Over drie gedichten van Friedrich Hölderlin, Emily Dickinson en Georg Trakl

 

Friedrich Hölderlin (1770-1843), Emily Dickinson (1830-1886) en Georg Trakl (1887-1914), binnen en buiten hun taalgebied na hun leven hogelijk gewaardeerde dichters, verschilden sterk van persoonlijk en poëtisch profiel. Zij hadden wel een raakpunt in de gedichten Brod und Wein (1800), I had been hungry, all the Years (1862) en Ein Winterabend (1913). In alle drie staat het thema van brood en wijn centraal. Eerst worden de korte gedichten van Dickinson en Trakl met elkaar vergeleken en daarna cultuurhistorisch geplaatst in het weidse perspectief van de grootse elegie van Hölderlin.

 

Persoon, werk, religie

Dickinson en Trakl waren zeer verschillende persoonlijkheden. Zij was een krachtige en evenwichtige persoon, die, afgezonderd in haar ouderlijk huis en in harmonie met de vreedzame landelijke omgeving van haar geboortestadje Amherst, een sober, uiterlijk rimpelloos leven leidde tot zij daaruit, in haar eigen woorden, werd teruggeroepen. Hij was wankelmoedig en onevenwichtig, vaak depressief, stevig gebruiker van drank en drugs, en vol afkeer van de steden waar hij heeft gewoond. Hij stierf in het begin van de Eerste Wereldoorlog, na zelfmoordpogingen aan een overdosis in een militaire psychiatrische kliniek, pas 27 jaar oud.

Hun poëtisch profiel verschilde evenzeer. Zij was een Amerikaanse dichteres met een aanzienlijke productie van 1775 gedichten. In haar leven zijn slechts een tiental gedichten gepubliceerd, naamloos en door anderen. De meeste heeft zij verzameld in naamloze bundels en zorgvuldig bewaard in haar slaapkamer. Daarnaast heeft zij er honderden verstuurd in brieven. Zij zijn pas na haar dood teruggevonden, verzameld en in fasen uitgegeven. Een integrale uitgave verscheen pas in 1955. Ondanks sporen van Romantiek is haar stijl overwegend realistisch. Haar toon is betogend en beschouwelijk, afwisselend ironisch en irenisch. Zij is nadrukkelijk in haar gedichten aanwezig; liefst 146 beginnen zelfs met ‘Ik’.

Trakl was een jong gestorven Oostenrijks dichter. Hij publiceerde ongeveer 170 gedichten.  In 1913 verschenen een bundel Gedichte, en een dertigtal gedichten in tijdschriften. Zijn gedichtenbundel Sebastian im Traum werd in 1917 postuum uitgegeven. De eerste historisch-kritische uitgave dateert van 1969. Zijn gedichten dragen een uitgesproken lyrisch karakter. Zijn stijl, verwant aan het expressionisme, is associatief en evocatief; de toon bevlogen, somber en humorloos. Al vroeg verdwijnt de ik-figuur uit zijn gedichten.

Beider leven en werk is doortrokken van religieuze problematiek, zij het op verschillende wijze. In de puriteinse omgeving van familie, stad  en streekgenoten van Dickinson werd vrijwel jaarlijks een godsdienstige ‘revival’ of ‘awakening’ gehouden, waarbij mensen hun ziel konden redden door zich openlijk te bekennen tot het ware christendom. Zij maakte daarmee kennis begin 1846. Als vijftienjarige stond zij hoopvol tegenover een dergelijke ‘gouden gelegenheid’, maar ook argwanend. In het schooljaar 1847-48 verbleef zij op het naburige Mount Holyoke Seminary, een strenge kostschool waar het puriteins geloof centraal stond. Daar werden leerlingen onder grote druk gezet zich openlijk te bekennen tot een wedergeboorte en vervolgens ingedeeld in vier klassen: ‘professing’ of belijdend, ‘hope’ of hoopvol, ‘impenitent’ of halsstarrig, ‘no hope’ ofwel hopeloos.

Zij was een der ‘impenitenten’, die zich niet gewonnen gaven. Het gehamer op menselijke verdorvenheid en eeuwige verdoemenis enerzijds en anderzijds de hemelse belofte van verlossing en eeuwig leven na de dood waren voor haar overdadig en ongeloofwaardig.

