Het geluk van nabijheid. Hannah Arendt over vriendschap en democratie

Vrienden maken Hannah Arendt gelukkig. Ze koestert haar vele vrienden met brieven en frequente afspraakjes. Arendt kiest voor vrienden die zelf nadenken en geen meelopers zijn. Zij en haar vrienden zullen zich steevast terugtrekken uit situaties waarin van hen politiek correct gedrag wordt verwacht. In de ogen van Arendt zorgt vriendschap voor een open en vertrouwde sfeer en voor spontane gesprekken zonder hiërarchie. Wat vrienden gemeen hebben, is de wereld tussen hen in. Over die wereld moet het gaan, voor die wereld zijn ze samen verantwoordelijk. Dat noemt Arendt amor mundi, de liefde voor de wereld of het begaan zijn met de wereld. De gebeurtenissen in de wereld worden pas menselijk wanneer we ze kunnen delen en bespreken met vrienden. Daarom is vriendschap voor Arendt een democratische deugd.

Arendt geniet van haar gesprekken en brieven met vrienden. Naast vertrouwelijke nieuwtjes gaat het in haar brieven over actuele kwesties in de politiek en in de maatschappij. En de neerslag van die discussies in brieven, boeken, kranten en tijdschriften zet ook ruimere kringen in haar omgeving aan het denken.

 

De vriendschappen van Hannah Arendt

In mijn boek Het geluk van nabijheid. Hannah Arendt over vriendschap en democratie bespreek ik enkele van de belangrijkste vriendschappen van Arendt. De kwesties die tussen de vrienden besproken worden vinden dikwijls een vervolg in de publieke ruimte waar ze voorwerp van debat worden.

De vriendschap van Arendt met twee echtgenoten – Günther Anders (1902-1992) en Heinrich Blücher (1899-1970) – zal Arendt helpen om helder naar de problematiek van het nazisme en het totalitarisme te kijken. Tegelijk wordt ze met elk van beiden een fervente lezer van poëzie: met Anders leert ze houden van de filosofische poëzie van Rainer Maria Rilke en met Blücher van de politiek geïnspireerde poëzie van Bertolt Brecht. In beide relaties is er naast de aandacht voor elkaar en voor elkaars werk, ook veel discussie over hoe het er in de wereld aan toe gaat, meer specifiek tegen de achtergrond van het nazisme in Duitsland. Het huwelijk met Günther Anders loopt spaak. Hij wordt communist en Arendt heeft het sowieso moeilijk met vrienden die één of ander dogmatisch ‘isme’ aanhangen, zoals dat later ook het geval zal zijn met Joodse vrienden die kiezen voor het zionisme.

De zorg voor de wereld met elkaar delen, is essentieel voor haar concept van vriendschap. Daarom loopt het ook mis in de kortdurende passionele relatie van de jonge studente Hannah Arendt en Martin Heidegger, cultfiguur en gevestigd professor, die later na de machtsgreep van Hitler lid wordt van de nazi partij. In hun relatie zijn er voor Arendt maar twee rollen weggelegd: die van minnares en die van bewonderaarster van Heideggers werk. En vriendschap beoogt veel meer.

Er is de virtuele vriendschap van Hannah Arendt met twee Joodse vrouwen die al lang dood zijn: Rahel Varnhagen (1771-1833) en Rosa Luxemburg (1871-1919). Hannah Arendt kruipt in de huid en de levens van beide vrouwen en identificeert zich met hen, om op die manier de politieke kwesties van haar eigen tijd, beter te begrijpen. Rahel Varnhagen zal Arendt helpen om de positie van Jodin – en dus van Arendt zelf met het oprukkende antisemitisme in de jaren dertig – helder te krijgen. Verder bewondert Arendt Rosa Luxemburg om de goesting en de energie waarmee die in het leven staat. En ze deelt met haar het enthousiasme voor een radenrepubliek of een deliberatie-democratie. Dit is een basisdemocratie die voorziet in een rechtstreekse inbreng van burgers in het politieke beleid.

