La fièvre de l’authenticité
‘Wees jezelf!’, ‘Ga op zoek naar je ware ik!’, ‘Ontplooi jezelf!’ Er valt vandaag nauwelijks te ontsnappen aan deze en soortgelijke leefregels die er ons aan herinneren het leven vooral te leiden in overeenstemming met het ware zelf en zichzelf te realiseren door trouw te blijven aan het eigen innerlijke ik. Eerder dan zich te conformeren aan van buitenaf opgelegde verwachtingen, moet het eigen gekoesterde geluk of genot worden nagestreefd door het volgen van zelf opgestelde leefregels. De paradox is daarmee al meteen aangetoond: je hoort authentiek te zijn, wat de facto niet kan wanneer je daar min of meer toe wordt aangespoord. Of nog, wanneer de leefregel is om zelf leefregels op te stellen, dan ben je maar half authentiek. Los daarvan lijkt er vandaag geen levensideaal te zijn dat een grotere legitimiteit geniet dan de ‘zelfverwezenlijking’ door de vervulling van onze meest persoonlijke verlangens. Dat is tenminste de stelling van Gilles Lipovetsky, de invloedrijke Franse filosoof/socioloog, die in zijn boek Le sacre de l’authenticité aangeeft dat authenticiteit vandaag als een koorts hevig in het maatschappelijke lichaam woedt.
‘De nos jours, on exige l’authenticité en toute chose: dans nos assiettes, dans les lieux que l’on visite, chez soi, sur soi, dans l’éducation, dans l’univers des marques commerciales, dans le leadership des entreprises, dans la vie politique et religieuse. Et surtout, plus que jamais, dans notre vie personnelle, familiale, sexuelle, professionnelle’. (Lipovetsky, 2021: 10)
Lipovetsky is onder meer de auteur van L’Ère du vide waarmee hij in 1983 internationaal doorbrak. In dat boek beschrijft hij het individualisme van de postmoderne tijd. De analyse is ondertussen wel bekend: waar eertijds traditionele banden, waarden en collectieve idealen mensen bij elkaar brachten, zijn deze kaders in de verdrukking gekomen als gevolg van het accent dat op zelfexpressie, zelfvervulling en individuele verlangens werd gelegd. De grote aanstoker van dat individualisme is het consumentisme dat mensen ertoe drijft vooral persoonlijke pleziertjes na te streven. Die levensstijl gaat samen met een verlies aan zingeving. Het ‘vide’ van de postmoderne samenleving weerspiegelt zich in apathie, disengagement, disconnectie en verveling. In Le sacre de l’authenticité behandelt Lipovetsky min of meer hetzelfde onderwerp, maar bekijkt en analyseert één en ander nu vanuit het prisma van de authenticiteit. Waar in L’Ère du vide vooral werd ingegaan op de maatschappelijke gevolgen van het individualisme (vervreemding, narcisme, oppervlakkigheid), gaat het in Le sacre de l’authenticité om de verschuivende (historische) betekenis van ‘authenticiteit’.
Eigen aan Lipovetsky is dat hij zijn morele kritiek voor zich houdt – daarin verschilt hij wat van andere bekende cultuurcritici als Benjamin Barber (2007), Christopher Lash (1979), Alasdair MacIntyre (1981) en Eric Sadin (2021). Bij Lipovetsky voel je dat er een schrijver aan het werk is die zichzelf vooral tot taak stelt om de zaken uit te leggen, niet om te fulmineren. Zo duidt hij de ‘vermarkting van de authenticiteit’ niet per se als een voorbeeld van ‘moreel verval’, maar veeleer voor als een ‘verandering’. Zowel in L’Ère du vide als in Le sacre de l’authenticité bekritiseert hij de onderwerpende krachten van het kapitalisme (o.a. uniformering, vervreemding, schijngeluk, manipulatie, zinverlies, vermarkting van het sociale leven), maar onderschrijft hij er tevens de emanciperende voordelen van (o.a. meer keuzemogelijkheden om te genieten en het leven in het hier en nu te leiden).