Door ‘geen bezwaar’ te uiten maar ook ‘geen belangstelling’ te tonen, weerstond zij de druk om ‘gered’ te worden. Na de Great Revival van 1850 in Amherst nam zij na lang weifelen afscheid, niet van geloof als zodanig, maar wel van deze vorm van geloof, In grimmige gedichten zou zij daarop vaak nog haar gram halen

Trakl had eveneens een protestante achtergrond, maar deze was van veel vrijzinniger gehalte. Hij bezocht een katholieke lagere school, en volgde daarnaast uitgebreid protestants bijbelonderricht, dat hem zeer aansprak. Over godsdienstonderwijs of belangstelling daarvoor in zijn gymnasiumtijd is slechts bekend, dat hij op zijn zestiende confirmeerde. Vanaf zijn zeventiende was hij schoolverlater, die poseerde als ‘verfluchter Dichter’ en ‘Bürgerschreck’. Wat dit werkelijk betekende voor zijn geloof is moeilijk te bepalen. Na zijn dood hebben sommigen zijn gelovigheid benadrukt, wat door anderen, mede op grond van zijn levensstijl, sterk werd betwijfeld. Zijn persoonlijke beleving van christendom was tegelijk innig en vol innerlijke spanningen. Hetzelfde geldt voor zijn poëzie. Uit zijn vroeger werk vallen gedichten op met vlijmende kritiek op kerk en clerus. Latere gedichten richten zich op de afwezigheid en onzichtbaarheid van God. Zijn hele werk is doordesemd met Bijbelse woorden en taalvormen (psalmen, gebeden), alsook motieven, personen en gestalten. Daardoor werd hij aanvankelijk gehuldigd als christelijk dichter; later werd gewezen op de meerduidigheid van zijn gedichten en werd hen elk christelijk karakter zelfs ontzegd.

Over de al dan niet christelijke overtuigingen van beide dichters en de meer of minder christelijke betekenis van hun gedichten wordt hier volstaan met te zeggen dat deze complex, eigenzinnig en tegenstrijdig zijn geweest.

I had been hungry, all the Years

Dichter: Emily Dickinson

Ik leed honger, al die Jaren

Vertaling: Joep à Campo

I had been hungry, all the Years –
My Noon had Come – to dine –
I trembling drew the Table near –
And touched the Curious Wine–‘Twasthis on Tables I had seen –
When turning, hungry, Home
I looked in Windows, for the Wealth
I could not hope – to Own –

I did not know the ample Bread –
‘Twas so unlike the Crumb
The Birds and I, had often shared
In Nature’s – Dining Room –

The Plenty hurt me – ’twas so new –
Myself felt ill – and odd –
As Berry – of a Mountain Bush –
Transplanted – to a Road –

Nor was I hungry – so I found
That Hunger – was a way
Of Persons outside Windows –
The Entering – takes away –

 

Ik leed honger, al die Jaren –
Toen Kwam mijn Noen – mijn maal –
Trillend schoof ik bij de Tafel aan –En proefde van de Wonderlijke Wijn –

Dezehad ik op Tafels zien staan –
Op weg, hongerig, naar Huis
Ik zocht door Vensters, naar de Rijkdom
Die ik niet kon hopen – te Bezitten –

Ik kende niet het volle Brood –
Zo anders dan de Kruimels
Die ik met Vogels, zo vaak deelde
Aan de Dis – van de Natuur –

De Overdaad schaadde mij – was nieuw – Ik werd onwel – en daas –
Als een Bosbes – van een Berg –
Verplant – naar een Weg –

Ik had geen honger meer – dus merkte
Dat Honger – eigen was
Aan Mensen buiten voor de Ramen –
Naar Binnentreden – neemt haar weg –

 

 

 

Ein Winterabend (Erste Fassung)

Dichter: Georg Trakl

 

Wenn der Schnee ans Fenster fällt,
Lang die Abendglocke läutet,

Vielen ist der Tisch bereitet
Und das Haus ist wohlbestellt.

 

Mancher auf der Wanderschaft
Kommt ans Tor auf dunklen Pfaden.
Seine Wunde voller Gnaden
Pflegt der Liebe sanfte Kraft.

 

O! des Menschen bloße Pein.
Der mit Engeln stumm gerungen,
Langt von heiligem Schmerz bezwungen
Still nach Gottes Brot und Wein.

 

Een winteravond (Eerste versie)

Vertaling: Joep à Campo

 

Als de sneeuw valt langs de ruiten,
Lang de avondklokken luiden,

Staat voor velen de dis gedekt
En het huis is goed voorzien.

 

Menig zwerver komt op zijn tocht
langs duistere paden aan de poort.

Zijn wonde vol genade verpleegt
De zachte kracht der liefde.

 

O! pure pijn der mensen.
Wie met de engel stom geworsteld,
Reikt door heilige smart bedwongen
Stil naar Godes brood en wijn.

 

 

Ein Winterabend (Zweite Fassung)

 

Wenn der Schnee ans Fenster fällt,
Lang die Abendglocke läutet,
Vielen ist der Tisch bereitet
Und das Haus ist wohl bestellt.

