Eschatologie in Gezelles Laatste Verzen

Ana Van Liedekerke*

 

Ik zie hem voor me, op de harde stoel aan zijn volgestouwde werktafel, pijp in zijn rechtermondhoek. Zijn kamer kijkt uit op de kloostertuin waar hij als kind tersluiks naar loerde en die nu zijn laatste stappen ontvangt. Mijnheer Gezelle, zoals de parochianen van Roeselare, Kortrijk en Brugge hem noemen. Nu is hij terug in Brugge, zijn geboortestad, de cirkel van zijn leven is rond. Straks moet hij de biecht horen van de kanunnikessen van het Engels klooster, waar hij deze twee laatste jaren van zijn leven directeur is. In zijn ogen is iets dofs; de gloed waarmee hij voorlas uit Maerlant en Shakespeare tijdens zijn Roeselaarse leraarschap ligt achter hem. En toch, nog steeds dat grote voorhoofd en die priemende blik. Voor hem liggen de manuscripten van gedichten voor Laatste Verzen, de bundel die na Gezelles dood zijn laatste werk verzamelt.[1] Zijn pen is gescherpt na zoveel jaren van toewijding aan het woord; veel van zijn hoogst aangeschreven gedichten stammen uit deze periode.

Het is een naar binnen gekeerde Gezelle, deze man aan zijn werktafel, wijzer en ingetogener. Hij voelt de dood naderen. Zijn natuurbeelden veranderen van fluitende vogelgedichten naar zonsonderganggedichten; de nacht of de winter breekt aan, het wordt stil. Een stilte voor de grote Stilte: ’t Is stille, stille allengerhand,’ schrijft hij in 1897, twee jaar voor zijn dood. ‘het zonnelicht is henen, ’t is een ander land nu lavend […] zoetjes vaart dat roerde alom / te rustewaard’. Een stilte die sprakeloos maakt; Gezelles observatieve kracht en nederige levenshouding zijn uitgekristalliseerd. Misschien is er geen enkele andere dichter wiens dichten zo sterk schilderen gelijkt; kleuren, nuances en schakeringen vloeien in elkaar over om de schoonheid van de schepping te bezingen. In zijn laatste gedichten komt steeds opnieuw het beeld terug van de dag die zich te slapen legt. Gezelles blik is al op de hemel gericht, op de vogels, die hij benijdt omdat ze dichter bij God komen. De vogels verbinden hemel en aarde en komen terug in zijn laatste woorden: ‘Ik hoorde zo geerne de vogelkes schuifelen.’

Is het een opflakkering van twijfel, de rimpels boven zijn hoofd; is zijn hoop groot genoeg, voor een leven na dit leven? In de eerste strofen van In speculo klinkt iets van twijfel door:

Hoe kan dat zijn,
o Schepper van hierboven,
dat ik U maar
en zie als in een glans;
als in een glas,
te zelden onbestoven
van doom en stof:
en nooit geheel en gans?

Zo Gij bestaat,
en God zijt, moet het wezen,
dat ik U zie;
dat, zonder doek, entwaar,
ik schouwen kan
en, schouwende, in ‘t nadezen,
van bij U zie
en eeuwig op U staar!

God is slechts zichtbaar door het prisma van ons eigen vertrouwen, ‘nooit geheel en gans’, maar als Hij echt God is, het grootste, zou hij zonder doek zichtbaar moeten zijn (doek waarmee Veronica Jezus’ gelaat depte op de kruisweg en zo zijn gelaat vereeuwigde, en waar Gezelle over dicht in zijn stondengedichten). Puur syllogistisch is het een weerlegging van Gods bestaan: een echte God zou zichtbaar zijn in de eeuwigheid zonder filter, maar hij is slechts zichtbaar als in een glans, dus hij bestaat niet. Maar bij Gezelle is het eerder verwondering over onze eigen onmacht dan twijfel, want er is het beeld van de dageraad die verlossing brengt;

Daar komt toch eens,
ten oosten uit, een dagen,
een dageraad,
een eeuwigheid, die niet
meer weg en kan
noch weder, noch vertragen
het zielgezucht,
dat zoekt en niet en ziet.