Le sacre de l’authenticité is een dun boekje, maar zoals wel vaker het geval bij Franse intellectuelen, wordt enige achtergrondkennis verwacht en vergt het van de lezer een langzame inname van de geëtaleerde wijsheid. Ondanks pogingen van Charles Taylor, Charles Lamore en andere filosofen om ‘authenticiteit’ te rehabiliteren is het concept volgens Lipovetsky uit de filosofische mode geraakt omdat het werd gedeconstrueerd (o.a. door de analyse van de mimetische begeerte door René Girard). Wat echter op het filosofisch vlak geldt, is daarom nog niet het geval in het maatschappelijke domein, waar mensen steeds meer het recht opeisen volledig zichzelf te zijn. Dat domein is het studieobject van Lipovetsky. ‘La fin du culte intellectuel de l’authenticité personnelle coincide avec sa consécration ‘pratique’, avec la légitimité sans partage de son principe’ (Lipovetsky, 2021: 25). De vraag is dan hoe zelfbeschikking een centrale culturele waarde is kunnen worden. Hoe komt het dat het recht om zichzelf te zijn mensen vandaag op zo’n koortsige wijze in de greep houdt en waarom heeft de authenticiteitsclaim nu haar sociale hoogtepunt bereikt? De pagina’s waarin Lipovetsky op dit soort vragen ingaat en uitlegt dat ‘jezelf-zijn’ thans iets anders betekent dan in voorgaande historische periodes vormen het hart van het boek. In kort bestek verheldert de Franse denker hoe authenticiteit van een filosofische deugd (gericht op zelfwaarheid en innerlijk leven) is verworden tot een sociale imperatief die sterk verbonden is met de consumptiecultuur, de sociale media en de individuele zelfpromotie. Er dienen daarbij drie tijdperken van authenticiteit te worden onderscheiden die worden voorafgegaan door een lange periode waar authenticiteit nauwelijks een thema was. Met Lipovetsky als leidsman schets ik hieronder kort deze antropologische herconfiguratie van de ‘homo authenticus’.
Premoderniteit: geen authenticiteitsbeleving
Gedurende tienduizenden jaren was het ideaal van authenticiteit volledig onbekend in de zogenaamde ‘traditionele samenlevingen’ waarin van individuen werd verwacht dat zij zich conformeerden aan collectieve normen, gewoonten, plichten en rollen binnen het gezin, de gemeenschap of de religieuze instellingen. Persoonlijke expressies en individuele verlangens waren ondergeschikt aan collectieve verwachtingen. In deze premoderne periode heeft, aldus Lipovetsky, geen enkele menselijke gemeenschap ooit de lof gezongen van het principe van innerlijke overeenstemming met zichzelf. De subjectieve individualiteit werd simpelweg niet erkend als een ideaal of als een bron van waaruit bepaalde gedragsregels zouden kunnen of moeten vloeien.
Ook in het Oude Griekenland was er van ‘authenticiteit’ geen sprake. Er ontstond dan wel een nieuw besef van de individuele persoon, met aandacht voor de zelfervaring, het zelfonderzoek, de innerlijke dimensie, de autobiografie, de lyrische poëzie, het zelfbewustzijn, de meditatie, het zoeken naar wijsheid, maar dit alles was gericht op het socratische voorschrift ‘Zorg voor jezelf!’. Die zelfzorg was een kwestie van het ‘goede leven’ waarbij men zichzelf moest transformeren door valse waarden af te wijzen en door zich te bevrijden van alles wat vreemd is aan het zelf zoals de zucht naar eer en rijkdom en de vele passies en angsten. Filosofie gold als een therapie om de mens te bevrijden van de angst voor god en de dood en van de verlangens die als de bron van ongeluk en tragiek werden gezien. Wie daarin succesvol was, kon de wijsheid bereiken. Die wijsheid was een kwestie van zelfbeheersing, onafhankelijkheid, innerlijke vrijheid en gemoedsrust. De wijze mens streeft dus niet naar het in overeenstemming zijn met het singuliere zelf, maar naar de universaliteit van de Rede en het besef deel uit te maken van de Natuur. Het ging erom dat men het lot accepteerde dat door de kosmische en voor alle mensen geldende Rede werd opgelegd (stoïcisme), en dat men alleen natuurlijke en noodzakelijke genoegens nastreefde die aansluiting vinden bij de elementaire behoeften die het zuivere genot van het bestaan kunnen brengen (epicurisme).
