Mooie en inzichtelijke expositie in buitenplaats Doornburgh in Maarssen

Jos H. Pouls *

 

Er zijn van die kunstenaars die je je leven lang blijven begeleiden, vaak zonder dat je exact weet waarom. Dan ben je voor even – een paar dagen of weken – intensief met hem of haar doende, lees je veel over de persoon en bekijk je zijn kunstwerken, om hem en zijn werk vervolgens weer voor jaren uit het oog te verliezen. Architect Dom Hans van der Laan (1904-1991) is voor mij zo’n kunstenaar. De fascinatie voor hem begon zo rond 1980 – op het einde van mijn studie – en leidde in 1989 tot een bezoek aan de gemeenschap waarvan hij op dat moment nog deel uitmaakte: de benedictijner abdij Sint Benedictusberg in het Zuid-Limburgse Mamelis. Praten is enkel op een paar momenten van de dag toegestaan, voor het overige heerst daar gebed en arbeid: ora et labora.

Toen ik de abdij bezocht, was Van der Laan al fysiek zwak waardoor actief deelnemen aan de dagelijkse rituelen voor hem niet meer mogelijk was. Ook een gehoopt gesprekje met hem kon daardoor helaas niet doorgaan. Ik zie hem – een ielig mannetje in een grote pij – daar nog stilletjes zitten op het bankje naast het altaar tussen de andere monniken. Twee jaar later stierf Van der Laan zoals dat past bij een benedictijner monnik: in alle stilte. Een benedictijn verblijft immers slechts een vluchtig moment in het ondermaanse en is niet meer dan een nietig stofdeeltje in de onmetelijke schepping.

Recent leidde een bezoek aan de expositie ‘Een huis voor de geest’ in Maarssen wederom tot een verdieping in het werk en de ontwerpfilosofie van Dom Hans van der Laan.

Dom Hans van der Laan

Hans van der Laan werd geboren in Leiden in een familie van architecten. Zijn vader was architect evenals zijn broers Jan en Nico. Van 1923 tot 1926 studeerde hij in Delft architectuur bij M.J. Granpré Molière (1883-1972), die destijds de voortrekker was van de Nederlandse katholieke architecten. Van der Laan hield het in Delft al na enkele jaren voor gezien omdat niet tegemoet werd gekomen aan zijn zoektocht naar wat je ‘de essentie van de architectuur’ zou kunnen noemen. Hij verwachtte meer heil van een religieus leven en werd monnik van de Sint Paulusabdij in Oosterhout. In 1934 werd hij daar tot priester gewijd en ging zich meer en meer bezighouden met liturgische vormgeving en architectuur.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Hans van der Laan geroepen om samen met zijn broer Nico leiding en richting te geven aan de katholieke architectuur van de wederopbouw. In ’s-Hertogenbosch leidde hij de cursus Kerkelijke Architectuur waarin de nadruk lag op het bouwen van kerken. Daaruit ontstond de ‘Bossche School’ met Hans van der Laan als de centrale architect en theoreticus. Anders dan Granpré Molière, die kortstondig ook docent was in Den Bosch en een min of meer historische bouwkunst voorstond, lag bij Dom Hans van der Laan al snel de nadruk op datgene wat de basis van alle bouwkunst was: goede, menselijke maatverhoudingen. Hij vermeed historische referenties en gebruikte ook moderne bouwmaterialen zoals beton. Rondbogen en ronde vormen meed hij. Zijn ideaal was een architectuur die zichzelf wegcijfert, bijna ontkent. Over het modernisme in de architectuur heeft Van der Laan zich nauwelijks uitgelaten, geheel anders dan zijn leermeester Granpré Molière, die niets moest hebben van de ‘onmenselijke en immorele industriële samenleving’ en diens architectonische vormentaal: het Functionalisme. Granpré wilde de premoderne, katholieke gemeenschap van vroegere eeuwen herstellen en bepleitte daarom de toepassing van traditionele vormen en ambachtelijke technieken en materialen.