De hoop ligt in de toekomst, de wereld rond hem heen heeft hij nu al voor een groot stuk de rug toegekeerd; ze is hem te druk, te vijandig. ‘De zonne is blindgedoekt’, schrijft Gezelle in Wij naderen. Hoe komt het dat de hemel donker is, het gers besmet is met onraad, dat tanden en kale keien het malse gras hebben vervangen? ‘Wij naderen ’t gebied / daar menschen zijn’. Hij houdt niet van de nieuwe wereld, niet van de trein, dat ‘ijselijkst serpentenhoofd’ (waar hij toch prachtig over schreef), niet van de liberale ideeën en de hoogmoed van de wetenschap, niet van de fabriek met zijn ‘dom dwaas wiel’ en vuil dat het water ‘ondrinkelyk’ en de sterren onzichtbaar maakt.

Gezelles taalgordijn

De nieuwe wereld op haar beurt weet de decennia na zijn dood niet wat met Gezelle aan te vangen. Van Ostaijen noemde hem ‘de Meester’, Rodenko en Walravens schatten hem hoog genoeg in om hem in hun bloemlezingen op te nemen. Maar de pastoor klinkt te hard door in zijn gedichten; men filterde tot de schrijverkes alleen nog maar dansten en het bladje alleen nog maar viel en viel; avant-garde en geloof, dat ging niet samen. En ‘den heiligen name van God’, die Gezelle zo zorgvuldig zijn leven lang had opgeroepen, werd uitgewist om zijn taalspel eenzijdig te belichten. Wanneer hij wel op de voorgrond werd gehaald, tekende dat mee Gezelles doodsvonnis als het prekerige pastoortje, de naïeve maagd die odes schreef aan de bloemetjes, de provincialist die zich terugtrok in zijn dialect. Zoals zo vaak verdween de dichter met zijn gedichten tussen de interpretaties, tot de naam Gezelle voor velen ging gelijkstaan met vrijblijvend gezingzang – ‘Het zingzangt mij om de oren dat ik er soezerig van word’; Benno Barnard werd haast gevild voor die blasfemie, maar Gezelleminnenden zagen te weinig in dat Barnard het Gezellebeeld van een generatie verwoordde en versterkte – niets maakt woedender dan machteloosheid (Barnard kwam overigens terug op zijn verwerping). Hoe leesbaar is hij vandaag, die zonderlinge onderpastoor?

Weinig, als ik rond me kijk. Mensen die elke dag boeken lezen, die vervuld worden van de Bijbelse beelden van Saramago en de natuurpracht van Rilke, vinden niets in Guido Gezelle. Vrienden die hun dagen slijten met dode auteurs, zuchten bij de naam Gezelle en mompelen afkerig iets als ‘kneuterig, ‘verouderd’, ‘inhoudsloos’. En de Delphine Lecomptes die in Gezelle een ‘branieschopper en wellustige katholiek’ willen zien, doen door goedbedoelde overcompensatie de werkelijkheid ook oneer aan. Er is een naïviteit die te aanwezig is om te ontkennen – maar het is een mooie naïviteit, die van een man die ontroerd neerknielde bij een distel.[2]

Ik denk dat er ten minste vijf redenen bestaan voor Gezelles stoffige imago. Eén, hij is religieus; heiligen, kruisen en levenswijsheden zijn niet welkom in baanbrekende poëzie. Twee, zijn traditionalistische wereldbeeld: Gezelle is ‘een typerend, reactief fenomeen in het moeilijke moderniserings-, rationaliserings- en emancipatieproces van Vlaanderen’, in de woorden van Erik Spinoy. Drie, hij heeft een stempel van Vlaams-nationalist, en dat maakt hem verdacht in kosmopolitische literatuurmiddens. Vier, zijn gedichten worden als naïef taalspel gezien zonder diepere laag: het is de pastoor die tromtrommelgedichten schrijft over de bloemetjes. Vijf, hij is te taalparticularistisch. Barnards ‘vage irritatie over de relatieve onbegrijpelijkheid’ van Gezelles West-Vlaams is een gevoel dat toeneemt hoe meer we verwijderd zijn van een taal die in Gezelles eigen tijd in bepaalde middens al verouderd klonk. Zelfs een liefhebber als Kees Fens twijfelt om die reden of Gezelle toekomst heeft: ‘Zijn taal weigert een andere taal te worden; ze lijkt, bij alle genialiteit, ten slotte toch te particulier voor een groeiproces.’ De grootste kloof vormt volgens mij dat taalgordijn, de ‘blomme’ die ons nog steeds dialectisch, onpoëtisch in de oren klinkt. Het is nog steeds Van Hoves verwijt (Gezelles medeleraar aan het seminarie) dat Gezelles gedichten in de onverzorgde volkstaal zijn geschreven.

