Filip de Pillecyn als links-progressieve journalist

In het voorjaar van 2024 werd de novelle Monsieur Hawarden van de Vlaamse schrijver Filip de Pillecyn (1891-1962) opnieuw uitgegeven. Daarin vertelt hij het verhaal van een Franse vrouw die zich in de Oostkantons vestigt om daar als man door het leven te gaan. Tom Lanoye schreef het voorwoord voor de heruitgave; een diepgravend historisch onderzoek van Annick Lesage naar de biografie van het personage op wiens leven het boek gebaseerd is, vormde het nawoord.

Lange tijd was het stil rond de figuur van De Pillecyn. Tot aan de jaren zeventig van de vorige eeuw gold hij als één van de belangrijkste auteurs uit het Vlaanderen van het interbellum. In 1931 was hij doorgebroken met de roman Blauwbaard, vier jaar later kreeg hij voor Hans van Malmedy de prijs voor letterkunde van de Provincie Antwerpen, in hetzelfde jaar had hij ophef gemaakt met de novelle Monsieur Hawarden, die in 1969 door Harry Kümel zou worden verfilmd. In 1939 verscheen zijn historische roman De Soldaat Johan. Wegens zijn oorlogsverleden was de ooit gevierde schrijver – zijn collega Gerard Walschap had hem zelfs de ‘Prins der Nederlandse letteren’ genoemd – de laatste decennia echter als een te controversiële figuur weggezet en min of meer doodgezwegen.

 

Erfenis van twee oorlogen

Reeds als student te Leuven was De Pillecyn een gedreven Vlaams-nationalist. In 1915 werd hij vrijwilliger bij het Belgische leger. Aan het IJzerfront speelde hij een belangrijke rol in de zogenaamde Frontbeweging, die opkwam voor de rechten van de Vlaamse soldaten in dat Belgische leger. Na het einde van de oorlog ijverde hij voor de oprichting van Vlaamse studentenverenigingen en organiseerde hij, als medeoprichter van de Vlaamse Oud-strijders (VOS), de eerste IJzerbedevaarten. Zijn flamingantisme zou tijdens de Eerste Wereldoorlog en in het interbellum gaandeweg radicaliseren.

Na de Duitse inval in 1940 werd hij lid van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) en van de DeVlag (De Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft). In oktober 1940 trad hij toe tot de Vlaamse Cultuurraad waarvan hij al vrij vlug samen met Jef Van de Wiele, DeVlag-voorman en hoofdredacteur van het gelijknamige tijdschrift, de leiding nam. Einde 1942 komt er wel een breuk tussen beide figuren en neemt De Pillecyn gas terug. Een jaar eerder, in mei 1941, was hij benoemd tot directeur-generaal voor het middelbaar onderwijs. Drie jaar later, bij de bevrijding van België in september 1944, werd hij afgezet als ambtenaar en belandde hij in de cel op beschuldiging van collaboratie. Op 17 maart 1947 verscheen hij voor de krijgsraad in Brussel. Hem werd ‘een rijke culturele bedrijvigheid’ tijdens de bezetting ten laste gelegd, wat leidde tot een veroordeling van tien jaar gevangenis. Zelf is de Pillecyn zich blijven zien als een slachtoffer van een onrechtvaardige repressie door de Belgische staat.

 

Fascist?

Lange tijd na de oorlog bleef De Pillecyn echter erkend als een gewaardeerd auteur en werd hij – zeker door het gros van de Vlaamse Beweging – als een martelaar van de repressie en de epuratie beschouwd. Heel wat historisch onderzoek bevestigde en versterkte zelfs die beeldvorming. In 1978 verscheen het boek van Raymond Derine, Repressie zonder maat of einde? Terugblik op collaboratie, repressie en amnestiestrijd. Daarin had Derine aangetoond dat de repressie in een aantal gevallen onrechtvaardig streng was geweest.[1] De laatste decennia, mede door nieuw onderzoek van historici, kreeg dat beeld echter een knauw.

