Paul Pelckmans*

 

In de komende tijd publiceert Streven Vrijplaats een aantal onderling samenhangende essays van Paul Pelckmans over de Franse literatuur in de zeventiende eeuw. Onderstaand, om te beginnen, een korte inleiding op deze reeks.

Redactie Streven Vrijplaats

 

Enkele jaren voor mijn emeritaat plande ik drie publicaties over de Franse zeventiende en achttiende-eeuwse literatuur, die dat Ancien Régime ook in het Nederlands wat vlotter toegankelijk moesten maken. Een goede generatie geleden zou zoiets overbodig geweest zijn: de Franse klassieken waren toen nog vaste leerstof in de meeste college-opleidingen en elke ‘betere’ Vlaamse of Nederlandse boekhandel bestelde regelmatig in Parijs. Dat ligt intussen, nu Frans boven de Belgische taalgrens meer en meer een vreemde taal werd, stevig anders… En de Vlaamse belastingbetaler, die per slot mijn hele onderzoekersloopbaan financierde, kon zo meteen – als het hem of haar al interesseerde – checken of dat kleine deeltje van zijn belastinggeld goed besteed was…

Het werd eerst een boek over La Fontaine. Zijn fabels waren de minst vergeten Franse teksten van allemaal en je kon er ongeveer alles in terugvinden wat in het rijk van de Zonnekoning belangwekkend leek; wie met zijn zeventiende-eeuwse zonnestelsel wou kennismaken vond er alles bij elkaar. Voor de achttiende eeuw had ik twee essays nodig. Het eerste ging over de bekendste filosofische vertelling van Voltaire, waar – opnieuw – ongeveer alles wat verlichte geesten triggerde aan bod kwam. Het tweede ging over een tiental nu compleet vergeten teksten, maar die toen even populair waren als het geestige proza van de Filosofen. De achttiende eeuw initieerde, behalve nieuwe ideeën, ook een nieuwe omgang met de emoties, die ze uittekende in honderden sentimentele romans en die, al werden die bronteksten voor ons nagenoeg onleesbaar, in veel opzichten onze moderne omgangsvormen blijven bepalen.

Mijn trias was, verre vandaar, geen exhaustieve cultuurgeschiedenis van het Ancien Régime. Ik mikte op momentopnames, waarbij ik me beperkte tot typerende teksten, maar er daardoor gedetailleerder op kon ingaan. Ik hoopte zo te tonen hoe radicaal de basisreflexen van de zeventiende-eeuwers van de onze verschilden en hoe hun achttiende-eeuwse nazaten een voorschot namen op diverse moderne attitudes. Waarbij ik dacht dat ik zo, hoe onvolledig ook, de belangrijkste krachtlijnen van het Ancien Régime in de verf gezet had en dat mijn verhaal dus rond was.

Intussen is het laatste deel van die bescheiden trilogie alweer twee jaar oud en leek het me toch geschikt er nog een coda aan te toe te voegen.

Het viel me in vragenrondes na lezingen en andere gesprekken met lezers inderdaad op dat er een bedenking was die ongeveer keer op keer terugkwam. Zoals ik zei had ik in mijn eerste essay betoogd dat de wereld van de Fabels en de manier waarop je je daar volgens La Fontaine hoorde te gedragen sterk verschilden van de Umwelt en de normen van onze vroege eenentwintigste eeuw. Ik concludeerde dat de zeventiende eeuw, ook al heet die in veel naslagwerken early modern, vooral een erg traditionele wereld bleef, waar onze moderniteit nog niet aan de orde was.

Oudere lezers zullen zich waarschijnlijk herinneren dat hun geschiedenisleraar ooit vertelde dat die moderniteit startte bij de renaissance. Meer recente historici ontdekken daar voortaan liever een eerste aanzet, die al bij al vlug vastliep in de aanslepende horror van de godsdienstoorlogen en waarna de zeventiende eeuw eerder een stap terug zette. Barok en classicisme kozen toen opnieuw voor een wereld vol traditionele normen en zekerheden. De moderniteit zou in die zin pas goed (en dan ook voorgoed) van de grond komen vanaf de ‘verlichte’ achttiende eeuw.