Fase 1: Heroïsche authenticiteit
Het is in het Europa van de Verlichting, zo stelt Lipovetsky, dat het paradigma van individuele authenticiteit, gedefinieerd als in overeenstemming zijn met zichzelf, ontstaat. In de eerste fase (die zich uitstrekt van de tweede helft van de achttiende eeuw tot de jaren 1950) verwijst ‘authenticiteit’ naar de kritische houding van iemand die niet wil meegaan met de stroom en zich dus verzet tegen het kuddegedrag en de groepsdwang waartoe de kerk, staat en gemeenschap nopen. Volgens Lipovetsky waren er in deze periode twee paradigma’s van authentiek zelf-zijn: enerzijds is er sprake van ‘zelfontdekking’ en anderzijds van ‘zelfcreatie’.
Volgens het eerste paradigma is jezelf zijn een kwestie van luisteren naar en samenvallen met je meest intieme en innerlijke wezen. Jean-Jacques Rousseau is diegene die het eerst de oprechtheid tegenover zichzelf tot hoogste moreel ideaal, individuele deugd en onherroepelijke plicht heeft bepleit. Als ‘apostel van de totale transparantie van het zelf’ en ‘bestrijder van de hypocrisie en van de valse passies van het sociale leven’ gaf hij het startsein voor de moderne ethiek van de authenticiteit. Bij Rousseau gaat het dus niet langer, zoals dat bij de stoïcijnen het geval was, om in overeenstemming te leven met de kosmische orde, maar om de unieke waarheid van het eigen ik te volgen en dus om gehoor te geven aan het ‘innerlijk gevoel’ en de ‘stem van het hart’. ‘Wees jezelf!’, zo luidt het motto van deze ethiek van authenticiteit. Wie op zoek gaat naar zichzelf, zal zich dientengevolge moeten onttrekken aan de heerschappij van de publieke opinie en zich moeten bevrijden van de druk die uitgaat van sociale conventies en institutionele autoriteiten. Authentiek leven is niks anders dan de uitdrukking van de individuele uniciteit. Omdat elk individu echter anders en origineel is, moet het deze uniciteit zijn die bepaalt hoe er dient te worden geleefd. Wat goed is voor de ene persoon, is dat nu eenmaal niet voor de andere.
Deze lofrede op de unieke individualiteit werd voortgezet door auteurs als Herder, Humboldt en Goethe, en later door de romantische beweging van de boheemse-kunstenaars die zich tegen de in-authentieke wereld van de bourgeoisie afzetten. Deze artiesten hekelden de leugens en vervalsing van de bourgeoiscultuur en inaugureerden een manier van leven gebaseerd op individuele vrijheid, directheid, spontaniteit en sensatie. Die afwijzing werd duidelijk gemaakt in zowat elk levensaspect van de ‘zorgeloze bohemien’: extravagante en vaak slordige kleding, lange haren, afwijzing van carrière en gezinsleven, vrije liefde, onthechting van materiële zaken, provocatieve fantasieën, enzovoort. De Romantiek vormde ook mee het beeld van de onbaatzuchtige kunstenaar die zijn comfort en gezinsleven aan het altaar van de pure kunst heeft opgeofferd en heldhaftig en toegewijd commerciële mislukkingen, armoede, en gebrek aan eer verdroeg. Die zoektocht naar het zelf was expressief, maar ook experimenteel, avontuurlijk en gevaarlijk. Zo werden er actief roeservaringen gezocht en gecreëerd door het gebruik van alcohol en drugs. Op het eerste zicht lijkt dat contradictorisch, want hoe jezelf te zijn als je je bedwelmt?! De verklaring moet volgens Lipovetsky gezocht worden in wat Rimbaud opmerkte, namelijk ‘Je est un autre’. Het bewustzijn behoort niet wezenlijk tot het individuele bestaan, maar tot datgene wat gemeenschappelijk is voor de hele kudde. Door te stimuleren wat niet tot het bewuste zelf behoort, kon men ontsnappen aan wat als het meest oppervlakkige, kuddeachtige, onpersoonlijke, sociale deel van het individu werd beschouwd. Of nog, door de grenzen van het bewuste vrijwillige af te breken, zochten de bohemiens naar een ‘vergroot’ persoonlijk bestaan, bevrijd van de banaliteit van het alledaagse en artificiële leven.