 

Mancher auf der Wanderschaft
Kommt ans Tor auf dunklen Pfaden.
Golden blüht der Baum der Gnaden
Aus der Erde kühlem Saft.

 

Wanderer tritt still herein;
Schmerz versteinerte die Schwelle.
Da erglänzt in reiner Helle
Auf dem Tische Brot und Wein.

 

 

Een winteravond (Tweede versie)

 

Als de sneeuw valt langs de ruiten,
Lang de avondklokken luiden,
Staat voor velen de dis gedekt
En het huis is goed voorzien.

 

Menig zwerver komt op zijn tocht
langs duistere paden aan de poort.
Goud glanzend bloeit de genadeboom
Uit het koele sap der aarde.

 

Zwerveling treed stil binnen;
Smart versteende de drempel.
Daar glanzen in zuiver licht
Op de tafel brood en wijn.

 

 

 

Thema brood en wijn

Sleutelbegrip in I had been hungry, all the Years en Ein Winterabend is de formule ‘brood en wijn’, een begrippenpaar van buitengewone cultuurhistorische betekenis. Al voor prechristelijke mediterrane volkeren golden zij als basisvoedsel. De antieke agrarische beschavingen hebben zich altijd afhankelijk geweten van de groeikracht van de aarde alsook van regen en zonneschijn van de hemel, en daarmee van de gunst der goden. Natuur werd algemeen ervaren als vervuld van bovennatuur. Daarom waren brood en wijn steeds zinnebeeld van het aardse en het goddelijke, bij feesten van zowel wereldlijke als religieuze aard. Psalm 104;14-15 ziet God als een soort gangmaker van de natuur, die voortbrenger is brood, dat het hart versterkt en van wijn, die het hart verblijdt. Dionysos en Demeter, Griekse goden van landbouw en wijnbouw, waren ook god respectievelijk godin van brood en wijn.[1] Graan en druif hebben behalve natuurlijke ook culturele gisting, dat wil zeggen vergeestelijking ondergaan.

De wijdere religieus-culturele betekenis van ‘brood en wijn’ is in het christendom blijven voortbestaan in de ‘tafel met brood en wijn’, als offergave uit dank voor de schepping (het offertorium). Hieraan is toegevoegd de betekenis van herinnering aan het laatste avondmaal (eucharistie), de dankzegging voor het offer van Christus voor de verlossing der mensheid. Daarin worden brood en wijn door heiliging (consecratio) tot lichaam en bloed van Jezus Christus, waarna zij liturgisch worden gedeeld en genuttigd in de gemeenschap der gelovigen (communio). In Brod und Wein van Hölderlin worden Dionysos en Christus op een lijn gesteld. (r. 107-108). Dickinson en Trakl richten zich alleen op de christelijke betekenis.

 

I had been hungry, all the Years

De eerste drie strofen geven een terugblik op een lange levensloop en de mogelijkheid tot een ingrijpende verandering. De vierde strofe beschrijft de afwijzende reactie daarop. De slotstrofe kent aan de particuliere bevinding een ruimere betekenis toe.

Haar leven, zegt de spreekster, heeft zij ervaren als een aanhoudende honger. Daarmee wordt uiteraard niet een tekort aan lichamelijk voedsel bedoeld. Evenmin gaat het om een verlangen als hang naar roem, begeerte naar liefde of vervulling van een hartenwens, hoewel het gedicht zeker ook op dat niveau kan worden gelezen. De symbolische lading van verschillende termen geeft aan, dat het bovenal gaat over een diep en dringend geestelijk verlangen. Het is in wezen een religieus of spiritueel gedicht. In het midden daarvan staat de tafel met brood en wijn.

In haar hongerjaren was zij vele malen rondgelopen, op weg naar huis, een thuis om geestelijk onderdak te vinden. Zij was langs vele ramen gelopen, waarachter brood en wijn uitnodigend stonden uitgestald. De wijn was ‘curious’, borg een mysterie. Zij was nog niet bekend met de diepere betekenis ervan, en evenmin kende zij het ‘volle brood’. De natuur had haar alleen kruimels geboden, die zij deelde met de vrije vogels waarmee zij zich verbonden voelde. Maar zo anders dan de kruimels in de natuurlijke wereld was het uitgestalde brood; zij voelde aan dat het ‘vol’ was, vol van betekenis. Het vreemde ‘brood en wijn’ was bovennatuurlijk, en het stond uitgestald niet buiten in de natuur, maar binnen: in het ‘huis van de Heer’. Zoals kruimels mens en natuur verbinden, zo schept het volle brood een band tussen mens en bovennatuur.

