Een bespreking van de Mémoires van Raymond Aron

 

Raymond Aron, geboren in 1905 en overleden in 1983, behoorde tot de leidende intellectuelen, liberale denkers en sociologen, in Frankrijk en wereldwijd, van de tweede helft van de twintigste eeuw. Zijn werkte raakte aan vrijwel alle sociale wetenschappen en humaniora. Opgeleid als filosoof, gericht op de Duitse filosofie, schreef hij over Kant, Hegel en Heidegger; toen hij in de jaren 1940 veel meer belangstelling kreeg voor internationale politiek, schreef hij baanbrekende bijdragen op dat terrein, waarvan het hoogtepunt waarschijnlijk het enorme Paix et guerre entre les nations (1962) was, in 1966 in het Engels verschenen, en hooggeprezen door velen onder wie Robert McNamara en Henry Kissinger. Tijdens het Vichy-bewind en de erop volgende Duitse bezetting van heel Frankrijk verbleef Aron in ballingschap in Londen, politiek gezien vlakbij De Gaulle en zijn Free French Forces. Het liberalisme van Aron leidde, vooral na 1945, tot een sterk anticommunistische opstelling, en uiteindelijk tot een breuk met zijn vriend van de middelbare school, Jean-Paul Sartre, tot moeizame verhoudingen met veel linkse Fransen en communisten, en tot conflicten met beroemde jonge socialisten als Pierre Bourdieu of ervaren politieke wetenschappers als Maurice Duverger.

Zijn sociologische werk over de industriële samenleving – de Sovjetversie en de kapitalistische – was naar mijn mening uitstekend. Toen ik in de jaren 1970 de drie delen met colleges las die hij in late jaren 1950, vroege jaren 1960 had gegeven aan de Sorbonne (Dix-huit leçons sur la société industrielle; La lutte des classes: Nouvelles leçons sur les sociétés industrielles; Democratie et totalitarisme) was ik echt onder de indruk. Ook schreef Aron eersteklas studies over politieke denkers en sociologen als Durkheim, Machiavelli, Marx, Montesquieu, Pareto, Weber en Tocqueville. Het is een genoegen die te lezen, en sommige heb ik onlangs herlezen toen ik werkte aan mijn boek Visions of Inequality. Ik zou de intellectuele portretten van Aron op één lijn plaatsen met die geschreven door Keynes in Essays in Biography, zowel wat betreft inzicht in de denkwijzen van uiteenlopende schrijvers als in de verhouding tussen hun leven en denken.

Ook de combinatie van de academische loopbaan van Aron met de journalistiek is opmerkelijk. Na de Tweede Wereldoorlog werkte hij tien jaar alleen als journalist, overwegend voor Le Figaro, een rechtse, pro-katholieke krant, maar toen hij vervolgens overstapte naar een volledige academische loopbaan bleef hij politieke en economische kwesties bespreken in dag- en weekbladen. Voor een socioloog uit de jaren 1960 was hij bijzonder goed thuis in de economie; in feite was hij al tijdens de Grote Depressie begonnen met denken en schrijven over economie. Na 1968 werd zijn breuk met links, met communisten en (zoals hij hen noemde) paracommunisten definitief en onherroepelijk. Hij bleef enigszins een consigliere voor verschillende Franse politieke leiders, maar het is niet duidelijk of zij in de politieke praktijk al te veel aandacht voor Raymond Aron hadden. Zijn verhouding met De Gaulle bleef kil en afstandelijk.