Volgens het tweede paradigma is jezelf zijn geen kwestie van gehoorzaamheid aan een expressief-psychologische logica, maar aan een voluntaristische, zelfscheppende, zichzelf transformerende logica. Lipovetsky verwijst hier onder meer naar Friedrich Wilhelm Nietzsche voor wie de authentieke, singuliere mens iemand is die nieuwe wegen inslaat en nieuwe waarden en toekomstmogelijkheden uitvindt. Verre van zijn intieme ego uit te drukken, is de authentieke mens een ‘experimentator’ die de bestaande waarden omverwerpt en zijn bewustzijn met een hamer smeedt. Bekend is diens slogan ‘Word degene die je bent!’. Ook voor Heidegger is authenticiteit geen kwestie van het tot uitdrukking brengen van het natuurlijk zelf, maar eerder van het opnemen van het gewicht van het eigen bestaan door zich volledig te ontdoen van de nivellering van ‘Das Man’. Ook voor Jean-Paul Sartre en andere existentialisten en schrijvers gaat het om de vormgeving van zichzelf en de vrijwillige toe-eigening van de eigen keuzes. Voor Sartre is leven een vorm van artistieke creatie. ‘L’existence précède l’essence’. Het authentieke individu bestaat eerst en definieert zich daarna pas door middel van zijn eigen daden en keuzes. Ook in het dandyisme komt dit authenticiteitsparadigma tot uiting. Bekend zijn Charles Baudelaire en Oscar Wilde die van zichzelf een persoonlijk kunstwerk hebben gemaakt via de esthetisering van de eigen persoon en het navolgen van een unieke levensstijl.
Interessant is hoe Lipovetsky democratie, gelijkheid en authenticiteit in deze fase met elkaar verbindt. Zo stelt hij dat door de fundamentele gelijkheid van de mens als basisaxioma van de moderne wereld te nemen, elk individu zijn uniciteit kon beginnen claimen, ongeacht zijn sociale achtergrond. Net zoals mensen collectief werden erkend als de enige legitieme makers van hun wetten, zo moet ieder individu ook voor zichzelf kiezen, meester worden van zijn leven, alleen zijn eigen wetten gehoorzamen, en zich onttrekken aan de heteronome druk van het sociale en religieuze leven. Dat er toch ook een specifieke ethiek van de authenticiteit nodig was, heeft ermee te maken dat de denkers van de eerste fase opmerkten dat het rechtssysteem van het politiek-liberalisme onvoldoende was om weerstand te bieden aan tal van conformerende en aliënerende krachten. Omdat de moderne samenleving dus minder aanleiding gaf tot persoonlijke vrijheid dan verwacht, diende er een veeleisende ethiek in gang te worden gezet. Of nog, het authentieke zelf kwam niet als vanzelf voort uit de liberale democratie, maar diende via de authenticiteitsethiek rechtop gezet te worden door het aan te sporen zich te bevrijden van de onpersoonlijke dwang van de publieke opinie.