De vriendschap van Arendt met haar leermeester, de filosoof Karl Jaspers (1883-1969) blijft ondanks hun grote meningsverschillen over de politiek van het naoorlogse Duitsland, onverminderd. Arendt zal haar vriendschap met Jaspers heel haar leven blijven koesteren. In tegenstelling daarmee zal de aanvankelijk hechte en warme vriendschap tussen de filosofen en collega’s Martin Heidegger en Karl Jaspers hun verschillende opstelling in de oorlog niet overleven.

Hannah Arendt en Rosa Luxemburg vinden allebei vreugde in een bijzondere vriendschap met een vrouw, Hannah Arendt met Hilde Fränkel en Rosa Luxemburg met Sonja Liebknecht. Beide relaties onderscheiden zich van de andere vriendschappen die in het boek worden beschreven, omdat ze intiem erotisch en ook poëtisch van aard zijn. Ze bestaan voornamelijk uit brieven, omdat de politieke realiteit in die periode de vrouwen ruimtelijk van elkaar scheidt.

Ten slotte is er de hartsvriendin van Arendt, de Amerikaanse auteur Mary McCarthy (1912-1989) die romans vol ironie schrijft over de gewoonten van New Yorkse intellectuelen in de jaren vijftig en zestig van vorige eeuw. Het toeval wil dat twee boeken – Eichmann in Jerusalem van Arendt en The Group van McCarthy – in hetzelfde jaar (1963) onderwerp worden van een gigantische publieke polemiek. Maar beide vrouwen zullen elkaar bijstaan en ze zullen dankzij hun vriendschap deze orgie van kritiek trotseren.

 

De stormwind van het denken met elkaar delen

Als de stormwind van het denken je uit je slaap rukt, dan zal je zien dat je niets anders overhoudt dan verwarring. En het beste dat we daarmee kunnen doen is die met elkaar delen.’

‘Met elkaar delen’, daarmee bedoelt Hannah Arendt dat we onze verwarring en onze angsten, maar ook onze verlangens en dromen – al wat voortkomt uit de ‘stormwind van het denken’ – best met anderen delen, en in de eerste plaats met onze vrienden. Want bij vrienden kunnen we onze twijfels kwijt over de gang van zaken, privé en in de maatschappij. En bij vrienden kunnen we ook terecht om eigen opinies die nog onzeker zijn bij te schaven en te testen, vooraleer we ze publiek maken. Wanneer Arendt – zoals vele andere Joden – bij de machtsovername van Hitler in 1933 moet vluchten, eerst naar Parijs en later in 1941 naar New York, valt dat ‘met elkaar delen’, dat ‘met vrienden delen’ weg. Ze zal dan ook haar jeugdvrienden enorm missen.

Zo blijft Arendt lang in het ongewisse over het lot van haar goede vriend de filosoof Karl Jaspers, die tijdens de oorlog in Duitsland blijft met zijn Joodse vrouw. Het is wachten tot in oktober 1945 voor ze tot haar opluchting opnieuw een brief van hem ontvangt in New York.

Anne Mendelssohn, haar jeugdvriendin met wie ze als tiener bevriend raakt in haar geboortestad Königsberg, zal uitwijken naar Frankrijk. Anne en Hannah blijven heel hun leven vrienden.

Ook is er de taalkundige Walter Benjamin. Tijdens Arendts verblijf in Parijs raken beiden zeer nauw bevriend. Maar de Jood Benjamin pleegt zelfmoord aan de Spaanse grens, tijdens zijn vlucht voor de nazi’s.

Vervolgens is er Hilde Fränkel, een medestudente in Frankfurt van vóór de oorlog. In New York komen ze elkaar opnieuw tegen en groeit er een hechte intieme vriendschap tussen beiden. Net voor Fränkel in 1950 aan kanker sterft, schrijft Arendt haar een brief waarin ze zegt: Wie ich einmal ohne dich leben soll, mag ich mich nicht vorstellen.’ (Hoe ik ooit zal moeten leven zonder jou, kan ik me niet voorstellen.)

Dan is er de filosoof Hans Jonas. Arendt leert hem kennen in het voorjaar van 1924 in Marburg, waar ze alle twee college volgen bij de filosoof Martin Heidegger.  Het is in die eerste brief van Jaspers in oktober 1945, dat ze het verlossende nieuws krijgt dat Jonas nog leeft en opgedoken is in het uniform van het Engelse leger.