Lopend langs de vensters voelde zij honger, en keek verlangend naar binnen, maar had geen hoop ooit te delen in die rijkdom. Maar zekere dag was haar ‘Noen’ gekomen, een begrip dat bij Emily Dickenson steeds bijzondere symboolwaarde heeft. Het middaguur is het tijdstip van de hoogste zonnestand, een hoogtepunt, dat tevens keerpunt is, zoals ook nu zal blijken. Rillend, want onwennig en onzeker, vervuld van gespannen verwachting, naderde zij de tafel. Eerbiedig maar aarzelend reikte zij naar het volle brood en proefde van de wondere wijn.

Maar onmiddellijk diende zich het keerpunt aan. Zij proefde wel, maar dronk niet en liet het brood onaangeraakt. De rijkdom had haar overvallen en overweldigd; de overvloed voelde zij als overdaad, die haar onpasselijk maakte, omdat zij niet bij haar paste. Zij vergelijkt zich met een bessenstruik, die wordt verplaatst – misplaatst en verlaagd – van een berg naar een weg. De berg is haar natuurlijke omgeving, daar is zij eenzaam maar vruchtbaar, vrij als de vogels, verheven boven de laagvlakte. Daarbeneden loopt de weg, waar zij onder het publiek verkeren moet en door drukte in het gedrang kan komen.

Door dergelijk gevoel bekropen deinsde zij terug. De aanblik overdaad heeft haar eetlust weggenomen, stootte haar zelfs af. Binnentreden en deelname aan de tafel zou aansluiten bij een gemeenschap betekenen. Zij ontdekte dat honger iets was van voorbijgangers, van hen die buiten staan, door de ramen kijken en voorbijgaan, want wie binnengaan vergaat het verlangen. Blijkbaar is de drempel van het bovennatuurlijke, van het ‘huis van de Heer’ een grens die beter niet wordt overschreden. Als zij weer buiten staat, is zij terug onder hen die hongeren, maar wier verlangen toch onstilbaar is. Zo blijft zij zweven in een spanningsveld van aantrekking en weerhouding, van aanraking en overgave, van verlangen en vervulling.

Deze tussenpositie is kenmerkend voor Dickinson, en aanwijsbaar in verscheidene andere gedichten en in biografische gegevens. Het spanningsveld tussen natuur en bovennatuur spreekt uit haar brief aan een schoolvriendin.[2] Daar beschrijft zij haar verlangen naar, en tegelijk terugdeinzen voor het bovennatuurlijke. Te sterk is haar wil om vast te houden aan de natuurlijke wereld. Zij wilde daarvan niet vervreemden, maar deze ook niet als goddelijk vereren. Ook in haar natuurgedichten is natuur meer dan alleen maar natuur, zonder in pantheïstische zin God en natuur gelijk te stellen.

Soortgelijke spanning kenmerkt ook haar erotische beleving. Heel beeldend spreekt dat in Wild nights – Wild nights!, dat zindert van de spanning tussen woeste zee en veilige haven van de liefde. In haar persoonlijk leven sublimeerde zij erotiek door de lichamelijke beleving te begrenzen. Zo schreef zij in 1878 haar laatste geliefde Otis Phillips Lord[3]: ‘I confess that I love him – rejoice that I love him – I thank the maker of Heaven and Earth – that gave him to me – the exultation floods me. I cannot find my channel – the Creek turns Sea – at thought of thee –.’ In een volgende brief legde zij uit, waarom zij niet ‘de daad bij het woord’ wilde voegen en noemde zich een ‘onbestoven bloem’: ‘Dont you know you are happiest while I withhold and not confer – dont you know that “No” is the wildest word we consign to Language? You do, for you know all things – (…)  It is Anguish I long conceal from you to let you leave me, hungry, but you ask the divine Crust and that would doom the Bread. The unfrequented Flower.’

 

Ein Winterabend

Van dit gedicht bestaan twee versies. De eerste versie komt uit de nalatenschap van de dichter. De tweede versie werd opgenomen in zijn bundel Sebastian im Traum. De eerste zes regels van beide versies komen overeen, maar de titel en de laatste zes regels zijn geheel verschillend. Beide versies hebben een overeenkomstige structuur.

In de eerste strofe gaat het over ‘velen’, in de tweede over ‘sommigen’ en in derde over een ‘enkeling’. Elke strofe bevat een tweedeling. In de eerste is de scheiding een venster tussen buiten- en binnenshuis, in de tweede een poort tussen dwalen en genade, in de derde een drempel tussen pijn en spijs. In elk van de drie strofen is sprake van een grens en tegelijk de mogelijkheid deze te overschrijden. Vanuit het warme huis valt te zien hoe het sneeuwt in de kou daarbuiten, zoals het klokgelui buiten doordringt naar binnen. Vanaf de donkere paden buiten lonkt een licht van binnen. Brood en wijn worden gezien en mogen worden genuttigd. Het spel met tegenstellingen wordt voortgezet in donkere paden tegenover helder licht, winterse sneeuw tegenover bloeiende boom; het huis tegenover het zwerven.