Mijn toehoorders of lezers waren uiteraard niet altijd op de hoogte van die nieuwe inzichten of hadden er hun twijfels bij.  Ze vroegen nogal eens of ik in mijn boek over La Fontaine niet te vlot veralgemeende. Ze erkenden meestal graag dat de Fabels veel archaïsche reflexen opvoeren, maar suggereerden dat die misschien meer te maken hadden met het genre dan met hun eigentijdse omgeving. La Fontaine herneemt bestaande en vaak onheuglijk oude anekdotes; de oudste collectie, die op naam staat van de meer dan semi-legendarische Aisopos, dateert uit de zevende eeuw voor Christus. Je zou dus kunnen denken dat de levensstijl die ze propageren ook uit dat verre verleden dateert of er minstens veel uit overhoudt. Wat meteen zou betekenen dat ze niet direct de ideale bron waren om veel te vernemen over de onderdanen van de Zonnekoning…

Ik antwoordde steevast dat de traditionele attitudes die ik bij La Fontaine dacht te kunnen traceren ook bij allerlei tijdgenoten terug te vinden zijn en improviseerde dan meestal, afhankelijk van de inspiratie van het moment, een of twee voorbeelden. Met deze bijdrage start ik een korte reeks essays waarin ik dat wat grondiger probeer te doen.

Eerst nog een paar woorden over de selectie van mijn topics. Het gaat inderdaad opnieuw om verkenningsvluchten in een verdwenen wereld, waar ik lang niet overal kan landen. Een exhaustief parcours zou te ver voeren en is, denk ik, zelden de meest aangewezen weg om verschillen op het spoor te komen. Wie veel teksten leest doet dat onvermijdelijk vlugger en merkt alleen wat direct herkenbaar blijft. Het is pas bij aandachtige lectuur, idealiter woord voor woord, dat je goed merkt hoe vreemd oude auteurs hun verhalen soms aan elkaar praten.

Anderzijds bracht de keuze risico’s mee. De zeventiende eeuw produceerde, anderhalve eeuw na Gutenberg, onvergelijkelijk minder drukwerk dan wij nu in één decennium zien verschijnen, maar toch al een lawine aan teksten, waarin je, als je het bij een handvol voorbeelden wil houden, mits enig zoekwerk altijd de nodige illustraties vindt voor eender welke these. Ik moest ten allen prijze vermijden dat ik uit dat immense patrimonium ongewild de teksten zou oppikken die het best bij mijn stelling over een traditionele zeventiende eeuw pasten.

Om dat type tendentieuze selectie maximaal uit te sluiten, besliste ik eerst mijn voorbeelden niet uit de hele eeuw te kiezen. La Fontaine publiceerde zijn eerste bundel Fables in 1668 en zijn tweede in 1678-79; ik zou me dus beperken tot die twaalf jaar zodat de spoeling alvast stevig dunner werd. De voorkeur moest uiteraard ook gaan naar teksten die bij het verschijnen succes hadden: erkenning betekent altijd herkenning en geeft minstens te denken dat de zo geplebisciteerde werken aansloten bij het levensgevoel van hun publiek.

Ik dacht er zelfs even over het tijdsvenster nog smaller te maken. Bij nader toezien bleek dat de drie populairste toneelauteurs van de eeuw ondanks hun grote leeftijdsverschillen alle drie, en keer op keer zonder het helemaal te beseffen, tussen 1673 en 1677 en dus in nauwelijks vier jaar afscheid namen van hun publiek. Molière was qua leeftijd de middelste van de drie, maar overleed, als eerste, onverwacht op zijn eenenvijftigste. De achtenzestigjarige Corneille beleefde een jaar later zijn laatste première; hij leek niet van plan ermee op te houden en mocht er graag aan herinneren dat de grote Sofocles zijn laatste meesterwerk, Oidipous in Kolonos, op zijn honderdste had laten opvoeren. Racine was met zijn achtendertig jaar de jongste van de drie en besloot enkele maanden na zijn laatste première dat zijn carrièreplanning (ik kom daar in de bijdrage over zijn afscheid nog op terug) geen verder toneelwerk toeliet.

