’t Is weer voorbij die mooie zomer
De eerste hittegolf die begon zo wat in juni.

 

We dachten dat het bij discussies rond het installeren van airco’s zou blijven, maar voordat we het wisten overtrof het leed van de hitte de mens en diens zwetende gejammer.
Bij het schrijven van deze ‘Drift’ zijn er 3000 hectare van de Hoge Venen in vlammen opgegaan. Deze catastrofe heeft ondertussen al de geschiedenisboeken gehaald als een van de ergste natuurrampen van België.

Wind wakkert nog altijd het vuur opnieuw aan en daarmee is het gevaar nog altijd niet helemaal geweken.

Het landschap smeult na twee weken nog steeds. Dat heeft alles te maken met de aard van het veen die het bluswerk sterk bemoeilijkt.

Natuurliefhebbers mogen wel al terug naar een groot deel van de wandelroutes, maar de gedane schade is gewoonweg tragisch. De wandelaars zullen niet meer met dezelfde blik kunnen strijken langs het serene landschap. De herinnering van het vuurgeweld zal nog een lange tijd blijven kleven aan dit natuurgebied. De zwartgeblakerde resten zullen zichtbaar blijven en als een stille schreeuw blijven doorklinken.

Het veen werd in een paar dagen tijd tot as herleid. Datzelfde veen had honderden jaren nodig om te ontstaan. Daarom stellen experts dat een herstel van het gebied eeuwenlang kan duren. Daar begint het al met tijdspannes die onze ervaringshorizon ver overtreffen. Op veel andere plekken heeft deze ramp al snel een politiek staartje gekregen. Dat spreekt voor zich en die discussie moet zeker gehouden worden.

Maar ik wil even geen vinger wijzen. Ik wil hier graag even dit verkoolde materiaal van dichtbij bekijken en laten spreken, zoals een haruspex de ingewanden van een gedood offerdier raadpleegt om de wereld om zich heen te begrijpen.

Veen ontstaat dus uiterst langzaam: planten groeien, sterven af en worden onder natte, zuurstofarme omstandigheden slechts gedeeltelijk afgebroken. Het stapelt zich laagje voor laagje op en daarmee bevat het ook de onverteerde resten van het verleden.

Veen is in onze streken dat wat het dichtst bij een tijdmachine komt.

Een veenpakket kan millennia aan informatie herbergen. Stuifmeel, zaden, hout, insecten en dus ook de sporen van de mens blijven erin bewaard.

Het is poëtisch als je bedenkt dat de dood hier niet staat voor verdwijning, maar in dit geval garant staat voor uitzonderlijke bewaring.

Het veen is een fantastische historische bron gebleken. De Drentse veenlijken zijn hiervan de meest indrukwekkende getuigen. Waar je normaliter een gletsjer, zoals in het geval van Ötzi, of een woestijn en andere extreme omstandigheden nodig hebt om een lichaam duizenden jaren lang goed te bewaren, heeft ons veen even uitstekend werk geleverd.

Denk maar aan het meisje van Yde, een van de 65 Nederlandse veenlijken, die ons een verhaal vertelt over de manier waarop deze mensen in het veen zijn terechtgekomen.

Sommige verre voorouders, zoals het meisje, vonden waarschijnlijk in het veen hun graf als een ritueel offer. Net als veel objecten werden zij bewust in het veen gedeponeerd, omdat het veen, net zoals moerassen, als een tussenwereld wordt beschouwd.

 

Het moeilijk te definiëren karakter van het veen heeft hier zeker in geholpen.

Veen is immers geen gewone grond. Je kunt er niet zomaar over lopen. Het water staat dicht aan het oppervlak en de bodem is veranderlijk en moeilijk toegankelijk. De brandweerlui zijn zich nu maar al te bewust van de verraderlijke structuur van dit materiaal.

Je blust het ook niet zomaar. Het vuur brandt niet alleen bovengronds, maar dringt diep door in de meters dikke en droge veenlaag. Hierdoor is de brand grotendeels onzichtbaar en lastig te lokaliseren.

Onze voorouders moeten dit ook aangevoeld hebben als een plek waar normale categorieën vervagen en de gebruikelijke omgang met de grond fundamenteel verandert.

De grenzen zijn er minder scherp en daarom is het de uitgelezen plek om te communiceren met degenen die voorbij onze ondermaanse grenzen liggen.

Laat het nu net die toegangspoort zijn die in brand staat.

Ik waag me niet aan het profetie en allerminst aan het ambacht van de wichelaar, maar sta me toe het best symbolisch te noemen dat de tussenwereld in brand staat.

Was dit in de tijd van het meisje van Yde gebeurd, dan zouden onze voorouders aan meer alarmbellen getrokken hebben dan de politieke.

Dat zou voor hen het meest onheilspellende bericht van het veen zijn. Het zou hen aangestookt hebben tot onmiddellijke actie.

Als we eerlijk zijn, zijn wij, hun moderne afstammelingen, met al onze verlichting, even snel aangespoord tot handelen?

De grens die smeult