Fase 2: Libertaire authenticiteit
Terwijl de eerste fase twee eeuwen overspande, was de tweede fase veel korter. Ze begon in de jaren 1960 en eindigde voor het einde van de jaren 1970. Ook al ging het om een korte periode, de vraag naar authenticiteit veranderde sterk in omvang, status en sociale betekenis. Waar de eerste fase werd gevormd door gecultiveerde, intellectuele en artistieke minderheden die zich afzetten tegen de heteronome waarden en het conformisme van de massa, was de tweede fase het werk van een fractie van jonge (westerse) studenten die zich verzetten tegen zowat alle gebieden van het sociale leven en tegen alle institutionele structuren. Geen enkel domein ontsnapte aan de ‘Grote Refus’, de beweging van wijdverspreid en permanent protest. Zo werden de realiteit van arbeid, consumptie, onderwijs, seksualiteit, religie, kunst, leger, psychiatrie, politiek, familie, en de impact van hiërarchie, meritocratie, puritanisme, discipline, kapitalistische productie weggezet als bron van vervreemding, verstikking en onderdrukking. Er werd kritiek geuit tegen de in-authenticiteit en de ellende van het dagelijks leven en geprotesteerd tegen de ontmenselijking van de wereld, de vervreemding van het bestaan, het verlies van de individuele autonomie en het autoritarisme van de hiërarchische machten. De protesterende generatie vond dat men zichzelf niet kon zijn en dat men teveel moest worden wat de maatschappij wil dat men wordt. De afkeer van het ‘Métro, boulot, dodo’ ging samen met het verlangen naar een paradijs dat ogenblikkelijk moest worden gerealiseerd. De sleutelwoorden van deze ‘tegencultuur’ waren dan ook ‘revolutie’ en ‘bevrijding’. Het doel daarbij was niet gelegen in het politiek engagement om de samenleving te hervormen, maar wel in het ten val brengen van de gevestigde waarden en officiële instellingen teneinde nieuwe waarden en manieren van leven te creëren. Deze politieke en utopische dimensie van het authenticiteitsstreven was kenmerkend voor de tweede fase. ‘Wees realistisch, eis het onmogelijke!’, zo klonk het in 1968.
In de collectieve aversie tegen het ‘hier en nu’ werd een model van gemeenschapsleven verheerlijkt, gebaseerd op transparantie en ‘echte’ interpersoonlijke relaties. Radicale stedelijke groepen, grote muzikale bijeenkomsten, festivals, pacifistische demonstraties, communes, love-ins gaven uiting aan de wens voor authentieke gemeenschapservaringen. Het authentieke leven, zo werd gedacht, wordt niet geconstrueerd in eenzaamheid en zelfdialoog, maar in nieuwe vormen van ‘samenzijn’, alternatieve levensstijlen en gemeenschapservaringen die verondersteld worden echte en vriendschappelijke relaties tussen menselijke wezens mogelijk te maken. Deze gemeenschapsutopie roept onvermijdelijk ook echo’s op van de ‘bon sauvage’ van Rousseau en het neoromantische ‘terug naar de natuur’. Waar dus in de eerste fase de heldenmoed van de (individuele) non-conformistische ethiek werd gevierd, werd in de tweede fase de heldenmoed van de culturele revolutie geprezen die een nieuwe wereld tot stand zou moeten brengen. Dat het echter alleen maar om gemeenschapszin draaide, is volgens Lipovetsky te kort door de bocht. Er was immers ook sprake van ‘une explosion de la subjectivité’, zoals blijkt uit de lawine van persoonlijke discoursen, libertaire en libidineuze eisen, oproepen tot plezier, ironische posters en slogans, stripverhalen, hedonistische en zintuiglijke ervaringen. Wat de kracht van revolutionaire retoriek, collectieve acties en bewegingen ook moge geweest zijn, de tegencultuur kon alleen maar het levenslicht zien doordat zij ondersteund werd door de toegenomen kracht van de individualistische ideologie van authenticiteit, de verwachtingen van individuele autonomie en zelfrealisatie.