 

Hoe kunnen we het bestaan van vriendschap in de wereld verklaren?

 Al vroeg, als jonge filosofe, wanneer ze haar dissertatie schrijft bij Karl Jaspers, denkt Arendt na over een filosofie van vriendschap en liefde. Ze stelt in haar dissertatie de vraag hoe we het bestaan van liefde en vriendschap in de wereld kunnen verklaren. En ze zoekt daarvoor inspiratie bij de filosoof en kerkvader Augustinus (vierde en vijfde eeuw na Christus) en meer bepaald bij het liefdesbegrip dat Augustinus uitwerkt in zijn boek De Stad van God.

Augustinus begint zijn redenering met de bedenking dat mensen schepselen zijn die niet thuishoren in de wereld, die vreemden zijn in de wereld. Mensen leven wel in de wereld, ze lopen rond in de wereld zoals dieren, maar uiteindelijk zijn ze niet van de wereld. Dieren en planten zijn dat wel want die volgen instinctmatig de wetten van de natuur. Mensen daarentegen zijn de enige schepselen die zich van zichzelf en van de anderen bewust zijn en die zich bewust zijn van hun sterfelijkheid.

Ook de lievelingsdichter van Hannah Arendt, Rainer Maria Rilke, komt in zijn dichtbundel Duineser Elegien die Arendt grondig analyseert, tot dezelfde bevinding dat mensen niet thuis zijn in de wereld. Bijvoorbeeld in de vierde elegie:

Wij zijn niet één met onszelf. Zijn niet als

trekvogels op de hoogte. Laat en al ingehaald,

dringen wij ons plotseling aan winden op

en vallen neer op een onverschillige vijver.

Ook volgens Rilke is de mens een vreemde in de wereld, want hij leeft niet in harmonie met de natuur. Dieren doen dit wel, zoals trekvogels die in de winter feilloos het zuiden vinden. En omdat de mens niet op de hoogte is van de natuur – wij dringen ons plotseling op aan winden – blijft de natuur ook onverschillig ten opzichte van de mens – we vallen neer op een onverschillige vijver.

Na de vaststelling dat de mens zich niet thuis voelt in de wereld, stelt Augustinus de vraag of er misschien een universele band bestaat tussen mensen, of een specifieke saamhorigheid die geschikt is om deze wereldvreemde mensen doorheen een onverschillige wereld te loodsen. En Augustinus komt uit bij het christelijk principe van naastenliefde ‘Bemin uw naaste zoals uzelf’. Want zo redeneert hij, mensen verlangen in eerste instantie naar de liefde van God en naar het eeuwige leven. Maar om die liefde van God en dat eeuwige leven te verkrijgen, moet de mens zijn naaste liefhebben. Je kan God niet beminnen, aldus Augustinus, als je niet geeft om de mensen om je heen.

Hier dient Arendt Augustinus van repliek. De redenering van Augustinus past in een religieuze context, schrijft ze. Wanneer we echter buiten de religie op zoek gaan naar een universele verbondenheid tussen mensen, dan kan die op God gefocuste liefde van Augustinus de band tussen mij en de ander niet verklaren. Het is dan niet een verlangen naar God dat mensen verbindt, maar een verlangen naar vriendschap, naar gemeenschap, naar een thuis: mensen willen altijd ergens bij horen.

Hannah Arendt gebruikt voor dit verlangen naar vriendschap, naar ergens bijhoren, het mooie beeld van vrienden geschaard rond een tafel. Het is dankzij die tafel dat de vrienden met elkaar verbonden zijn, ze zitten rond dezelfde tafel, en ze delen met elkaar het gevoel ergens bij te horen, thuis te zijn. Maar de tafel verbindt niet alleen de vrienden, ze scheidt hen ook. Want iedereen zit op een andere plaats rond de tafel en kijkt vanuit een eigen invalshoek naar de tafel. Met andere woorden, er zitten vrienden met heel verschillende ideeën en overtuigingen rond de tafel. Elke mens is anders. Dat is de idee van pluraliteit bij Arendt. Wat Rilke in volgend gedicht over de liefde zegt, geldt volgens Arendt ook voor wat vrienden voor elkaar voelen wanneer ze samenzijn:

 We hebben in de liefde slechts dit ene:

elkaar te laten; want elkaar vasthouden

valt ons licht en hoeven we niet te leren.

