Geachte redactie,

Ik bleef toch op m’n honger zitten toen ik de sympathieke getuigenis van Bruno Segers (‘Bekentenissen van een niet-echte katholiek’) in het september-oktobernummer 2018 van Streven las. Al die eminente denkers over God: als ze hun zegje hebben gedaan rest enkel nog de stilte. Die is mystiek, zeker; spiritueel, ongetwijfeld; misschien zelfs wel kosmisch, maar of die God voor niet beschouwend ingestelde mensen nog een rol van betekenis kan spelen in hun leven, wordt zo wel erg twijfelachtig. En – meer algemeen – nu is God wel uit zijn metafysische kooi bevrijd (om een term uit 1799 van Friedrich Schleiermacher te gebruiken), maar wat is eigenlijk de winst? God kan met zijn vrijheid niet veel aanvangen, want hij is uit het gewone leven verdwenen.

Ik snap dat eigenlijk niet zo goed, die fascinatie met de God der filosofen, waarbij theologie vooral een denkoefening wordt en geloven de allure aanneemt van een kosmisch gedachtenexperiment. De God van Abraham, Izak en Jacob (de enige met wie ik enige ervaring heb) is van een heel ander kaliber. Die is geen idee, ver weg, abstract. Die moeit zich intens met de mensen. Ook als Hij zich verbergt. Enfin, dat lees ik toch in de bronboeken van mijn geloof. Als ik die verhalen mag geloven, dan kleeft hem alle stof van de mensengeschiedenis aan. Sterker nog: Als Hij ten slotte laat zien wie Hij ten diepste is, en openbaart wat Hem echt ter harte gaat, dan verschijnt er een mens, een jood nog wel. In de verhalen die over Hem verteld worden, blijkt ook niets menselijks Hem vreemd. Hij maakt zijn handen vuil. Hij gaat zelfs dood. Gelukkig maar, voor de mens.

In plaats van ons in het spreken over God te richten op het meest algemene dat we over Hem (of Haar, maar het wordt bijna vanzelf: Het) kunnen zeggen, zouden we onze blikrichting misschien beter laten bepalen door de reeds genoemde verhalen waarin God een rol speelt. Dat is een zeer aardse focus, ik geef het toe. En er valt nog maar weinig te verhapstukken met zijnsfilosofen, laat staan met kosmologen, maar met echte menswetenschappers des te meer. Over deze God kun je niet in abstracto spreken. Het gesprek verliest z’n inhoud op het moment dat je Hem losmaakt van het menselijke doen en laten. Gedaan dus met discussies over zijn wezen, zijn bovennatuurlijk al-dan-niet bestaan en handelen. Gedaan ook met de kennisclaims die uit de verhalen die over Hem de ronde doen, worden afgeleid. ‘Al ons spreken over boven komt van beneden, ook als het zegt dat het van boven komt’, om een onlangs overleden Nederlandse theoloog te citeren. En ik voeg toe: ‘En al het spreken over God gaat over ons bestaan hier beneden, ook als het verhalen zijn over boven’. De werkelijkheid is één, materie èn geest, onverdeeld en ongescheiden. En al wat is, is niet te vatten in een simpel dualisme, maar is een complex netwerk vol interacties waardoor al wat is ook zelf weer verandert. Daarin is niets voorgoed vastgelegd (zoals de oude fysica en metafysica claimden), maar is alles constant in beweging, op zoek naar nieuwe evenwichten. Niet lineair causatief, maar zich ontplooiend in onderlinge afhankelijkheid. Als de ontwikkeling van de mens- en natuurwetenschappen ons iets hebben geleerd de afgelopen halve eeuw, dan toch wel dit.

Wil God in die wereld nog een rol van betekenis spelen, dan moet je over Hem spreken in een taal die bij die wereld past. Met respectvol zwijgen kunnen we niet volstaan, juist omdat anderen hun mond vol hebben over God en menen precies te weten wie Hij is, wat Hij van ons wil, en vooral wat Hij niet wil. Dit primitieve spreken over God klinkt steeds luider, en dient dus om Gods wil van stevig weerwerk voorzien te worden. Anders kunnen we de boeken maar beter sluiten.

