De schrijver is een moordenaar. Over Georges Arnaud

Literatuur draait vaak rond geweld, een jammer genoeg onontkoombare dimensie van het mens zijn. Collectief geweld, denk maar aan oorlogsliteratuur, van de Ilias tot Oorlog en vrede van Tolstoj, Im Westen nichts neues van Erich-Maria Remarque, enzovoort; persoonlijk geweld, denk maar aan Misdaad en straf van Dostojewski, L’étranger van Albert Camus  of het sinds de negentiende eeuw reusachtige corpus van de detectiveroman of de whodunit. Maar wat gebeurt er met literatuur wanneer de auteur zelf schuldig is of er een moordverdenking op hem of haar rust? Verandert dat onze kijk op de teksten? Is er een verschil tussen schrijven over geweld en schrijven na geweld dat de auteur zelf pleegde?

In de literatuurgeschiedenis bestaan er enkele bekende voorbeelden van auteurs die moordden of een moordpoging deden. In de Franse context dringt de 15de-eeuwse dichter François Villon zich op die bij een handgemeen een priester doodde. Recenter heb je William Burroughs, die in 1951 in dronken toestand zijn vrouw doodde in een poging Wilhelm Tells exploot over te doen. Norman Mailer stak in 1960 zijn vrouw neer met een mes, maar ze overleefde het. In het Nederlandse taalgebied kunnen we dichter Gerrit Achterberg noemen die in 1937 zijn hospita doodde. Het gebeurt dat ook vrouwelijke auteurs moorden plegen: de Britse Anne Perry, auteur van een omvangrijk œuvre van politieverhalen, bracht op vijftienjarige leeftijd de moeder van een vriendin om het leven en bracht vijf jaar in de gevangenis door.

Op het einde van 2025 verscheen bij de Parijse uitgever Grasset een roman met de onrustwekkende titel In violentia veritas. Auteur is Catherine Girard, een debutante van 62 jaar. Om te begrijpen waar de roman over gaat moet je iets weten over de familiegeschiedenis van de schrijfster. Ze is de dochter van Henri Girard (1917-1987) die onder het pseudoniem Georges Arnaud in 1950 Le salaire de la peur publiceerde, een existentiële avonturenroman over truckchauffeurs die een hoog explosief product over wegen in erbarmelijke staat door Guatemala vervoeren. Het verhaal is geïnspireerd door persoonlijke ervaringen van de auteur en werd een bestseller: niet minder dan twee miljoen exemplaren werden aan de man gebracht, in meerdere talen.[1] Een paar jaar later volgde Henri-Georges Clouzots verfilming van de roman met in de hoofdrollen twee sterren uit die tijd: Yves Montand en Charles Vanel. Le salaire de la peur is de enige film die zowel de Gouden Beer van Berlijn als de Grand Prix International in Cannes in de wacht sleepte.

Ook Henri Girard/Georges Arnaud behoort tot het rijtje van auteurs die van moord werden beschuldigd. Op de avond van 24 oktober 1941 werden zijn vader, zijn tante en een bediende gruwelijk vermoord met een snoeimes in het kasteel van Escoire in de Dordogne. Een bloedbad. Niemand anders was aanwezig die nacht behalve Henri, de enige erfgenaam. De politie vond geen spoor van inbraak en bijgevolg werd de 24-jarige jongeman opgepakt en in beschuldiging gesteld. Na negentien maanden voorhechtenis in de groezelige gevangenis van Périgueux volgde het assisenproces in mei 1943. Tegen alle verwachtingen en ondanks een vijandige publieke opinie werd Henri Girard vrijgesproken.

 

Henri Girard is schuldig

In violentia veritas is een van die sterke, doorleefde romans met (auto)biografische inslag die uiting geven aan een staat van emotionele verwarring. Het is één langgerekte liefdesverklaring van de dochter aan haar in 1987 overleden vader met wie ze altijd een innige relatie had. Maar die vader was, volgens haar verslag, ook een schoft in zijn jonge jaren, een telg uit een gefortuneerde Parijse bourgeoisfamilie die zijn jeugd, ook tijdens de bezetting, liederlijk doorbracht: alcohol, drugs, vrouwen. Het geld vloeit als water tussen zijn vingers. De leugen is zijn levenstijl, in het bijzonder tegenover zijn rechtstreekse familie. Hij bedriegt en manipuleert: hij doet bijvoorbeeld alsof de Duitsers hem arresteren en folteren – eigenlijk brengt hij zichzelf verwondingen toe –  om 100.000 frank aan zijn tante te ontfutselen.