Gesprekken onder vrienden rond de tafel zijn gemoedelijk, vertrouwelijk, ongedwongen, openhartig. Elkaar vasthouden en elkaar nabij zijn in een vriendschap valt ons licht, schrijft Rilke, dat is gemakkelijk, dat moeten we niet leren. Maar het gaat bij vriendschap ook om gevoelens van elkaar te laten. En dat is lastiger. Het betekent dat je afstand houdt ten opzichte van een vriend en dat je respect opbrengt voor zijn of haar opvattingen en keuzes. Want het is net dankzij dat respect, dat vrienden grondig van mening kunnen verschillen en toch met elkaar bevriend kunnen blijven. In een discussie loopt een vriend niet weg van de tafel, daarvoor is hij of zij immers een vriend.

In een brief aan haar Joodse vriend Gershom Scholem, met wie Arendt felle discussies voert over het zionisme, schrijft ze:

Voor mij zijn menselijke betrekkingen veel belangrijker dan publieke stellingnames. Weet dat een mens meer waard is dan zijn opinies. Eenvoudigweg omdat mensen de facto veel meer zijn dan wat ze denken of doen.

Hiermee legt Arendt de lat van vriendschap voor zichzelf hoog. Loyauteit ten aanzien van haar vrienden, gaat bij haar voor op om het even welke politieke, ideologische of religieuze overtuiging.

 

Identiteit groeit uit onze omgang met vrienden

 Iedereen wil wel een plek aan de tafel, wil wel ergens bijhoren. ‘Want’, zo schrijft Arendt, ‘zoals de gedachte groeit uit de omgang met onszelf, zo groeit identiteit uit onze omgang met vrienden.’ Ofwel, de keuze van en omgang met onze vrienden is beslissend voor wie we zijn, voor hoe we naar de wereld kijken, kortom voor wat ons uniek of eigen maakt, voor onze identiteit. Vriendschapsbanden krijgen zo een politiek belang. Want in een multiculturele samenleving heeft identiteit alsmaar minder te maken met een natuurlijke band – zoals familie, afkomst, ras, etniciteit – die voor eens en voor altijd vastligt. Vandaag vloeit identiteit veeleer voort uit levendige discussies tussen vrienden, uit de praktijk zelf van het democratische proces of uit de acties en de gesprekken waarmee vrienden – met soms heel uiteenlopende plannen voor de wereld – gebruikmaken van hun recht op communicatie en participatie in een democratie. Daarmee is identiteit vandaag  veeleer fluide, veranderlijk en afhankelijk van omstandigheden, toevalligheden en eigen keuzes.

Een Chinese Amerikaan en onderzoeker Engelse letterkunde aan de UGent is een voorbeeld van hoe een jonge generatie flexibel omgaat met identiteit. Na drie jaar in België keert hij binnenkort terug naar de VS. Hij zegt: ‘Aanvankelijk voelde ik me vervreemd … Maar nu zie ik identiteit liever als een vloeiend, veranderend perspectief op mijn wereld. Zo’n identiteit hoeft niet verbonden te zijn met één enkel land, regio of taal. Het is geen bepaalde keuze maar een voortdurend proces van kiezen.’

Maar wat gebeurt er precies wanneer we ons samen met vrienden een identiteit eigen maken? Hiervoor kijkt Arendt naar Kant. Volgens Kant begint dat proces met het nuanceren of bijstellen van het eigen denken door de uitwisseling van ideeën met anderen. Kant noemt dit ‘het verbreden van ons denken’. Tijdens zulke gesprekken, ontwikkelen we geleidelijk een bepaalde gevoeligheid, die Kant ‘sensus communis’ noemt. Dit is een soort gemeenschappelijk extra zintuig dat ons helpt om beter te begrijpen wat de ander bedoelt te zeggen, om de wereld te leren zien vanuit het standpunt van de ander. En naarmate dat zintuig gevoeliger wordt, worden we na verloop van tijd deelgenoot van een gemeenschap.