Zoals blijkt uit deze lange, maar toch onvolledige schets van zijn leven, was Aron tijdens zijn lange loopbaan niet alleen zo’n zestig jaar getuige van de belangrijkste politieke gebeurtenissen in het Westen, maar hij had ook bijna iedereen gekend die iets voorstelde in de Franse, Engelse, Duitse en Amerikaanse sociale wetenschappen en politiek: van filosofen als Leo Brunschvics, Alexandre Kojève, Alain, en in zijn jeugd Henri Bergson, tot De Gaulle, Leon Blum, André Malraux, Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Paul Nizan, Roger Martin du Gard, Lionel Robbins, Friedrich Hayek, en James Burnham in zijn studiejaren en tijdens de oorlog; tot honderden anderen na de Tweede Wereldoorlog (van George Kennan tot Pierre Bourdieu, zijn assistent).

Zijn loopbaan was dus bijzonder, en hij was een bijzonder man. Maar wat kunnen we meer in het bijzonder zeggen over het boek met zijn memoires, vlak na zijn dood verschenen, waaraan Aron jaren moet hebben gewerkt, gegeven dat het duizend bladzijden lang is (met kleine letters en nauwelijks marges), en honderden citaten bevat uit zijn publicaties, en uit geschriften van de grote scharen die hem prezen of bekritiseerden. Veel van de documenten in het boek, of kleine anekdotes, moeten zijn bewaard, de eerste in hun fysieke vorm, de laatste mentaal opgeslagen of in korte aantekeningen genoteerd.

Ik zal dit immense boek vanuit drie gezichtshoeken bezien: de stijl van schrijven; politieke opvattingen; en academische bijdragen. Deze drie gezichtshoeken leidden tot heel verschillende resultaten.

 

De stijl

Voor een typisch Franse sociale wetenschapper en schrijver (et qui se veut tel) is dit boek geschreven in een buitengewoon alledaagse stijl, in weinig inspirerend proza. (Dit blijkt misschien het duidelijkst in de bepaald niet originele bespreking van de gebeurtenissen in 1968 in Frankrijk en elders.) Er zijn geen zinnen of passages die als zodanig de moeite van het citeren waard zijn omdat zij markante, ongewone of originele opmerkingen of ideeën bevatten. Misschien hoopte ik in de Mémoires van Aron overdenkingen te vinden als in de Mémoires d’outre tombe van Chateaubriand of in de Souvenirs van Tocqueville. Niets van dat alles. Terwijl de genoemde memoires met verve en schitterende elegantie zijn geschreven, met cynisme en gebruik van spot (met name door Chateaubriand), schrijft Aron steeds vlak en ogenschijnlijk onbewogen. Zelfs buitengewone gebeurtenissen als zijn querelle met Sartre en De Beauvoir, of later met Bourdieu, worden niet rechtstreeks besproken. Er is geen portret van deze mensen, van wie hij sommigen al kende sinds zij tieners (Sartre) of twintigers (Nizan, Malraux) waren. Zelfs in het boek vermijdt Aron openlijke meningsverschillen. Hij vermijdt een mening te geven over de personen met wie hij ruziede, en zelfs over degenen met wie hij het eens was. In plaatse van de ‘leven-en werk portretten’ die hij zo kundig schreef over Marx en Machiavelli, krijgen we onplezierige toespelingen over mensen die hij persoonlijk had gekend. Sartre zou, zonder dat te erkennen, een van de ideeën van Aron hebben gestolen voor zijn beroemde L’être et le néant  – wordt in een halve zin gezegd (blz. 174); vermijdt het gezelschap van mannen omdat hij niet bereid is te luisteren en discussiëren, en – impliciet – omdat vrouwen, en niet mannen hem bewonderen; schrijft ‘verraderlijke’ aanvallen en beweert alleen Dos Passos te bewonderen, ‘in het verre Amerika’, om ‘zijn [Franse] vakgenoten en rivalen’ te kleineren (blz. 602-603); Bourdieu, ‘een expert in universitaire intriges’(blz. 441); Duverger, die Aron psycho-analyseert, maar zijn opvattingen niet bespreekt.