Waarom voelt Catherine Girard de behoefte om 84 jaar na de feiten en 38 jaar na de dood van haar vader deze tragische familiegeschiedenis weer onder de aandacht te brengen? Een jeugdherinnering die haar op latere leeftijd parten speelt. Toen ze veertien was hoorde ze klasgenoten fluisteren over haar als ‘la fille de l’assassin’. Ze confronteerde haar vader. Die gaf toe dat hij de drievoudige moordenaar was. Ik kan me niet voorstellen hoe het voelt als een ouder zo’n bekentenis doet, maar het moet je als adolescent doen daveren op je grondvesten.

De roman is dan ook een poging om de fatale daad van haar vader te duiden door de familiegeschiedenis bloot te leggen. Georges Girard, vader van Henri en grootvader van Catherine, was een intellectueel die voor het ministerie van Buitenlandse zaken werkte, auteur van historische werken en romans. Moeder Valentine Arnaud, een feministe en anarchiste die Lenin persoonlijk had gekend, had een beslissende invloed op Henri, maar stierf in 1926 op jonge leeftijd aan tuberculose. Volgens Catherine Girard was Henri een onhandelbare adolescent, onder meer door het verlies van zijn moeder, een afwezige vader en een moeilijke verhouding met zijn streng conservatieve grootouders.

De auteur legt de nadruk op wat we vandaag de ‘toxische’ sfeer zouden noemen in de familie: de gemoederen lopen hoog op, in het bijzonder tussen vader en zoon, en er vallen regelmatig klappen. Zoals wel vaker gebeurt zijn liefde en haat met elkaar vervlochten, vader en zoon gaan elkaar te lijf tot ze wenend in elkaars armen vallen, in het bijzonder in het hoofdstuk dat dezelfde titel draagt als de roman: de vechtpartij loopt uit de hand en het hoofdstuk eindigt op het beeld van een zoon doordrongen van een ‘envie totale de meurtre’. (blz. 267).

De nauwgezette weergave van de ruzie brengt de lezer ertoe begrip op te brengen voor de reactie van Henri: Catherine Girard legt de verantwoordelijkheid voor het emotioneel verstikkende labyrint bij haar grootvader Georges die wordt voorgesteld als een lafaard, gebroken door de Grote Oorlog – hij stond vier jaar aan het front – en die zijn morele waarden opzijzet door te werken voor het Vichy-regime dat hij nochtans verfoeit. Zijn opvliegendheid en zijn korte lont hebben van zijn zoon een onstabiel en onberekenbaar persoon gemaakt.

Uiteindelijk – als we Catherine Girard volgen – kan Henri niet anders dan zijn vader uit de weg ruimen, precies omdat hij van hem houdt, om zo zichzelf én zijn vader te bevrijden van de familienetten waaron ze beiden verstrikt zijn: ‘Enfants de parents dévorants, il dévore les siens’ (blz. 284).[2] In violentia veritas is dus een postuum pleidooi voor de vader: ja, hij heeft gedood, maar er zijn verzachtende omstandigheden. Henri Girard was slachtoffer van een weliswaar warme familie, maar waar liefde en haat, genegenheid en rancune door elkaar liepen en waar ook geweld een manier was om affectie te tonen.

Enigszins van streek sla ik het boek dicht, verbouwereerd door zoveel woestheid bij mensen die elkaar graag zien, verbijsterd door zoveel emotionele verwarring, maar ook vol bewondering voor de literaire kwaliteit van een heftige roman die me enigszins aan Dostojewski doet denken. Toch blijf ik op mijn honger: De analyse door Girard van de daad die haar vader pleegde in oktober 1941 overtuigt me niet: hoeveel kinderen groeien niet op in gezinnen geteisterd door fysiek en psychologisch geweld zonder hun gezinsleden uit te moorden?

 

Henri Girard is onschuldig

Wanneer ik op internet ga grasduinen naar kritische reacties op de roman, stel ik vast dat hij in Frankrijk tot hevige reacties heeft geleid. De bekentenis die de vader aan zijn dochter zou gedaan hebben heeft kwaad bloed gezet bij andere leden van de familie. Henri, een halfbroer van Catherine, laat bijvoorbeeld optekenen: ‘Niets in de persoonlijkheid en het parcours van mijn vader bevestigt deze aantijging’. Voor hem bestaat er geen twijfel dat zijn halfzus liegt.[3] Zijn zoon Emmanuel Girard, een neef dus van Catherine, staat op dezelfde lijn: ‘Ik ben er vast van overtuigd dat Henri onschuldig was en dat hij nooit de drievoudige moord aan zijn dochter heeft bekend’.