Fase 3: Gegeneraliseerde authenticiteit
Sinds het einde van de jaren 1970 speelt zich het derde bedrijf af in de geschiedenis van de authenticiteit. In deze fase – waarin we ons nu nog steeds bevinden – staat het persoonlijke in alles voorop. Het recht om zichzelf te zijn is gedemocratiseerd en vercommercialiseerd. Wat ooit werd geprezen door een culturele, intellectuele en artistieke elite, is nu het ethos geworden van de overgrote meerderheid van de bevolking. Vandaag is de retoriek van persoonlijke ontplooiing alomtegenwoordig in tijdschriften, psychologische en educatieve toespraken, reclame en bedrijfskringen. Authenticiteit is een label, een industrie, een mode, een massaconsumptiegoed. Ooit was ‘echtheid’, ‘puurheid’, ‘oorspronkelijkheid’ een onvoorwaardelijk moreel doel, een ethische waarde zonder commerciële intentie, vandaag is het verheven tot de ‘heilige graal’ om het vertrouwen van consumenten en medewerkers te winnen. Denk aan de biologische en ecologisch verantwoorde voeding die op ambachtelijke wijze werd bereid volgens eeuwenoude inzichten die van generatie op generatie werden overgeleverd, of aan coaches en zelfhulpboeken die mensen helpen ‘zichzelf te zijn’, of aan de reality tv die mensen toont zoals ze werkelijk zijn. ‘Echtheid’ wordt commercieel voorgesteld als een moreel superieur en nastrevenswaardig ideaal, een vluchtroute uit of alternatief voor een als onecht ervaren wereld. Het paradigma dat door Rousseau en de Romantici werd geïnitieerd en later op andere manieren werd uitgebreid, bijvoorbeeld via de psychoanalyse, maar ook via allerhande bewegingen die wijzen op het belang van het ‘menselijke potentieel’ en de ‘persoonlijke ontwikkeling’ is hier duidelijk zichtbaar, net zoals ook het Nietzscheaanse authenticiteitsideaal dat bijvoorbeeld tot uiting komt bij individuen die zichzelf vandaag creëren wars van alle conventies en kaders (vb. LGTBQIA+, de versmelting van mens en technologie, de mix van hoge en lage cultuur).
Authenticiteit, zo stelt Lipovetsky, is een universeel principe geworden dat is ingebed in de dagelijkse gewoonten en in de gedachte dat alle obstakels die de volledige erkenning ervan belemmeren moeten worden opgeheven. In wat Lipovetsky ook in ander werk de ‘hypermodernité’ noemt, is authenticiteit een sociale norm en niet langer een rebels of artistiek ideaal. Het is iets waarvan wordt aangenomen dat iedereen het nastreeft. ‘Affranchi de la perspective révolutionnaire, le nouvel âge de l’authenticité est néanmoins marqué par la radicalisation de ses visées et de ses effets, tous les anciens freins sociaux et symboliques (les représentations relatives à la différence masculin/féminin, au jeune âge, aux minorités sexuelles et de genre) se trouvant disqualifiés et cessant, de ce fait, de contrer sa dynamique propre. Sans opposition de fond à ses exigences, dotée d’une légitimité consensuelle, délivrée de ses anciennes restrictions, la culture de l’authenticité est entrée dans une nouvelle étape de son odyssée multiséculaire: celle du droit à être soi, remplaçant le devoir moral d’être soi’ (Lipovetsky, 2021: 28). Na de non-conformistische heroïsche en libertaire vormen van authenticiteit, is authenticiteit dus verworden tot de veralgemeende bestaansmodus die het hedendaagse individualisme kenmerkt.