En dat weerwerk, dat weerwoord is er. Ontdaan van de metafysica is God een personage in het verhaal dat de mens over zichzelf vertelt. In die verhalen is niet alleen God de onvatbare (dat is nogal logisch. Hij is God), maar is de mens zelf problematisch. Hij weet niet wie hij is. Hij moet zichzelf elke keer (in elke nieuwe situatie, in elke nieuwe tijd) opnieuw uitvinden. Als groep, maar ook als individu, persoon. En hij doet dat al sinds mensenheugenis door verhalen over zichzelf te vertellen, over de wereld waarin hij leeft, verhalen met kop en staart, met een begin en een einde, met een plot. In die verhalen probeert hij de tijd te overwinnen, door het verleden te bewaren en alvast te anticiperen op de toekomst. Zo construeert de mens zich al vertellend een identiteit en zo probeert hij een beetje grip te krijgen op zijn leven, op zichzelf en op de ander. En in dat verhaal is ooit – niemand weet wanneer – God opgedoken. Hij is onderdeel van de intrige, het plot, de mythe om het met Paul Ricoeur te zeggen. Door God in de intrige van het verhaal dat de mens over zichzelf vertelt, te trekken, werd dat verhaal sterker. De plot wordt complexer. Er kunnen meer spanningen in aangebracht worden, meer lagen. En hoe complexer het verhaal, hoe meer het klopt met het leven zelf, zoals dat gaat, en dat ons onherroepelijk ontsnapt, maar waarvan wij de uitdagingen onder ogen moeten zien, willen we toekomst hebben. De mens ‘mythologiseert’ dus, ook zonder God. De fout van de moderne theologie van de vorige eeuw is mijns inziens geweest dat men gemeend heeft omwille van het moderne wereldbeeld de bijbelse verhalen te moeten ont-mythologiseren, in plaats van de mythe als een menselijke verteltechniek te valideren.

Al vertellend, al mythologiserend, kent de mens betekenis toe aan het leven (die het leven sec bekeken, niet heeft). Hij geeft zich rekenschap van het verleden, hij weegt en wikt zijn daden, hij ontwerpt een toekomst. Die betekenis verzint hij niet, die heeft hij aangetroffen, in het verhaal dat hem door zijn (voor-)ouders is aangereikt, waarmee hij als kind vertrouwd werd gemaakt. Dat verhaal klopt niet, zo ontdekt hij gedurende het leven, natuurlijk niet. Het is maar een verhaal, het is het echte leven niet. Dat is te complex om in een sluitend verhaal te vatten. De idealen die hij heeft geleerd, ze laten zich niet zomaar realiseren. Ze richten ook schade aan. Dingen gebeuren, de situatie verandert. Hij zelf verandert naarmate hij ouder wordt. Wie is hij eigenlijk? Zijn ik blijkt ook maar een personage te zijn in zijn eigen verhaal. Hij kan niet anders dan het verhaal nog eens opnieuw vertellen, maar nu anders. Een ander perspectief zoeken, uitstijgen boven zichzelf, en kijken of je de dingen die blokkeren, wat kunt verschuiven, een plaats kunt geven, zodat je verder kunt.

Welnu. Ik weet niet hoe het met de andere religies zit, maar de christenheid bezit – met dank aan het jodendom – een rijkdom aan verhalen die de mens over zichzelf heeft verteld (Bijbel en traditie). Daarin gaat het over schijnbaar uitzichtloze situaties die ten goede kunnen keren (exodus-ervaringen). Over hoe je het verlangen kunt proberen vast te houden als er geen hoop meer is (ballingschap-ervaringen). Over de strijd tussen vaders/moeders en zonen (helaas weinig dochters, maar dit kan verholpen worden), over broers die elkaar naar het leven staan, vriendschap en verraad. Het gaat over het precaire evenwicht tussen macht en recht (koningen en profeten). Kortom verhalen over mens-wording. Als wij in ons eigen leven op verhaal willen komen, dan hebben we dus een rijke schat aan spiegelverhalen die we kunnen vertellen, hervertellen tot ons leven erin verteld wordt. In die verhalen speelt God een rol. Al vertellend stoort zijn aanwezigheid ook niemand. Suspension of disbelief geschiedt vanzelf als er een goed verhaal verteld wordt, en als het verhaal goed verteld wordt. God geeft het verhaal een grotere ampleur. De plot kan meer discordanties en obstructies verdragen zonder dat het verhaal vastloopt. De mens wordt erdoor uitgedaagd verder te kijken dan z’n eigen neus lang is. Hij wordt opgeroepen z’n zekerheden eens te herbezien, een ander perspectief in te nemen. Zelf komt hij niet op die gedachte. Daarvoor is hij veel te narcistisch. Daarvoor heeft hij een verhaal nodig.

Het strafste verhaal dat we hebben geërfd van onze voorouders is de vertelling over het leven, lijden en sterven van de joodse rabbi Jezus van Nazareth. Je hoeft helemaal niet te geloven dat God bestaat (in de simpele ontologische zin), om deze vertelling als één van de meest krachtige en heilzame mythen van de mensheid te horen. Tua res agitur. Dit is zeker het geval als de gevoelslaag van de vertelling ook nog eens in muziek is gevat, zoals de passiemuziek van de kerk vooral buiten de kerk wereldwijd bewijst. Het verhaal werkt. Zo speelt God een rol in het leven van mensen, een hoofdrol zelfs. Sterker nog, in dit verhaal, de passie, vervult Hij meerdere rollen tegelijk die eigenlijk niet te verzoenen zijn, en toch werkt het, als verhaal. God leeft in de verhalen en voor mij is Hij zo relevanter dan alles wat er over Hem in ontologische discussies gezegd en gezwegen wordt. Mensen kunnen namelijk prima zonder die God, maar niet zonder goede verhalen.

Dick Wursten