Tijdens mijn onderzoek merk ik dat het boek van Catherine Girard niet het eerste is over de moord van Escoire. In 2017 publiceerde Philippe Jaenada La serpe – het Franse woord voor snoeimes –, een nauwgezette reconstructie van het onderzoek.  Over In violentia veritas is hij niet te spreken: ‘Ik ben geschokt door wat die vrouw (Catherine Girard), die alles heeft gefantaseerd, aanricht met de herinnering aan die mensen – Henri, haar vader, maar ook Georges, haar grootvader en de rest van de familie die er onder lijdt’. En ook hij besluit: ‘Het zijn leugens’.[4]

Reden genoeg dus om het het boek van Philippe Jaenada ter hand te nemen. In zijn recente werken specialiseert de man zich in het opdelven van oude, eventueel onopgeloste faits divers, in een poging er een nieuw licht op te werpen.[5] Hij doet dat in een vlotte, gesproken stijl die tegengesteld is aan het lyrische, melancholische register van Catherine Girard: met humor en zelf-ironie doet hij het verhaal van zijn onderzoek, waarbij hij niet aarzelt grote uitweidingen te maken, die zijn stijlkenmerk zijn, onder meer naar zijn andere boeken.

Philippe Jaenada is in de gerechtelijke archieven van Périgueux gedoken en maakt brandhout van het onderzoek dat tijdens de bezetting werd gevoerd. Gendarmes en politiemensen gingen slordig te werk, experts en wetsdokters bleken incompetent, getuigen wijzigden voortdurend hun versie van de feiten, enzovoort. Als je hem volgt is de zaak Henri Girard een zoveelste pijnlijke illustratie van het onvermogen om ook het recente verleden op te diepen en van het talent dat politiemensen en magistraten hebben om een onderzoek in het honderd te laten lopen: nonchalance en amateurisme alom.

Om een concreet voorbeeld te geven, tijdens het proces werd uitvoerig ingegaan op de fundamentele kwestie of iemand had kunnen binnendringen in het kasteel. De burgerlijke partij hamert op het feit dat het gebouw volledig was afgesloten en er geen tekenen van inbraak waren: de moordenaar moest dus aanwezig geweest zijn tijdens de fatale nacht. Bovendien beweren meerdere politiemensen dat ‘oude spinnenwebben’ op het venster intact waren en het dus niet recent geopend was. Maar hoe onderscheid je een ‘oud’ spinnenweb van een recent ? En ten tweede en vooral : Philippe Jaenada ontdekt dat de ochtend na de moord er wel degelijk een venster open stond… Alleen werd dat feit niet weerhouden op het proces.

Voor Jaenada lijdt het geen twijfel: Henri Girard is onschuldig. Hij verwerpt zowel de these van de voorbedachten rade als de impulsieve moord. Als de zoon echt het plan had opgevat om zijn vader en tante uit de weg te ruimen, waarom ging hij dan de dag ervoor het moordwapen lenen bij de buren, onder een bizar voorwendsel? Welke moordenaar trekt zo op voorhand de aandacht op zijn komende daad? Bovendien hoefde Henri Girard geen wapen te lenen: hij had een mes kunnen grijpen in de keuken. En als het een impulsmoord is, dan klopt de akte van beschuldiging niet die ervan uitgaat dat alles tot in de puntjes was voorbereid. En hoe leg je dan uit dat er bloed tot op het plafond gegutst is, maar dat er geen spatje gevonden is op Girards kleren en dat er geen aanwijzingen zijn dat ze gewassen werden of dat hij ze verborgen heeft?

 

‘Je refuse tout’

Maar als Henri Girard geen schuld treft, wie heeft dan de moorden begaan? Na met verve het gerechtelijk onderzoek te hebben afgekraakt, richt Jaenada de schijnwerper op een mogelijke verdachte, namelijk de zoon van de huisbewaarders die een oogje in het zeil hielden wanneer de kasteelbewoners in Parijs waren. Hun verhouding was gespannen en er zouden aanwijzingen zijn dat de jongeman een verhouding had met de vermoorde tante, maar ook Jaenada slaagt er niet in een sluitend bewijs aan te brengen.