Van der Laan zag het echter anders: goede architectuur was geen product van een katholieke overtuiging, stond zelfs geheel los van religie. In zijn ogen was ‘rooms bouwen net zo gek als rooms koken.’

Tussen 1957 en 1961 bouwde Hans van der Laan in Mamelis een nieuwe kerk annex kloosterverblijf; het werd de belangrijkste opdracht van zijn leven. Enkele jaren later – in 1968 – verhuisde hij zelf van Oosterhout naar Zuid-Limburg om in 1975 zijn tweede abdij te realiseren in het Vlaamse Waasmunster. Hij overleed in 1991 in Mamelis, 87 jaar oud.

‘Het huis biedt ons een ruimte die past bij onze ervaring, een vorm die past bij onze beleving en een maat die we kunnen begrijpen.’ (Dom Hans van der Laan)

De geest van stabilitas loci

Conform de streng-contemplatieve geest van de benedictijnen werd het leven van Hans van der Laan bepaald door concentratie, rust en ingetogenheid. Elke dag waren er dezelfde rituelen op vaste momenten. Voor hem als monnik lag dat ritme al eeuwen vast. In de abdijen van Oosterhout en Mamelis heerste de geest van de stabilitas loci die wars is van de alledaagse sensaties en gebeurtenissen. Voor de onrustige, hedendaagse mens lijkt dit bijna onbestaanbaar en is deze geesteshouding een ware verademing. Het bleek de goede omgeving voor de architect-monnik om zijn visie op tijdloze schoonheid te ontwikkelen en verwoorden. Hoe anders dan de hedendaagse architectuurpraktijk waarin het vooral lijkt te gaan om het produceren van spectaculaire, technisch gewaagde architectuur of juist om het plichtmatig invullen van vierkante meters. Reizen heeft Van der Laan ook nauwelijks gedaan noch congressen bezocht. Uiteindelijk kwam de ‘architectuur’ ook voor hem op de tweede plaats, voorop stond het vervullen van de religieuze plichten. Toch valt aan te nemen dat hij ongetwijfeld tijdens het bidden daarover wel eens nagedacht zal hebben.

De kernopgave van de architectuur: het scheppen van een menselijke habitat

In het klooster kon hij zich dus wijden aan de vraag wat bouwkunst in wezen is, los van alle historische stijlen en detaillering, (inter)nationale trends en individuele expressie. Waarlijk een moeilijke vraag! Decennialang concentreerde Van der Laan zich op deze ene kwestie, zijn gedachten toetsend aan de mening van zijn broer Nico en in interactie met de studenten  van de Bossche opleiding. Hij las veel (met name Vitruvius’ De re architectura en ook H.P. Berlage’s Schoonheid in samenleving), bestudeerde architectuurontwerpen en – incidenteel – mat zelf de dimensies van ‘goede architectuur’ op. Bouwen in de praktijk deed hij daarentegen maar weinig; zijn hele oeuvre omvat slecht een handvol gebouwen.

Uiteindelijk was dit zijn antwoord: ‘De ruimte van de natuur [bomen, struiken etc] heeft drie aspecten, waar wij geen raad mee weten: ze is onbegrensd, ze is zonder vorm en ze is onmetelijk. Architectuur is niets anders dan hetgeen aan die ruimte toegevoegd moet worden om ze bewoonbaar, zichtbaar en meetbaar te maken.’ Bij ‘bouwen’ gaat het om het ontwerpen van ruimtes op een manier dat de mens zich daarin als vanzelf thuis voelt en zich daardoor in alle rust kan kwijten van zijn normale taken. Omdat onze ogen naast en niet boven elkaar staan, is onze waarneming horizontaal georiënteerd, aldus Van der Laan. Architectuur is eigenlijk niets anders dan het toevoegen van verticale wanden aan de horizontale aarde.