In 1982 presenteerde BRT-journalist Maurice de Wilde zijn eerste uitzending over het collaboratieverleden in België en Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog: De Nieuwe Orde. Ook de volgende reeksen, onder meer over de Oostfronters en de repressie, deden in de jaren 1980 en 1990 heel wat stof opwaaien. Met behulp van uittreksels uit het Staatsblad toonden sociologen Luc Huyse en Steven Dhondt in Onverwerkt verleden uit 1991 aan dat Vlaamse collaborateurs niet zwaarder hadden moeten boeten dan Franstalige Belgen. Wel stonden Huyse en Dhondt uitgebreid stil bij de fouten die politiek en justitie bij de bestraffing van die collaborateurs hadden gemaakt. De repressie, zo betoogden zij, was in de eerste maanden na de bevrijding wel degelijk ontspoord.[2]

Zeker na de eeuwwende bepleitte een nieuwe generatie historici wat zij omschrijft als een onbevooroordeeld en objectief gebruik van het woord repressie. Sterk connotatieve termen als de ‘foute Vlaming’, de ‘heldhaftige Waal’ of de ‘brave Belg’ werden als onwetenschappelijk geweerd. De klemtoon lag nu eerder op de legitimiteit van de repressie en de illegitimiteit van de collaboratie. In 2014 publiceerde Koen Aerts zijn doctoraat onder dezelfde titel als die van Derine, Repressie zonder maat of einde? Maar de ondertitel, De juridische integratie van collaborateurs in de Belgische staat na de Tweede Wereldoorlog, gaf de nieuwe teneur aan.[3]

Aerts onderscheidde drie fasen in de benadering van repressie en collaboratie: 1) klaagcultuur tussen 1944 en circa 1980; 2) traumacultuur tussen 1980 en 2000; 3) een historiserende cultuur vanaf 2000. Een heldere en verhelderende status quaestionis omtrent dit thema biedt de bundel Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België 1942-1952. Een update dertig jaar later uit 2020, een in hun eigen woorden ‘verbeterde editie’ van Onverwerkt verleden uit 1991 van Huyse en Dhondt. Daarin werden nieuwe bijdragen opgenomen van de historici Koen Aerts, Bruno de Wever en Pieter Lagrou.[4]

In de nasleep van die historiografische evolutie taande dus ook de ster van De Pillecyn. Teksten uit de late jaren dertig en begin jaren veertig van zijn hand werden gefileerd waaruit bleek dat hij niet alleen een Vlaams-nationalist was, maar tevens een aanhanger van het nationaalsocialisme.[5] Over Goebbels schreef hij bijvoorbeeld dat hij een merkwaardige spreker was,

waarvan de levendige, buitengewoon doordringende ogen, als in innige samenhang met zijn woorden, de toehoorders boeien. Hij sprak ons over de dienende taak van de kunstenaar in de volksgemeenschap. Zijn woord is helder en zijn betoog overtuigend. Duitsland wil, door het tonen van wat het schept en niet door redeneringen de wereld overtuigen van de hoge culturele zending die de leiders van het Duitse volk op zich hebben genomen.[6]

Hij stond mede aan de wieg van de Europaïsche Schriftsteller-Vereinigung (ESV), eigenlijk een geesteskind van Goebbels, dat als nationaalsocialistisch tegenwicht moest fungeren voor de internationaal georiënteerde PEN-club. De culturele radicalisering zette zich door. ‘De Pillecyns artikelen voor Het Laatste Nieuws verbruinen. Een gezonde Germaanse cultuur stoelt op bloed en bodem.’[7] Vanuit zijn afkeer voor het bolsjewisme stelde hij twee menstypes tegenover elkaar: het Russische en het Germaanse type.