Er is veel in te brengen tegen al die kritieken; waar is Gezelles alterego Spoker, de kritische en spottende journalist die de degens kruiste met zijn ideologische tegenstanders? Waar zijn het Sanskriet, IJslands en Hebreeuws gebleven, naast zoveel andere talen waar Gezelle zich voor interesseerde? Gezelle vond in het West-Vlaams een levende taal in duizend registers, niet de ene ware werkelijkheid. Wie heeft oog voor de vernieuwingszin van een leraar die kritische zin en originaliteit in zijn leerlingen stimuleerde, en van een pastoor die liefde eerder dan vrees voor God beklemtoonde? Maar bovenal, waar passen Gezelles gedichten in die afkeer? Misschien is een groot deel van het probleem het feit dat Gezelle niet meer genoeg gelezen wordt. Dit essay vormt een poging tot een kleine verrijzenis van zijn naam, vertrekkend van Gezelles dood en hem een nieuwe adem in blazend doorheen zijn gedichten.

Zwanenzang

Er schuilt een bijzondere bekoring in kunst die de dood in het gezicht kijkt. Neem Norbert Elias, die in The loneliness of the dying uitzoekt hoe het einde in het leven binnensluipt en hoe we ons afkeren van oude mensen als van lijken – hij schreef het twee jaar voor zijn overlijden. Of de mythologisering rond Mozarts requiem, waarvan de legende gaat dat de compositie door zijn intensiteit de componist zelf vermoordde. De woorden van mensen boven de honderd krijgen een zwaarte die de nakende dood op hen projecteert. Iets gelijkaardigs gebeurt als we ons wenden tot de oude Gezelle, gebogen over zijn schrijftafel. In zijn zwanenzang zong Gezelle het mooist; meer dan ooit werd hij geconfronteerd met de eeuwigheid die voor hem lag, een duister dat in zijn geloof Licht heette, maar zich tegelijkertijd voor hem – evenals voor elke sterveling – duister onbekend uitstrekte. Het zijn de metaforen van duister en licht, nacht en morgen, winter en lente en de belofte van een nieuw begin, die zijn laatste gedichten doorkruisen.

Meer dan voorheen zijn het individuele gedichten, de verzuchtingen van een voelend ego. Gelegenheidsgedichten – odes, communie- en overlijdensverzen –, die in andere bundels de meeste pagina’s vullen, zijn afwezig in Laatste Verzen. Gezelle is mens in zijn gedichten, en staat als mens in het voorportaal van de dood. In de fragmenten die hij naliet vat hij het verdriet van die verwachting: ‘‘k Voele een traan mijne ogen ontzwellen / als ik denke: ‘t is voorbij’. De dood is meer dan een existentieel thema, het is persoonlijk gevoel:

Mij schielijk is een vreemde
ontroeringe ingevallen:
is stervende iemand, of
ben, veeg, ik zelf misschien
bestemd om heen te gaan?

In een brief aan Eugène Van Oye vatte Gezelle zijn poëtica eens als volgt samen: ‘Ik geloove aan eene waarheid: Poesis is voor mij de Schoonheid daarvan, vatbaar geworden uit menselijke ontboezeming’[3].

Weemoedsketenen

Die romantische expressie is bij Gezelle melancholiek gekleurd. Veel biografen maken gewag van Gezelles neerslachtige aanblik; hoe minnelijk hij ook zijn biechtelingen raad gaf en mensen aansprak op zijn dagelijkse wandeling, zo nors en teruggetrokken was hij. Zijn droefheid hangt samen met een zondebesef: ‘Welk leven, welk geluk was het / met Adam’s zonde en zeer besmet?’ Voor Gezelle is het menselijk leven een onzuiver leven; daarom trekt hij naar de kinderen, de dieren en de planten; ze vallen samen met hun natuur. Vandaag zou hij misschien de diagnose van een depressie krijgen; hij heeft alleszins depressieve periodes gekend – de stugheid van de kerkelijke instanties hebben er geen goed aan gedaan – en die verergeren aan het einde van zijn leven. Wanneer elf maanden voor hijzelf zijn broer Romaan sterft, is Gezelle ontroostbaar. ‘Waar berge ik mij? Waar vluchte ik u / o troostloos ondervinden / der zware weemoedsketenen / die mij nu nederbinden?’ Er klinkt een verlangen door naar een vlucht van het verdriet, maar die reikt in zijn leven verder dan de rouw om een geliefde: als we terugkijken in zijn leven, is een vluchtdrang er al vroeg. In 1860 schrijft hij het gedicht Het kindeke van de dood, waarin een kind de dood wenkt: ‘De Dood is maag en vriend van hem, / hij kent heur witte hand […] Zij is vriend van hem en speelgenoot, / zijn herte langt erom; / ja, zij nestelt alree in dat herte, de Dood, / en zoo, schrijvende, zucht hij: ‘Kom!’ Aan het einde van het gedicht klinkt iets van jaloezie door, dat het kind zo ‘recht naar den Hemel’ kan gaan. De vluchtdrang blijft aan tot in zijn laatste werk:

