Ter bescherming van de jeugd…

Dort, wo man Bücher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen.

Heinrich Heine.

 

Dit jaar is het honderd jaar geleden dat in Duitsland de Gesetz zur Bewahrung der Jugend vor Schund- und Schmutzschriften (Wet ter Bescherming van de Jeugd voor Smerige en Pulpliteratuur) werd aangenomen. Honderd jaar geleden – inderdaad, ten tijde van de Republiek van Weimar (1918-1933). Over de Republiek van Weimar wordt tegenwoordig overwegend positief gedacht: een democratisch intermezzo tussen het autoritaire Duitse keizerrijk en de dictatuur van het nationaalsocialisme. Een periode van ware culturele bloei ook. Bekende Amerikaanse historici als Peter Gay en Walter Laqueur schreven waarderende boeken over het culturele leven van Weimar, waarin immers grote vrijheid bestond, met veel ruimte voor vernieuwing en experiment in de literatuur, in theater en dans, de film, de fotografie, de kunst.

Juist in deze tijd van grote culturele bloei werd voornoemde wet aangenomen. Dit kan, paradoxaal genoeg, niet los worden gezien van het vermaarde Duitse Bildungs-ideaal: de gedachte dat kinderen en jongeren door een brede culturele vorming tot betere burgers, zelfs betere mensen konden worden gemaakt. Van die vorming maakte het lezen van de juiste boeken – klassiekers uit de Duitse en (moderne) Europese literatuur, en uit de klassieke oudheid – onmiskenbaar deel uit. Omgekeerd bestond de angst, dat het lezen van verkeerde boeken kinderen en jongeren op verkeerde gedachten kon brengen, en zo tot slechtere mensen kon maken. Vandaar het wetsvoorstel: het beschermen van de jeugd tegen mogelijk verderfelijke invloeden werd gezien als niet minder dan een maatschappelijk-politieke plicht. Voor deze idee bestond brede steun, ook van bijvoorbeeld uitgesproken links-liberale politici; het wetsvoorstel kwam ook niet, zoals vaak wordt gedacht, uit conservatieve hoek. Desondanks was het meteen zeer omstreden. Bekende intellectuelen als Thomas Mann, Albert Einstein en Kurt Tucholsky spraken zich uit tegen de wet. Zij wezen erop dat deze inging tegen artikelen in de toch vaak hooggeprezen grondwet van Weimar: het voorstel was immers, opvoedkundige bedoelingen of niet, strijdig met de vrijheid van meningsuiting en met de persvrijheid. Niettemin werd de wet in het parlement met een flinke meerderheid aangenomen.

Wat betekende de wet in de praktijk? Tijdens de Republiek van Weimar niet zo heel veel. In de wet was uitdrukkelijk vastgelegd dat deze geen beperking van politieke, wereldbeschouwelijke of godsdienstige uitingen mocht inhouden. Er werd wel een lijst opgesteld van boeken die niet aan jongeren en kinderen mochten worden verkocht. Tot deze Schund- und Schmutzschriften werden boeken (en tijdschriften) gerekend waarin vrijmoedig over erotiek en seksualiteit werd geschreven, alsook boeken (en tijdschriften) die homoseksuele relaties tussen mannen of vrouwen tot onderwerp hadden. Aan volwassenen mochten deze boeken wel worden verkocht, maar alleen als zij er uitdrukkelijk om vroegen. Deze boeken uitstallen mocht niet, er reclame voor maken evenmin. Of volwassenen deze boeken aan jongeren en kinderen lieten lezen kwam in de wet niet aan de orde: de wet betrof de verkoop. Al met al leek de maatschappelijke uitwerking van de wet beperkt te blijven.

Maar dit veranderde na de machtsovername van het nationaalsocialisme in januari 1933. De nieuwe machthebbers gaven een veel bredere uitleg aan wat moest worden verstaan onder Schund- und Schmutzschriften. Alle boeken van Joodse auteurs werden er voortaan toe gerekend; daarnaast alle boeken en tijdschriften waarin de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog, op welke wijze ook, aan de orde kwam; en ten slotte alle boeken van socialistische en communistische auteurs. In de beginjaren van het Derde Rijk werd juist deze Gesetz zur Bewahrung der Jugend vor Schund- und Schmutzschriften gebruikt om de eerste boekverbrandingen juridisch te legitimeren. In 1935 werd de wet vervangen door een nieuwe, veel strengere wet, die een verdere Gleichschaltung van het intellectuele en culturele leven moest bevorderen – lees: de stem van andersdenkenden helemaal tot zwijgen moest brengen.

Waarom is het zinvol na honderd jaar stil te staan bij de invoering van een wet tijdens de Republiek van Weimar? Omdat in de Verenigde Staten vandaag de dag in verschillende staten met precies hetzelfde argument – ter bescherming van de jeugd… – boeken van het schoolcurriculum worden geschrapt, en uit bibliotheken verwijderd. En daarbij gaat het vooral om boeken die met name conservatieve Amerikanen om politieke redenen onwelgevallig zijn. Het betreft boeken als 1984 van George Orwell, Brave New World van Aldous Huxley en The Handmaid’s Tale van Margaret Atwood, die kunnen worden opgevat als een waarschuwing tegen autoritaire tendensen in de politiek; boeken over het slavernijverleden en rassendiscriminatie in de Verenigde Staten zoals Narrative of the Life of Frederick Douglass, an American Slave van Frederick Douglass, Adventures of Huckleberry Finn van Mark Twain, To Kill a Mockingbird van Harper Lee, en Of Mice and Men van John Steinbeck – dit laatste niet alleen vanwege vermeende raciale stereotypering maar ook vanwege het vermeend propageren van euthanasie; boeken waarin erotiek en seksualiteit een belangrijke rol zouden spelen, zoals Lolita van Vladimir Nabokov en, verbijsterend genoeg, ook Het Dagboek van Anne Frank; en de opsomming van verboden onderwerpen en verboden boeken zou nog veel en veel verder kunnen worden uitgebreid.

Natuurlijk: het schrappen van titels uit het curriculum en het verwijderen van boeken uit  schoolbibliotheken in de Verenigde Staten is niet hetzelfde als de censuur in het Derde Rijk. Maar de censuur in het Derde Rijk begon in zekere zin met een wet in de Republiek van Weimar, honderd jaar geleden aangenomen, met dezelfde onderbouwing: het beschermen van de jeugd. En misbruik van die wet bleek mogelijk. De angst dat censuur ‘om de jeugd te beschermen’ het beginpunt is op een glijdende schaal, is bepaald niet ongegrond. Alle reden dus om in de Lage Landen dit Amerikaanse voorbeeld niet te volgen.

Misschien moet het laatste woord worden gegeven aan de Duitse filosoof Theodor Lessing. In 1895 was hij zijdelings betrokken bij een proces dat tegen een andere schrijver was aangespannen. Hij schreef: ‘Het publiek zou eindelijk uit dergelijke processen moeten leren, dat literaire en artistieke klachten en vergrijpen helemaal niet geschikt zijn voor openbare rechtspraak’.

 

 

Ter bescherming van de jeugd…