Onlangs schreef de Vlaamse auteur en Klara-journaliste Heleen de Bruyne een recensie over de nieuwe uitgave van Monsieur Hawarden. Haar uitgangspunt is helemaal in de lijn van de geschetste evolutie in de evaluatie van De Pillecyn: ‘Ik besluit deze novelle te lezen als een lakmoesproef voor het schrijverschap van De Pillecyn. Als deze fascist (mijn cursivering, GV) erin slaagt om zichzelf te vergeten en mij te doen meeleven met een verhaal over een sigaren rokende, als man verklede vrouw, dan móét hij wel een groot auteur zijn.’[8]

 

Links-progressief

Was de Pillecyn een fascist? En is daarmee alles gezegd? Einde 2024 verscheen het boek De dwarsligger. Filip De Pillecyn in Pallieter 1922-1928.[9] Voor dit boek selecteerde de bekende journalist en opiniemaker Rik van Cauwelaert de meest interessante teksten die De Pillecyn in de jaren 1920 voor het satirische weekblad Pallieter had geschreven Van Cauwelaert zorgde eveneens voor de noodzakelijke duiding bij personen en gebeurtenissen die in de teksten van De Pillecyn aan bod komen en schreef een objectieve, informatieve inleiding. Emmanuel Waegemans, voorzitter van het Filip de Pillecyn Comité en emeritus hoogleraar Slavistiek, bezorgde een ten geleide.

Uit deze teksten komt De Pillecyn naar voren als een journalist die we vandaag als links-progressief zouden omschrijven. Waegemans die in 2021 het boek Filip De Pillecyn als journalist tijdens de Tweede Wereldoorlog publiceerde, wijst in zijn woord vooraf op het enorme contrast tussen de artikels uit de jaren twintig en de latere artikels: ‘Terwijl De Pillecyn nu bekendstaat als rechtse figuur, bieden zijn bijdragen in Pallieter een totaal ander beeld – dat van een progressieve intellectueel, met diepe belangstelling voor de Vlaamse zaak en een grondige afkeer van oorlog, uitbuiting, onderdrukking en geweld.’[10]

De Pillecyn profileerde zich in zijn satirische artikels op een drievoudige manier: als antikolonialist, als antimilitarist en, ja, als antifascist. Wie een eeuw geleden aanklachten wilde lezen tegen het Belgische koloniale beleid in Congo, vond zelden zijn gading bij de landelijke bladen; daarvoor diende je de editorialen van De Pillecyn in Pallieter te lezen. Op 20 februari 1927 schrijft hij een aangrijpende en scherpe bijdrage over het lot van Simon Kimbangu, die het aangedurfd had de aanwezigheid van de Belgen in Congo te bekritiseren en daarvoor in de gevangenis belandde:

Je hebt een sympathieke smoel, Kimbangu, hoofd der Kongolese nationalisten, maar je hebt geen dankbaar hart. Je snoet is immers zwart, en dankbaarheid is een blanke deugd. Dankbaarheid is de deugd van België, dat de graven zijner gesneuvelde verdedigers schendt, dat hun weduwen en wezen van honger laat vergaan. […] En jij, Kimbangu, bent niet dankbaar. België stort de overvloed zijner beschaving over Kongo uit, in de vorm van jenever, officieren, vuurwapenen en moderne vormen van ontucht: begrijp je dan niet hoe groot een weldaad het is zo spoedig op de hoogte gebracht te worden van de West-Europese beschaving?[11]

Zoals het gros van de soldaten die aan het IJzerfront hadden gevochten was De Pillecyn een overtuigde antimilitarist. Op 1 oktober 1927 schrijft hij over maarschalk en held van de slag bij Verdun, Philippe Pétain:

Er zijn van die namen die een fysieke gewaarwording teweegbrengen. Eerlijke namen zijn dat doorgaans niet. Van die namen waarbij men voelt of riekt of pijn heeft. En Pétain heeft er zo een. Als ik die naam hoor, als ik hem lees (wat hetzelfde is) dan is er ergens een knal in de buurt en ‘t is mij alsof ik rondom mij moet kijken of er geen bloedplas ligt. […] Pétain is generaal, dubbel en driedubbel. En de onrust van de vrede ligt te gisten in hem. Hij is een man van de oorlog en hij vindt dat de ader van de volkeren ‘te nauw spant voor het bruisende bloed’ zoals men in België zingt in een lied waarvoor de hoeden worden afgeklopt. Pétain heeft gesproken. Op een kerkhof, natuurlijk. Waar zou een generaal anders spreken?[12]

In de jaren dat De Pillecyn dit schreef, werd Pétain geëerd als een oorlogsheld. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou hij zich ‘verbranden’ als collaborerend hoofd van het Franse Vichy-regime.