Ik weet een hoeksken in
den hof, en, daar geborgen,
ontvluchte ik voor ‘t geweld
der luide levenszorgen.

Het hoekje dat Gezelle beschrijft is ‘verheven […] van de aarde / op oude bouwselbraken’, gelegen uit de zon en ‘menschenloos’ geliefd als een plek om de wereld te ontvluchten.

Christocentrisme

Ongetwijfeld verklaart die eigen pijn mee Gezelles christocentrisch geloof; zijn bundels openen met een kruisgedicht en in Laatste Verzen verhalen de stondegedichten Jezus’ kruisweg. Voor Gezelle is het kruis nooit een abstract symbool – het menselijke lijden, het verraad door anderen zijn tastbaar. Het is het Kruis, ‘dat al onze hope draagt / al ’s werelds eere en vrijheid schraagt’. Gezelles geloof is een voortdurende nederigheid, waarbij hij doordrongen is van de menselijke blindheid voor het eeuwige licht van God. De christen is niet degene die zich door de onsterfelijkheid God waant, maar net degene die inziet dat hij zoon moet worden. Daarom is het kruis het symbool bij uitstek, stelt Paus Benedictus XVI in Over dood en eeuwig leven: ‘De mens kan ‘God’ worden, maar niet door zichzelf dat te maken, maar alleen doordat hij ‘zoon’ wordt. Daarom zijn de eersten de laatsten, en de laatsten de eersten […] Het antwoord op de vraag naar het rijk is de zoon.’ Benedictus koppelt die nederigheid ook aan de verwachting: ‘In hem is ook de onsluitbare diastase van het reeds en het nog-niet gesloten: in hem worden dood en leven, vernietiging en bestaan bijeengehouden. Het kruis is de kram die de diastase dicht.’[4]

Het is Christus die de enige uitweg biedt. Het mede-lijden biedt de hoop op een mede-verrijzenis: in Uit de diepten klinkt het: ‘Gij ook zijt eens in’t graf geweest, drie dagen en drie nachten’. Gezelles vertaling van het stabat mater klinkt persoonlijker en lijfelijker dan die van een Vondel: ‘Mochte ik eens in Christus’ wonden, zijn verborgen, zijn verslonden, ’k ware in ruste’. De hoop op het opgaan in God verklaart Gezelles voorliefde voor de mystiek. Hij hield van Ruusbroec, en vertaalde Spaanse en Italiaanse mystieke poezie van onder andere Franciscus en Theresia van Ávila onder de titel ‘Alcune poesie – De’ poeti celesti’.

In sommige van zijn natuurgedichten is er een opgaan in de schepping. In ‘t Er viel ne keer verbeeldt Gezelle het opgaan van een bladje in het water: ‘’t En was niet ‘t een een bladtje en ‘t an- / der water / Maar water was het bladtje en ‘t blad- / tje water’. Het gedicht is dubbel meerlagig; het is de neerslag van Gezelles opgaan in muziek (het is geschreven als herinnering aan een recital van Beethovens septuor opus 20) en tegelijkertijd het opgaan van de ziel in God – de ziel is het bladje, het water is het klinken van twee harpen, en verschuift vervolgens naar de ‘blauwen blijden Hemel’. Het gedicht bestaat uit 33 verzen (Christus’ dood en verrijzenis) en de laatste verzen zijn gelijk aan de eerste, waardoor het gedicht zelf eeuwig wordt. ‘Jezus heeft de Dood […] doodgetreden’, schrijft Gezelle in De veertiende stonde. Daarmee vat hij de levenskracht van het christendom. In de woorden van Benedictus: ‘In Christus is God zelf in de wereld van de dood binnengegaan […] Doordat God in Christus de dood is binnengedrongen, heeft hij de dood als zodanig opgeheven en overwonnen.’