De eerste versie ademt een direct herkenbare christelijke sfeer. Het beginwoord ‘Wenn’ wekt de sfeer van een tijdloos tafereel. De dromerige, schijnbaar onbeholpen geformuleerde beelden in de eerste strofe doen in hun eenvoud denken aan een vrome miniatuur of zo men wil aan een knusse kerstkaart, een idyllisch prentje van de verwachtingsvolle komst van de Heiland in de wereld. De eerste twee regels roepen het beeld op van een woonhuis op kerstavond, met binnen een weldadig kerstmaal, terwijl in het sneeuwend buiten lang een kerkklok luidt en oproept tot bezinning of wellicht tot ter kerke te gaan. Het welvoorziene huis met gedekte tafel kan daarom worden opgevat als altaar voor de viering van het avondmaal, dat weer verwijst naar het ‘Huis des Heren’, waar Gods tafel gastvrij klaar staat en waaraan velen zijn uitgenodigd. Brood en wijn zijn dagelijks voedsel, maar symboliseren ook lichaam en bloed van Christus. Zo zijn in deze strofe het uiterlijke en innerlijke, het tijdelijke en eeuwige, het wereldlijke en het hemelse ten nauwste verbonden.

Velen zijn geroepen, meldt de eerste strofe, maar, zegt de volgende, niet allen zijn uitverkoren. Het gedicht schakelt over naar de beeldspraak voor het mensenleven als een zoektocht naar richting en doel van het bestaan; de sterveling als zwerveling. Menig dolend reiziger komt op zijn levensreis aan de poort (kerkdeur, hemelpoort) langs donkere paden, dat wil zeggen twijfelend, lijdend, maar vooral ook schuldbeladen. Zijn schuldigheid is een geestelijke wonde. Deze is ontstaan door worsteling met zijn geweten, maar wordt gebalsemd door de zachte kracht der liefde, door de goddelijke genade die schulden kan vergeven.

De derde strofe opent met een klagende uitroep over de pijn van het menselijk tekort, een levenspijn, waaruit de mens niet zichzelf kan verlossen. De laatste drie regels geven aan hoe dan wel, door te verwijzen naar de worsteling van Jacob met de engel. De betekenis van de verwijzing naar dit bijbels verhaal is duidelijk. Al wie met de engel heeft gestreden, heeft geworsteld met zijn wroeging. Wie streeft naar verzoening en een grens wil oversteken, maakt zijn pijn tot heilige smart en mag reiken naar de genade van het door God gewijde brood en wijn. Deze worden hem niet aangereikt; het reiken komt van hem zelf, en geen drempel belet hem de weg. Anders dan in het Bijbelverhaal blijft in het gedicht open, of hij brood en wijn bereikt, ofwel reikt naar het onbereikbare, een onvervuld verlangen naar wat een groot wonder blijft.

In de tweede versie lijken vanaf regel 7 de christelijke verwijzingen naar de achtergrond verdrongen, maar zij zijn nog wel aanwezig. Uit het binnenste der aarde en gevoed door de levende natuur groeien graan en druif, grondstoffen voor brood en wijn voor het avondmaal. Daaruit groeit de genadeboom op, symbool van mildheid en vergeving. Daarmee worden in de tweede strofe tegenover elkaar geplaatst enerzijds de schuldbeladen zwerveling, anderzijds de mogelijkheid van vergeving, verzoening en verlossing.

In de derde strofe worden zij in verband gebracht. De zwerveling, als ware hij een nazaat van Jacob, staat voor ieder sterveling, die schuldbewust naar huis terug wil keren. Hij wordt uitgenodigd, met aandrang zelfs, naar binnen te gaan, maar zoals Jacob aan het grensriviertje Jabbok, draalt hij op de drempel. Tijdens zijn gang langs donkere paden heeft wroeging zijn hart verhard en de drempel versteend; en hoe hoger de drempel, hoe dieper het pijnlijk schuldbesef. De pijn is drempel geworden; zij heeft geen lidwoord, het is levenspijn, en hij lijkt erdoor verstijfd, alsof vanuit de donkere paden zijn ogen moeten knipperen in het heilige helder licht, dat door zijn felheid de smart niet verzacht maar verscherpt. ‘Schmerz’ en ‘Helle’ staan tegenover elkaar als kwaad en goed, erfschuld en verlossing, zwerftocht en avondmaal.

Als de zwerveling op die drempel staat, wordt hem gewezen wat hem daarbinnen tegemoet straalt: het is de glans van de tafel met brood en wijn, het aura van vergeving en verzoening. Het liminale gedicht voert naar de grens van donker en licht. Aan het einde van het gedicht zal de lezer beseffen: die aangesproken en uitgenodigde zwerveling ben ik zelf. En zoals aan die zwerveling is het aan mij om zelf de pijn te overwinnen, de drempel te nemen, binnen te gaan en te reiken naar die tafel met brood en wijn.