Dit vrije denken samen met anderen is in de ogen van Kant de belangrijkste politieke vrijheid. En Arendt sluit zich daarbij aan, wanneer ze schrijft: ‘Deze vorm van begrijpen – de wereld leren zien vanuit het standpunt van de ander – is hét politieke inzicht bij uitstek.’

Maar de wereld leren zien vanuit het standpunt van de ander, is vandaag allesbehalve evident. Er is veel polarisering. En veel mensen voelen zich ontworteld en vervreemd. Dat geldt voor nieuwkomers die hun eigen cultuur hebben moeten achterlaten. Maar dat geldt ook voor de oorspronkelijke bewoners die door de komst van migranten hun buurt niet meer herkennen. En iemand die zich niet thuis voelt in zijn directe omgeving, kan zich moeilijk openstellen voor anderen.

Alexander D’Hooghe, intendant bij het participatief project voor de overkapping van de Antwerpse ring, zegt het zo: ‘Ik heb geleerd dat je enkel inclusief kan zijn of open kunt staan voor de ander, als je fier bent op en je thuis voelt in je eigen gemeenschap.’

En Seppe Nobels, chef-kok die samen met nieuwkomers kookt, voegt hieraan toe: ‘Als iets van ons is en je bent er trots op, steek het dan in de lucht. En pas op, met ‘van ons’ bedoel ik: van ons allemaal’. Dus met inbegrip van de eet- en kookculturen van de nieuwkomers.

 

Vriendschap draagt bij tot democratie

Vriendschap draagt bij tot democratie. Want het gesprek is de essentie, zowel van vriendschap als van democratie. We kunnen slechts met weinigen intiem bevriend zijn, schrijft Arendt. Maar als burger in de publieke ruimte kunnen we de vriend van velen zijn. Vriendschap in de publieke ruimte maakt dat burgers elkaar kunnen vertrouwen en dat ze respect kunnen opbrengen voor elkaars meningen. De dichter Bart Moeyaert zegt het zo: ‘Als we met zijn allen zorg dragen voor de kring waarin we leven, onze vrienden en kennissen, dan is vriendschap als een olievlek met in haar zog democratie.’

In een democratie, schrijft Hannah Arendt, is het nodig dat we ons regelmatig bezinnen over de manier waarop we met elkaar zullen omgaan en samenleven. Maar ze geeft toe dat zo’n gezamenlijke reflectie over de staat van een democratie, allesbehalve evident is.  Politici hebben er immers moeite mee – en dat geldt zeker ook voor vandaag – om een individu te zien als een verantwoordelijke burger die zich samen met anderen wil bezinnen over en inzetten voor de publieke zaak. Politici bejegenen hun kiezers in de eerste plaats als consumenten die hun financiële belang najagen (hoger loon, pensioen, lagere belastingen …). Politici verdedigen zo de privébelangen van hun kiezers op dezelfde manier als een advocaat opkomt voor de belangen van zijn cliënten. En wanneer politici burgers reduceren tot ‘hun’ kiezers, dan is de kans groot dat ze vroeg of laat te maken zullen krijgen met malcontente consumenten. De publieke ruimte, de wereld die ons omringt en waarom we geven, lost dan op in een massa privé bekommernissen.

Daarom is de vraag relevant, hoe we de publieke ruimte kunnen herwaarderen en welke rol vriendschap hierin kan spelen. Arendt geeft drie suggesties:

Eerste suggestie. Kies buitenstaanders tot vriend. In het sprookje over de nieuwe kleren van de keizer durft alleen een kind het aan om vol naïeve verwondering te roepen dat de keizer in zijn blootje staat.  Dat kind charmeert Arendt.  Ze geeft de voorkeur aan vrienden die zelf nadenken, die geen meelopers zijn. Veel vrienden van Arendt zijn erop gebrand om de gangbare dogma’s en de politieke correctheid van hun tijd te ontmaskeren. Ze staan met beide voeten in de werkelijkheid, ze vertrouwen op de eigen ervaring en gaan niet mee in de waan van de dag. Zo zijn de vrienden van Arendt elk op hun manier buitenstaanders.