Zoals hoger al opgemerkt is wat Lipovetsky de ‘hypermoderne vorm van authenticiteit’ noemt vaak paradoxaal, omdat het nastreven van individuele authenticiteit een vorm van conformiteit creëert. Zo biedt de markt in een eindeloze sliert producten en ervaringen aan die de zichzelf-ontplooiende-individuen beloven dat ze helpen om hun authentieke zelf te vinden, te uiten en te verwerkelijken. Mensen kiezen echter vooral wat ze al kennen en worden daarbij sterk gestuurd door intelligente robots die hen opsluiten in een luchtbel van conformiteit. Zo leven we thans in een (nep)maatschappij met fake news, avatars, siliconenborsten, AI, kitsch, algoritmes (allemaal voorbeelden van het ‘simulacrum’ van Jean Baudrillard). Mensen dienen zich thans ook te vermarkten en als ‘merk’ in de (digitale) vitrine te plaatsen teneinde de ander van hun waarde te overtuigen. De ander moet voortdurend worden verleid, ontroerd en overtuigd; een stelling die Lipovetsky (2017) al eerder heeft uitgewerkt in Plaire et toucher. Sociale media moedigen mensen aan een beeld van hun authentiek leven te presenteren. De druk die gepaard gaat met het feit dat men niet alleen authentiek kan zijn, maar het ook vooral moet zijn, kan leiden tot gevoelens van onechtheid, stress en fragmentatie. Denk bijvoorbeeld aan hoe de sociale media de cultuur van dialoog en interactie heeft vervangen tot een (beeld)cultuur waarbij mensen zichzelf vooral op een gestileerde wijze tentoonstellen.
Voorbij de ethiek van de authenticiteit?
Lipovetsky legt in zijn boek middels een historische schets uit hoe wij vandaag zijn beland in het regime van de authenticiteit. ‘Word wie je bent’ en ‘wees jezelf’ zijn niet langer stellingnamen die worden geprezen door intellectuele en artistieke minderheden, maar kunnen worden beschouwd als verklankingen van de hedendaagse dominante ethiek. Niets lijkt vandaag immers meer gerechtvaardigd dan onze ware individualiteit te herontdekken, in overeenstemming te leven met ons unieke zelf, en om te stoppen met het afstemmen van ons bestaan op dat van anderen. Het recht op keuze en zelfverwezenlijking is absoluut, waardoor alle maatschappelijke instituten waarvan dwang en de eis tot conformisme uitgaan worden bekritiseerd. ‘My life, my rules!’ Het beïnvloedt steeds meer gebieden van het dagelijks leven en verspreidt zich als een koorts door de hele samenleving. Lipovetsky beschrijft de sociale overwinning van deze ethiek van de authenticiteit, maar doet geen enkele uitspraak over de toekomst. Hij laat de lezer in het ongewisse over hoe hij de volgende fase ziet. Of zijn we in een eindfase beland?
Het is ook niet helemaal duidelijk of hij die authenticiteitsethiek nu betreurt. Hij gaat eveneens niet in op hoe al die authentieke ego’s nu precies kunnen samenleven zonder elkaar niet voortdurend te belemmeren, alsook hoe de beklemtoning van de eigen authenticiteit heel wat nieuwe problemen in het leven roept (Levrau, 2024). Welke stabiliteit creëert authenticiteit eigenlijk op grotere schaal? Noopt authenticiteit niet tot een wezen voor wie het persoonlijke niet alleen politiek is, maar waarvoor het politieke ook persoonlijk moet zijn? ‘L’etat c’est moi’. Iedereen zonnekoning? Als iedereen zichzelf wil zijn, dan zijn schier alle regels immers potentiële stoorzenders. Hoe daar dan precies mee om te gaan? Wat dus als de buitenwereld wordt beleefd als iets dat in het verlengde van de binnenwereld hoort te staan? Wordt die buitenwereld dan niet snel als iets kwaadaardigs en intimiderends gezien dat moet worden bestreden of aangeklaagd? Zetten mensen die vandaag overal en altijd zichzelf willen of kunnen zijn, zonder te worden gedwarsboomd door een vijandige buitenwereld, de samenleving daardoor niet vooral nodeloos mee onder spanning? Wie in de ban is van de authenticiteit, zal menen dat de wereld zich aan hem moet aanpassen, en niet omgekeerd. Denk aan hoe het werk de persoonlijke groei van de medewerkers moet dienen (bevalt het hen niet, dan wordt een andere job gezocht); hoe de opleiding vooral dient te worden aangepast aan de persoonlijk voorkeur van de student, waardoor er sprake is van een almaar uitdijend assortiment aan keuzevakken; hoe de intieme relatie de persoonlijke verlangens moet bevredigen, waardoor er danig wordt geëxperimenteerd met ‘alternatieve relatievormen’; hoe de voeding een reflectie hoort te zijn van de persoonlijke levensstijl en smaak; hoe gender en geslacht vandaag niet meer in hokjes zijn op te delen; en aan hoe de ander er vooral dient te zijn om het ik te dienen, waardoor mensen zich selectief binden aan diegene die en datgene dat hen confirmeert, waardoor ze eigenlijk niet meer in een groep worden geboren, maar eerder de groep kiezen die bij hen aansluit.