In de tweede versie is het christelijk element minder nadrukkelijker aanwezig dan in de tweede, maar vooral ook op een andere wijze. In de eerste versie reikt de zwerveling stil naar brood en wijn, en er is geen sprake van een drempel. Voor hem is de genade binnen handbereik, en zoals Ezau aan Jacob vergaf, zal God hem deze vast niet hebben onthouden. In de tweede versie worden brood en wijn wel getoond, maar beduusd, als verblind door het helder licht, blijft hij op de drempel bedremmeld stilstaan en reikt niet naar de uitgestalde gaven. Het reiken naar en nuttigen van brood en wijn zou betekenen deelachtig te worden aan het verhaal van lijden, verzoening en verlossing. Het verlangen is niet onvervuld maar onvervulbaar. Het is, alsof hij Goddelijke genade voor zich ziet, maar twijfelt of hij daartoe is gerechtigd. De drempel blijkt een sublieme ervaring in de letterlijke betekenis van ‘sub limine’: reikend tot een grens die onoverschrijdbaar is. De onbeholpen idylle verschrompelt tot illusie.

Volgens Gerard Kaiser[4] is in de tweede versie de christelijke betekenislaag zelfs helemaal verdwenen en kan deze op geheel ontkerstende, wereldlijke wijze worden gelezen. Zijn betoog volgt twee stappen. Eerst wordt het gedicht ontdaan van christelijke elementen. De Bijbelse elementen, zoals God en engelen, wonde en heilige smart, liefde en genade, alsook het Jacobverhaal zijn verdwenen. Er is niemand die de klok luidt, gasten noodt of de tafel dekt. Het huis is welvoorzien dankzij een genadige oogst. De boom groeit door het sap der aarde, een natuurkracht. De zogenaamde genadeboom is een gewone levensboom geworden, genade een aardse weldaad; de kruisdood een dood kruis; de volle hemel een leeg sprookjesbos; Gods huis een spookhuis. In het ‘zuiver licht’ blijven brood en wijn onaangeroerd. Zij zijn voor de mens wezenlijk onbereikbaar. Het ‘zuiver licht’ is ‘nur reiner Helle’, dat wil zeggen: het heil is louter illusie, zelfs vals licht, waarin brood en wijn slechts knollen en citroenen blijken.

Vervolgens wordt de poëtisch kale vorm opgetuigd met een poëtologische visie: in de plaats van Christus staat het gedicht; het Woord is woord geworden. Het gedicht kan brood en wijn niet uitdelen maar wel tonen. Zij zijn een verschijning in het gedicht; slechts daar kunnen zij glanzen, zoals bedauwde druiven onaanraakbaar kunnen glanzen in een goudeneeuws stilleven. Dit ‘oplichten van het zuivere Zijn’ is ongrijpbaar en daarom een bron van onleefbaar diepe smart. Van de hoop op genade rest slechts een stil verlangen. Niet God geeft brood en wijn een bovennatuurlijke glans, maar het gedicht verleent de zintuiglijke spijzen een bovenzintuiglijke doorschijnendheid. Poëzie (en kunst in het algemeen) kan tastbare voorwerpen doorschijnen en vergeestelijken (‘verklären’) tot ongrijpbaar mysterie. Dat voltrekt zich, niet in de offerande van het avondmaal, maar in het gedicht. Door de dichterlijke verheffing worden brood en wijn tegelijk van de lezer vervreemd en door een onoverbrugbare drempel gescheiden. Deze drempel en dit pijnlijk besef van ontoegankelijkheid, aldus Kaiser, verstenen en versterken elkaar.

In de Romantiek rees de gedachte van verwantschap of zelfs gelijkheid van het goddelijke en kunstzinnige. In deze moderne poëtologische zienswijze is het goddelijke door het kunstzinnige geheel vervangen. Het is echter niet het gedicht dat ´brood en wijn´ een bovennatuurlijke glans verleent, maar het gedicht ontleent daaraan die glans. In Gesang des Abgeschiedenen heet het: ‘want gezegend zijn brood en wijn / door Gods handen’ en ‘Want steeds stralender ontwaakt uit zwarte momenten van waanzin / De lijdende mens op de versteende drempel en bevangt hem hevig koele blauwte en lichtende naherfst …’.[5] Daarom liggen op de offertafel geen knollen en citroenen, maar waarlijk brood en wijn. In deze termen ligt een religieuze of spirituele betekenis besloten, zoals de desem in het brood en de geest in de wijn zijn opgenomen. Pas daarom is het mogelijk, dat, zoals Martin Heidegger[6] zegt, ‘die Sprache spricht’. Maar het is en blijft de dichter, die deze beladen woorden heeft gekozen en de taal doet spreken.