Tweede suggestie. Wees blij dat je vriend gelukkig is. Voor Kant en ook voor Arendt is vriendschap een morele opdracht. Het gaat over meeleven met de voorspoed van een vriend en over het aanmoedigen van elkaars kwaliteiten. Arendt geeft het goede voorbeeld met de vriendschap die ze voelt voor de Amerikaanse auteur Mary McCarthy, haar hartsvriendin in het New York van de jaren vijftig en zestig. Beide vrouwen zullen elkaar dapper steunen wanneer ze elk om de beurt bagger en haat over zich heen krijgen in de media omwille van de publicatie van een boek. Maar dankzij hun vriendschap zullen ze die kritiek overleven.

Derde suggestie. Accepteer dat je afhankelijk bent van je vrienden. Arendt schrijft dat afhankelijkheid van anderen dikwijls gezien wordt als een vorm van falen. Liever zijn we onafhankelijk, want dan zijn we sterk en de moeite waard. We maken ons vandaag heel erg druk over het grondwettelijk recht op vrije meningsuiting. Op de sociale media moet een individu alles kunnen zeggen en schrijven, van zijn of haar intiemste emoties tot en met het brutaal schelden op wie het niet met ons eens is. Terwijl er ook een grondwettelijk recht op vereniging, op het vormen van een gemeenschap bestaat. Daar gaat het dan om de vrijheid die burgers samen ervaren in de actie en in de dialoog met anderen. En dat is een vrijheid waarvoor we de anderen nodig hebben.

Die vrijheid, schrijft Arendt, zullen we steeds opnieuw moeten opeisen. Er zijn voldoende plekken nodig in de maatschappij, waar mensen samen op verhaal kunnen komen. En de praktijk leert dat die plekken ons niet zomaar zullen worden gegund. Burgers zullen die plekken telkens opnieuw moeten afdwingen.

 

Aan wie na ons komen

In de huidige praktijken van ad hoc burgerfora – zoals die steeds meer in Europa en in de VS worden ingericht – oordeelt een groep burgers over een maatschappelijke kwestie via de uitwisseling van argumenten, overleg en actie. Bedoeling is veelal een advies te formuleren aan de volksvertegenwoordiging en de regering. De ervaring leert dat het er vaak hard aan toegaat in zulke discussiefora. Maar er wordt ook veel gelachen. En stilaan groeit onder de deelnemers – met dikwijls heel verschillende achtergronden – een vriendschappelijke band. Steevast zeggen de deelnemers na afloop dat ze zich voor de eerste keer door de politiek echt gehoord weten.

Sophocles schrijft in Oedipus te Colonus: ‘Theseus, de legendarische stichter van Athene stelt de vraag wat het is dat gewone mensen, jong en oud, in staat stelt de last van het leven te dragen.’ En zijn antwoord luidt: ‘Het is de polis, de ruimte van de vrije daden en levendige woorden van burgers, die het leven glans kan geven.’

Zo gauw je de publieke ruimte betreedt, leert Hannah Arendt, word je als burger geboren. Daar verwacht Arendt veel van een participatieve democratie, waar politieke beslissingen in samenspraak met burgers worden genomen. Want wanneer we met elkaar praten, in elkaar geloven, elkaar vertrouwen – kortom vrienden worden – én ons door politici gehoord en gewaardeerd weten, kunnen we wonderen verrichten.

Bertolt Brecht rekent hiervoor op ons:

 

AAN WIE NA ONS KOMEN

 

Terwijl wij toch weten:

Ook de haat tegen laagheid

Verwringt het gezicht.

Ook de toorn tegen onrecht

Maakt de stem schor. Ach, wij

Die het terrein wilden effenen voor vriendelijkheid

Konden zelf niet vriendelijk zijn.

 

Jullie echter, als het zover zal zijn

Dat de mens voor de mens een helper is

Gedenk ons

Welwillend.

 

Reageren? Mail naar: lievegoorden@telenet.be

 

Lieve Goorden is Dr. Politieke en Sociale wetenschappen, Universiteit Antwerpen. Tijdens mijn loopbaan deed ik onderzoek en heb ik les gegeven over de maatschappelijke en ethische vragen bij nieuwe technologieën aan de Universiteit Antwerpen en TNO Delft.

 

 

 

Het geluk van nabijheid. Hannah Arendt over vriendschap...
‘Eén van de grootste geschenken van deze wereld’
De staat van uitzondering 1