Benito Mussolini was na de mars op Rome in oktober 1922 aan de macht gekomen. Op 23 september 1923 schreef De Pillecyn over hem:

Mussolini is de schitterende illustratie dat de oorlog niets heeft veranderd bij hen die de oorlog commanderen. […] Heel die rotte politiek van voor de oorlog staat krachtiger dan ooit op: de oude methode heeft na de ‘laatste der oorlogen’ veel gevaarlijker trawanten gevonden dan voor 1914. En de gevaarlijkste is Mussolini. De nationale waanzin is bij hem verdubbeld door de waanzin van zijn fortuinlijk avonturiersleven.[13]

Mussolini maakte van Italië een fascistische staat. Hij was er de onbetwiste leider van. De Pillecyn verafschuwde hem.

 

Van links naar rechts

Hoe is die ommezwaai te verklaren van de links-progressieve intellectueel die hij in de jaren twintig was tot de verdediger van het nationaalsocialisme twee decennia later? In zijn  genuanceerde inleiding wijst Van Cauwelaert erop dat de afkeer van De Pillecyn voor het parlementarisme na de Eerste Wereldoorlog gaandeweg toenam. Niet alleen hekelde hij de incompetentie van een aantal parlementsleden, hij ergerde zich vooral aan hun lauwe reacties, wanneer de in zijn ogen gerechtvaardigde Vlaamse eisen niet werden ingewilligd en het gros van de parlementariërs daarop tactisch of helemaal niet reageerden.

Daarenboven had de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht gezorgd voor een versplintering van het partijlandschap, met de opkomst van de twee extremen als gevolg die we ook vandaag kennen: extreemlinkse en extreemrechtse partijen. ‘In zijn toenemende afkeer van het politieke vertoon ligt de kiem van het politieke drama waarin De Pillecyn later zou verzeilen en die hem na de Tweede Wereldoorlog ‘face au mur’ bracht.’[14] Het explosieve mengsel van een rabiaat antiparlementarisme en ontgoocheling over het uitblijven van de door de koning gemaakte beloften aan de Vlamingen dreef hem uiteindelijk in de armen van het VNV en de DeVlag.

Van Cauwelaert refereert in zijn inleiding aan het oordeel van een journalist in La Libre Belgique over Pallieter: ‘het heeft dit bepaald soort katholiciteit dat met het christendom niets gemeen heeft; het haat zoals alleen een katholieke conservatief kan haten en spreekt achterklap met devotie.’[15] Soms ging De Pillecyn inderdaad woest en onbesuisd tekeer. Eén keer leverde zijn niet gecontroleerde woede hem zelfs een veroordeling en boete wegens smaad op. Waren het die woede en ergernis die hem uiteindelijk voor de rechter zouden brengen?

 

Besluit

De Pillecyn was een gedreven, geëngageerde dwarsligger. Zijn door het ideaal van Vlaamse gelijkberechtiging geïnspireerde engagement was aanvankelijk heel plausibel en zelfs bewonderenswaardig. Hij stoorde zich aan de maatschappelijke ongelijkheid tussen Vlamingen en Walen, nam de Belgische kolonisatie op de korrel, verzette zich tegen elke vorm van militarisme, had een hekel aan het opkomend fascisme in Italië. Maar allereerst was hij dus flamingant en extreem gevoelig voor de onrechtvaardige toestanden die hij aan het front had meegemaakt. Door dat flamingantische standpunt te verabsoluteren, kwam hij tot gevaarlijke conclusies.

Zijn streven naar rechtvaardigheid kreeg gaandeweg iets zelfgenoegzaams. Omdat telkens opnieuw allerlei obstakels werden opgeworpen die zijn zoektocht naar wegen tot Vlaamse gelijkberechtiging bleven versperren, belandde hij tenslotte in de fuik van het eigen gelijk: ‘ik heb alleen maar gedaan wat rechtvaardig was’. Dat was ongetwijfeld een vorm van zelfoverschatting en verblinding, die je zo vaak aantreft bij wereldverbeteraars en die haaks stonden op De Pillecyns oorspronkelijke idealen.