Vooruitwijzing

Toch situeert het opgaan in God zich bij Gezelle, anders dan bij de middeleeuwse mystiek, in het verlangen eerder dan in de doordringing van de minne. Zijn geloof is verticaal: gericht op de hemel. Het geloof als Verlossing staat centraal. Dat vertaalt zich in ruimtelijke beelden van vogels, engelen, opstijgen. En het vertaalt zich in een grote rol voor de tijd: er is een kloof tussen nu en dan, die voortdurend moet opgevuld worden. Zeker de laatste gedichten van Gezelle zijn gedichten die vooruitwijzen; de blik op de toekomst is de enige troost. In deze wereld is alles ‘voorbij’;

Voorbij…
is, eer het woord voluit
mijn tonge ontvalt, het vlerkgeluid
des vogels die al dorpen wijd
van hier is, haast in geenen tijd.

Er speelt een contrast tussen een eindtijdgevoel in deze wereld en een vooruitwijzing naar een eeuwig paradijs aan het einde van en tegelijkertijd voorbij de tijd. ‘In geenen tijd’, klinkt het: Gezelle is gefascineerd door de paradoxen van tijd en eeuwigheid. De dood wordt het leven binnen getrokken, om zo het eeuwige leven te bevestigen. De christelijke levensovertuiging staat, zoals Benedictus schrijft, ‘haaks op het moderne verlangen naar een subitanea mors, waardoor de dood tot een enkel ogenblik gereduceerd wordt en het metafysische aspect uitgebannen wordt. In de aanvaarding van het sterven, door heel het leven heen, groeit de mens naar het ware, eeuwige leven toe.’ Er is een vooruitwijzing, maar ook een breukgedachte. De worsteling met de wereld is deel van de eschatologische belofte: ‘een geloof dat met de geschiedenis (met de ervaarbare werkelijkheid) niet meer in conflict kan raken, heeft de geschiedenis ook niets meer te vertellen’.

De wisseling van de seizoenen en het overgaan van de nacht in de dag komen voortdurend terug in Gezelles laatste jaren. In Half april zit de zomer verborgen achter de ‘blauwgekaakte wolken’:

Staat op, gij oostersch zonnelicht,
en schiet, bij volle grepen,
uw’ schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
des konings kind! Te late al is ‘t!

De zomer wordt Christus in het graf, en haar komst wordt ongeduldig gebeid: ‘Te late al is ‘t’. Reikhalzend kijken deze gedichten uit naar een nieuwe morgen, en vervlechten die met de wereld zoals die ons omringt. Albert Westerlinck noemt de tijds- en ruimtebelevingen van Gezelle daarom ahistorisch: ‘Hij leeft en schept in een eeuwig praesens en zijn poëtische schepping wordt continue repetitie binnen de voortdurende gang der schepping, tussen paradijsherinnering en eschatologische verwachting.’[5]

In Octooberboomen vraagt Gezelle zich af waarom de herfstbladeren zo prachtig kleuren net voor ze sterven;

Hoe schoone, och, hoe veel schoonder is,
al moete ’t nu gaan sterven
eer langen tijd van hier, hoe schoon
en schoonder duizendwerven
als vroeger, ’t najaars loofgewas,
wanneer het lente en zomer was.

[…]

Is daarom al uw loof zoo lief
gepint? zijn al uw’ blâren
veranderd in een bruiloftkleed,
om eindelijk heen te varen
te ruste? stervend najaarsblad,
Octooberbomen, leert mij dat!

Een prachtig beeld: de felle kleuren van de herfstbladeren vlak voor het einde als het bruiloftskleed van het aanstaande huwelijk met God. Voor de mens – verhangen aan het leven – is het moeilijk het aardse leven vaarwel te zeggen, maar Gezelle leest in de natuur dat de dood het grootste Licht is. In Zwart zit in het ‘zwellend hout’ van de kale bomen in de winter al de kiem van nieuw leven. Dat viert Gezelle met een feest aan neologismen: ‘Onzwarter rijzen / de wolken’; de bomen zullen geen storm aan ‘hemelsteen- en hagelbijzen’ uitstorten, maar uit alle knopen ‘ wierookwerk en honingdauw’.