Dit draagt niet overvloedig bij aan de grotere glorie van Aron. Veeleer dan onrechtstreeks met zijn verschillende ideologische tegenstanders te strijden door afleidingsmanoeuvres en ontwijken, zou het moediger zijn geweest als hij portretten van dergelijke mensen had geboden, vlekken inbegrepen. De lezer krijgt zo de indruk dat hij niet oprecht schrijft, of van slecht verborgen grote persoonlijke trots. IJdelheid blijkt uit de citaten, bij vlagen eindeloos, uit delen van zijn eigen boeken en artikelen, sommige van waarschijnlijk erg geringe betekenis, geschreven rond het midden van de jaren 1930 in verschillende kranten. Maar de ijdelheid vereist dat zij worden aangehaald, en valse bescheidenheid brengt Aron ertoe deze met zogenaamde objectiviteit te analyseren, door letterlijk losse zinnen na te lopen, bewerend dat sommige te optimistisch waren, maar andere precies juist; en dat de kwaliteit van een derde pas na verloop van tijd bleek, enzovoort. Deze misplaatste kritiek heeft in werkelijkheid precies het tegenovergestelde doel: te laten zien hoezeer hij altijd gelijk had.

Maar als het dit boek dan aan grandeur ontbreekt (een door Franse schrijvers zo hoog geprezen eigenschap), heeft het dan humor? Nee, bijna geen; geen lichtheid en eenvoud; nauwelijks ironie. Alles wordt op de meest ernstige manier geschreven. Zelfs zijn vroegste publicaties (toen Aron in de twintig was) worden behandeld als belangrijke filosofische teksten, zozeer dat een zuiver formeel briefje van een belangrijke filosoof uit die tijd, waarin hij bevestigt dat hij het nieuwe boek van Aron heeft ontvangen (maar nog niet de tijd had om het te lezen) door de inmiddels oude Aron met onverhulde trots wordt aangehaald. Men vraagt zich af waarom en hoe hij dergelijke, strikt genomen onbelangrijke briefjes verzamelde en bewaarde ondanks oorlog, bezetting, ballingschap in Engeland, verhuizingen binnen Frankrijk tussen Toulouse, Bordeaux en Paris. Om de een of andere reden wist de twintigjarige Raymond al dat hij beroemd zou worden en op latere leeftijd zijn memoires zou schrijven.

 

Politiek

De helft van het boek gaat over politiek; misschien zelfs meer, als we ook de bespreking van de economische efficiëntie van kapitalisme tegenover communisme meetellen, of de kritiek op het gebrek aan vrijheid in de communistische landen. Maar ook afgezien daarvan spelen de Franse en de Europese politiek vanaf ongeveer het midden van de jaren 1920 tot de jaren 1980 een enorme rol. Aron is er trots op dat hij steeds trouw is gebleven aan zijn liberale (in de Europese zin van het woord) en kosmopolitische overtuigingen. Terwijl dat in sommige gevallen zo is geweest, zijn er veel andere waar dit de vraag is – zelfs afgaande op wat hij zelf vertelt. Ik zal ingaan op verschillende van die gevallen.

Het Rijnland, 1936. Van de gebeurtenissen die zich voordeden tussen 1933 en 1936, wordt de militaire bezetting van het Rijnland door Hitler ondubbelzinnig afgewezen. De Franse regering wordt bekritiseerd, omdat zij geen troepen stuurde om de Duitsers te verdrijven. De juridische grondslag daarvoor zou het Verdrag van Locarno (demilitarisering van het Rijnland) zijn geweest. Maar dit argument is om verschillende redenen problematisch. Sterker nog, Aron schrijft uitgebreid over de onrechtvaardigheden in het Verdrag van Versailles, waaronder het verbod op de stationering van het Duitse leger in het Rijnland (blz. 51). Maar als dat toen onrechtvaardig was, waarom is dan vervolgens het remilitariseren van eigen gebied een misdaad? Bovendien was het meer dan naïef – zelfs volgens het eigen oordeel van Aron, in het bijzonder omdat hij Duitsland zo goed kende – te denken dat de Wehrmacht Hitler ten val zou brengen in een tijd dat hij de steun van 70 tot 80% van de bevolking had, en begon met het ontmantelen van een verdrag dat algemeen werd verafschuwd en als onrechtvaardig beschouwd voor Duitsland.