Die evolutie werd nog in de hand gewerkt door zijn eenzijdige interpretatie van het flamingantisch standpunt. In vergelijking met zijn visie op de rol van de Vlaamse Beweging was de opvatting van zijn wat oudere generatiegenoot en flamingant August Vermeylen (1872-1945) veel breder. In zijn ‘Kritiek der Vlaamsche beweging’ had Vermeylen, die later de eerste rector van de vernederlandste Gentse universiteit zou worden, een beroep gedaan op het individuele geweten. In de uitbouw van een taalbeweging naar een sociale beweging, was er allereerst behoefte aan ‘zelfbewuste mensen met een zelfstandig geweten’. De opdracht van de Vlaamse beweging was net het stimuleren van die morele gevoeligheid.

Het was niet omdat je Vlaming bent, zo schreef Vermeylen in 1896, dat je gerespecteerd moest worden, het was omdat je geacht werd ieder mens in haar of zijn morele integriteit te erkennen dat elke Vlaming recht had op respect. Zonder een individuele morele identiteit was identiteitspolitiek volgens hem een hoogst gevaarlijk spel:

Zal doorgaans de flamingant het militarisme zelf aanvallen? Hij verlangt eerst dat de commando’s in het Vlaams klinken. Verkrijgt hij dat, dadelijk wordt het leger een heilig iets. Zo verdedigt men alle staatsinstellingen, die de ontwikkeling van het volk belemmeren, als in die instellingen het Vlaamse taalrecht maar geëerbiedigd wordt. Wie ‘Vlaming boven al’ is bespreekt eindelijk niet meer of een instelling goed of slecht is: zij moet vervlaamst worden, verder gaat hij niet.[16]

Ook in 2024 verscheen een biografie over August Vermeylen onder de titel, Stil verzet. De oorlogsjaren van August Vermeylen 1939-1945.[17] Vermeylens gevoeligheid voor de rol van een ‘zelfstandig geweten’ had hem behoed voor elke vorm van collaboratie met een regime dat hij om ethische redenen verafschuwde. Van de Duitsers kreeg hij tijdens de Tweede Wereldoorlog het verbod om nog enige openbare functie uit te oefenen. De Pillecyn was onder de bezetting benoemd tot directeur-generaal voor het middelbaar onderwijs.

Kun je hem daarom een fascist noemen? Of is dat niet veeleer een onbarmhartige reductie? ‘Een fanatieke Hitlerklant, dolle antisemiet of moderne heiden is de schrijver van De soldaat Johan nooit geweest’, schreef literatuurwetenschaper Kris Humbeeck in Zacht Lawijd.[18] Kurt De Boodt is harder in zijn oordeel:

Over de graad van fanatisme valt te discussiëren. […] Laten we ons niet suf staren op de eis (?) van Vlaamse soevereiniteit waar het onmiskenbaar gaat om propaganda voor het nazisme en het ondersteunen van een Rijk dat grenzen van de kaart veegt en bevolkingen ‘zuivert’. Of dekt ‘De Vlaamse Leeuw’ zo’n lading (toe)? Niet in mijn naam.[19]

Het is een goede zaak dat nieuw historisch onderzoek de beeldvorming rond collaboratie en repressie heeft veranderd. Er is geen enkele behoefte aan het toedekken van in het verleden gemaakte fouten. Maar evenmin is er behoefte aan het eenzijdig uitvergroten ervan. De fout die De Pillecyn maakte door het nationaalsocialistisch regime cultureel te steunen om zijn flamingantische idealen te verwezenlijken kun je vergelijken met de steun aan marxistische regimes onder Stalin en Mao door talloze intellectuelen in de jaren vijftig en zestig. Alleen hadden die laatsten het geluk dat de Sovjet-Unie noch China op ons grondgebied een oorlog uitvochten. Ook bij hen leidde adoratie voor communistische idealen tot blindheid voor de gruwelijke misdaden die onder communistische vlag werden gepleegd. Alleen werden ze niet op Belgisch grondgebied gepleegd en waren de gevolgen minder tastbaar. Zo heeft Maxime Van Steen er terecht op gewezen dat ‘De Pillecyns handtekening als directeur-generaal op de segregatiedocumenten voor het middelbaar onderwijs […] het Duitse bewind toeliet om Joodse leerlingen te identificeren, te arresteren en op transport te zetten, met als einddoel: de gaskamer.’[20] Soms kunnen woorden wapens worden.