Hoe dan ook, op de dag van het verdict, 2 juni 1943, is Henri Girard weer een vrij man. Hij is ondertussen 25 jaar en besluit zich uit te leven, zonder grenzen – wellicht een begrijpelijke reactie na de slopende maanden in de gevangenis en de druk van het proces waar hij de guillotine riskeerde. Het familiefortuin dat hij erfde smelt als sneeuw voor de zon en in mei 1947 scheept hij in op een cargo richting Latijns-Amerika. Anderhalf jaar brengt hij door in Colombia waar hij onder meer als goudzoeker en taxi- en truckchauffeur aan de kost zal komen. Terug in Frankrijk publiceert hij Le salaire de la peur onder het pseudoniem Georges Arnaud – de voornaam van zijn vader en de familienaam van zijn moeder. Er volgen andere romans en toneelstukken. Het is moeilijk Georges Arnauds naoorlogse teksten te lezen en abstractie te maken van de driedubbele moord van Escoire. Maar noch in Le salaire de la peur noch in de autobiografische roman Le voyage du mauvais larron zal je allusies vinden op de tragische gebeurtenis van oktober 1941, laat staan aanwijzingen van een eventuele schuld.

Trouwens, waarom zouden we het verdere leven van Henri Girard exclusief in functie van dat wrede fait divers moeten begrijpen? Toch is het moeilijk je voor te stellen dat de latere schrijver, schuldig of onschuldig, niet tot op het merg getekend zou zijn door dat feit… Maar wat opvalt is dat de romans en andere teksten die hij publiceert vanaf het begin van de jaren vijftig gekenmerkt worden door een soort radikalisme, een hang naar extreme ervaringen. Ze vertellen het verhaal van iemand die zich heeft losgewrikt uit een banaal burgerlijk bestaan, in alles de grenzen van de wettelijkheid verkent of negeert, en zich in situaties stort die soms levensbedreigend zijn.

Neem Le voyage du mauvais larron, een autobiografische roman waarvan de titel verwijst naar de slechte dief die naast Jezus werd gekruisigd en met wie de verteller zich moeiteloos identificeert. Net als Le salaire de la peur gaat deze roman over de ervaringen van de auteur in Colombia, waar hij omgaat met hoertjes, pooiers, boeven en louche figuren allerhande. Je leest er wat je de geloofsbelijdenis van het vrijgevochten individu zou kunnen noemen: ‘Je refuse tout, seul parti qui me permette de vivre (…). Car je suis un homme libre’.[6] Het zou te eenvoudig zijn een rechtstreeks verband te leggen tussen Henri Girards ervaringen tussen 1941 en 1943 en de fascinatie voor extreme, gewelddadige situaties waar zijn romans een paar jaar later uitdrukking aan geven. Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat, los van de schuldvraag, de persoonlijkheid van Henri Girard/Georges Arnaud getekend is door iets extreems, door een met moeite ingehouden razernij, door een fundamentele revolte.

In de jaren vijftig ontpopt Girard zich tot antikolonialistisch militant in de Algerijnse kwestie. Samen met advocaat Jacques Vergès publiceert hij een tekst waarin ze het opnemen voor Djamila Bouhired van het FLN[7] die gefolterd en ter dood veroordeeld werd voor haar deelname aan een bomaanslag in een café in Algiers. Henri Girard zal worden opgepakt voor zijn engagement en brengt enkele maanden in de gevangenis door, een omgeving die hij goed kent. Na de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 vestigt hij zich in de jonge republiek, waar hij tot 1974 zal verblijven. In 1987 overlijdt hij in Barcelona.

 

Kent u het fenomeen? Je raadpleegt meerdere boeken over een thema dat je helemaal in de ban heeft, en je betrapt je erop geloof te hechten aan het laatste boek dat je gelezen hebt. Na lectuur van In violentia veritas was ik overtuigd van de schuld van Henri Girard; na Philippe Jaenada’s meeslepende en doorwrochte  La serpe kan ik me niet voorstellen dat de latere auteur van Le salaire de la peur de driedubbele moord heeft gepleegd. Overigens verneem ik uit de enige biografie die over de romancier verscheen dat ook een politieke piste niet volledig uit te sluiten is: hoewel hij voor Vichy werkte, was Henri’s vader George antipétainist en had hij, een maand voor zijn dood, een pamflet tegen het regime geschreven. Speelde de Gestapo een rol in de moord van Escoire? Of de Britse geheime dienst, want Georges was ook niet mals voor de Gaullisten van de France Libre in Londen, die volgens hem medeverantwoordelijk waren voor de nederlaag van juni 1940…[8]