Apocalyps

De afkeer van deze wereld en blik op verlossing maken Laatste verzen fundamenteel eschatologisch. De antichrist is als levensstemming de wereld binnengedrongen; de hoogmoed van de wetenschap en de hang naar goud en geld maken de mensheid blind voor de ware bestemming. De nacht die steeds terugkomt is de ‘buitenste duisternis’ (Matt. 22:13) waarnaar mensen die God afwijzen worden verbannen op de Dag des oordeels. In apocalyptische beelden trekt Gezelle alle registers van de taal open – het zijn deze gedichten die zijn beeld van madeliefjesdichter voorgoed in de kiem moeten smoren.

In Serenum erit zet een dreigend rood de horizon in lichterlaaie. Gezelle schildert het rood van de hemel met zijn verzen, en op zijn kenmerkende manier is het een observatie die gaandeweg verglijdt, van een vuur aan de horizon, naar ‘niet / als enkel rood’, naar ‘iet / dat eer aan bloed gelijkt’, of aan:

[…] onmeetbaarheden
van omgehouwen stier-
en huidlooze ossenleden,
die, drijvende overal,
met vil- en slachthuisvee,
de diepten vullen van
de westerwereldzee

Het rood wordt het bloed van ontmande stieren, wat Christine d’Haen tot een psychoanalytische interpretatie drijft[6], en is in ieder geval een castratie in bredere zin; de castratie van de dag die leegbloedt in de nacht. Dan staat de ik-figuur oog in oog met de zwarte hagen ‘vol ogen’ die hun roode blikken naar hem werpen, terwijl hij van onder tot boven ondergedompeld is in ‘zonnenbloed’. Hij vraagt zich af, is het de aankondiging van de jongste dag? Het vuur is Bijbels symbool van destructie. Het doet denken aan de middeleeuwse voortekenen van de eindtijd, zoals in het vijftiende-eeuwse apocalyptisch vers The fifteen signs before doomsday’ uit The Boke of Brome[7]:

Op de eerste dag zal het bloed regenen
en de mensen zullen bijna krankzinnig zijn van angst,
allen die dan op aarde zijn
zullen zwart worden en bloed zal stromen

Gezelle verwijst voor het gedicht naar Matt 16:2. Daarin zijn de Farizeën en Sadduceën tot Jezus gekomen, en vragen hem een teken uit de hemel te geven. Maar Jezus laakt hun vraag naar aardse tekenen: ‘Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder; want de hemel is rood; En des morgens: Heden onweder; want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden! het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de tekenen der tijden niet onderscheiden? Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, den profeet.’[8] Ook Jona blijft drie dagen en nachten in de buik van de walvis. De hemel is dreigend rood, maar de verrijzenis zit besloten in het vertrouwen op God:

Morgen zal,
ten oosten uitgeklommen,

een nieuwe dageraad,
een nieuwe zonne kommen

Eenzelfde opbouw van apocalyptische chaos naar de rust en hoop van een nieuwe dag is er in Zegepraal. Gezelle schetst een oorlogstafereel met vlammen die uit de wolken slaan, noordervolk dat woedend komt ‘opgestoven, / de diepten uit’, reuzen die elkaar wolken toe werpen, adelaren met vleugels die de hemel omspannen. Het roept de oorlogen, aardbevingen en rampen op van de eindtijd (Matt. 24; Marc 13; Luc 21). De reuzen die Gezelle noemt lijken Gog en Magog, die in de Openbaring van Johannes (20:8) twee landen onder heerschappij van Satan zijn, in Genesis geassocieerd worden met het noorden, en volgens Britse legendes afgebeeld worden als twee reuzen. De zon wordt aangesproken als het hemelse licht dat de strijd moet aangaan met Satan, ‘beeld des Alderhoogsten’: ‘Staat op!’ […] ‘gij, onverkrachte lichtvorstin’. De zon verplettert de reuzen en schiet ze neer met haar stralen. Het rood van de hemel is het bloed dat de zon doet vloeien en is daarmee dit keer dat van de zonsopgang, dat alle kleuren terug opent: ‘In hun stede / komt helderheid, komt hemelsblauw, / komt goud, dat schittert, mede. / De zonne vocht, de zonne won’.