Essentieel is dat een architect de ruimte voor de mens ‘leesbaar’ en ‘kenbaar’ maakt want alleen dan kan die zich thuis voelen in die ruimte, wordt die ruimte zijn natuurlijke habitat. Deze uitgangspunten gelden voor de woonkamer, het complete huis en de verdere ruimte eromheen. De actieradius van deze ruimtes wordt respectievelijk bepaald door handen, voeten en gezichtsveld. Steeds is bij de benedictijn de menselijke maat het uitgangspunt.

Van der Laan:

‘Het gaat in de architectuur daarom, dat wij de delen waaruit een gebouw bestaat met elkaar in betrekking brengen. Zowel de kleinste vorm, met de kleinste maten, een blok steen, dat wordt de dikte van een muur of de breedte van een kolom. Dat we die in relatie weten te brengen met het gebouw als geheel. En dan nog het gebouw als geheel in relatie tot de natuur. Dan is de cyclus volbracht.’

Die maatverhouding komt primair naar voren indien de mens er zich in beweegt en de architectuur letterlijk ondergaat.

De kerk als woning

Ook een kerk was voor Dom Hans van der Laan een menselijke woning voor God, dus niet een sacraal goddelijk gebouw waarvoor abnormale criteria gelden. Zijn kloosterkerken van Mamelis en Waasmunster staan mijlenver af van beroemde kerken uit de kunstgeschiedenis zoals de Notre Dame van Parijs of de Sint-Pieter in Rome. Tot 1973 hield Van der Laan zich op de Bossche cursus met zijn studenten bezig met die ene vraag van de ruimtelijke dispositie. Dat is ook hetgeen zijn architectuur zo tijdloos en inmiddels over de hele wereld beroemd heeft gemaakt. Hij ontwikkelde geleidelijk een compositie-opvatting die zich middels experimenten en studie van andere maatstelsels (met name Vitruvius’ systeem) uitkristalliseerde tot een echte compositieleer: ‘het plastisch getal’, een naam die in 1960 door hem werd geijkt (Le nombre plastique). Het zijn de driedimensionale verhoudingen, die bij bouwen het belangrijkste zijn. De architect-monnik schreef er enkele moeilijke studies over. Je zou kunnen zeggen: echte benedictijnse leerboeken: sober, streng en ’kaal’ qua taalgebruik. Dom van der Laan is daarmee één van de weinige architecten in de geschiedenis met een complete en samenhangende leer.

Het systeem van het plastisch getal is overigens geen keurslijf want volgens die theorie maakt het niet zo veel uit of een bepaalde maat een beetje groter of kleiner is. Pas wanneer de afwijking zo groot wordt dat dit verschil waarneembaar wordt, zal het in de praktijk als hinderlijk kunnen worden ervaren en de beoogde samenhang van architectonische vormen in gevaar brengen. Van der Laan spreekt daarom van ‘types van grootte’. Zijn proef met kiezelstenen, variërend van grootte en gerangschikt in groepen van op het oog min of meer dezelfde grootte, maakt dit inzichtelijk. Ook als de maat van een van de stenen enigszins afwijkt, dan zal deze binnen het stelsel toch begrepen worden als van gelijke grootte. ‘Groottes’ zijn kortom geen vaste, meetkundige getallen.