Spanje, 1936-1939. Over de Spaanse Burgeroorlog is Aron vooral terughoudend. Niet dat hij hem niet noemt, maar hij kan zichzelf er niet toe brengen de Republikeinen te steunen want dan zou hij aan dezelfde kant staan als de Sovjets en de communisten; noch de Nationalisten omdat zij bondgenoten van de Nazi’s waren. Vermijden partij te kiezen was waarschijnlijk in feite het steunen van de non-interventiepolitiek van Leon Blum en de Engelsen die voor Franco de overwinning inhield.

Een soortgelijke dubbelzinnigheid over München, 1938. Aron is geen voorstander van appeasement, noch van oorlog, in het bijzonder omdat het een oorlog zou zijn met als bondgenoot de Sovjets die hij veracht, en die hij bijzonder wantrouwt. Dus eenvoudig wat meer misbaar en verder niets – anders dan het aanroepen van de democratische bondgenoten van Frankrijk in Oost-Europa die in de steek werden gelaten. Waar wie zijn deze democratische bondgenoten? Afgezien van Tsjechoslowakije, geen. Polen werd geregeerd door een rechts militair bewind van één partij, Roemenië, Griekenland en Joegoslavië door autocratische koningen. Andere Oost-Europese landen waren bondgenoten van Duitsland, en Polen en Hongarije namen zelfs vrolijk deel aan het ontmantelen van Tsjechoslowakije. Dus waar zijn de democratische bondgenoten van Frankrijk die in München in de steek werden gelaten?

Laten we naar de dekolonisatie gaan.

            Indochina, 1946-1954. Aron is voorstander van de onafhankelijkheid van Vietnam, Cambodja en Laos, maar met het voorbehoud dat zij binnen de Communauté Francaise blijven. Maar wat betekent onafhankelijkheid binnen een Franse Unie werkelijk? Het argument voor dit voortgezette quasi-kolonialisme is van geopolitieke aard. Als Indochina nauwe betrekkingen met Frankrijk houdt, zal de Sovjet-‘buikspreekpop’ Ho Chi Min niet in staat zijn aan de macht te komen, en zal de vrijheid in Azië worden bewaard. Het is duidelijk dat een dergelijk argument ten gunste van een voortgezet kolonialisme tegenwoordig zo versleten is, dat het beschamend is het zelfs maar te noemen.

Suez, 1956. Hier wordt het nog erger. In beginsel was Aron tegen militaire actie tegen Egypte, maar omdat Nasser zich op ‘provocerende wijze’ gedroeg (het nationaliseren van een kanaal in zijn eigen land was een provocatie!) en onafhankelijkheid voor Algerije steunde, hadden de Fransen en Engelsen het recht op te treden. De Suez-invasie door Frankrijk, Engeland en het Verenigd Koninkrijk vond plaats in dezelfde tijd als de Sovjet-invasie die de Hongaarse revolutie neersloeg. Aron verzuimt op te merken dat precies hetzelfde argument uit de internationale politiek dat hij gebruikt om de aanval op Suez te rechtvaardigen kan worden gebruikt (en door de Sovjets ook werd gebruikt) om de onderdrukking van Hongarije te rechtvaardigen. En dan, bizar genoeg, ‘We zullen in Suez niet de oplossingen vinden voor de problemen in Tunesië, Marokko en Algerije. Onze enige hoop, onze enige kans, is dat de aanval [le coup] tegen de man die het Islamitisch fundamentalisme belichaamt [vermoedelijk Nasser] op onze gesprekspartners de indruk van uiterste moed zal maken die in die boodschap besloten ligt’ [dat wil zeggen in de militaire aanval].