Hun drie laatste stukken waren geen literaire testamenten, maar werden dat door de omstandigheden. Ze getuigen bovendien alle drie, elk op een eigen aparte manier, van een kijk op de wereld die ons vreemd geworden is, maar die spoort met die van La Fontaine. Molière, Corneille en Racine wisten uiteraard evenmin als de auteur van de Fables dat die onheuglijke way of life ondertussen op zijn eind liep en van bij het begin van de Verlichting, amper enkele generaties later, definitief zou moeten wijken voor heel andere attitudes. Hun hele oeuvre is in die zin het onbesefte testament van een wereld die op het punt stond te verdwijnen.

Het werd uiteindelijk toch een iets breder venster omdat ik me, toen ik zover was, realiseerde dat een andere tekst, die in 1670 verscheen, ook een onbeseft testament was. Het verscheen deze keer zelfs postuum. De auteur, Blaise Pascal, was overleden in 1662 en had de laatste jaren voor zijn vroege dood – hij werd net geen veertig – gewerkt aan een groots opgezette Apologie de la religion chrétienne, die zijn levenswerk had kunnen worden. De nabestaanden vonden alleen honderden fragmenten, soms enkele bladzijden en soms maar een paar woorden, waarvan het zelfs niet duidelijk was of ze allemaal voor de Apologie bedoeld waren. Ze beslisten te redden wat er te redden viel; de selectie en het bijschaafwerk vroegen acht jaar zodat de Pensées de M. Pascal pas in 1670 verschenen. Ik geef ze hier een plaats omdat de vakliteratuur ze nogal eens opvoert als de meest moderne tekst van de Franse zeventiende eeuw. Dat lijkt me op zijn zachtst gezegd niet evident, maar maakt hem voor mijn onderneming wel incontournable: dat tegenvoorbeeld mocht ik niet uit de weg gaan.

Dat geldt eigenlijk ook voor de roman uit 1678 waarmee ik mijn steekproeven afsluit. La Princesse de Clèves is, een jaar na Racine’s Phèdre, opnieuw een onbeseft testament. De schrijfster, Mme de Lafayette, wou onbekend blijven en slaagde daar haar leven lang in; ze had nog vijftien jaar voor de boeg, maar zou al die tijd niets meer publiceren. Haar Princesse staat wel te boek als de eerste psychologische of zelfs – alweer – als de eerste moderne roman in de Franse literatuur. Rijk psychologisch inzicht is er zeker veel in te vinden, moderniteit, denk ik, eerder niet.

Pascal, Molière, Corneille, Racine en Mme de Lafayette zijn, naast La Fontaine die ik deze keer dus voor bekeken houd, de tenoren van de zeventiende-eeuwse Franse literatuur. Ik herlees ze hier om een levensgevoel te traceren dat ze met de meeste tijdgenoten zullen gedeeld hebben, maar dat ons intussen en naar alles laat aanzien voorgoed vreemd geworden is.

Dat levensgevoel was zeker niet de boodschap van hun werk. Zeventiende-eeuwse auteurs afficheerden soms moraliserende ambities, maar voelden zich ten gronde niet geroepen hun publiek een boodschap mee te geven: de dichter-profeet is een romantische uitvinding, waar de onderdanen van de Zonnekoning nog niet aan toe waren. Binnen het vijftal dat hier aan bod komt was Pascal waarschijnlijk de enige die zijn lezers niet alleen wou vermaken of ontroeren, maar ze ook ernstig wou doen nadenken. Hij was op zijn manier, zoals de jezuïeten van de Contrareformatie maar met zowat het tegenovergestelde programma, een barokke influencer. De vier anderen hadden niet echt een boodschap en wilden hun publiek vooral vermaken.

Ik stel me trouwens voor dat de habitus die ik in hun werken denk te herkennen is toen zo elementair evident was dat hij geen pleidooien nodig had. Het was eerder een stilzwijgende vooronderstelling, een achter- of ondergrond waar de teksten die ik ga doorlichten, en die zoals zal blijken op ongeveer alle andere punten erg van elkaar verschillen, keer op keer naar verwijzen.

Zoals bekend zijn achter- en ondergronden zelden vlot zichtbaar. Mijn opstellen worden zo onvermijdelijk wat meanderende enquêtes, waar ik de lezer meeneem op de nodige om- en doolwegen. En waarbij ik uiteraard hoop dat die lezer na afloop ook zal concluderen dat de besproken auteurs, die in ons taalgebied naar of zelfs over de rand van de canon verdwenen, bij nader toezien voor boeiende leesavonturen kunnen zorgen.