Tentoonstelling Een huis voor de geest

In de voormalige priorij van de Reguliere Kanunnikessen van het Heilig Graf in Maarssen – sinds 2016 Buitenplaats Doornburgh – loopt momenteel een tentoonstelling die de theorie van Dom Hans van der Laan inzichtelijk maakt: Een huis voor de geest. De expositie werd deels overgenomen van het Vlaams Architectuurinstituut in Antwerpen waar die vorig jaar was te zien, en bevat diverse originele maquettes en tekeningen van de hand van Van der Laan. Nieuw in Maarssen zijn vooral de documenten en objecten van de hand van Jan de Jong (1917-2001), de belangrijkste leerling van Van der Laan. Ze illustreren op overtuigende en directe wijze de visie van de monnik-architect op maten en verhoudingen. Bezoekers kunnen in Maarssen zelf aan de slag en worden uitgenodigd om in enkele studiolo’s ontwerpen te maken volgens de theorie van het plastisch getal. Er staat onder meer een tafel met kiezelstenen die de bezoeker zelf mag sorteren in groepen. Bijna als vanzelf kom je uit bij de zeven groepen die Van der Laan ook maakte. De tentoonstelling omvat verder meubilair en kleding van de hand van Jan de Jong, wiens omvangrijke, voornamelijk Brabantse oeuvre doordrenkt is met de visie van de benedictijn. De priorij in Maarssen is een ontwerp van zijn hand in samenwerking met Hans van der Laan. Een betere plek voor de tentoonstelling is daardoor bijna niet mogelijk. Een bezoeker loopt in ruimtes die je maximaal de mogelijkheid bieden om het plastisch getal zelf te ervaren. De hoogtes en diktes van de pijlers en pijleropeningen: alles zie je, onderga je en beleef je. Zo kun je bijna als vanzelf vaststellen dat de breedte van de pijler een belangrijk aandachtspunt is geweest: is het wel een ‘pijler’ of toch een deel van de muur? Dat soort vragen dringen zich bij een bezoek als vanzelf op.

Slot

Op wat afstand van de tentoonstelling kun je je natuurlijk afvragen of Van der Laan gelijk had met zijn ideaal van het plastisch getal en of hij misschien nog veel meer erkenning had moeten krijgen. Maar toch: wat als de hele wereld volgens het plastisch getal was geordend? En: had het plastisch getal wel gepast bij elke architectonische opgave, zeker die in de huidige wereld? Was die wereld dan misschien niet oersaai geworden?

Ik kom tot slot nog één keer terug op mijn verblijf in 1989 in de abdij van Mamelis. Ook toen waren het uren van intense waarneming en ruimtelijke ervaring. Van der Laans architectuur is inderdaad diep contemplatief en evenwichtig.  Als je in de verstilde en afgewogen ruimtes van de abdij niet tot diepe rust komt, dan lukt je dat waarschijnlijk nergens. Maar toch blijft één vraag recht overeind: hoe menselijk zijn deze ruimtes eigenlijk? Het antwoord kreeg ik bijna toevallig bij het afscheid van het klooster. Een gesprek met Van der Laan zat er dus niet in, maar wel met enkele andere monialen. Toen we buiten stonden voor de ingangsdeur, vertelde één van de broeders dat Van der Laan het verboden had om kleurrijke bloemen te planten in de abdijtuin. Dat zou de samenhang en rust van het systeem aantasten. Ik nam die woorden op dat moment voor kennisgeving aan en nam vervolgens vriendelijk en dankbaar afscheid. Echter ze zijn me altijd bijgebleven en gingen in de loop van de jaren alleen maar luider klinken in mijn hoofd. In zekere zin waren ze het begin van mijn persoonlijke demasqué van de monnik-architect. Hoe haalde hij het toch in zijn hoofd om bloemen te verbieden?! Wat blijft er over indien onze menselijke habitat wordt ontdaan van de oneindige en vreugdenrijke kleurenpracht van de natuurlijke schepping?

Anno 2019 zijn in Mamelis nog steeds geen bloemen te zien. In de priorij van Doornburgh is dit overigens wel het geval. De kloostertuin daar is één wuivend en weelderig veld van blauwe, gele en rode bloemen. Gelukkig!

>Nog te zien tot 1 september. Meer info vind je hier

Kloostertuin van de voormalige priorij in Maarssen

Expositie ‘Het huis voor de geest’, in de voormalige priorij te Maarssen

Het interieur van de abdijkerk Mamelis

Noot van de redactie: deze bijdrage werd op verzoek van de auteur uitsluitend op onze website gepubliceerd.