Over Algerije, 1958-1965 had hij op spectaculaire wijze gelijk, en was hij moedig. Of hij nu de futiliteit inzag van pogingen het Franse rijk overeind te houden, dan wel de zin van de geschiedenis en natievorming, Aron was bereid de onafhankelijkheid van Algerije te aanvaarden, zelfs dringend. Hij schreef een vroeg boek, La tragédie algérienne, waarin hij in 1957 pleitte voor Algerijnse onafhankelijkheid. Waar er in het geval van Indochina een sterke uitvlucht was, waarin het recht op zelfbeschikking in beginsel werd aanvaard maar beperkingen aan haar politieke betekenis werden gesteld door de eis dat de nieuwe landen deel bleven van een bredere Westerse coalitie, bleef daarvan tien jaar later niets over. Aron is nu ondubbelzinnig voorstander van een einde aan de oorlog en van het toekennen van onafhankelijkheid, ongeacht de verwachte Franse exodus. Zijn houding is bijzonder moedig, omdat zij hem in conflict brengt met allen die hem eerder steunden. Links zal hem niet komen redden omdat hij dat al eerder, en bij vele gelegenheden, heeft afgezworen; rechts is woedend over zijn verraad. Dit was zijn beste moment.

De Franse Ost-Politik, jaren 1960. De min of meer algemene kritiek op het beleid van De Gaulle (vanaf diens ontkennen van enige legitimiteit aan het Vichy-bewind tot zijn opvatting over het referendum in 1958) neemt een heel krachtige en precieze wending in het verschil van mening over de openingen van De Gaulle naar de Sovjet-Unie en Oost-Europa. Aron verklaart deze meer uit ‘de psychologie van de Generaal dan uit politieke analyse’ (blz. 553), op deze manier de psychologische verklaring van de Grand Homme inbrengend die hij elders belachelijk maakt. De kritiek breidt zich uit naar de West-Duitse Ostpolitik, en zelfs naar de Akkoorden van Helsinki en de bij uitstek verstandige wens van Giscard d’Estaing de handel met de Sovjet-Unie uit te breiden. Het is aangetoond dat Aron ongelijk had. Het waren juist de economische en politieke contacten met de communistische regimes in het Oosten (waarvan vele weifelend trouw aan het Kremlin waren) die leidden tot verandering in Oost-Europa en de opkomst van Gorbachov. Het onverzoenlijke anticommunisme van Aron toont hier zijn praktische beperkingen en blindheid: om de ‘dreiging’ van het communisme voor West-Europa te bezweren, was een beleid van détente veel verstandiger en productiever dan het donkere anticommunisme en anti-Sovjetisme dat hij bepleitte.

Het volgende punt van kritiek is al te gemakkelijk, en noem ik in slechts één zin: dit boek, dat zozeer gaat over internationale verhoudingen, zegt bijna niets over China, India, Indonesië, Afrika, de Beweging van Niet-Gebonden Landen, de Nieuwe Internationale Economische Orde, Bandung, Mao, Zhou Enlai, Gandhi, Nehru, Nkhrumah, Kaunda, Soekarno… De ‘wereld’ blijft beperkt tot twee grootmachten, en drie kleinere Europese machten.

Zoals zoveel politici en politieke wetenschappers kon Aron – anders dan hij beweerde – geen consequente ideologische houding aanhouden. Kwesties waren moeilijk en troebel: binnenlandse en buitenlandse politiek beïnvloedden elkaar, idealen moesten worden bijgesteld, lapmiddelen verkozen boven keurige oplossingen, beginselen vergeten om misschien later toch te worden toegepast. Niets van dat al is verrassend. Maar niets van dat al – zelfs niet de helft – wordt aanvaard door Aron.