Zonne Gods

Andere gedichten uit deze periode hebben eenzelfde opbouw en verbinden de zon aan het eeuwig licht. Het is God die schijnt op degenen die in de duisternis en de schaduw van de dood leven (Luc. 1:78). In De Profundis roept de ik-figuur uit de diepte de Heer aan, en is al zijn hoop gericht op ‘’t Hemelsch licht’. In Getijden loven de seizoenen de Heer en wijst de zomertijd naar ‘De zonne Gods’ voor wie men eens zal staan. In En daarmee al schetst Gezelle de zon als de ‘levensbronne’, die slechts als een witte vlek verborgen zit achter de wolken, maar maakt de tijdsaanduiding van Pasen duidelijk dat de verrijzenis nabij is.

Het droevige Nevelduisternis is geschreven een jaar voor Gezelles dood; de grond is ‘gegrauwdoekt’ en ‘onschoonheid’ en ‘sprakeloos verdriet’ hebben de vogelzang vervangen. Het reiken naar het hemels licht wordt hier in de laatste strofen een ware klaagzang:

o Nevelduisternis,
bij nachte zien mijne oogen
de duizend teekens nog,
die ‘t ommegaan vertoogen
des sterrenhemels! Gij,
o nevelduisternis,
en toogt mij niets van al,
daar hope of troost in is!

‘t Is meer als leed genoeg,
en droefheid in mij, zonder
uw droef afwezig zijn,
o ‘t weergalooste wonder
van al dat wonder is
in ‘s werelds heerlijkheid!
o Zonne, en zij mij nooit
te lange uw licht ontzeid!

Hetzelfde geldt voor Ego flos van datzelfde jaar, waarin de dichter een bloem wordt die als ‘nietig schepselken’ volledig afhankelijk is van de zon:

Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn’ hope, mijn geluk,
mijn êênigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig, sterven;

[…]

ontbindt mijne aarsche boeien;
ontwortelt mij, ontdelft
mij …! Henen laat mij, … laat
daar ‘t altijd zomer is
en zonnelicht mij spoeien

Ook als dichter kan Gezelle niet echt naar de hemel reiken; Gods wonderen zijn te groot voor de taal. Quis enarrabit (wie zal het vertellen) is een aaneenschakeling van vragen; wie kan Gods heerlijkheden verkondigen? Wie kan zijn wonderen aanschouwbaar maken? Het zijn vragen zonder antwoorden, want niemand kan ooit die taak vervullen.

hoe den naam gezeid,
van Hem niet, dien geen penne’ en schrijft

Gezelle richt zich dan maar aan de kosmos, en zijn vraag moet uitmonden in een stilte:

o Zonne, o zee, o veld, o ster,
ik vrage ‘t, her end weder her,
bericht mij, ik ben moegeschooid
en tenden raad: Wie is. ‘t die ooit …?

Als de ziele luistert

Daarmee zijn we terug bij de stilte van het ontzag, of ‘awe’, zoals dat woord in het Engels nog een mooiere synthese is van eerbied en verwondering. Gezelle was er meester in. In zijn laatste gedichten is het ontzag meer dan voorheen gericht op de verwachting van een eeuwigheid, maar tegelijkertijd halen de beschrijvingen van hemel en aarde ook hier hun kracht uit de kracht van de taal, die de natuur als natuur doet schitteren. Gezelle had ongetwijfeld ook een zuivere bewondering voor de kleuren van de hemel en de vlucht van de zwaluw (‘Neen, vogelloos en blijft de blauwe lucht niet, ach’). Het gulden vlies van Jason wordt bij Gezelle het bladertapijt onder zijn voeten op een herfstwandeling door Ieper. Gezelle was in deze laatste verzen dan wel op het hogere gericht, maar paradoxaal genoeg slaagt hij er net dan in de kleinste pracht van deze wereld te verbeelden. Er is de klok van een kerk die opklinkt in de stilte van cinxen, de schildering van de stalen Leie bij het vallen van de nacht, een blikwisseling met koeien in de wei doorheen het riet en een kleine lofzang op de sneeuw (‘gewolde dracht der witte wintervelden’). In die fijne schilderingen van het landschap doet Gezelle denken aan Japanse dichters als Bashō, door in enkele trekken zowel de wereld die hem omringt als de emotie die hem doordringt, met zijn taal te vangen.