Toch staan beide leeswijzen niet diametraal tegenover elkaar; beide komen uit op een sublieme ervaring; de eerste leeswijze in het gedicht, de tweede leeswijze van het gedicht, dat voor de lezer helder oplicht als mysterie, als was het zelve ‘brood en wijn’. Zoals de zwerveling niet over de drempel kan stappen, zo kan de lezer niet stappen over de drempel van het gedicht. Op de drempel blijft hij, in de woorden van Rilke, als tegen een venster geperst zien naar wat ligt uitgestald in de onbetreedbare ruimte daarbinnen.[7]

 

Vergelijking van Dickinson en Trakl

Beide gedichten hebben hetzelfde thema en hanteren dezelfde motieven. Er is sprake van een scheiding tussen buiten en binnen. Deze zijn zowel gescheiden als verbonden, waarbij drempel en venster de grens markeren. Het is tevens de grens tussen wereld en huis, en tussen natuur en bovennatuur. Buiten dolen de voorbijgangers en zwervelingen, die verlangende blikken naar binnen werpen, naar de tafel met brood en wijn. Tegenover het arme bestaan buiten staat de innerlijke rijkdom binnen. Buiten zijn er de velen, terwijl een enkeling is geroepen om binnen te treden. De velen zijn een losse verzameling eenlingen, terwijl de enkelingen binnen een gemeenschap vormen.

Hoewel beide gedichten handelen rond een religieus ritueel is hun strekking niet religie bevestigend. De uitnodiging om binnen te treden en deel te hebben aan het ritueel van brood en wijn betekende een onuitgesproken uitdaging in te stemmen met een geloofsleer, het eigen leven af te stemmen op een kerkelijke leer en aan te sluiten bij een geloofsgemeenschap. In beide gedichten wordt die uitdaging overwogen maar niet aanvaard. Hun afwijzing benadrukt beider eenzelvigheid. In beide wordt als beweegreden ‘pijn’ genoemd. De aard van die pijn is echter verschillend verwoord.

De ‘hongerende’ spreekster bij Dickinson voelt zich overweldigd door de overdaad, die haar de ‘eetlust’ ontneemt. Dit komt overeen met de persoonlijke ervaring van de dichter. In haar naaste omgeving waren zovelen ‘opgestaan’, die op haar zoveel druk uitoefenden hetzelfde te doen. Dit klinkt door in de meervouden van ‘windows’ en ‘tables’, tegenover wie zij zichzelf opstelt als een buitengesloten ‘ik’, een individuele ‘Gottesferne’. Dit komt overeen met het uitgesproken individualisme van zowel Dickinson als de Amerikaanse samenleving.

Het gedicht van Trakl is niet persoonlijk maar figuratief en heeft een algemene strekking. Het is een bijna kale enscenering van een zwerveling tegenover de beladen tafel, waar brood en wijn prijken ‘in zuiver licht’. Maar juist dat helle, ´hemelse’ licht doet hem terugdeinzen door zijn overweldigende overdaad. Het staat voor een blokkade van de moderne mens tegenover een oude, naar zijn bevinden nooit waargemaakte belofte, de ‘Gottesferne’ van onze cultuur.

 

Hölderlin, een visionair kader

In beide gedichten zijn elementen herkenbaar, die ook naar voren komen in de elegie Brod und Wein. Deze handelt over de afstand tussen God en mens, dat wil zeggen het zich bewust zijn van de goddelijke aanwezigheid in de menselijke werkelijkheid.

Wij leven, zegt Hölderlin in r. 122, in een karige tijd, waarin de band tussen het goddelijke en het menselijke lijkt verdwenen. In goede tijden kent de mens de goden niet (r. 87-88), en als het slecht gaat, houden zij zich daar ergens ver boven ons hoofd verborgen; zij wonen in een andere wereld en tonen zich onverschillig of wij leven (r. 109-112). Maar als mensen toch de aanwezigheid der goden waarnemen, schrikt hen dat af, omdat hen het geluk te hel en verblindend schijnt (r. 73-76). De ervaring van het goddelijke is voor de mens moeilijk, zelfs onmogelijk te verdragen, want niet altijd kan een ‘zwak vaatwerk’ haar rijkdom bevatten; slechts in korte tijden kan de mens de goddelijke volheid vatten en aanvaarden. (r. 113-114). Voor de vreugde van zijn geest zou het ‘grotere te groot’ zijn (r. 134).