Academische publicaties

Omdat Aron pijnlijk gedetailleerd schrijft over bijna al zijn publicaties of die herhaalt, hebben we het geluk dat ook zijn meest belangrijke publicaties worden besproken. De meest interessante hoofdstukken daarvan vond ik die over zijn doceren van sociologie, de omgang met canonieke auteurs, en de bespreking van moderne industriële samenlevingen, hetzij gebaseerd op de markt, hetzij op planning. Zoals ik al opmerkte, denk ik dat dit uitstekende publicaties waren. Ik zal deze hier niet bespreken, behalve opmerken dat Aron een van de eersten was die het probleem van economische planning en productie in economieën van het Sovjettype goed begreep. Hij deed dat niet vanuit het gezichtspunt van Hayek, maar stelde veeleer vragen bij het nut, voor gewone burgers, van toename van het BNP die voortkomt uit de productie van duizenden tanks of duizenden tractoren die al snel nadat zij zijn gemaakt kapot gaan. Ook benadrukte hij de ineffectiviteit van geplande investeringen – een feit dat in de jaren 1970 heel duidelijk werd, maar tien of meer jaar voordien door velen niet werd herkend. De bekommernis van Aron was, denk ik, en hij kwam in dit opzicht dichter bij de waarheid dan Hayek, dat de grote groeicijfers gemeld door economieën van het Sovjettype op zich niet noodzakelijk vals waren; maar dat zij veel omvatten dat geen verschil maakte voor de welvaart van de bevolking, ofwel dat de hoge groei in feite groei van lage kwaliteit was, zodat wanneer elk paar schoenen maar een jaar meeging, de hoge jaarlijkse productie van schoenen (die overigens inderdaad bestond in de Sovjet-Unie) nauwelijks een verbetering in welvaart betekende.

Aron merkt op dat hij in de drie boeken (gebaseerd op zijn colleges aan de Sorbonne) minder kritisch was over samenlevingen van het Sovjettype dan in zijn andere publicaties en in zijn persoonlijke denken. Ik vond die precieze wetenschappelijke neutraliteit aantrekkelijk. Het analyseren van samenlevingen van het Sovjettype als op klasse gebaseerde Marxistische ideeën (beheer van de productiemiddelen, bevoorrechte plaats in de verdeling van meerwaarde), en ook als geregeerd door een elite waarin hij Pareto volgt, is de grote kracht van deze drie boeken. De tegenstelling tussen Marx en Pareto verheldert deze kwesties veel meer dan slechts een auteur gebruiken. Belangrijk ook was het inbrengen door Aron van de idee van een industriële samenleving die om te groeien – een doel dat beide typen van moderne industriële samenlevingen gemeen hebben – dezelfde economische problemen moeten ‘oplossen’: hoe de productie te organiseren, hoe mensen te stimuleren te werken, hoe de producten van dat werk te verspreiden.

De bijdrage van Aron aan de theorie van de internationale verhoudingen is gelegen in twee boeken: Le Grand Schisme (1948), en later, het monumentale Paix et guerre. Het is interessant dat hij erkent (blz. 386) dat een van de belangrijke ideeën die in Paix et guerre naar voren worden gebracht, dat van heterogene en homogene politieke systemen – het eerste waarin staten, hetzij in oorlog, hetzij in vredestijd, gebaseerd zijn op hetzelfde beginsel van legitimiteit; en het tweede waarin de beginselen van legitimiteit zelf verschillen – afkomstig is uit de dissertatie van de Griekse politicoloog Panagis Papaligouras. In de Mémoires gaat de bespreking van Paix et guerre grotendeels over nucleaire kwesties: de kracht van afschrikking, wederzijdse verzekerde vernietiging, flexible response, enzovoort, daarbij inbegrepen een bespreking van de betekenis van een onafhankelijke Franse force de frappe met kernwapens. Onderwerpen als de theorie van verhoudingen tussen staten en sociologie die de belangrijkste delen van Paix et guerre vormen, worden nauwelijks genoemd. Het is nogal verrassend (ten minste voor mij) dat ondanks het vele eerbetoon en de persoonlijke ontmoetingen die de auteur van Paix et guerre ten deel vielen, het boek nogal beperkt succes had in de Verenigde Staten, zowel onder academici als onder beleidsmakers.