Door de geëngageerde teksten van De Pillecyn tijdens de jaren twintig opnieuw uit te geven, wordt echter niets vergoelijkt van wat er later is gebeurd, integendeel. Wel krijgen we een meer genuanceerd beeld van de gelaagdheid van de persoon die De Pillecyn was. Vaak is gewezen op de spanning tussen de melancholische romantiek en sociale strijdbaarheid in zijn persoonlijkheid en in heel zijn literair oeuvre. Diezelfde spanning  geldt ook voor zijn politieke opvattingen.

Hij was een man die, aanvankelijk door een authentiek idealisme en rechtvaardigheidsgevoel bezield, uiteindelijk foute keuzes maakte. Cijfermateriaal heeft aangetoond dat collaborerende Vlamingen niet zwaarder zijn gestraft dan andere collaborateurs. Maar cijfers zeggen niet alles. Het blijft interessant te grasduinen in de reflecties van tijdgenoten. De bekende theoloog en wetenschapsfilosoof Max Wildiers (1904-1996), zelf helemaal niet nazi-gezind maar wel getroffen door repressie en epuratie in zijn familie en vriendenkring, formuleerde het vaak ambigue lot van culturele collaborateurs als volgt:

U hebt het terecht gezegd, dat er heel veel wrok was bij de bevolking over de gebeurtenissen die zich tijdens de oorlog hebben voorgedaan, maar laten we niet vergeten dat er ook in kringen van de Vlamingen heel wat wrok aanwezig was omwille van de toestanden die vóór de oorlog bestonden. En indien vóór de oorlog meer rechtvaardige toestanden hadden bestaan zou er van heel de politieke kollaboratie hoogstwaarschijnlijk niets terecht zijn gekomen. […] Ik heb getracht iedereen te helpen, eenvoudige mensen en intellektuelen en ontwikkelden, overal waar de mogelijkheid zich voordeed. Ik heb Felix Timmermans bezocht toen hij huisarrest had en een gendarm voor de deur van zijn kamer stond in zijn eigen huis. Verder nog Ernest Claes en Jan Grauls en vele andere goede vrienden, ook Filip de Pillecijn, mensen waarvoor ik de grootste waardering heb en in ieder geval een veel grotere waardering dan voor hun rechters.[21]

Daarenboven was de scheidingslijn tussen etnisch en civiel nationalisme bij deze culturele collaborateurs niet altijd even duidelijk. Enerzijds wezen zij uitdrukkelijk racisme en xenofobie af. Anderzijds deelden zij een gevoeligheid voor wat zowel etnische al civiele Vlaamse nationalisten omschreven als ‘het jammerlijke falen van opvoeding en onderwijs om de eigen culturele traditie te bewaren en door te geven.’ Doorgaans hanteerden zij het concept ‘ras’ niet zozeer biologisch als wel cultureel. Dat gold ook voor De Pillecyn, al dreigde hij, naarmate zijn frustratie en verbittering toenamen,  het onderscheid tussen beide uit het oog te verliezen.

Hem vandaag afserveren als niet meer dan een ordinaire fascist doet afbreuk aan die gelaagdheid.[22] Wie dat doen, in naam van de idealen van verdraagzaamheid en empathie en strijdend tegen het verspreiden van ‘fake news’, miskennen echter de complexiteit van de geschiedenis. Zij bezondigen zich aan hetzelfde euvel dat ze uitgerekend aan de vorige generaties terecht verwijten.

 

[1] Raymond Derine, Repressie zonder maat of einde. Davidsfonds, Leuven, 1978.

[2] Luc Huyse, Steven Dhondt e.a., Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België, 1942-1952, Kritak, Leuven, 1991.