Hoe dan ook, zekerheid hebben we niet en zullen we wellicht nooit hebben. Overigens heeft Henri Girard een tweede keer bekend. Dat beweert ten minste Gérard de Villiers, de populaire auteur van stationsromannetjes waarin hij de avonturen vertelt van een James Bond-achtige figuur en die een goede vriend van Girard was. In zijn memoires drukt hij zijn bewondering uit voor de schrijver die hij met Hemingway vergelijkt.  Tijdens een bezoek bij hem in Algiers, durft de Villiers hem de vraag te stellen die hem altijd ‘geobsedeerd’ heeft: ‘Georges, nu mag je het zeggen, heb jij de drie moorden van Escoire gepleegd?’. Antwoord: ‘Ja ik was het: mijn vader en ik hadden ruzie gemaakt’.[9]

Wie vermoordde de vader en de tante van Henri Girard en hun bediende? In violentia veritas en La serpe zijn romans, teksten die hun statuut van fictie onderstrepen, ook al streven ze ernaar een waarheid over het verleden bloot te leggen. Maar ze komen tot tegengestelde conclusies en uiteindelijk moet de lezer zelf zich een idee vormen over wat er gebeurd is tijdens die gruwelijke avond van 24 oktober 1941 in het kasteel van Escoire. Het geval Georges Arnaud/Henri Girard herinnert ons eraan dat het verleden zich niet zomaar laat ontsluieren, dat het zich verzet tegen onze verwoede pogingen om er het felle licht van de waarheid op te laten schijnen. Een ontmoedigende vaststelling? Misschien, maar de literatuur vaart er wel bij.

 

Reageren? Mail naar: luc.rasson@uantwerpen.be

 

Luc Rasson (°1956) is emeritus hoogleraar Franse letterkunde aan de UA en non-fictie auteur. Recent verscheen zijn boek Voor alles komt de daad. De broers Rosselli tegen Mussolini, Uitgeverij Ertsberg, Antwerpen, 2025.

 

 

 

[1] De roman verscheen in 1961 in Nederlandse vertaling onder de titel Het loon van de angst.

[2] ‘Als kind van verslindende ouders, verslindt hij de zijne’.

[3] ‘Ce sont donc des mensonges, je ne trouve pas d’autre mot’. Zie : https://actualitte.com/article/125810/edition/philippe-jaenada-catherine-girard-et-le-triple-meurtre-d-escoire-qui-dit-vrai

[4] https://www.lesoir.be/697586/article/2025-09-07/violentia-veritas-cest-la-guerre-de-la-rentree-litteraire

[5] Zoals bijvoorbeeld in La petite femelle (2015), waar hij een onderzoek doet naar de zaak van Pauline Dubuisson die in 1951 haar minnaar vermoordde. Het fait divers kreeg bekendheid in Frankrijk dankzij de film van Henri-Georges Clouzot,  La vérité (1960), waar Brigitte Bardot de rol van de moordenares vertolkt.

[6] ‘Ik weiger alles, de enige houding die me de kans geeft te leven (…). Want ik ben een vrij man’. Le voyage du mauvais larron, Julliard, Parijs,1951, Livre de poche n° 1438, blz. 27.

[7] Het Front de Libération Nationale, dat voor onafhankelijkheid van Algerije streed.

[8] Zie Roger Martin, Georges Arnaud. Vie d’un rebelle, A plus d’un titre éditions, Lyon, 2009, blz. 128.

[9] Gérard de Villiers, Sabre au clair et pied au plancher, Fayard, Parijs, 2005, blz. 295-299.

Een glasscherf in het oog
De schrijver is een moordenaar. Over Georges Arnaud
De mol en de mus over diepte versus...
‘Sommige vragen kun je alleen beantwoorden met een...
Georg Trakl vertaald en toegelicht
Bruidsschat voor mijn zoon Ibrahim
En altijd is het de vrouw
De les van Gyges
Het gebrul van de onheuglijke waterval (II)
Het gebrul van de onheuglijke waterval (I)
‘J’avais toujours raison’
Brood en wijn
Vier weggedeemsterde gedichten van Jorge Luis Borges in...
Wie knoeit is dapper
De metafysica van Moby-Dick
Het spoor dat achterblijft
Ziekte en Engagement
Quinten Weeterings en de Posthistoire
Psychiatrische experimenten
Éric Michaud
‘Het is mijn innerlijk kind’
Brideshead Revisited en het katholicisme
Vagina monetaria dentata. Over onwelvaart van Steve Marryt
Mijn Queer Kruisweg
Cirkels in steen
Betje Wolff springlevend
Maart 1678: De eerste moderne roman?
Rory Stewart, Politics on the Edge: boekbespreking
Kafka und kein Ende möglich
Januari 1677: de laatste première van Racine II