 

Ik zou deze bespreking willen afsluiten met een persoonlijke noot. De Mémoires van Aron zijn geen boek dat ik zou aanbevelen om in zijn geheel te lezen aan iemand die niet volledig is toegewijd aan het bestuderen van de kleinste details van ofwel de Franse politieke, ofwel de intellectuele geschiedenis van de twintigste eeuw. Het is geen plezierig of gemakkelijk boek om te lezen. Het roept gevoelens van frustratie op, zelfs bij goedbedoelende en  gretige lezers. Men kan zich afvragen waarom een buitengewoon intelligent persoon, met zo’n ongeëvenaarde eruditie en ervaring in de politiek, in de academische wereld en de journalistiek, zou kunnen denken dat de beste manier om zich te presenteren aan het nageslacht een boek zou zijn van duizend bladzijden, waarvan er zeshonderd selecties zijn uit de meest obscure en de meest beroemde van zijn eigen publicaties. Moeten we aannemen dat memoires verzamelde werken zijn? De lezer beseft dat hij een onwillige deelnemer is in een project van zelfvergroting en egocentrisme; dat de ijdelheid van de auteur zo groot en allesoverheersend is ten nadele van de eigen belangen van de auteur – dat het onvermogen van de auteur gewone menselijke belangstellingen en gevoelens te begrijpen zo groot is dat men zich onvermijdelijk afvraagt: als er zo’n gebrek aan empathie is, hoe kunnen we er dan op vertrouwen dat de auteur in staat was de waarachtige motieven weer te geven van de verschillende politici die hij tijdens zijn lange en roemrijke loopbaan ontmoette?

.

PS. Ik wist niet dat er een nieuwe uitgave van de Mémoires van Aron was verschenen totdat ik die zag in een etalage in Geneve. Het was niet moeilijk mij te verleiden het te kopen.

 

(Vertaling: Herman Simissen)

 

Branko Milanović (°1953) is een Servisch-Amerikaanse econoom, onder meer verbonden aan de City University of New York en de London School of Economics. Hij is vooral bekend door zijn werk over inkomensverdeling en ongelijkheid. De oorspronkelijke tekst verscheen op 31 oktober jl. op https://branko2f7.substack.com/p/javais-toujours-raison en wordt hier met toestemming van de auteur in Nederlandse vertaling gepubliceerd.

‘J’avais toujours raison’
Brood en wijn
Een ‘politieke kosmos’? Over de pedagogie van straatnamen
Vier weggedeemsterde gedichten van Jorge Luis Borges in...
Wie knoeit is dapper
De metafysica van Moby-Dick
Het spoor dat achterblijft
Duivelse armoe
Dr. Morell en Patiënt A
Ziekte en Engagement
Christendom en burgerlijk gezag
Quinten Weeterings en de Posthistoire
Psychiatrische experimenten
Éric Michaud
‘Rwanda valt aan, Rwanda wordt niet aangevallen’ (Urwanda...
Dubbele politieke moord
‘Het is mijn innerlijk kind’
Wat vertellen we onze kinderen (niet)?
Brideshead Revisited en het katholicisme
Vagina monetaria dentata. Over onwelvaart van Steve Marryt
Mijn Queer Kruisweg
Een jurk vertelt
Cirkels in steen
Betje Wolff springlevend
Filip de Pillecyn als links-progressieve journalist
Numineuze slachtoffers
Wetenschap, een sisyfusarbeid
Nog een herdenking in 2025
De onverwachte val van Assad
Woorden zijn wapens. Over Robert Brasillach