[3] Koen Aerts, Repressie zonder maat of einde? De juridische reïntegratie van collaborateurs in de Belgische staat na de Tweede Wereldoorlog. Academia Press, Gent, 2014.

[4] Luc Huyse, Koen Aerts, Bruno De Wever, Steven Dhondt, Pieter Lagrou, Onverwerkt verleden : een update na dertig jaar. Kritak, Leuven, 2020.

[5] Kurt De Boodt, ‘Lijden voor een idee: het Germaanse gedachtegoed van Filip De Pillecyn’, Ons Erfdeel, 2019, 62 (4), blz.36-49.

[6] Geciteerd in Kurt De Boodt, ‘Lijden voor een idee’, blz. 42.

[7] Kurt De Boodt, ‘Lijden voor een idee’, blz. 45.

[8] https://www.de-lage-landen.com/article/wie-is-de-echte-monsieur-hawarden/

[9] Rik Van Cauwelaert (red.), De dwarsligger. Filip De Pillecyn in Pallieter 1922-1928. Manteau/Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2024.

[10] Rik Van Cauwelaert (red.), De dwarsligger, blz.10.

[11] Rik Van Cauwelaert (red.), De dwarsligger, blz. 290.

[12] Rik Van Cauwelaert (red.), De dwarsligger, blz. 310.

[13] Rik Van Cauwelaert (red.), De dwarsligger, blz. 135.

[14] Rik Van Cauwelaert (red.), De dwarsligger, blz. 24.

[15] Rik Van Cauwelaert (red.), De dwarsligger, blz. 21.

[16] August Vermeylen, ‘Kritiek der Vlaamse Beweging’. In Hans Vandevoorde, Hoe Vlaming te zijn? Zes teksten van August Vermeylen / Jozef Deleu. Polis, Antwerpen, 2017, blz. 69.

[17] Hans Vandevoorde, Stil verzet. De oorlogsjaren van August Vermeylen 1939-1945. Lannoo, Tielt, 2024.

[18] Geciteerd in Kurt De Boodt, ‘Lijden voor een idee’, blz. 47. Humbeeck, die ondubbelzinnig de collaboratie van De Pillecyn veroordeelt, houdt wel een interessant pleidooi om hem in het Pantheon van de Nederlandse literatuur op te nemen: zie https://deburen.eu/magazine/het-literaire-pleidooi-de-pillecyn-getuigenis.

[19] Kurt De Boodt, “Lijden voor een idee’, blz. 47.

[20] Zie Maxime van Steen, “Tegen de (blinde) muur”. https://www.dereactor.org/teksten/tegen-de-muur-filip-de-pillecyn.

[21] Ten huize van. Joost Florquin in gesprek met Max Wildiers. Davidsfonds, 1971, 333-334.

[22] Cf. Luc Rasson, ‘Woorden zijn wapens. Over Robert Brasillach’, https://streventijdschrift.be/woorden-zijn-wapens-over-robert-brasillach/ : ‘Ik zocht coherentie en bijgevolg vond ik ze: Brasillach was een fascist, dus kwam het erop aan de romans zodanig te kneden dat ik ze het etiket “fascisme” kon toekennen. Overigens stel ik ontgoocheld mijn toenmalige ongevoeligheid vast voor historische nuance: ik gebruikte systematisch het begrip “fascisme”, ook wanneer ik nationaalsocialisme bedoelde, en dat is niet hetzelfde. Toch wil ik mijn vroegere ik niet verloochenen: ja, het irrationele, dat centraal staat in Brasillachs romans en zijn orgelpunt vindt in de beschrijving van de Reichsparteitag van 1937, speelde een grote rol in de verlokking die uitging van wat Susan Sontag fascinating fascism noemde; ja, er was wel degelijk een romantische stroming in Brasillachs denken die hem ertoe bracht de alledaagse werkelijkheid te willen esthetiseren en te streven naar een perspectief van verlossing en verbinding dat voor hem een concrete politieke gestalte kreeg in het nationaalsocialisme.’

Filip de Pillecyn als links-progressieve journalist
Oudheidkunde op maat
In het spoor van Sovjetschrijvers door Armenië