Gezelle maakt daarbij de klank en het ritme van zijn taal deel van het fenomeen dat hij beschrijft. In een gedicht van de jaren 1880 wordt dat misschien het duidelijkst. Gezelle beschrijft de bijtende kou van de winter, maar slaagt er door zijn beschrijving van het winterlandschap in de lezer haast rillingen te bezorgen met zijn opeenstapeling van scherpe k’s en i’s, en vangt met zijn lange ee’s de eindeloosheid van het sneeuwtapijt:

Vol naalden vliegt de lucht,
vol priemend ijsgekertel,
dat glinstert in de zon,
en, met den asemtocht –
gezwolgen, kilt en kerft
de kele en ‘t haargespertel,
dat in de neuze temt
den toevoer van de locht.

‘t Is bijtend koud. Een spree
van witheid, ongemeten,
‘t zij waar ge uwe oogen vlucht,
ligt overal gespreid;
‘t is snee’ tot in uw huis,
‘t komt snee’ door al de spleten;
‘t is snee’, ‘t is immer snee’,
en al sneeuwwittigheid.

Het bekendst komt dat taalspel misschien terug in De gierzwaluwen, dat uit deze laatste periode stamt. Het blije cirkelen van de gierzwaluwen in de lucht, wordt een korte en extatische opeenvolging:

 `Zie,zie,zie,
zie!zie!zie!
zie!!zie!!zie!!
zie!!!’
tieren de,
zwaluwen,
twee-driemaal
drie,
zwierende en
gierende:
`Niemand,die…
die
bieden de
stiet ons zal!
Wie,wie?wie??
wie???’

Het geluid zwelt aan met het toenemen van de uitroeptekens en vraagtekens, en tekent het beeld en geluid van de groep vogels die naderbij komt en zich verwijdert.

‘Als de ziele luistert’, schreef Gezelle in 1860 in een gedicht,

spreekt het al een taal dat leeft,
‘t lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind

De dichter is omringd door een levende wereld en brengt als luisteraar de taal van bladeren en golven over naar het papier. Het vraagt geduld en fijnzinnigheid om zo te luisteren, en misschien is dat ons probleem met Gezelle; we proberen niet meer te luisteren. Het is de grootste blindheid van ze allemaal; denken dat we weten waarover we praten. Nabokov liet zijn biografie van Gogol aanvangen met diens dood en eindigen met zijn geboorte. Het zou het oogwit moeten zijn van literatuurkritiek in het algemeen: het werk laten verrijzen door een bespreking, eerder dan het ermee onder te sneeuwen.

Vaak is dat het probleem met Gezellekritiek: we zetten hem weg als een brave pastoor, een vlaamsgezinde reactionair, een taaljongleur zonder diepgang. Het is de tegenpool van evenzovele mythische Gezelles: de heilige voorspreker van de katholieken, de heimatdichter van de vlaamsgezinden, de taalkunstenaar van Rodenko. Zoals altijd is de werkelijkheid meerkleurig en dicteren de gedichten hun eigen poëtica. Wie echt luistert, vindt in de poëzie de kleuren van de wereld zelf, zoveel rijker dan het stoffige pastoorsbeeld of het soezelige gezingzang. Gezelle verzamelde de mooiste woorden zorgvuldig op alles wat hij tegenkwam: briefjes, schriften en zelfs spelkaarten, en componeerde met die rijkdom gedichten waarin de rijkdom van de taal de tastbaarheid van de wereld benadert. Het is dringend tijd om deze ‘oude taaltovenaar’ (zoals Albert Westerlinck hem noemde in zijn prachtige gelijknamige boek) te herontdekken, en met hem de kleuren van de taal en de wereld. Want zijn genie is van ‘geenen tijd’.

Zie! zie! zie!

 

[1] Guido Gezelle, Laatste verzen, Lannoo, Tielt, 1925.

[2] Michel van der Plas, Mijnheer Gezelle. Biografie van een Priester- Dichter, Lannoo, Tielt: 1990.

[3] Piet Couttenier, En stoort de stilte niet, Davidsfonds, Leuven, 1987.

[4] Joseph Ratzinger/Benedictus XVI, Over dood en eeuwig leven, Lannoo, Tielt, 2009.

[5] Albert Westerlinck, ‘Gezelle, zoals hij was en is’, in Dietzsche Warande en Belfort, 117, 1992, blz. 744.

[6] Christine d’Haen, De wonde in ’t hert. Guido Gezelle, een dichtersbiografie, Lannoo, Tielt, 1988.

[7] Pieter Eligh, Leven in de eindtijd. Ondergangsstemmingen in de middeleeuwen, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1996.

[8] Statenvertaling – Jongbloed-editie, Matt. 16:2.