheid van de bezettende macht'7.

In februari 1945, nog voordat heel Nederland was bevrijd, kon vanuit Maastricht Studiën een nieuw leven beginnen. Maar de ondertitel 'Katholiek cultureel tijdschrift' werd nu de titel, want, zo schreef de redactie, 'Studiën zullen wij niet geven, maar wel goed-doordachte, korte, klare artikelen, die ieder intellectueel kan verstaan'. Het terrein waarop het tijdschrift zich wil begeven is uitgestrekt: 'godsdienstleer, moraal, devotie, ascese, wijsbegeerte, sociologie, economie, geschiedenis, letterkunde, natuurwetenschappen enz.'. Met een verscheidenheid aan artikelen wil het blad zich richten 'tot niet-vaklieden, geestelijken en ontwikkelde leeken, die van vraagstukken, buiten hun eigen vak of beroep gelegen, kennis willen nemen'. Tweeënhalf jaar lang werd onder redactie van J. Tesser het Katholiek cultureel tijdschrift in deze formule maandelijks volgeschreven. In de loop van 1947 werd echter de samenwerking tussen het Belgische Streven en het Nederlandse Katholiek cultureel tijdschrift voorbereid. In het eerste nummer van het nieuwe blad, oktober 1947, schreef de redactie dat de twee tijdschriften 'hetzelfde doel nastreefden en zich op ongeveer gelijk niveau bevonden. Besloten is samen te smelten en voortaan één tijdschrift uit te geven, dat beide titels voeren, bijdragen uit Noord en Zuid bevatten en in aanmerkelijk uitgebreid formaat verschijnen zal'. De samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen duurde eenendertig jaar, met een Vlaamse redactie in Antwerpen en een Nederlandse in Amsterdam. Vanaf oktober 1978 werd ze 'op een andere wijze' voortgezet. In het augustus-septembernummer 1978 werd dat in een 'Redactioneel' aangekondigd:

'Gaandeweg ontstond binnen de redactie de mening dat de benadering van de lezers in Noord en Zuid niet geheel dezelfde kan zijn. Daarom is gezocht naar een andere vorm van samenwerking (...). Vanaf oktober (zullen) twee afzonderlijke edities verschijnen, geleid door twee redacties die, in nauw contact met elkaar, zich op hun eigen doelgroep willen richten. Deze samenwerking zal o.a. hieruit blijken dat een aantal artikelen in beide edities zal voorkomen'.

In hun oktobernummer 1978 lichten beide redacties, in een 'Editoriaal' zoals het vroegere 'Aan onze lezers' nu was getiteld, hun lezers daarover nader in. De Nederlandse editie plaatste zich in de traditie van Studiën, deze afkomst werd in ere hersteld. Maar dit betekende allerminst 'dat wij menen rustig voort te kunnen varen op een stroom die al meer dan een eeuw met min of meer kracht vloeit'. Vanuit een christelijke optiek, zo werd gezegd, zullen feiten en toestanden worden belicht; dat zal gebeuren vanuit het heden. De Vlaamse redactie gaf niet alleen meer uitleg over de verschillen die waren ontstaan tussen de doelgroepen in Noord en Zuid, maar kwam ook voor de dag met een heuse 'programma- of intentieverklaring', iets waarvan ze zei dat ze er 'nooit erg kwistig' mee geweest is:

'Als we proberen te omschrijven wat voor een groep wij willen vormen, wat voor een blad ons voor ogen staat, dan zeggen we meteen wat voor lezers we op het oog hebben (...). In grote lijnen komt dat hierop neer: de Vlaamse redactie wil een groep vormen van christelijke signatuur, van intellectueel geïnteresseerde mensen die, in een pluriforme en open opstelling, het tijdschrift als een middel zien om te werken aan de bewustwording, verkenning en evaluatie van de cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen (...). Christelijk, intellectueel, pluriform en open: het zijn lege termen, zolang ze niet concreter worden ingevuld. Van ieder van de drie proberen we te zeggen wat wij er niet onder verstaan en wat wel'.

En dat deden ze dan ook. Aan de Nederlandse editie kwam er na ruim twee jaar een einde. G. Adriaansen, die van 1963, als opvolger van Van Heugten, hoofdredacteur aan Nederlandse zijde was geweest, nam in het decembernummer 1980 afscheid en het had weinig zin, vond hij, om 'hetzij met een traan of met stoïcijnse kalmte' de oorzaken en de aanleiding van de opheffing te onderzoeken. De Vlaamse editie had voldoende abonnees en personeel om door te blijven gaan.

Of nog maar twee jaar oud?

Elf jaar lang voer zij haar eigen koers. Zij had er, zonder Nederland, nog lang mee door kunnen gaan. Maar toen in 1991 een groep Nederlanders zich beraamden over een nieuw tijdschrift en na rijk beraad besloten toenadering te zoeken tot het Vlaamse Streven, kwam het tot een akkoord. Het zou (opnieuw) tot een uitgave komen van 'één cultureel maatschappelijk tijdschrift van en voor Noord en Zuid'. In een 'Redactioneel', oktober 1991, werd verwezen naar de Vlaamse 'programmaverklaring' van 1978: 'Het was juist dat wat de Nederlandse initiatiefnemers aantrok'.

In deze vernieuwde vorm als gezamenlijk tijdschrift voor Nederland en Vlaanderen is Streven dus nog slechts twee jaar oud. Met Studiën als Nederlandse voorloper echter al 125 jaar. Of het Vlaamse Streven al (meer dan) 60 jaar bestaat, zal voor de hedendaagse lezer van weinig belang zijn. Opnieuw moet echter worden geconstateerd dat het niet zo eenvoudig is om de geschiedenis van een tijdschrift te reconstrueren. Streven is geen uitzondering. Tijdschriften, om maar te zwijgen van kranten, zijn lange tijd stiefmoederlijk behandeld in bibliotheken. Als er al de moeite werd genomen om ze te bewaren, gebeurde dat bijna altijd zonder omslagen, zonder inlegvellen en zonder prospectussen. De bibliograaf is juist naar dit soort materiaal voortdurend op zoek om daarmee het ontstaan en de geschiedenis van een tijdschrift vast te leggen.

(December 1993)

NOTEN

1 B. Kruitwagen OFM, Iets over bibliografie, in De Katholiek, 1913, dl. 143, pp. 165-185.

2 De huidige Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (UFSIA).

3 Brief J.G. Le Sage ten Broek aan [A. Antonucci], 30/12/1838, in Archief van het RK bisdom Haarlem na 1853 (Rijksarchief Noord-Holland, Haarlem), nr. 1383-24.

4 Er verscheen een register op de delen 1-100 (1868-1924), aangevuld met drie supplementen voor de delen 101-110 (1924-1928), 111-120 (1929-1933) en 121-130 (1934-1938). Zij vormen een goede ontsluiting op de inhoud van Studiën en geven tevens een lijst van de namen die achter pseudoniemen en initialen verborgen gingen.

5 P.A.M. Geurts, Betrokkenheid van Marie Koenen bij de oprichting en de eerste periode van De Beiaard, in Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, 128 (1992), pp. 185-196.

6 Theo Reul, Het tijdschrift De Beiaard (1916-1925), in Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum, 18 (1988), pp. 318-333.

7 Vgl. Aan den Lezer!, in Katholiek cultureel tijdschrift, 1 (1945/46), nr. 1 (febr.).

© S T R E V E N