Lipovetsky gaat ook niet echt in op de mogelijkheid dat authenticiteitsdwang aanleiding kan geven tot pseudo-identiteiten en dito erkenningsclaims. Zo erkent hij dat woke het woord ‘authenticiteit’ niet gebruikt, daar het lofzangen zijn op het slachtofferschap en nieuwe vormen van samenhorigheid, maar wijst hij erop dat de vraag om volledig jezelf te zijn wel degelijk de nieuwe eisen voor identiteit en de strijd tegen discriminatie en geleden misdaden voedt. Hij beantwoordt echter niet de vraag hoe daar nu precies mee om te gaan. Moet de authenticiteitsdrang verder losgelaten worden? Het is immers zo dat nog niet iedereen zichzelf kan zijn, dat er nog veel strijdpunten zijn en dat niet elk instituut zich even makkelijk laat de-institutionaliseren. Of dient de authenticiteitsdrang – de ‘tirannie van de intimiteit’ oftewel de opdringerige aanwezigheid van het private in de publieke ruimte (Sennett, 1977) – wat teruggeduwd te worden? Zou het kunnen dat er niet wat vaker moet worden verwezen naar het belang van waarden, normen, afspraken, deugden en plichten (Levrau, 2024)? Is het niet stilaan tijd dat het ‘authentieke individu’ zich wat meer terugtrekt en zich in de publieke sfeer een meer formele rol aanmeet waarin goedgemanierdheid en terughoudendheid centraal staan? Zou het kunnen dat de authenticiteitsslinger is doorgeslagen, of heeft het geen zin om daar op die manier naar te kijken? Ook gaat Lipovetsky nauwelijks in op het feit dat de vermarkting van de authenticiteit tot versimpeling en sentimentalisering van de persoonlijke en sociale wereld leidt, waar alles dus direct consumeerbaar is (dat doet hij wel in L’Ère du vide). Op deze en soortgelijke vragen krijg je in het boek van Lipovetsky dus geen uitgebreid antwoord. Dat is jammer – al zal de auteur benadrukken dat hij zich dit simpelweg niet tot taak heeft gesteld – omdat je van een intellectueel zwaargewicht als Lipovetsky misschien uiteindelijk toch meer mag verwachten dan een boeiende ideeëngeschiedenis.
Reageren? Mail naar: francois.levrau@uantwerpen.be
François Levrau is gepromoveerd in de Sociale Wetenschappen, en verbonden aan de UAntwerpen, respectievelijk als onderwijsbegeleider bij het Centrum Pieter Gillis en als docent bij het Departement Sociologie.
Referenties
Barber, Benjamin (2007), De infantiele consument, Ambo, Manteau, Amsterdam.
Lasch, Christopher (1979), The culture of narcissism, Norton W.W. & Company, New York, London.
Levrau, François (2024). Voorbij het eigen gelijk. Essays over vrijheid, beschaving en fatsoen. Antwerpen, Gompel & Svacina.
Lipovetsky, Gilles (1983), L’Ère du vide, Gallimard, Paris.
Lipovetsky, Gilles (2017), Plaire et toucher, Gallimard, Paris.
Lipovetsky, Gilles (2021), Le sacre de l’authenticité, Gallimard, Paris.
MacIntyre, Alasdair (2007 [1981]), After virtue, University of Notre Dame Press, Indiana.
Sadin, Eric (2021), Het tijdperk van de ik-tiran, Wereldbibliotheek, Amsterdam.
Sennett, Richard (1977), The fall of public man, Alfred A. Knopf, New York.