Zowel bij Dickinson als Trakl zijn de afwezigheid en onverschilligheid van God een terugkerend thema. In beide bovenstaande gedichten staat centraal het terugdeinzen voor de uitnodiging tot de tafel van ‘brood en wijn’, omdat deze als viering van de herinnering aan Gods aanwezigheid en zijn komende wederkomst (r. 131-132; 139-140) wordt ervaren als overdadig en verblindend. Het zijn momentane, verlammende ervaringen, die de afstand tussen God en mens hebben bevestigd, verhard en versteend.

In Hölderlins elegie worden deze momentane ervaringen beschreven als kenmerkend voor de ‘Gottesferne’ van onze ‘Zeitgeist’, de godloosheid van ons tijdsgewricht. In zijn geschiedfilosofische visie is onze ‘karige tijd’ echter een tussenfase, als een nacht tussen twee dagen. Na de eenheid van mensen- en godenwereld in de Griekse cultuur is een schrale tijd aangebroken, maar de herinnering aan haar glans leeft voort en kan inspireren en oproepen tot een nieuwe tijd, met een terugkeer van goden en een hersteld verband, want ‘Daar vandaan komt en daarheen verwijst de komende  God’ (“Dorther kommt und zurük deutet der kommende Gott.” (r. 54, 71-72). Maar voorlopig, zolang wij in het spoor van de sprekers bij Emily Dickinson en Georg Trakl, terugdeinzen voor ‘brood en wijn’, duurt voor ons ‘harteloze schaduwen’ (r. 153) en ‘gevangen zielen’ (r. 157) de ‘dürftige Zeit’ onverminderd voort.

 

Reageren? Mail naar: jnfm.acampo@gmail.com

 

Joep à Campo, politicoloog en historicus, verbonden aan de Faculteit Historische en Kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij schrijft onder andere over andere schrijvers. Laatste boek: Joep à Campo, Georg Trakl, paradijs en apokalyps Rotterdam 2024. In voorbereiding: Joep à Campo, Emily Dickinson: eindige oneindigheid.

 

 

[1] “Brod ist der Erde Frucht, doch ists vom Lichte geseegnet, / Und vom donnernden Gott kommet die Freude des Weins.” Friedrich Hölderlin, Brod und Wein, VIII, 13-14 (r. 137-138).

[2] Emily Dickinson aan Abiah Root. Januari 1846, Brief 31.

[3] Emily Dickinson aan Otis Phillips Lord, 1878, Brieven 559 en 562.

[4] Gerard Kaiser, ‘Brot und Wein. Epiphanie statt Kommunion‘, in: Hans-Georg Kemper (Hg.), Interpretationen: Gedichte von Georg Trakl, Reclam, Stuttgart: 1999, blz. 142—153.

[5] In Gesang des Abgeschiedenen volgt na de ‘dorniger Wanderschaft’ de ‘Frieden des Mahls‘; het vervolgt: ‘… denn geheiligt ist Brot und Wein / Von Gottes Händen‘ en: ‘Denn strahlender immer erwacht aus schwarzen Minuten des Wahnsinns / Der Duldende an versteinerter Schwelle / Und es umfängt ihn gewaltig die kühle Bläue und die leuchtende Neige des Herbstes …‘

[6] Martin Heidegger, ‘Die Sprache im Gedicht; eine Erörterung von Georg Trakls Gedicht’ (1952), in: Unterwegs zur Sprache, Neske, Stuttgart, 1993, passim.

[7] J. à Campo, Georg Trakl, paradijs en apokalyps. Rotterdam 2024, blz. 16.

‘J’avais toujours raison’
Brood en wijn
Vier weggedeemsterde gedichten van Jorge Luis Borges in...
Wie knoeit is dapper
De metafysica van Moby-Dick
Het spoor dat achterblijft
Ziekte en Engagement
Quinten Weeterings en de Posthistoire
Psychiatrische experimenten
Éric Michaud
‘Het is mijn innerlijk kind’
Brideshead Revisited en het katholicisme
Vagina monetaria dentata. Over onwelvaart van Steve Marryt
Mijn Queer Kruisweg
Cirkels in steen
Betje Wolff springlevend
Maart 1678: De eerste moderne roman?
Rory Stewart, Politics on the Edge: boekbespreking
Kafka und kein Ende möglich
Januari 1677: de laatste première van Racine II
Culturele revolutie in het land van Kafka en...
December 1674: de laatste première van Pierre Corneille
Hommage aan Eileen
Waarom de klassieke tragedie haar publiek niet verveelde
De dood van een soldaat. Verteld door zijn...
Metamorfosen. Voorpubliatie uit het nieuwe boek van Emanuele...
Het kleedje voor Hitler: een boekbespreking
Proefvluchten naar een verdwenen wereld
Het leven van Maynard K.
De blijvende inspiratie van Stefan Zweig. Literatuur als...